id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.430 Rolnummer: A. 166178/X-12498 Zaak: Arrest 193430 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-09 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:09 Fiche Arrest nr 193.430 van 19 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.430 van 19 mei 2009 in de zaak A. 166.178/X-12.498. In zake : Johan GORDTS, die woonplaats kiest bij advocaat J. VERSTRAETEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Vaartstraat 68-70 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5, 2. de gemeente HERENT, die woonplaats kiest bij advocaat B. VANHORENBEEK, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Koning Leopold I-straat 41. D E VOORZITTER VAN DE Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan GORDTS op 19 september 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: 1. het besluit van 25 mei 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende gedeeltelijke goedkeuring van het deel van het vergunningenregister met betrekking tot verkavelingsvergunningen van vóór 22 december 1970, ingediend door de gemeente Herent voor de verkavelingen in kwestie waarbij de verkavelingsvergunning van 20 november 1963 (ref. gemeente: 5/1963/15- ref AROHM 111/FL/16) als vervallen wordt beschouwd, en 2. het besluit van 2 mei 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herent waarbij besloten wordt tot het verval van de verkavelingsvergunning met referentie gemeente 5/1963/15 - referentie stedenbouw 111/Fl/16 van 20 november 1963 afgegeven aan de heer Van Passel, wonende te Herent (Wijgmaal), Albert I laan 6, voor de percelen gelegen te Herent, Karrestraat, kadastraal bekend sectie E, nrs. 108/r en 108/o (thans afdeling 2 sectie E, nrs. 108/w, 108/y en 108/
- x)met vier loten waarvan de loten 1 en 2 uitgesloten zijn uit de verkaveling en de loten 3 en 4 zijn samengevoegd; X-12.498-1/7 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoeker en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 29 december 2008 waarbij wordt bepaald dat de zaak met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, door één lid van de kamer wordt behandeld; Gelet op de beschikking van 29 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN RENTERGHEM, die loco advocaat J. VERSTRAETEN verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat K. DE MULDER, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en die eveneens, loco advocaat B. VANHORENBEEK, verschijnt voor de tweede verwerende partij ; Gehoord adjunct-auditeur A. VAN DEN BROECK, daartoe gemachtigd bij beslissing van 31 oktober 2008 van de adjunct auditeur-generaal, in haar eensluidend advies. Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-12.498-2/7 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De verzoeker is sinds 4 februari 1992 eigenaar van een perceel grond gelegen aan de Karrestraat te Herent, kadastraal bekend sectie E, nr. 108/s (deel). 1.2. Voornoemd perceel grond maakte oorspronkelijk deel uit van een groter perceel dat toebehoorde aan de heer en mevrouw VAN PASSEL-SMEYERS. Op 31 juli 1963 bekomen deze laatsten een verkavelingsvergunning voor het opdelen van hun perceel in 2 loten, waarvan lot 2 overeenstemt met het huidige perceel van de verzoeker. Op 20 november 1963 verleent het college van burgemeester en schepenen van de tweede verwerende partij een nieuwe verkavelingsvergunning ter vervanging van de voornoemde vergunning van 31 juli 1963. Deze vergunning omvat naast de hiervoor genoemde gronden ook nog een naastliggend stuk grond en deelt het perceel op in 4 loten, waarvan de loten 3 en 4 als het ware een opsplitsing zijn van lot 2 uit de verkavelingsvergunning van 31 juli 1963. De verkavelingsvergunning van 20 november 1963 sluit de loten 1 en 2 uit de vergunning, zodat met deze verkavelingsvergunning wordt voorzien in loten 3 en 4. Op 22 november 1963 wordt de verkaveling in zijn geheel verkocht aan de heer en mevrouw VERBOOMEN-CRABBE. Vervolgens worden de gronden op 29 maart 1991 definitief toegewezen aan het echtpaar BOELS-DORMAELS, aan wie op 30 oktober 1991 een wijziging van de verkavelingsvergunning van 20 november 1963 wordt verleend. Met deze vergunning wordt de samenvoeging en perceelswijziging van de loten 3 en 4 beoogd. Het is dit perceel, zijnde de samengevoegde loten 3 en 4, dat op 4 februari 1992 door de verzoeker wordt aangekocht. 1.3. Op 15 juli 2000 maakt de verzoeker, met toepassing van artikel 192 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, bij de tweede verwerende partij melding van de niet bebouwde kavel uit een verkavelingsvergunning die dateert van vóór 22 december 1970. X-12.498-3/7 1.4. Bij besluit van 14 maart 2005 beslist het college van burgemeester en schepenen van de tweede verwerende partij dat de onbebouwde loten 3 en 4 van de verzoeker blijven behouden in de verkaveling en dat het vermoeden van verval wordt opgeheven. 1.5. Bij schrijven van 18 april 2005 richt de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich tot het college van burgemeester en schepenen voor bijkomende inlichtingen. In een bijlage bij dit schrijven wordt dit verzoek als volgt toegelicht: “verkoop van de verkaveling in zijn geheel stuit het verval van de verkaveling niet. Tot nu toe is geen bewijs geleverd van verkoop of bebouwing binnen de 5 jaar”. 1.6. Op 2 mei 2005 beslist het college van burgemeester en schepenen haar besluit van 14 maart 2005 in te trekken “naar aanleiding van het schrijven van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur van Afdeling Ruimtelijke Ordening te Leuven dd. 18 april 2005 om reden dat de verkoop van de verkaveling in zijn geheel het verval niet stuit. Er kunnen geen bewijzen geleverd worden dat de loten vervreemd of bebouwd werden binnen de 5 jaar na afgifte van de verkavelingsvergunning”. Op diezelfde datum besluit het college van burgemeester en schepenen dat de betrokken verkavelingsvergunning vervallen is. Dit is het tweede bestreden besluit. 1.7. Op 25 mei 2005 geeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zijn gedeeltelijke goedkeuring aan het deel van het vergunningenregister met betrekking tot verkavelingen van vóór 22 december 1970, ingediend door de tweede verwerende partij. Hierin wordt de verkavelingsvergunning voor de Karrestraat aangeduid als vervallen verkaveling. Dit is het eerste bestreden besluit. 1.8. Bij schrijven van 18 juli 2005 van de tweede verwerende partij wordt de verzoeker in kennis gesteld van de bestreden besluiten. 2. Ontvankelijkheid 2.1. In haar memorie van antwoord werpt de eerste verwerende partij volgende exceptie van onontvankelijkheid op: X-12.498-4/7 “De vraag stelt zich of de betwiste niet-opname in het vergunningenregister van de verkaveling en/of de gedeeltelijke goedkeuring van het vergunningenregister in toepassing van art. 192 van het Decreet van 18 mei 1999 een beslissing is in de zin van art. 14 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State. Uit art. 96 § 1, 1ste en 2de lid, DRO blijkt dat ‘het vergunningenregister een geïnformatiseerd gegevensbestand is over de perceelsgebonden informatie met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw op het grondgebied van een gemeente. Het bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente per kadastraal perceel een aantal gegevens. Het College van Burgemeester en Schepenen is, naar verluid van art. 98 DRO, ‘verantwoordelijk voor de overeenstemming van het vergunningenregister met de stukken die erin moet(
- en)worden opgenomen’. Wat betreft de verkavelingsvergunningen die dateren van vóór 22 december 1970, bepaalt art. 191, § 1, 3de lid, 4/ DRO dat ‘het ontwerp van vergunningenregister volgende gegevens bevat, zoveel mogelijk per kadastraal perceel en voor zover beschikbaar : ‘4/ Voor de verkavelingsvergunning(
- en)die dateren van vóór 22 december 1970 wordt aangeduid of de verkaveling geheel of gedeeltelijk vervallen is, en indien de verkavelingsvergunning niet vervallen is wordt vermeld op welk rechtsgrond het niet-vervallen van de vergunning voor de onbebouwde percelen gebaseerd is’. Net zomin als uit de andere vermeldingen in het vergunningenregister volgt uit het simpele feit van de opname van een vóór 22 december 1970 daterende verkaveling, niet dat niet meer zou betwist kunnen worden dat de vergunning niet vervallen is. Het enige gevolg van de opname in het vergunningenregister is dat het in art. 192, 1 ste lid DRO bedoelde vermoeden vervalt. In menige auditoraatsverslagen (...) wordt voorgehouden dat zowel uit de oorspronkelijke tekst van art. 192 als uit de op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing van toepassing zijnde tekst kan worden afgeleid dat een niet-melding, binnen een bepaalde termijn, voor gevolg heeft dat, uit kracht van de wet, de eigenaar van een niet-bebouwd perceel begrepen in een vóór 22 december 1970 daterende verkavelingsvergunning, van zijn vergunning of recht vervallen is verklaard. De nieuwe tekst van art. 192 DRO bracht enkel verduidelijkingen aan. De opname van een onroerend goed in het gemeentelijke vergunningenregister wijzigt dus niets aan de reële juridische toestand van dit gebied. Dit is evenzeer het geval voor degene die zich, wel tijdig hebben aangemeld, doch wiens verkaveling of percelen, zoals in casu, niet in het register worden opgenomen om reden dat zij als vervallen worden aangemerkt. Hieruit volgt dat de in casu betwiste niet-opname in het vergunningenregister geen voor vernietiging vatbare handeling is. De vordering tot nietigverklaring dient dan ook als niet-ontvankelijk te worden afgewezen”. De tweede verwerende partij werpt eenzelfde exceptie van onontvankelijkheid op. 2.2. Beide bestreden besluiten werden genomen in het kader van de opmaak van het vergunningenregister zoals voorgeschreven door de artikelen 191 en 192 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO). Luidens artikel 96, §1 DRO is het vergunningenregister X-12.498-5/7 een “geïnformatiseerd gegevensbestand over de perceelsgebonden informatie met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de stedenbouw op het grondgebied van een gemeente” dat “voor het hele grondgebied van de gemeente minstens de (in deze bepaling opgesomde) informatie per kadastraal perceel (bevat)”. Onder Hoofdstuk I “informatieverplichtingen” van Titel IV van hetzelfde decreet is in artikel 134, §3 bepaald dat het vergunningenregister toegankelijk is voor het publiek en dat uittreksels eruit verkregen kunnen worden. Uit deze bepalingen blijkt dat het vergunningenregister een louter informatief karakter heeft, en de inhoud ervan “geen invloed (heeft) op de stedenbouwkundige status” van het betrokken onroerend goed (Memorie van Toelichting, Parl. St. Vl. P. 1998-1999, stuk 1332, nr. 1, 79 en Verslag, Parl. St. Vl. P. 1998-1999, stuk 1332, nr. 8, 17), en dat het in artikel 135, §1 bedoelde stedenbouwkundig uittreksel “alleen maar vrijblijvende informatie bevat” (Verslag, Parl. St. Vl. P. 1998-1999, stuk 1332, nr. 8, 100). De vermeldingen in het vergunningenregister hebben aldus geen constitutief, maar een louter declaratoir karakter. Luidens artikel 192, §2 DRO, zoals vervangen bij decreet van 21 november 2003, en van toepassing op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, is de verkavelingsvergunning wat de kavel of kavels in kwestie betreft, definitief vervallen, enkel indien de eigenaar van een niet bebouwd deel van een verkaveling die dateert van vóór 22 december 1970, zich niet gemeld heeft bij het college van burgemeester en schepenen binnen een termijn van 90 dagen na 1 mei 2000. Luidens artikel 98 DRO is het college van burgemeester en schepenen overigens “verantwoordelijk voor de overeenstemming van het vergunningenregister met de stukken die erin moeten worden opgenomen”. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat een al dan niet vermelding in het vergunningenregister -ook al zou deze niet terecht zijn- de rechtstoestand van de betrokken eigendom niet vermag te wijzigen. De in casu betwiste opname in het vergunningenregister van de verkaveling van 20 december 1963 als vervallen, is geen voor vernietiging vatbare handeling. Aldus is niet alleen het eerste bestreden besluit, dat het vergunningenregister gedeeltelijk goedkeurt, maar a fortiori ook het tweede bestreden besluit, dat werd genomen met het oog op het opmaken van het vergunningenregister, een niet voor vernietiging vatbare akte. Het beroep is niet ontvankelijk. Vermits de tweede verwerende partij had aangegeven dat beroep bij de Raad van State openstond, komt het gepast voor de kosten van het beroep ten laste van die partij te leggen. X-12.498-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de tweede verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei 2009, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.498-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.430 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div