id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.442 Rolnummer: A. 191251/XII-5701 Zaak: Arrest 193442 - Wapens - 19/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-04 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:09 Fiche Arrest nr 193.442 van 19 mei 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.442 van 19 mei 2009 in de zaak A. 191.251/XII-
(2), 19 september 2000 en 20 augustus 2007. Het betreft louter processen-verbaal en geen strafrechtelijke veroordelingen. Verzoeker werd voor deze feiten nooit strafrechtelijk veroordeeld. Bijgevolg moet, op heden, worden aangenomen dat hij deze feiten nooit heeft gepleegd en hiervoor, tot bewijs van het tegendeel, onschuldig is. Dit geldt temeer, nu hij de meeste feitelijkheden formeel betwist. In zijn arrest van 21 september 2006 overwoog de Raad van State dat de overheid die de vergunningen voor verweervuurwapens van een persoon wil intrekken, het risico voor de openbare orde moet aantonen van het voorhanden hebben door deze persoon van deze vuurwapens. De loutere opening van een strafdossier bewijst niet dat hij een strafbare of zelfs maar verdachte gedraging zou hebben gesteld (R.v.St. nr. 162.607, 21 september 2006, APM 2006, afl. 8, 168). Ook in zijn arrest van 28 september 2007 overwoog de Raad van State dat het afwegen van het gevaar van iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid niet gelijk te stellen is met de directe vaststelling van een feit (R.v.St. nr. 175.184, 28 september 2007, CDPK 2008, 225). Het tegendeel beweren zou daarenboven leiden tot arbitraire beslissingen. Indien per hypothese een derde verzoeker in een kwaad daglicht zou willen plaatsen, kan die derde een totaal ongegronde klacht neerleggen bij de politiediensten. Deze laatste zullen een proces-verbaal opstellen. Dit proces-verbaal kan bezwaarlijk een element zijn ter staving van een potentieel gevaar ter verstoring van de openbare orde. Een proces-verbaal bewijst immers niets. Het is een loutere aktering door de politiediensten van welbepaalde feiten. Pas wanneer die feiten aanleiding geven tot een in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke veroordeling, wat uitsluitend gebeurt na tussenkomst van de rechtbanken en hoven, kunnen deze feiten voor waar worden aangenomen. 3.3. Verzoeker laat, volledigheidshalve, het volgende opmerken omtrent de feitelijkheden waartoe voormelde processen-verbaal aanleiding hebben gegeven. Vooraf moet worden onderstreept dat met uitzondering van het laatste proces-verbaal, de onderliggende feiten niet gerelateerd zijn aan wapendracht en/of misbruik van wapens. - Proces-verbaal nr. BG.37.50.100261/96 dd. 6 mei 1996 (verkrachting van een minderjarige). XII-5701-7/13 Deze klacht werd opgesteld in het kader van echtelijke moeilijkheden. Naar aanleiding hiervan werd geen vervolging ingesteld. De klacht werd geseponeerd. Dit dossier dient overigens gekaderd te worden in de periode 1996-1997 (i.e. volle post-Dutroux periode). Verzoeker verwijst naar de brieven van 31 januari 1997 en 1 december 1998 door de toenmalige raadsman van verzoeker aan het parket te Brugge (zie stukken 8 en 9). De inhoud ervan spreekt voor zich. - Proces-verbaal nr. BG.43.50.100260/96 dd. 6 mei 1996 (opzettelijke slagen en verwondingen). Ook dit dossier dient in zijn correcte context te worden geplaatst. Verzoeker is tussengekomen in een familiaal geschil teneinde vechtende partijen te scheiden. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker klappen gekregen. Deze feiten gaven aanleiding tot een proces-verbaal. Verzoeker heeft echter steeds staande gehouden dat hij niet de veroorzaker van dit geschil was. Hij heeft nooit opzettelijk slagen en verwondingen toegebracht. - Proces-verbaal nr. BG. 18.77.2554/2000 dd. 19 september 2000 (diefstal). Verzoeker heeft steeds ontkend iets met deze diefstal te maken te hebben gehad. Het is hem totaal onduidelijk waarover dit zou gaan. - Proces-verbaal nr. BG.3615.005276/2007 dd. 20 augustus 2007 (wederrechtelijk dragen van verboden wapens). Dit proces-verbaal werd opgesteld naar aanleiding van het dragen van een mes dat verzoeker tijdens een cafébezoek heeft getoond aan enkele omstaanders. Verzoeker heeft hiervoor een minnelijke schikking betaald. Dit mes werd echter nooit gebruikt met het oog op intimidatie en/of enig ander misbruik. 3.4. Tot slot is er de strafrechtelijke veroordeling van 19 januari 1999 in hoofde van verzoeker en dit wegens verboden wapendracht, weerspannigheid en inbreuken op het jachtdecreet. Verzoeker laat hieromtrent het volgende opmerken. - Deze beslissing is in kracht van gewijsde getreden. De hieraan ten grondslag liggende feiten worden niet betwist. - Deze beslissing is meer dan 10 jaar oud. - Verzoeker heeft sinds zijn veroordeling in 1999 geen enkel strafbaar feit meer heeft gepleegd. Dit bewijst dat er op vandaag geen enkel potentieel gevaar voor de openbare orde is (vgl. R.v.St. nr. 97.317, 29 juni 2001, APM 2001, afl. 7, 160 [...] : “Indien de enige reden tot weigering van een toekenning van een toelating tot het verwerven of het onder zich houden van een verweervuurwapen erin bestaat dat verzoekster reeds gepoogd heeft zelfmoord te plegen, maar uit het administratief dossier een ‘poging tot zelfmoord’ blijkt die meerdere jaren geleden is en dat sedert die feiten geen enkel ongunstig element lastens haar werd verzameld en het onderzoek gevoerd door de politie getuigt van haar familiale, professionele, financiële en sociale stabiliteit, is de motivering tot weigering in deze omstandigheden klaarblijkelijk onvoldoende.”). Dit laatste kan onder meer worden afgeleid uit: - het feit dat verzoeker bij besluiten van 14 september 2007 van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen twee wapenvergunningen werden toegekend (zie supra); - het feit dat zich ook nooit enig incident heeft voorgedaan in de vereniging waar verzoeker sinds 24 juni 2007 lid van is (zie stuk 10, een verklaring van de Sint-Hubertusschutters). 3.5. Ook met de navolgende stukken die aan de Federale Overheidsdienst werden toegezonden kan geen rekening worden gehouden: XII-5701-8/13 - enerzijds betreft het vonnissen en arresten van de jaren '80 en begin de jaren ’90 - anderzijds zijn zij, op enkele uitzonderingen na, niet gerelateerd aan wapendracht en/of misbruik van wapens. 3.6. Op basis van het bovenstaande wordt in de aangevochten ten onrechte besloten dat er in hoofde van verzoeker “ernstige problemen bestaan inzake algemene moraliteit en persoonlijkheid”. De beslissing dient dan ook te worden geschorst en vernietigd”. Beoordeling 3. De bepalingen van de wet van 8 juni 2006 waarvan het middel de schending aanvoert luiden als volgt : “Art. 11. § 1. Zonder een voorafgaande vergunning, verleend door de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de verzoeker, is het particulieren verboden een vergunningsplichtig vuurwapen of de daarbij horende munitie voorhanden te hebben. Deze vergunning kan slechts worden verleend na advies, binnen drie maanden na de aanvraag, van de korpschef van de lokale politie van de verblijfplaats van de verzoeker. De beslissing moet met redenen worden omkleed. De vergunning kan worden beperkt tot het voorhanden hebben van het wapen zonder munitie en ze is slechts geldig voor één wapen. Indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren of de wettige reden ingeroepen om de vergunning te bekomen, niet meer bestaat, kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene de vergunning volgens een door de Koning bepaalde procedure bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings bevoegd voor deze verblijfplaats.” “[Art. 11.] § 3. De vergunning wordt slechts verleend aan personen die voldoen aan de volgende voorwaarden : 1/ meerderjarig zijn; 2/ niet zijn veroordeeld als dader of medeplichtige wegens een van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 1/ tot 4/; 3/ niet het voorwerp zijn geweest van een beslissing die een behandeling in een ziekenhuis beveelt, zoals bedoeld in de wet van 26 juni 1990 betreffende de persoon van de geesteszieke; 4/ niet geïnterneerd zijn geweest met toepassing van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten; 5/ niet het voorwerp zijn van een lopende schorsing en niet het voorwerp geweest zijn van een intrekking met nog actuele redenen, van een vergunning tot het voorhanden hebben van of het dragen van een wapen; 6/ een medisch attest voorleggen dat bevestigt dat de aanvrager in staat is een wapen te manipuleren zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen; 7/ slagen voor een proef betreffende de kennis van de toepasselijke regelgeving en het hanteren van een vuurwapen, waarvan de modaliteiten worden bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit; 8/ geen meerderjarige persoon samenwonend met de aanvrager verzet zich tegen de aanvraag; 9/ een wettige reden opgeven voor de verwerving en het voorhanden hebben van het betrokken wapen en de munitie. Het type wapen moet overeenstemmen met XII-5701-9/13 de reden waarvoor het gevraagd wordt. Deze wettige redenen zijn, onder de door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit te bepalen voorwaarden :
- a)de jacht en faunabeheersactiviteiten;
- b)het sportief en recreatief schieten;
- c)de uitoefening van een activiteit die bijzondere risico's inhoudt of het voorhanden hebben van een vuurwapen noodzakelijk maakt;
- d)de persoonlijke verdediging van personen die een objectief en groot risico lopen en die aantonen dat het voorhanden hebben van een vuurwapen dit groot risico in grote mate beperkt en hen kan beschermen;
- e)de intentie een verzameling historische wapens op te bouwen;
- f)de deelname aan historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke activiteiten. Zijn evenwel onontvankelijk, de aanvragen ingediend door personen die niet voldoen aan de voorwaarden van 1/ tot 4/, 6/ en 8/, evenals zij die geen wettige reden opgeven zoals voorzien in de bepaling onder 9/.” “Art. 13. Indien blijkt dat het voorhanden hebben van de in artikel 12 bedoelde wapens de openbare orde kan verstoren, kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene en de Minister van Justitie indien het een persoon zonder verblijfplaats in België betreft, het recht om het wapen voorhanden te hebben bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken. Dit doet hij na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement waar de betrokkene zijn verblijfplaats heeft en volgens een procedure bepaald door de Koning. [...]”. 4. Verzoeker stelt vooreerst dat de voormelde wettelijke bepalingen klaar en duidelijk zijn en dat de bestreden beslissing ten onrechte rekening houdt met de “algemene moraliteit” (omzendbrief van 8 juni 2006) en de “karakteristieken van de persoonlijkheid van de aanvrager, inzonderheid in het gezin of elders, de geestesgesteldheid en zedelijkheid” (gecoördineerde omzendbrief van 30 oktober 1995). Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat aan verzoeker het bezit van wapens wordt ontzegd, omdat er aangaande zijn “algemene moraliteit en persoonlijkheid ernstige problemen bestaan”, omdat hij blijk ervan heeft gegeven “geen respect te hebben voor de regelgeving in het algemeen, en in het bijzonder deze die betrekking heeft op de openbare orde en veiligheid”, en omdat zijn gedrag niet de vereiste waarborgen biedt “waardoor het voorhanden hebben van een vuurwapen een gevaar kan betekenen voor [hem]zelf, voor anderen en voor de openbare orde en veiligheid”. XII-5701-10/13 Verwerende partij heeft, door zich op die overwegingen te steunen, geen voorwaarden aan de wet toegevoegd. Uit de aangehaalde wetsbepalingen volgt immers dat het particulier wapenbezit slechts kan worden toegelaten indien het geen gevaar oplevert voor de openbare orde. De verwerende partij miskent die bepalingen niet wanneer zij bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid oplevert, rekening houdt met zijn algemene moraliteit en persoonlijkheid. 5. Verzoeker betwist vervolgens dat er in zijn geval ernstige problemen zouden bestaan inzake algemene moraliteit en persoonlijkheid. Hij doet inzonderheid gelden dat er aanvankelijk, in september 2007, blijkbaar geen bezwaren waren, dat er ten onrechte rekening wordt gehouden met “louter processen-verbaal”, dat de betrokken feiten betwist worden of gerelativeerd moeten worden, en dat de strafrechtelijke veroordeling van 19 januari 1999 evenals de andere vonnissen en arresten van lang geleden dateren. 6. Inderdaad zijn er aan verzoeker bij besluiten van 14 september 2007 door de gouverneur twee wapenvergunningen toegekend. Blijkens de aanhef van de besluiten gebeurde dat op basis van een gunstig advies van de lokale politie Regio Tielt. Zeer kort nadien is evenwel naar aanleiding van de vergunningsaanvraag voor een aantal andere vuurwapens gebleken dat verzoeker mogelijk toch niet aan de voorwaarden voor het toestaan van particulier wapenbezit voldeed. Reeds op 28 september 2007 werd in dit verband door de gouverneur aan de procureur des Konings om advies gevraagd. In die omstandigheden gaat het niet op om uit de, kennelijk al te haastige, toekenning van de wapenvergunningen op 14 september 2007 zonder meer te concluderen dat de bestreden beslissing ten onrechte aanneemt dat er in hoofde van verzoeker ernstige problemen bestaan vanwege zijn algemene moraliteit en persoonlijkheid. 7. Volgens verzoeker mocht de verwerende partij bij haar beoordeling geen rekening houden met de processen-verbaal van 6 mei 1996, 19 september 2000 en 20 augustus 2007, aangezien hij voor deze feiten nooit strafrechtelijk veroordeeld werd en derhalve geacht moet worden onschuldig te zijn. Bovendien zijn, met uitzondering van het laatste proces-verbaal, de feiten die tot de processen-verbaal aanleiding gaven niet gerelateerd aan wapendracht of misbruik van wapens. XII-5701-11/13 Er bestaat geen bezwaar tegen dat het bestuur bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, rekening houdt met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. Het strafrechtelijk vermoeden van onschuld staat daar niet aan in de weg. Dit belet evenwel niet dat het bestuur zijn beslissing moet steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Te dezen maakt de beslissing weliswaar melding van twee processen-verbaal uit 1996 en een proces-verbaal uit 2000, maar uit de motivering kan worden opgemaakt dat verwerende partij er zich uiteindelijk niet effectief op heeft gesteund. Integendeel geeft de motivering aan dat verwerende partij haar beoordeling heeft gebaseerd op een aantal veroordelingen wegens inbreuken op de verkeerswetgeving, een veroordeling wegens het bezit van een verboden wapen en twee veroordelingen wegens inbreuken op de jachtwetgeving, evenals op een proces- verbaal van 20 augustus 2007 wegens het wederrechtelijk dragen van een verboden wapen, voor welk feit een minnelijke schikking werd aanvaard. Dit laatste feit, dat verzoeker niet betwist, is het enige van de door de bestreden beslissing werkelijk in aanmerking genomen feiten dat niet tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid. 8. Het is juist, zoals verzoeker beweert, dat de strafrechtelijke veroordeling van 19 januari 1999 meer dan tien jaar oud is en dat de andere vonnissen en arresten dateren “van de jaren ’80 en begin de jaren ’90”. Dit impliceert echter niet ipso facto dat zij niet meer relevant kunnen zijn. Uit het proces-verbaal van 20 augustus 2007 blijkt dat verzoeker recent nog een inbreuk op de wapenwetgeving heeft begaan, meer bepaald het dragen van een verboden wapen. Naar hij zelf aan de politie verklaarde was hij, toen hij het wapen aan andere cafébezoekers toonde, “boven [z]ijn theewater” omdat hij, voor het eerst sinds tien jaar, alcohol had gedronken, terwijl hij wegens het gebruik van morfine en kalmeringsmiddelen geen alcohol mag drinken. Naar aldus blijkt, heeft de verwerende partij zich niet uitsluitend op minder recente gegevens gesteund, maar heeft zij ook rekening gehouden met actuele gegevens, in het licht waarvan de minder recente gegevens niet ieder belang kan worden ontzegd. XII-5701-12/13 9. Het middel is niet gegrond. De vordering tot schorsing 10. Waar hierna meteen reeds uitspraak wordt gedaan over verzoekers beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing van 3 december 2008, heeft hij vanzelfsprekend geen belang meer erbij om die beslissing nog geschorst te zien worden in afwachting van een uitspraak ten gronde. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei 2009, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5701-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.442 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div