id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.451 Rolnummer: A. 62964/X-10010 Zaak: Arrest 193451 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-05 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:09 Fiche Arrest nr 193.451 van 20 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.451 van 20 mei 2009 in de zaak A. 62.964/X-10.
- In zake : de b.v.b.a. HOCHE, gevestigd te 3800 SINT-TRUIDEN, Borloweg 37 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat R. VAN RIET, kantoor houdende te 9250 WAASMUNSTER, Nijverheidslaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. HOCHE op 24 maart 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 1 februari 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende verwerping van het beroep van H. HOCHE, namens de b.v.b.a. HOCHE, ingesteld tegen de beslissing van 19 januari 1994 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij de vergunning is geweigerd voor het ontbossen en wijzigen naar akkerland van een perceel gelegen te Sint-Truiden (Kerkom), “Aan de Gingelomse Weg”, kadastraal bekend sectie B, nr. 141/d; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 7 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; X-10.010-1/9 Gelet op de beschikking van 16 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van de heer Guy HOCHE, zaakvoerder; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 16 augustus 1991 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt Hubert HOCHE namens de verzoekende partij aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Truiden een regularisatievergunning voor het rooien van een bos en het wijzigen van de bestemming van bos naar akkerland voor een perceel gelegen “aan de Gingelomse baan”, kadastraal bekend sectie B, nr. 141/d. 1.
- Het perceel is overeenkomstig de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 april 1977 vastgestelde gewestplan Sint-Truiden- Tongeren gelegen in agrarisch gebied. Het perceel is niet gelegen in een gebied waarvoor een bijzonder plan van aanleg bestaat, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
- Op 17 maart 1992 vordert de gemachtigde ambtenaar het herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat overeenkomstig artikel 65, §1, a) van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Op 15 december 1992 wordt Hubert HOCHE door de correctionele rechtbank van Hasselt veroordeeld tot een geldboete. Tevens wordt het herstel van de plaats bevolen door middel van heraanplanting van het betrokken X-10.010-2/9 perceel met zomereiken (6 meter van de perceelgrens met als plantafstand 1,5 meter tussen de rijen en 1 meter in de rijen) binnen het jaar na het in kracht van gewijsde treden van het vonnis. Er wordt een dwangsom van 3000 fr. per dag opgelegd. De verzoekende partij heeft beroep aangetekend tegen dit vonnis. 1.
- Op 25 maart 1993 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies, waarvan het beschikkend gedeelte luidt als volgt: “ONGUNSTIG : door haar bestemming brengt de ontworpen kapping de goede ordening van de plaats in het gedrang. Volgens het gewestplan is het betrokken terrein gelegen in een agrarisch gebied. Het inrichtingsbesluit dd. 28.12.72 betreffende de gewestplannen regelt het gebied in art.
- Gelet op het ongunstig advies van het Bestuur Natuurbehoud en Ontwikkeling waarbij wordt geeist de oorspronkelijke toestand te doen herstellen. Derhalve besluit ik tot weigering van de vergunning”. 1.
- Op 30 maart 1993 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Truiden de bouwvergunning. Op 21 april 1993 stelt de Hubert HOCHE tegen deze weigeringsbeslissing administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg. 1.
- Op 25 juni 1993 bevestigt het hof van beroep van Antwerpen, bij verstek, het vonnis van de correctionele rechtbank van Hasselt. De verzoekende partij tekent verzet aan tegen dit arrest. 1.
- Op 19 januari 1994 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg het ingestelde administratief beroep op grond van volgende overwegingen: “Gelet op het beroep dat is ingesteld door de heer H. Hoche, Borloweg 37 te 3800 St.Truiden tegen de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de stad St.Truiden, dd. 30 maart 1993 (ref. 874.1.B-219/91/1276), waarbij een vergunning is geweigerd voor het rooien van een bos op het kadastraal perceel, Sectie B, nr. 141 d langs een ruilverkavelingsweg in de deelgemeente Kerkom; Gelet op het beroep dat is aangetekend bij brief, dd. 21 april 1993, bij de post afgegeven op 22 april 1993; Gelet op de beslissing van het College die aan de belanghebbende werd betekend op 8 april 1993; Gelet op het beroep dat is aangetekend binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van die beslissing en daarom ontvankelijk is; X-10.010-3/9 Gelet op het feit dat het perceel overeenkomstig het bij Koninklijk Besluit van 5 april 1977 goedgekeurd gewestplan St.Truiden-Tongeren gelegen is in een agrarisch gebied; Gelet op het feit dat er voor het deel van het gemeentelijk grondgebied, waar het perceel gelegen is, geen goedgekeurd algemeen noch bijzonder plan van aanleg bestaat; Gelet op het GUNSTIG advies van het Schepencollege, dd. 16 augustus 1991 luidende als volgt : ‘...aangaande de in titel vermelde bouwovertreding hebben wij de eer u te melden dat ons Schepencollege in zijn vergadering van 18 augustus 1991 heeft beslist dat als middel tot herstel een regularisatiedossier kan ingediend worden...’; Gelet op het advies van de gemachtigde ambtenaar waarop de weigering van de vergunning gesteund is, luidende als volgt : ONGUNSTIG : dd. 25 maart 1993 ‘...Door haar bestemming brengt de ontworpen kapping de goede ordening van de plaats in het gedrang. Volgens het gewestplan is het betrokken terrein gelegen in een agrarisch gebied. Het inrichtingsbesluit van 28 december 1972 betreffende de gewestplannen regelt het gebied in artikel
- Gelet op het ongunstig advies van het Bestuur Natuurbehoud en Ontwikkeling waarbij wordt geëist de oorspronkelijke toestand te doen herstellen. Derhalve besluit ik tot weigering van de vergunning...’; Gelet op het GUNSTIG advies van de Provinciale Landbouwdienst dd. 19 oktober 1993 luidende als volgt : ‘...
- Situatie ter plaatse : a. Het bosperceel ‘De Nieuwe Bos’ (1 ha, 4are, 88ca) werd gekocht door BPA HOCHE van Baron de Vinck en werd gerooid in september
- Volgens de eigenaar bestond het bos uit canada’s met een verwilderde onderbegroeïing. Het zou gaan om een 40-50 jarig bos dat fungeerde als schuilbos voor het wild. De intentie van de heer H. Hoche, zaakvoerder BPVA Hoche, is om een homogeen rechthoekig perceel te bekomen zodanig dat de kleinzoon, die momenteel de Tuinbouwschool te St.Truiden volgt, deze percelen na zijn studies zou kunnen bewerken (fruitplantages, akkerbouw). b. Omgeving : Het perceel ligt midden van een golvend agrarisch gebied (tegenover de Nat.Proeftuin voor Grootfruit). De streek wordt getypeerd door zijn uitgestrektheid, met grote stukken akkerland en laagstamfruitplantages.
- Ligging en gewestplannen : Het perceel is gesitueerd binnen een uitgesproken agrarisch gebied. Het is aangeduid als loofhoutbos met kreupelhoutbegroeïing.
- Adviezen : a. Dienst Ordening Platteland : gunstig advies omwille van het open, homogeen, agrarisch karakter en omwille van de herstrukturering door de ruilverkaveling. b. Bestuur Natuurbehoud en Ontwikkeling : ongunstig c. Stadsbestuur St.Truiden : weigering bouwweigering.
- Beroep : Aanvrager gaat in beroep tegen de weigering van een vergunning voor de regularisatie voor het rooien van een bos en het wijzigen van de bestemming van bos naar akkerland.
- Besluit : Om welk type bos het ging kon niet meer worden vastgesteld omdat het betreffende bos reeds gerooid was. Landbouwkundig gezien is het rooien van het bos, gelegen temidden van een uitgestrekt landbouwveld, X-10.010-4/9 verantwoord omwille van een efficiënte werking en om mogelijke wildschade te minimaliseren. Vanuit landbouwkundig oogpunt zijn wij voorstander om breekpunten in het landschap te voorzien. Ter compensatie van het rooien van het bos, adviseren wij om op de berm (holle weg) langs het perceel een streekeigen beplanting te voorzien en een aantal solitair-bomen aan te planten op markante punten van het perceel(hoeken) die dan in de toekomst als relict kunnen fungeren. Land(schaps)bouw is niet enkel het verleden wegvegen en monotonie nastreven maar ook toekomstgericht denken door nieuwe natuur een kans te geven. Samenvattend geven wij dan ook een gunstig advies op voorwaarde dat er een compensatie gebeurt door de beplanting op de talud...’; Gelet op de wens van de beroeper om gehoord te worden, dat alle partijen werden opgeroepen; dat op het onderhoud dd. 06-01-1994 -de heer H. Hoche is verschenen; Gelet op het onderzoek dat ter plaatse werd ingesteld; Overwegende dat het beroep ertoe strekt vergunning te bekomen voor het rooien van een bos langs een ruilverkavelingsweg in de deelgemeente Kerkom; Overwegende dat het betreffende perceel gesitueerd is in het open ruilverkavelingsgebied tussen de dorpskom van Kerkom en de dorpskom van Gingelom; Overwegende dat op het perceel 52 canadabomen werden geveld; dat terzake een proces-verbaal opgesteld; dat de gemachtigde ambtenaar het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand eist; dat dit voorstel kan bijgetreden worden; Overwegende dat de aanvraag volgens het gewestplan St.Truiden-Tongeren gesitueerd is in de zone agrarisch gebied; dat deze gebieden, overeenkomstig artikel 11 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen bestemd is voor de landbouw in de ruime zin; dat de betreffende zone ten zuiden van de dorpskern van Kerkom wordt gekenmerkt door akkerbouw afgewisseld met kleine beboste percelen; dat in dit geval een landschapsvormend element wordt tenietgedaan en dienvolgens de visuele kwaliteit van het gebied ernstig wordt verstoord; Overwegende dat het beroep niet kan worden ingewilligd. (...)”. 1.
- Op 1 februari 1995 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden het door Hubert HOCHE ingestelde administratief beroep tegen de weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie.
- De ontvankelijkheid 2.
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie van niet-ontvankelijkheid op. X-10.010-5/9 Zij stelt enerzijds dat er geen ontvankelijk middel wordt geformuleerd, omdat geen omschrijving wordt gegeven van de geschonden geachte rechtsregel. Anderzijds argumenteert ze dat het verzoekschrift geen uiteenzetting van de feiten bevat. 2.
- Artikel 2, § 1, 2), thans artikel 2, § 1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : het procedurereglement) vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en middelen” bevat. De uiteenzetting van een rechtsmiddel vereist dat zowel de rechtsregel wordt aangeduid die volgens de verzoekende partij werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing werd geschonden. Hoewel een rechtsmiddel bestaat uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel, is niet vereist dat in het verzoekschrift de wetsbepalingen worden weergegeven die zouden zijn geschonden. Het is wel vereist dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing wordt aangegeven, opdat een middel ontvankelijk zou zijn. Het verzoekschrift is als volgt gesteld: “(...) dat het bestreden besluit nietig is wegens machtsoverschrijding en schending van de wet en de beginselen van behoorlijk bestuur; dat de ontbossing werd uitgevoerd vóór het Bosdecreet van 13.06.1990 van toepassing was; dat de meeste bomen al ziek waren, toen verzoekster het bos aankocht en dus hoe dan ook gerooid moesten worden; dat geen advies werd gevraagd aan het Bestuur Landinrichting en Beheer, Dienst Ordening Platteland, doch enkel aan de Dienst Waters en Bossen; dat het advies van eerst genoemde dienst niettemin evenzeer relevant was, gelet op de wijziging tot akkerland; dat verzoekster niet in gelijke mate werd behandeld als andere omliggende eigenaars, die eveneens een bestaand bos hadden gerooid en het niveau van de grond hadden gewijzigd, o.m. de eigenaars Timmermans en Hayen, en aan wie wel een vergunning werd verleend”. De eerste twee alinea’s betreffen feitelijke vaststellingen die niet als een grief kunnen worden beschouwd. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat “geen advies werd gevraagd aan het Bestuur Landinrichting en Beheer, Dienst Ordening Platteland”, moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij nalaat aan te geven welke rechtsregel dit advies voorschrijft. De verzoekende partij beperkt zich dienaangaande tot een loutere bewering die op geen enkele wijze wordt X-10.010-6/9 geconcretiseerd. Een dergelijke grief beantwoordt niet aan een ontvankelijk middel zoals vereist door artikel 2, § 1, 3/ van het procedurereglement. Uit de laatste alinea blijkt dat de verzoekende partij het gelijkheidsbeginsel geschonden acht. Hoewel dit middel slechts summier wordt toegelicht, is het voldoende duidelijk geformuleerd om als een ontvankelijk middel beschouwd te worden. 2.
- Voorts werpt de verwerende partij op dat het verzoekschrift niet ontvankelijk is omdat het geen uiteenzetting van de feiten bevat. De zin van de door artikel 2, § 1, 3/ van het procedurereglement voorgeschreven uiteenzetting van de feiten ten aanzien van de verwerende partij bestaat erin haar recht van verdediging te vrijwaren. Is de uiteenzetting dermate summier dat de verwerende partij niet in staat is te weten welke feiten de verzoekende partij relevant acht ter ondersteuning van haar annulatiemiddelen, moeten de annulatiemiddelen wegens onduidelijkheid onontvankelijk worden verklaard. Uit de memorie van antwoord van de verwerende partij blijkt evenwel dat zij met kennis van zaken en met verscheidene argumenten het door de verzoekende partij aangevoerde middel bestrijdt. Hieruit kan worden opgemaakt dat de omstandigheid dat de verzoekende partij de feitelijke gegevens niet heeft vermeld, de rechten van verdediging niet in het gedrang heeft gebracht. 2.
- De exceptie is niet gegrond.
- Ten gronde 3.
- In het enige middel voert de verzoekende partij de schending van het gelijkheidsbeginsel aan. Zij stelt dat zij “niet in gelijke mate werd behandeld als andere omliggende eigenaars, die eveneens een bestaand bos hadden gerooid en het niveau van de grond hadden gewijzigd, o.m. de eigenaars Timmermans en Hayen, en aan wie wel een vergunning werd verleend”. In haar memorie van wederantwoord herneemt zij in wezen deze summiere uiteenzetting en voegt zij daar aan toe dat indien de verwerende partij voorhoudt “dat deze vergelijkbaarheid c.q. discriminatie niet voldoende is aangetoond, (...) door het auditoraat een aanvullend onderzoek (kan) worden gedaan of overlegging van stukken (kan) worden bevolen”. Zij stelt dat zij als particulier X-10.010-7/9 “immers onmogelijk de administratieve dossiers van de zaken Timmermans en Hayen (kan) bijbrengen”. 3.
- Het gelijkheidsbeginsel is geschonden indien in rechte en in feite voldoende vergelijkbare gevallen ongelijk zijn behandeld, zonder dat er voor die ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. De verzoekende partij die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, moet dit in het verzoekschrift met voldoende concrete en precieze gegevens aantonen. 3.
- De verzoekende partij beperkt zich dienaangaande tot een verwijzing naar twee naburige eigenaars die wel een vergunning zouden verkregen hebben voor het rooien van een bos en een wijziging van niveau. De verzoekende partij reikt evenwel geen nadere gegevens aan in verband met de vergelijkbaarheid van die vergunningen met de door haar gevraagde vergunning, in verband met het tijdstip van die vergunningen en in verband met de concrete ligging en de bestemming van de betrokken gronden ten opzichte van het perceel van de verzoekende partij. Het is in die omstandigheden voor de Raad van State niet mogelijk om na te gaan of de gevallen waarnaar de verzoekende partij verwijst, zowel in rechte als in feite, voldoende vergelijkbaar zijn met de situatie van de verzoekende partij. 3.
- Anders dan de verzoekende partij zich dat voorstelt, komt het de Raad van State niet toe om zelf de nodige onderzoeksdaden te stellen met betrekking tot de schending van het gelijkheidsbeginsel, te meer daar de verzoekende partij zelf nalaat de elementaire beschikbare feitelijke gegevens voor te leggen met betrekking tot de door haar gelaakte ongelijke behandeling. 3.
- Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-10.010-8/9 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig mei 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-10.010-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.451 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div