← België

Arrest 193459 - Penitentiair recht - 21/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.459 Rolnummer: A. 192662/IX-6367 Zaak: Arrest 193459 - Penitentiair recht - 21/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-27 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:09 Fiche Arrest nr 193.459 van 21 mei 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.459 van 21 mei 2009 in de zaak A. 192.662/IX-

  1. In zake : Idries TARGALI die woonplaats kiest bij advocaat N. Lorenzetti kantoor houdende te Brugge Langestraat 87 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Met een enig verzoekschrift van 20 mei 2009 vordert Idries TARGALI bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Directeur van de Strafinrichting te Brugge - Mannenafdeling I van 19.05.2009 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd: 1 week strikt van de voorwaardelijke straf komt in uitvoering met behoud van bezoek, werk en telefoon, van 20.05.2009 tot en met 26.05.
  2. Aanvang tuchtsanctie: 20/05/2009”; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 mei 2009, om 14.00 uur; Gelet op de beschikking van 21 mei 2009 waarbij aan verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend voor wat betreft de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid; Gehoord het verslag van staatsraad S. De Taeye; IX-6367-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. Lorenzetti, die verschijnt voor verzoeker, en van attaché X. Laureyns, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. Eylenbosch; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. De verzoeker is gedetineerd sedert 6 juni 2000 en verblijft in de strafinrichting Brugge - Mannenafdeling
  5. 1.
  6. Sinds 4 februari 2008 is de verzoeker in de voorwaarden om de strafuitvoeringsmodaliteiten beperkte detentie en elektronisch toezicht aan te vragen. Sedert 2 augustus 2008 verkeert hij in de tijdsvoorwaarden tot voorwaardelijke invrijheidstelling. 1.
  7. In een vonnis van 2 maart 2009 van de Strafuitvoeringsrechtbank te Gent, wordt verzoekers verzoek tot beperkte detentie en elektronisch toezicht afgewezen. Eerder, bij vonnis van 28 juli 2008, werd zijn verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling verworpen. 1.
  8. Nadat de verzoeker reeds op 27 januari 2009 en 1 maart 2009 tuchtsancties kreeg opgelegd wegens de feiten respectievelijk omschreven als “jojo” en “weigeren order directeur”, wordt hem op 6 maart 2009 een tuchtsanctie opgelegd voor het “telefoneren met code medegedetineerde/verstoren orde/beschuldigen personeel van diefstal”. De ingevolge deze feiten opgelegde tuchtsanctie luidt als volgt : “1 mnd. strikt waarvan 2 w voorwaardelijk voor een periode 2 mnd. Dwz strikt van 07-03 t/m 20-03-09 en 2 w voorwaardelijk tot 19-05-09”. 1.
  9. Op 14 mei 2009 stelt de penitentiair beambte Vanpraet lastens de verzoeker het volgende rapport aan de directeur op : “Omstreeks 07.u45 na dokters bezoek keerden Targali en Minih terug richting sectie. Ze bleven echter praten in de gang. Na duidelijk te maken dat ze terug moeten keren, blijft hij echter lekker doordoen. Na een tweede verwittiging keert hij richting sectie IX-6367-2/7 35A, en doet gebaren van dat hij bang is, wegwerpgebaren, uitdagende gebaren, en keert terug naar cel.”. 1.
  10. Op dezelfde dag deelt de attaché gevangenisdirecteur M. Dysers aan de verzoeker mee dat tegen hem een tuchtprocedure wordt opgestart en dat hij op 19 mei 2009 omtrent de ten laste gelegde feiten zal worden gehoord. 1.
  11. Op 19 mei 2009 wordt de verzoeker en zijn raadsman met betrekking tot de voormelde feiten gehoord en wordt hem, diezelfde dag, door de attaché gevangenisdirecteur M. Steenbergen de volgende tuchtsanctie opgelegd : “1 week strikt van de voorwaardelijke sanctie komt in uitvoering met behoud van bezoek, werk en telefoon, van 20/05 tot en met 26/05/2009 Aanvang tuchtsanctie : 20/5/2009”. De motivering van deze beslissing luidt als volgt : “Overwegende dat betrokkene de feiten minimaliseert, en dat zijn broer enkel de vergeten ring wou halen; Overwegende dat uit het rapport duidelijk blijkt dat betrokkene zich niet op een sociaal aanvaardbare manier heeft uitgedrukt; Overwegende dat de elementaire beleefdheid dient gerespecteerd te worden; Overwegende dat betrokkene nog een voorwaardelijke sanctie staan heeft”. Dit is de bestreden beslissing. 1.
  12. Aan de gedetineerde Minih Adil, eveneens betrokken bij het voormelde incident, wordt op 19 mei 2009 de volgende tuchtsanctie opgelegd : “3 dagen individuele wandeling, van 20/5 tot en met 22/05/
  13. Aanvang tuchtsanctie : 20/05/2009”.
  14. De grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. IX-6367-3/7
  15. De voorwaarde van de ernstige middelen 3.
  16. Het eerste middel 3.1.
  17. Het aangevoerde eerste middel De verzoeker neemt een eerste middel uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij betoogt dat de motivering juist moet zijn en de ten laste gelegde feiten bewezen moeten zijn verklaard, terwijl dit geenszins het geval is nu de verzoeker geen enkele inbreuk heeft begaan. De verzoeker licht toe dat alles berust op een misverstand, meer dat een foutieve gedraging in hoofde van de penitentiair beambte aan de basis van het tuchtrapport ligt, dat het rapport dan ook geen juiste weergave van het gebeurde bevat, dat evenmin is ingegaan op verzoekers vraag de beambte op te roepen, dat er geen redelijk verband bestaat tussen de feiten en de beslissing, dat de motivering ook niet afdoende is. De verzoeker voegt daaraan toe dat een tuchtprocedure absoluut niet noodzakelijk was en dat een simpel gesprek met hem had kunnen volstaan. Tenslotte meent de verzoeker, onder verwijzing naar de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005, dat de motivering niet toelaatbaar is want gesteund op een niet passende houding van de strafinrichting zelf. Door vanachter glas te staan roepen en geen gebruik te maken van de parlofoon werd de reactie van verzoeker immers uitgelokt. 3.1.
  18. Beoordeling 3.1.2.
  19. De verzoeker betwist vooreerst het bestaan van de tuchtinbreuk. Het komt niet aan de Raad van State toe, wanneer hij moet oordelen over een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een tuchtmaatregel, om zelf een onderzoek te voeren naar het bewijs van de aan de betrokkene ten laste gelegde tuchtfeiten en uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van die feiten moet worden beschouwd. Wel kan hij nagaan of de tuchtoverheid op basis van de haar voorliggende gegevens naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen en tot het bewezen zijn van die feiten heeft kunnen besluiten. 3.1.2.
  20. Te dezen blijkt uit het rapport van 14 mei 2009 van de penitentiair IX-6367-4/7 beambte die de tuchtfeiten heeft vastgesteld dat de verzoeker, nadat hem en zijn medegedetineerde Minih werd duidelijk gemaakt dat ze terug dienden te keren, “lekker (bleven) doordoen”, dat de verzoeker na een tweede verwittiging “richting sectie 35A keert” en “gebaren (doet) van dat hij bang is, wegwerpgebaren, uitdagende gebaren” en vervolgens terugkeert naar zijn cel. De verzoeker brengt geen enkel gegeven aan, dat hij ook aan de tuchtoverheid heeft voorgelegd, dat kan doen twijfelen aan de waarheidsgetrouwe rapportering van de gebaren waarvan hij toen blijk heeft gegeven. Evenmin volgt dit laatste, zoals de verzoeker voorhoudt, uit enige zich in het dossier bevindende “bevestiging” van de stelling van de verzoeker door de medegedetineerde Minih. In de huidige stand van de rechtspleging lijkt dan ook te moeten worden aangenomen dat de tuchtoverheid op grond van het haar voorgelegde rapport tot het bewezen zijn van de aan de verzoeker ten laste gelegde gedragingen vermocht te besluiten. 3.1.2.
  21. Het komt voorts niet aan de Raad van State toe om in de plaats van het bestuur te oordelen of de voormelde gebaren inderdaad niet beantwoorden aan de elementaire beleefdheid en niet sociaal aanvaardbaar zijn. De Raad kan enkel nagaan of het bestuur in redelijkheid tot dit oordeel is kunnen komen. De verzoeker toont de kennelijke onredelijkheid van deze beoordeling niet aan. Zijn betoog dat de penitentiair beambte, door geen gebruik te maken van de parlofoon, een fout heeft begaan, kan daartoe op het eerste gezicht niet volstaan. Een bevel om terug te keren kan immers middels een eenvoudig gebaar duidelijk worden gemaakt, terwijl zelfs een gebeurlijke misvatting hieromtrent het gedrag van de verzoeker, op het eerste gezicht, niet lijkt te verantwoorden en de kennelijke onredelijkheid van de kwalificatie van dit gedrag als “niet beantwoordend aan de elementaire beleefdheid” en “niet sociaal aanvaardbaar” niet aantoont. 3.1.2.
  22. Het betoog van de verzoeker dat de motivering van het bestreden besluit, ingevolge het niet gebruiken van de parlofoon, ontoelaatbaar is, want in strijd met het gestelde in de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005, luidens dewelke “de tuchtsanctie niet mag gebaseerd zijn op niet passende houdingen van de overheid zelf”, kan evenmin worden bijgetreden. Daargelaten de vraag in hoeverre een gedetineerde zich op een schending van de bepalingen van de omzendbrief kan beroepen tot staving van een beroep tot vernietiging of een vordering tot schorsing, komt het niet-gebruik van de parlofoon bij het geven van een bevel tot terugkeer, dat middels een eenvoudig gebaar duidelijk kan worden gemaakt, op het eerste gezicht, niet voor als een niet-passende houding van de overheid die tot de onwettigheid van het bestreden besluit zou moeten leiden. IX-6367-5/7 3.1.2.
  23. Gelet op het voorgaande is de door de verzoeker aangevoerde omstandigheid dat de verwerende partij niet op zijn vraag tot oproeping of tot het horen van de penitentiair beambte is overgegaan, op het eerste gezicht, niet van aard het bestreden besluit te vitiëren. De verzoeker toont verder niet aan welke argumenten de verwerende partij niet heeft beantwoord, wat volgens hem tot de onwettigheid van het bestreden besluit zou moeten leiden. 3.1.2.
  24. In de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht staat het tenslotte niet aan de Raad van State om zijn oordeel over de gepastheid van de tuchtstraf in de plaats te stellen van het oordeel van de bevoegde tuchtoverheid. De Raad van State kan enkel nagaan of die overheid geen sanctie heeft opgelegd die in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. Te dezen beperkt de verzoeker er zich toe de afwezigheid van enig redelijk verband tussen de feiten en de beslissing te poneren, zonder de kennelijke wanverhouding concreet aannemelijk te maken. Het middel is niet ernstig. 3.
  25. Het tweede middel 3.2.
  26. Het aangevoerde tweede middel De verzoeker neemt een tweede middel uit de schending van de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005, zoals gewijzigd door de ministeriële omzendbrief nr. 1782 van 15 maart
  27. Volgens de verzoeker volgt uit de aanhef van die omzendbrief dat het beroep op de tuchtprocedure beperkt moet blijven tot de gevallen waarin het gedrag van een gedetineerde een gevaar is voor de orde en veiligheid van de inrichting, terwijl verzoekers gedrag geen dergelijk gevaar heeft opgeleverd. Door onmiddellijk een tuchtprocedure op te starten werd de voormelde ministeriële omzendbrief geschonden. 3.2.
  28. Beoordeling Daargelaten opnieuw de vraag in hoeverre een gedetineerde zich op een schending van de bepalingen van de omzendbrief kan beroepen tot staving van een beroep tot vernietiging of een vordering tot schorsing, toont de verzoeker niet aan dat zijn gedrag, dat blijkens het onderzoek van het eerste middel door de verwerende partij op het eerste gezicht terecht als niet aan de elementaire beleefdheid IX-6367-6/7 beantwoordend en niet sociaal aanvaardbaar werd gekwalificeerd, geen gevaar voor de orde en de veiligheid van de inrichting zou hebben uitgemaakt. Het middel is niet ernstig.
  29. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  30. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  31. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig mei 2009, door : de HH. S. DE TAEYE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. S. DE TAEYE. IX-6367-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.459 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.743 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.