← België

Arrest 193523 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.523 Rolnummer: A. 184907/XIV-29768 Zaak: Arrest 193523 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-24 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 03:10 Fiche Arrest nr 193.523 van 26 mei 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.523 van 26 mei 2009 in de zaak A. 184.907/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat O. PIRARD, kantoor houdende te 4800 VERVIERS, Rue des Minières 15 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 23 augustus 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 946 van 23 juli 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1330 van 25 september 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-29.768-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEPOVERE, die loco advocaat O. PIRARD verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché S. DUPONT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 28 augustus 2006 en zich op 1 september 2006 vluchteling verklaart; dat die aanvraag op 24 oktober 2006 ontvankelijk wordt verklaard; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 24 januari 2007 beslist dat de verzoekende partij niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kan worden erkend en niet voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van die wet in aanmerking komt; Overwegende dat de verzoekende partij op 9 februari 2007 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 23 juli 2007 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet en “fout in het algemeen beginsel van recht van de motivatie van de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen” opwerpt; dat zij de punten 6.1., 6.2 en 6.
  4. van het bestreden arrest en artikel 48/4, § 1 en § 2, van de Vreemdelingenwet citeert en aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de argumentatie van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet kan volgen omdat de verzoekende partij niet dezelfde redenen heeft gegeven om de vluchteling- enstatus of de subsidiaire beschermingsstatus te krijgen, dat zij een specifieke motivatie voor de erkenning van de subsidiaire beschermingsstatus heeft gegeven, met name dat er, ongeacht het al dan niet recente verblijf in Tsjetsjenië, sowieso een gegronde vrees voor vervolging in Tsjetsjenië en in andere Russische regio’s bestaat en dat haar “propiska” enkel voor Grozny geldt en er dus geen “intern asiel” in andere Russische regio’s mogelijk is, temeer daar de vervolging van Tsjetsjenen omwille van hun afkomst zich volgens verschillende mensenrechtenrapporten over heel de Russische Federatie heeft uitgebreid, dat XIV-29.768-2/4 de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarom de subsidiaire beschermingsstatus niet om dezelfde redenen als de vluchtelingenstatus kon weigeren en dat de specifieke argumentatie over de “propiska” niet is beantwoord; 2.
  5. Overwegende dat de aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus, met name wat betreft de vraag of hij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet zou lopen, niet met een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst kan volstaan maar dat hij enig verband met zijn persoon aannemelijk moet maken, ook al is daartoe geen bewijs van een individuele bedreiging vereist; dat de verzoekende partij door ongeloofwaardige verklaringen af te leggen, in het bijzonder betreffende haar voorgehouden verblijf in Tsjetsjenië, zelf het bewijs van dergelijk verband met haar persoon onmogelijk maakt; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich wat dat betreft op het door de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op omstandig gemotiveerde wijze vastgestelde gebrek aan algemene kennis over de politieke en oorlogssituatie betreffende Grozny en tevens ook betreffende Tsjetsjenië in het algemeen steunt; dat derhalve niet verder op de territoriale geldigheid van de “propiska” moest worden ingegaan; dat in de bestreden beslissing aldus op wettige wijze op grond van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de verzoekende partij tot het niet-toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus kon worden besloten; dat het enige middel ongegrond is; Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-29.768-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwin- tig mei tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.768-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.523 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.