← België

Arrest 193525 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.525 Rolnummer: A. 188961/XIV-30434 Zaak: Arrest 193525 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:10 Fiche Arrest nr 193.525 van 26 mei 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.525 van 26 mei 2009 in de zaak A. 188.961/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. LURQUIN, kantoor houdende te 1082 BRUSSEL, Gentsesteenweg 1206 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 14 juli 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 12.353 van 9 juni 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3105 van 23 juli 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.434-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VAN CUTSEM, die loco advocaat V. LURQUIN verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché A. VAN DE VOORDE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 8 januari 2006 en zich op 9 januari 2006 vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 8 mei 2007 beslist dat de verzoekende partij niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kan worden erkend en niet voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van die wet in aanmerking komt; Overwegende dat de verzoekende partij op 23 mei 2007 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de toenmalige Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in opvolging van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, het beroep met een arrest van 9 juni 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in het enige middel de schending van artikel 1, A, van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, (Vluchtelingenverdrag) van de artikelen 48, § 3, en 39/2, 2/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, (Vreemdelingenwet) van artikel 149 van de Grondwet en de “kennelijke beoordelingsfout en Bevoegdheids- en machtsoverschrijding”opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanhaalt in een bestreden arrest dat "de Raad stelt vast dat verzoeker vanaf 1990 haast onafgebroken in Indië woonde. Hij stelt het land hebben verlaten omdat hij er als Tibetanen over geen enkel verblijf document kon beschikken. Uit algemene informatie blijkt dat Tibetaanse vluchtelingen in Indië beschouwd worden als vreemdelingen in de zin van de Indiase "Foreigners Act" van 1946 en bijgevolg genieten van de basisrechten van de staatsburgers met uitzondering van het recht om deel te XIV-30.434-2/6 nemen aan de verkiezingen. Tibetanen die problemen hebben ten gevolge van een eventueel illegaal verblijf zijn eerder zeldzaam en kunnen zich desgevallend wenden tot het bureau van het Allard lama dat dergelijke gevallen behandeld. Zij zijn in ieder geval beschermt tegen refoulement (arrest pagina 3, 3.1.4)" Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen onderzoeksbevoegdheid heeft; De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich enkel kan baseren op de elementen die reeds in het administratief dossier aanwezig zijn ten einde een beslissing te nemen ingeval van een beroep tegen een beslissing van het commissariaat generaal voor vluchtelingen en Staatlozen; Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, indien de informatie die aanwezig is in het administratief dossier niet voldoende is om tot een beslissing te kunnen komen, gehouden is conform artikel 39/2, 2/ van de wet van 15 december 1980, om de beslissing waartegen beroep werd ingesteld te vernietigen en het dossier terug te sturen naar het commissariaat generaal ten einde meer informatie in te winnen omtrent een bepaald punt; Dat artikel 39/2, 2/ van de Vreemdelingenwet immers stelt dat de Gaat : "de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad "liet kan komen tot de in 1/ bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moetenbevelen"; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen had aangehaald dat hij "als Tibetanen kon betrokkenen in India over geen enkel verblijfsdocument beschikken." (pagina 3 verzoekschrift); Dat de beslissing van het commissariaat generaal geen enkele melding heeft gemaakt met betrekking tot in risico van verzoeker ingeval van terugkeer naar Indië op vervolging; Dat in het administratief dossier geen enkel document aanwezig is met betrekking tot de situatie van Tibetanen in Indië, met betrekking tot een administratieve situatie aldaar en met betrekking tot de problemen/vervolgingen die zij er kennen; Dat het vanzelfsprekend is dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich kan baseren op algemeen gekende feiten om de motivering van een arrest te schragen; Dat met algemeen gekende feiten, feiten worden bedoeld die zodanig vanzelfsprekend zijn dat iedereen er van op de hoogte is; Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de aangehaalde paragraaf, de asielaan- vraag van verzoek afwijst voor zover hij gewag maakt van een vrees op vervolging ingeval van terugkeer naar India; Dat in het bestreden arrest, de Raad de asielaanvraag van verzoeken met betrekking tot dit punt afwijst door te verwijzen naar "algemene informatie" met betrekking tot Tibetaanse vluchtelingen in Indië; Dat nogmaals, nergens in het administratief dossier enige informatie aanwezig is met betrekking tot de situatie van Tibetaanse vluchtelingen in Indië; Dat de situatie van Tibetaanse vluchtelingen in Indië en de Indische Foreigners Act van 1946 bezwaarlijk als algemeen bekende feiten kan worden beschouwd, met name dat de kennis van deze feiten zich aan iedere redelijk mens opdringt; Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve artikel 39/2,2/ van de vreemdeling- enwet schendt, door een arrest te vellen met betrekking tot de gegrondheid of ongegrondheid van de asielaanvraag van verzoeker waarbij als motivatie wordt verwezen naar algemene feiten Dat, bij gebreken aan enige informatie in het administratief dossier hieromtrent, en in toepassing van voormeld wetsartikel de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen uitspraak had kunnen doen met betrekking tot de vrees voor vervolging van verzoeker ingeval van terugkeer naar Indië, zonder de bestreden beslissing te vernietigen en het dossier opnieuw naar het commissariaat generaal te sturen teneinde met betrekking tot dit element meer informatie te krijgen; Dat de raad stelt "de stukken door verzoeker neergelegd bewijzen dat hij afkomstig is uit China en bevestigen dat hij dit land verlaten heeft in
  4. Deze vermogen echter geen afbreuk XIV-30.434-3/6 te doen aan hetgeen hierboven werd vastgesteld met betrekking tot verzoekers langdurig verblijf India"; Dat hier nogmaals duidelijk blijkt dat de Raad voor eerst zijn vrees voor vervolging analyseert ingeval van terugkeer naar India, aangezien verzoeker er sinds 1990 geeft gewoond; Dat, in de mate dat het bestreden arrest op onwettige wijze de asielaanvraag van verzoeker met betrekking tot zijn vrees voor vervolging ingeval van terugkeer naar Indië afwijst op basis van een ongeldige motivering, dit gebrek in de motivering te geldigheid van de ganse beslissing in het gedrang wordt gebracht.”; 2.
  5. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek onderwerpt en er als administratieve rechter ten gronde en in laatste aanleg uitspraak over doet, zonder door de motieven van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te zijn gebonden, dat de commissaris-generaal in zijn verweernota een duidelijk standpunt over het voorgehouden langdurig verblijf in India heeft ingenomen, als repliek op de door de verzoekende partij aangehaalde vrees voor vervolging bij terugkeer naar het land van herkomst, dat de asielaanvraag is verworpen omdat de verzoekende partij ongeloofwaardige verklaringen over haar terugkeer van India naar Tibet heeft afgelegd, dat op gemotiveerde wijze wordt overwogen waarom de subsidiaire beschermingsstatus niet wordt toegekend, dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift tot beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf het “algemeen ambtsbericht China” van juni 2005 heeft aangehaald waarin wordt vermeld dat “er geen berichten zijn dat Tibetaanse vluchtelingen door India worden teruggestuurd”, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op het middel van de verzoekende partij heeft geantwoord en geen nieuw element heeft voorzien, dat, met betrekking tot de Indiase “Foreigners Act” van 1946, het algemeen bekend zijn van een feit door de feitenrechter moet worden beoordeeld zonder dat hij het aan de tegenspraak van de partijen moet onderwerpen, dat het aanhalen van dergelijke informatie geen onderzoeksdaad vormt vermits die gegevens door de partijen werden verstrekt en zij er tegenspraak over hebben kunnen voeren en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn in artikel 39/2, 2/, van de Vreemdelingenwet vastgelegde bevoegdheid niet heeft overschreden; 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord het middel herhaalt en er niets wezenlijks aan toevoegt; 2.
  7. Overwegende dat artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: “De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten, op de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. De Raad kan : XIV-30.434-4/6 1/ de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevestigen of hervormen; 2/ de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1/ bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen.”; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege de regels van het tegensprekelijk debat dient te eerbiedigen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de beroepen met volle rechtsmacht tegen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, zoals in casu, in zijn beoordelingsbevoegdheid door het rechtsplegingsdossier is beperkt en geen eigen onderzoeksbevoegdheid heeft, zodat hij geen onderzoeksdaden kan stellen; dat, wanneer de feitelijke toestand in die mate zou zijn gewijzigd dat de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daardoor zou kunnen worden beïnvloed, hij zich daarbij slechts kan steunen op de door de partijen verstrekte gegevens; dat, wanneer die gegevens uit het rechtsplegingsdossier niet zouden volstaan, de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan vernietigen en de zaak terugsturen naar de commissaris-generaal; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich buiten het rechtsplegingsdossier wel op algemeen bekende feiten kan steunen; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in casu in punt 3.1.
  8. van het bestreden arrest stelt dat “uit algemene informatie blijkt dat Tibetaanse vluchtelingen in India beschouwd worden als vreemdelingen in de zin van de Indiase “Foreigners Act” van 1946 en bijgevolg genieten van de staatsburgers met uitzondering van het recht om deel te nemen aan de verkiezingen”, dat “Tibetanen die problemen hebben ten gevolge van een eventueel illegaal verblijf (...) eerder zeldzaam (zijn) en (...) zich desgevallend (kunnen) wenden tot het bureau van de Dalai Lama dat dergelijke gevallen behandelt” en dat “zij (...) in ieder geval beschermd (zijn) tegen refoulement. Er zijn geen berichten dat Tibetaanse vluchtelingen door India worden teruggestuurd”; dat de situatie van Tibetanen in India, gebaseerd op een Indiase wet uit 1946, bezwaarlijk als een algemeen bekend feit kan worden beschouwd; dat die informatie zich niet in het administratief dossier bevindt noch door één van de partijen werd meegedeeld en aldus evenmin van het rechtsplegingsdossier deel uitmaakt; dat het motief van de situatie van de Tibetanen in India nochtans een determinerend motief van het bestreden arrest vormt; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus zijn in artikel 39/2, § 1, 2/, van de Vreemdelingenwet vastgelegde bevoegdheid heeft overschreden en dat het middel in die mate gegrond is, XIV-30.434-5/6 BESLUIT: Artikel
  9. Vernietigd wordt het arrest nr. 12.353 van 9 juni 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  10. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  11. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwin- tig mei tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.434-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.525 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.