id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.526 Rolnummer: A. 187831/XIV-30319 Zaak: Arrest 193526 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:10 Fiche Arrest nr 193.526 van 26 mei 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.526 van 26 mei 2009 in de zaak A. 187.831/XIV-30.
(3), 12). Bovendien werd reeds geoordeeld dat een mogelijke toepassing van art. 8 EVRM de betrokken vreemdeling niet vrijstelt van het verkrijgen van de vereiste documenten om het Rijk binnen te komen, en dat een tijdelijke verwijdering om reden dat hij niet in het bezit is van die documenten dan ook geenszins strijdig is met dit verdragsartikel (zie R.v.St. nr 48.653, 20.07.1994, Arr. R. v. St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 42.039, 22.02.1993, Arr. R. v. St. 1993, z.p.) Verder laat de verwerende partij gelden dat er reeds werd geoordeeld dat het recht op verblijf ondergeschikt is aan het recht op toegang tot het grondgebied. De minister kan oordelen dat het belang van de staat voorrang heeft op dat van de vreemdeling die hier onwettig verblijft (zie R.v.St. nr. 40.061, 28.07.1992, R.A.C.E. 1992, z.p.). XIV-30.319-5/9 Art. 8 EVRM staat een rechtmatige toepassing van de Vreemdelingenwet dan ook niet in de weg (zie ook Raad van State nr. 99.581 dd. 09.10.2001 en Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen nr. 1493 dd. 30.08.2007). In de gegeven omstandigheden vormt de niet noodzakelijk definitieve verwijdering van het grondgebied van verzoeker geen verboden inmenging in de uitoefening door deze laatsten van zijn recht op privé- en gezinsleven in de zin van dit verdragsartikel. De niet noodzakelijk definitieve verwijdering van het grondgebied van verzoeker om reden dat hij de noodzakelijke formaliteiten dient te vervullen ter voldoening van de geldende wettelijke bepalingen, verstoort het privé- en gezinsleven niet in die mate dat er sprake kan zijn van een schending van art. 8 EVRM (zie ook arrest Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 1785 dd. 18.09.2007). In casu werd verzoeker op 8.12.2007 een beslissing betekend houdende het bevel om het grondgebied te verlaten, omdat hij langer in het Rijk verbleef dan de in artikel 6 Vreemdeling- enwet bepaalde termijn. Verzoeker toonde in zijn oorspronkelijk verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen niet aan op welke wijze artikel 8 EVRM zou zijn geschonden door de beslissing dd. 8.12.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelde dan ook geheel terecht dat een schending van artikel 8 EVRM door verzoeker niet werd aangetoond. Het enige middel van verzoeker kan niet worden aangenomen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “
- Op geen enkel ogenblik heeft de verzoekende partij beweerd dat de Minister in casu "niet anders zou kunnen dan een verblijfsrecht aan verzoeker te verschaffen". De verzoekende partij heeft uitsluitend uiteengezet dat de weigering tot verlenging van de regularisatie van het verblijf van zijn echtgenote evenals het bevel dat aan zijn echtgenote werd gegeven om het land te verlaten, werden vernietigd met een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dd. 12/3/
- Zulks impliceerde dat zijn echtgenote en zoontje dus wel in het land mogen blijven, terwijl de verzoekende partij, het land dient te verlaten. De motivering van het bevel luidde aldus: "verblijfstitel beperkt tot de duur van de verblijfstitel van zijn echtgenote"; Zulks impliceerde, nu de beslissing van zijn echtgenote werd vernietigd en zij het land niet dient te verlaten, dat de verzoekende partij in dezelfde juridische situatie had dienen geplaatst te worden als zijn echtgenote en zijn zoontje, dus dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onterecht niet overging tot vernietiging van de beslissing van de Minister dd. 7/12/
- Na deze vernietiging, zou de Minister uiteraard zijn appreciatiebevoegdheid, binnen het wettelijk kader, hebben kunnen uitoefenen.
- De verzoekende partij betwist absoluut niet dat het aan iedere staat toekomt regels te bepalen voor de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen. In casu evenwel, werd de verzoekende partij toegelaten tot het grondgebied en werd aan de verzoekende partij een verblijfsrecht verleend, die evenwel beperkt was tot de duur van de verblijfstitel van zijn echtgenote. Vermits de intrekking van de weigering tot verlenging van de verblijfstitel van zijn echtgenote werd vernietigd, diende ook de beslissing te worden vernietigd, genomen in het dossier van de verzoekende partij. Het is onjuist dat de verzoekende partij in zijn oorspronkelijk verzoekschrift niet zou verwezen hebben naar het art. 8 E.V.R.M. Het zal volstaan dit verzoekschrift te lezen. Daarenboven hebben de verzoekende partij en zijn echtgenote, met een aangetekende brief van 12/2/2008 aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een stuk laten geworden, waaruit XIV-30.319-6/9 blijkt dat de echtgenote van de verzoekende partij door de Republiek Armenië niet als een staatsburger wordt beschouwd en dat haar geen laisser-passer wordt afgeleverd door Armenië. In het oorspronkelijke verzoekschrift heeft de verzoekende partij er op gewezen dat het scheiden van een gezin, doordat een van de leden van het gezin geen laisser-passer krijgt, een ongeoorloofde inmenging is in het gezinsleven, indien deze inmenging niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. Deze noodzakelijkheid werd in casu nooit aangetoond door de verwerende partij. Voor het overige verwijst de verzoekende partij naar zijn inleidende verzoekschrift. Het middel is gegrond.”; 2.
- Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur dan ook niet van toepassing zijn op zijn beslissingen; dat het enige middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat de vernietiging van de weigering van de verlenging van de verblijfsvergunning van haar echtgenote en van het bijhorende bevel door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “impliceerde dat zijn echtgenote en zoontje dus wel in het land mogen blijven, terwijl de verzoekende partij, het land dient te verlaten”; dat de vernietiging van een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, thans Migratie- en Asielbeleid, door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met zich meebrengt dat de minister een nieuwe beslissing dient te nemen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter immers niet in de beoordeling van de feiten kan treden en zich dus niet over de grond van de zaak kan uitspreken; dat de vernietiging door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de beslissing waarbij de verlenging van de machtiging tot verblijf wordt geweigerd dan ook geen verblijfsrecht voor de echtgenote van de verzoekende partij met zich mee brengt; dat, waar de verzoekende partij aanvoert dat “de motivering van het bevel aldus luidde: ‘verblijfstitel beperkt tot de duur van de verblijfstitel van zijn echtgenote’”, uit het administratief dossier blijkt dat in het bevel dat op 8 december 2007 aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht, als reden van de beslissing wordt verwezen naar artikel 7, 1, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen omdat “betrokkene (...) langer in het land (verblijft) dan de in artikel 6 toegelaten termijn” en de “verblijfsvergunning is verstreken sinds 2 december 2007”; dat de kritiek van de verzoekende partij dan ook in die mate feitelijke grondslag mist; dat de verzoekende partij voor het overige aanvoert dat het bestreden arrest de motiveringsverplichting van artikel 149 van de Grondwet schendt omdat “de bestreden beslissing en het er opvolgende arrest thans ongemotiveerd een inmenging betekent in het gezinsleven van de verzoekende partij en zijn echtgenote”; dat in punt 2.2.
- van het bestreden arrest wordt uiteengezet waarom de verzoekende partij een schending van XIV-30.319-7/9 artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) niet aannemelijk maakt; dat daarmee aan de motiveringsplicht als vormvereiste van jursidictionele beslissingen is voldaan; dat wat de beweerde schending van artikel 8 van het E.V.R.M. betreft, de verzoekende partij zich beperkt tot het citeren van een stuk uit het bestreden arrest, doch nergens concreet uiteenzet hoe de bestreden beslissing de aangevoerde bepaling schendt; dat, wat het attest van de Armeense ambassade betreft, de verzoekende partij aanvoert dat “het niet van een goede rechtsbedeling getuigt, (...) geen rekening te houden met de stukken, die in het dossier van de echtgenote van de verzoekende partij werden neergelegd”; dat het desbetreffende stuk zich niet in het administratief dossier van voorliggende zaak bevindt en de verzoekende partij niet concreet aantoont dat dit stuk zich in het dossier van haar echtgenote bevindt; dat het al dan niet samenvoegen van twee zaken tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen behoort; dat, daargelaten de vraag of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening diende te houden met stukken die werden neergelegd in de zaak van de echtgenote van de verzoekende partij, de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat het stuk ter beoordeling aan de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen werd voorgelegd; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat het bestreden arrest de “goede rechtsbedeling” schendt; dat het enige middel in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwin- tig mei tweeduizend en negen, door : XIV-30.319-8/9 de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.319-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.526 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div