← België

Arrest 193526 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.526 Rolnummer: A. 187831/XIV-30319 Zaak: Arrest 193526 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:10 Fiche Arrest nr 193.526 van 26 mei 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.526 van 26 mei 2009 in de zaak A. 187.831/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Veemarkt 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de minister van Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 11 april 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 8590 van 12 maart 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2717 van 21 mei 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.319-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. VAN STEENHUYSE, die loco advocaat H. DE PONTHIERE verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat A. DE MEU, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken, thans de minister van Migratie- en Asielbeleid; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 18 juli 2005 en zich op 19 juli 2005 vluchteling verklaart; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 6 februari 2006 een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten neemt; Overwegende dat op 22 november 2006 de minister van Binnenlandse Zaken de verzoekende partij machtigt tot een tijdelijk verblijf in België voor de duur van de verblijfsvergunning van haar echtgenote XXX; dat op 29 november 2007 de minister van Binnenlandse Zaken de verlenging van de machtiging tot verblijf in hoofde van XXX weigert; dat op 8 december 2007 een bevel om het grondgebied te verlaten aan de verzoekende partij ter kennis wordt gebracht; dat de verzoekende partij op 2 januari 2008 tegen dit bevel beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 12 maart 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 8 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, van artikel 149 van de Grondwet en van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel; Doordat, Het bestreden arrest als volt werd gemotiveerd: "2.2.
  4. Wat betreft de aangevoerde schending van artikel 8 van het EVRM betoogt verzoeker dat indien hij zou verplicht worden naar Armenië te vertrekken zulks tot gevolg zou hebben dat het gezin, zonder reden noodzakelijk voor het functioneren van een democratische samenleving, zou gescheiden worden. Hij stelt dat zijn echtgenote, daar zij geen Armeens staatsburger is, hoogstwaarschijn- lijk geen doorlaatbewijs zal krijgen van Armenië en het gezin aldus dreigt uit elkaar te vallen voor een tijd die niet vooraf kan worden ingeschat. Hij benadrukt dat het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven vooreerst voorzien dient te zijn in de wet, maar vervolgens dient XIV-30.319-2/9 te beantwoorden aan een van de doelstellingen, zoals bepaald in artikel 8, tweede lid, van het EVRM en tenslotte noodzakelijk dient te zijn in een democratische samenleving. Hij voert aan dat deze laatste voorwaarde niet vervuld is indien de inmenging voortvloeit uit een maatregel van verwijdering van het grondgebied van een vreemdeling die met zijn land van herkomst geen andere band heeft dan zijn nationaliteit en wanneer de verwijdering de eenheid van het gezin in het gedrang kan brengen. De Raad benadrukt dat uit artikel 8 van het EVRM niet kan afgeleid worden dat een staat de algemene verplichting zou hebben om de keuze van de echtparen te eerbiedigen en gezinshereniging op zijn grondgebied toe te laten (Hof Mensenrechten, Gul v. Zwitserland, 19 februari 1996). Uit de bepalingen van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM blijkt dat het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven niet absoluut is. Artikel 8 van het EVRM staat een rechtmatige toepassing van de bepalingen van de Vreemdelingenwet dan ook niet in de weg (R.v.St., nr. 99.581, 9 oktober 2001). De Vreemdelingenwet heeft tot doel een wettelijk kader te scheppen binnen hetwelk het in artikel 8 van het EVRM vervatte recht kan worden uitgeoefend (R.v.St., nr. 140.105, 2 februari 2005). Verzoeker laat na aan te tonen dat een correcte toepassing van de Vreemdelingenwet een niet toegelaten inmenging in zijn privaat en familiaal leven zou uitmaken. Verzoeker beperkt zich immers tot het uiten van een loutere veronderstelling waar hij aangeeft dat zijn echtgenote "hoogstwaarschijnlijk geen laisser passer zal krijgen van Armenië, daar zij geen Armeens staatsburger is". Hij laat evenwel na zijn bewering op enig stuk te stoelen en geeft niet aan waarom zijn echtgenote hem niet zou kunnen vervoegen in het kader van een gezinshereniging, zelfs indien zou blijken dat zij de Armeense nationaliteit niet zou hebben of zou kunnen verwerven. Hij blijft trouwens in gebreke aan te tonen dat zijn echtgenote de Armeense nationaliteit niet heeft. Verzoeker kan ook onmogelijk voorhouden dat hij, behoudens zijn nationaliteit, geen enkele band heeft met Armenië. Uit het administratief dossier blijkt immers dat verzoeker in Armenië heeft verbleven en de Armeense taal spreekt. De verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Hof Mensenrechten, Beljoudi v. Frankrijk, 26 maart 1992) is daarom niet nuttig. Een schending van artikel 8 van het EVRM wordt niet aangetoond." Terwijl, De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volstrekt voorbij gaat aan het feit, dat de weigeringsbeslissing, waarbij de verlenging van de regularisatie van het verblijf van zijn echtgenote, met een arrest gewezen op dezelfde datum werd vernietigd evenals het bevel dat aan zijn echtgenote werd gegeven om het land te verlaten; Dat zulks impliceerde dat zijn echtgenote en zoontje dus wel in het land mogen blijven, terwijl de verzoekende partij, het land dient te verlaten; Dat de motivering van het bevel aldus luidde: "verblijfstitel beperkt tot de duur van 4 verblijfstitel van zijn echtgenote"; Dat zulks impliceerde, dat nu de beslissing van zijn echtgenote werd vernietigd en zij het land niet dient te verlaten, dat de verzoekende partij in dezelfde juridische situatie had dienen geplaatst te worden als zijn echtgenote en zijn zoontje; Dat de verwijzing naar het Arrest Gül onterecht is, daar België in casu de gezinshereniging had toegestaan; Dat de bestreden beslissing en het er opvolgende arrest thans ongemotiveerd een inmenging betekent in het gezinsleven van de verzoekende partij en zijn echtgenote; Dat, indien de verzoekende partij het Arrest Beljoudi, had aangehaald in zijn verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dan had deze verwijzing uiteraard geen betrekking op zijn eigen situatie, maar wel op deze van zijn echtgenote, die met Armenië geen enkele band heeft (zelfs niet de nationaliteit), behoudens dat zij een etnische Armeense is; Dat de echtgenote van de verzoekende partij overigens wel degelijk een stuk had gevoegd aan haar dossier, waaruit blijkt dat Armenië haar niet erkent als staatsburger en tevens geen laisser-passer wenst af te leveren aan zijn echtgenote (bijlage bij aangetekende brief dd. 11/2/2008); Dat het niet van een goede rechtsbedeling getuigt, de stukken van de beide echtgenoten, niet te vergelijken en geen rekening te houden met de stukken, die in het dossier van de echtgenote van de verzoekende partij werden neergelegd; XIV-30.319-3/9 Dat het Arrest bijgevolg de in het middel aangeduide wettelijke bepalingen en rechtsbegin- sels, schendt.”; 2.
  5. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Schending van artikel 8 EVRM, van artikel 149 Grondwet en van het zorgvuldigheidsbe- ginsel." Verzoeker verwijt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat zij bij de beoordeling van het door verzoeker ingestelde beroep geen rekening heeft gehouden met het arrest dd. 12.3.2008 dat de beslissing t.a.v. de echtgenote van verzoeker heeft vernietigd. Het loutere feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken houdende de weigering van verlenging van het BIVR t.a.v. de echtgenote van verzoeker heeft vernietigd, kan niet tot gevolg hebben dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bevel dat werd genomen t.a.v. verzoeker, diende te vernietigen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan noch aan verzoeker noch aan zijn echtgenote een verblijfsrecht verschaffen en vermag zich niet ten gronde uit te spreken over de gegrondheid het verblijfsrecht. Betreffende de aard van de beroepen tot nietigverklaring die, met toepassing van art. 14, § 1, R.v.St.-Wet, bij de Raad van State kunnen worden ingesteld tegen de akten van de onderscheiden administratieve overheden, kan naar analogie nuttig worden verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld R.v.St. nr. 47.017, 25 april 1994, Arr. R.v.St. 1994; R.v.St. nr. 41.148, 25 november 1992, R.A.C.E. 1992). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzoekt enkel of de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken (thans: de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid) in redelijkheid is kunnen komen tot de door hem gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn. In het kader van de marginale toetsing die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt verricht kan de aangeklaagde onwettigheid slechts dan gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is (zie o.m. R.v.St. 17 januari 2007, nr. 166.820; R.v.St. 20 september 1999, nr. 82.301, www.raadvst-consetat.be). Wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtszoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Dit ook conform de vaste rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (zie o.m. R.v.V. nr. 1113 dd. 6.8.2007). Immers zou de Minister bij het uitoefenen van zijn appreciatiebevoegdheid alsdan gebonden zijn door het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meerbepaald wanneer eerstgenoemde dient te oordelen over het al dan niet verschaffen van een verblijfsrecht aan verzoeker. Zodoende zou het bestuur bij het nemen van een nieuwe beslissing nopens het verblijfsrecht van verzoeker en/of zijn echtgenote niet anders kunnen dan een verblijfsrecht aan verzoeker te verschaffen. Zulks vormt uiteraard een fundamentele aantasting van de bestuurlijke beoordelingsvrijheid. De rechterlijke macht vermag niet aan de administratieve overheid haar beoordelingsvrij- heid te ontnemen en zich aldus in de plaats te stellen van deze instanties die wettelijk bevoegd zijn om het recht op verblijf van vreemdelingen toe te kennen (Cass., 19 april 1991, R. W, 199192, 86). Gelet op het voorgaande staat het vast dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de grenzen van zijn annulatiebevoegdheid niet heeft overschreden en aldus heeft geoordeeld in overeenstemming met de motiveringsverplichting zoals omschreven in artikel 149 Grondwet. betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. XIV-30.319-4/9 De verwerende partij wenst er verder op te wijzen dat verzoeker in zijn oorspronkelijk verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft verwezen naar artikel 8 EVRM zonder een concrete schending aan te tonen : " Dat een inmenging in het recht op eerbiediging van het privé-leven, vooreerst voorzien dient te zijn in de wet, maar vervolgens dient te beantwoorden aan een van de doestellingen, zoals bepaald in art. 8, tweede lid, EVRM en tenslotte noodzakelijk dient te zijn in een democratische samenleving. Dat deze laatste voorwaarde niet vervuld is, indien de inmenging voortvloeit uit een maatregel van verwijdering van het grondgebied van een vreemdeling die met zijn land van herkomst, geen andere band heeft dan zijn nationaliteit en wanneer de verwijdering de eenheid van het gezin in het gedrang kan brengen. Dat de verzoekende partij met Armenië geen enkele binding meer heeft" Dat het artikel 8 EVRM een directe werking heeft en geen afwijkingen duldt, die niet proportioneel zijn." De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelde in haar arrest dd. 12.3.2008 als volgt "De Raad benadrukt dat uit artikel 8 van het EVRM met kan afgeleid worden dat een staat de algemene verplichting zou hebben cm de keuze van de echtparen te eerbiedigen en gezinshereniging op zijn grondgebied toe te laten (Hof Mensenrechten, GO v. Zwitserland, 19 februari 1996). Uit de bepalingen van het tweede d van artikel 8 van het EVRM blijkt dat het recht op eerbiediging van het privé en gezinsleven niet absoluut is. Artikel 8 van het EVRM staat een rechtmatige toepassing van de bepalingen van de Vreemdelingenwet dan ook niet in de weg (R.v St., nr. 99.581, 9 oktober 2001). De Vreemdelingenwet heeft tot doet een wettelijk kader te scheppen binnen hetwelk het in artikel 8 van het EVRM vervatte recht kan worden uitgeoefend (R.v.St., nr 140.105, 2 februari 2005). Verzoeker laat na aan te tonen' dat een correcte toepassing van de Vreemdelingenwet een niet toegelaten inmenging in zijn privaat en familiaal even zou uitmaken, Verzoeker beperkt zich immers tot het uiten van een loutere veronderstelling waar hij aangeeft dat zijn echtgenote "hoogstwaarschijnlijk geen laisserpasser zal krijgen van Armenië, daar hij geen Armeens staatsburger is" Hij laat evenwel na zijn bewering op enig stuk te stoelen en geeft niet aan waarom zijn echtgenote hem niet zou kunnen vervoegen in het kader van een gezinshereniging, zelfs indien zou blaken dat zij de Armeense nationaliteit niet zou hebben of zou kunnen verwerven Hij blijft trouwens in gebreke aan te tonen dat zijn echtgenote de Armeense nationaliteit met heeft. Verzoeker kan ook onmogelijk voorhouden dat hij, behoudens zijn nationaliteit, geen enkele band heeft met Armenië Uit het administratief dossier blijkt immers dat verzoeker in Armenië heeft verbeven en de Armeense taal spreekt. De verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Hof Mensenrechten, Bejoudi v Frankrijk, 26 maart 1992) is daarom niet nuttig. Een schending van artikel 8 van het EVRM wordt niet aangetoond." De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon enkel oordelen of de oorspronkelijk bestreden beslissing een schending uitmaakt van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM waarborgt de eerbiediging van het recht op gezinsleven en de niet- inmenging van enig openbaar gezag bij de uitoefening van dat recht. In de gegeven omstandigheden zou de niet noodzakelijk definitieve verwijdering van het grondgebied van verzoeker geen verboden inmenging vormen in de uitoefening door deze laatste van zijn recht op privé- en gezinsleven in de zin van dit verdragsartikel. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens neemt inderdaad aan dat uit art. 8 EVRM niet kan worden afgeleid dat een vreemdeling er een staat toe kan verplichten om hem op zijn grondgebied te gedogen door het enkele feit te opteren voor een levensgezel die op dat grondgebied vermag te verblijven (cf. VAN DE PUTTE, M., "Straatsburg gaat vreemd. De vreemdeling in de jurisprudentie van de Straatburgse organen", TVR. 1994,

(3), 12). Bovendien werd reeds geoordeeld dat een mogelijke toepassing van art. 8 EVRM de betrokken vreemdeling niet vrijstelt van het verkrijgen van de vereiste documenten om het Rijk binnen te komen, en dat een tijdelijke verwijdering om reden dat hij niet in het bezit is van die documenten dan ook geenszins strijdig is met dit verdragsartikel (zie R.v.St. nr 48.653, 20.07.1994, Arr. R. v. St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 42.039, 22.02.1993, Arr. R. v. St. 1993, z.p.) Verder laat de verwerende partij gelden dat er reeds werd geoordeeld dat het recht op verblijf ondergeschikt is aan het recht op toegang tot het grondgebied. De minister kan oordelen dat het belang van de staat voorrang heeft op dat van de vreemdeling die hier onwettig verblijft (zie R.v.St. nr. 40.061, 28.07.1992, R.A.C.E. 1992, z.p.). XIV-30.319-5/9 Art. 8 EVRM staat een rechtmatige toepassing van de Vreemdelingenwet dan ook niet in de weg (zie ook Raad van State nr. 99.581 dd. 09.10.2001 en Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen nr. 1493 dd. 30.08.2007). In de gegeven omstandigheden vormt de niet noodzakelijk definitieve verwijdering van het grondgebied van verzoeker geen verboden inmenging in de uitoefening door deze laatsten van zijn recht op privé- en gezinsleven in de zin van dit verdragsartikel. De niet noodzakelijk definitieve verwijdering van het grondgebied van verzoeker om reden dat hij de noodzakelijke formaliteiten dient te vervullen ter voldoening van de geldende wettelijke bepalingen, verstoort het privé- en gezinsleven niet in die mate dat er sprake kan zijn van een schending van art. 8 EVRM (zie ook arrest Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 1785 dd. 18.09.2007). In casu werd verzoeker op 8.12.2007 een beslissing betekend houdende het bevel om het grondgebied te verlaten, omdat hij langer in het Rijk verbleef dan de in artikel 6 Vreemdeling- enwet bepaalde termijn. Verzoeker toonde in zijn oorspronkelijk verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen niet aan op welke wijze artikel 8 EVRM zou zijn geschonden door de beslissing dd. 8.12.
  1. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelde dan ook geheel terecht dat een schending van artikel 8 EVRM door verzoeker niet werd aangetoond. Het enige middel van verzoeker kan niet worden aangenomen.”; 2.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “
  3. Op geen enkel ogenblik heeft de verzoekende partij beweerd dat de Minister in casu "niet anders zou kunnen dan een verblijfsrecht aan verzoeker te verschaffen". De verzoekende partij heeft uitsluitend uiteengezet dat de weigering tot verlenging van de regularisatie van het verblijf van zijn echtgenote evenals het bevel dat aan zijn echtgenote werd gegeven om het land te verlaten, werden vernietigd met een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dd. 12/3/
  4. Zulks impliceerde dat zijn echtgenote en zoontje dus wel in het land mogen blijven, terwijl de verzoekende partij, het land dient te verlaten. De motivering van het bevel luidde aldus: "verblijfstitel beperkt tot de duur van de verblijfstitel van zijn echtgenote"; Zulks impliceerde, nu de beslissing van zijn echtgenote werd vernietigd en zij het land niet dient te verlaten, dat de verzoekende partij in dezelfde juridische situatie had dienen geplaatst te worden als zijn echtgenote en zijn zoontje, dus dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onterecht niet overging tot vernietiging van de beslissing van de Minister dd. 7/12/
  5. Na deze vernietiging, zou de Minister uiteraard zijn appreciatiebevoegdheid, binnen het wettelijk kader, hebben kunnen uitoefenen.
  6. De verzoekende partij betwist absoluut niet dat het aan iedere staat toekomt regels te bepalen voor de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen. In casu evenwel, werd de verzoekende partij toegelaten tot het grondgebied en werd aan de verzoekende partij een verblijfsrecht verleend, die evenwel beperkt was tot de duur van de verblijfstitel van zijn echtgenote. Vermits de intrekking van de weigering tot verlenging van de verblijfstitel van zijn echtgenote werd vernietigd, diende ook de beslissing te worden vernietigd, genomen in het dossier van de verzoekende partij. Het is onjuist dat de verzoekende partij in zijn oorspronkelijk verzoekschrift niet zou verwezen hebben naar het art. 8 E.V.R.M. Het zal volstaan dit verzoekschrift te lezen. Daarenboven hebben de verzoekende partij en zijn echtgenote, met een aangetekende brief van 12/2/2008 aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een stuk laten geworden, waaruit XIV-30.319-6/9 blijkt dat de echtgenote van de verzoekende partij door de Republiek Armenië niet als een staatsburger wordt beschouwd en dat haar geen laisser-passer wordt afgeleverd door Armenië. In het oorspronkelijke verzoekschrift heeft de verzoekende partij er op gewezen dat het scheiden van een gezin, doordat een van de leden van het gezin geen laisser-passer krijgt, een ongeoorloofde inmenging is in het gezinsleven, indien deze inmenging niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. Deze noodzakelijkheid werd in casu nooit aangetoond door de verwerende partij. Voor het overige verwijst de verzoekende partij naar zijn inleidende verzoekschrift. Het middel is gegrond.”; 2.
  7. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur dan ook niet van toepassing zijn op zijn beslissingen; dat het enige middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat de vernietiging van de weigering van de verlenging van de verblijfsvergunning van haar echtgenote en van het bijhorende bevel door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “impliceerde dat zijn echtgenote en zoontje dus wel in het land mogen blijven, terwijl de verzoekende partij, het land dient te verlaten”; dat de vernietiging van een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, thans Migratie- en Asielbeleid, door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met zich meebrengt dat de minister een nieuwe beslissing dient te nemen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter immers niet in de beoordeling van de feiten kan treden en zich dus niet over de grond van de zaak kan uitspreken; dat de vernietiging door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de beslissing waarbij de verlenging van de machtiging tot verblijf wordt geweigerd dan ook geen verblijfsrecht voor de echtgenote van de verzoekende partij met zich mee brengt; dat, waar de verzoekende partij aanvoert dat “de motivering van het bevel aldus luidde: ‘verblijfstitel beperkt tot de duur van de verblijfstitel van zijn echtgenote’”, uit het administratief dossier blijkt dat in het bevel dat op 8 december 2007 aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht, als reden van de beslissing wordt verwezen naar artikel 7, 1, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen omdat “betrokkene (...) langer in het land (verblijft) dan de in artikel 6 toegelaten termijn” en de “verblijfsvergunning is verstreken sinds 2 december 2007”; dat de kritiek van de verzoekende partij dan ook in die mate feitelijke grondslag mist; dat de verzoekende partij voor het overige aanvoert dat het bestreden arrest de motiveringsverplichting van artikel 149 van de Grondwet schendt omdat “de bestreden beslissing en het er opvolgende arrest thans ongemotiveerd een inmenging betekent in het gezinsleven van de verzoekende partij en zijn echtgenote”; dat in punt 2.2.
  8. van het bestreden arrest wordt uiteengezet waarom de verzoekende partij een schending van XIV-30.319-7/9 artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) niet aannemelijk maakt; dat daarmee aan de motiveringsplicht als vormvereiste van jursidictionele beslissingen is voldaan; dat wat de beweerde schending van artikel 8 van het E.V.R.M. betreft, de verzoekende partij zich beperkt tot het citeren van een stuk uit het bestreden arrest, doch nergens concreet uiteenzet hoe de bestreden beslissing de aangevoerde bepaling schendt; dat, wat het attest van de Armeense ambassade betreft, de verzoekende partij aanvoert dat “het niet van een goede rechtsbedeling getuigt, (...) geen rekening te houden met de stukken, die in het dossier van de echtgenote van de verzoekende partij werden neergelegd”; dat het desbetreffende stuk zich niet in het administratief dossier van voorliggende zaak bevindt en de verzoekende partij niet concreet aantoont dat dit stuk zich in het dossier van haar echtgenote bevindt; dat het al dan niet samenvoegen van twee zaken tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen behoort; dat, daargelaten de vraag of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening diende te houden met stukken die werden neergelegd in de zaak van de echtgenote van de verzoekende partij, de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat het stuk ter beoordeling aan de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen werd voorgelegd; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat het bestreden arrest de “goede rechtsbedeling” schendt; dat het enige middel in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond is;
  9. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwin- tig mei tweeduizend en negen, door : XIV-30.319-8/9 de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.319-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.526 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.