id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.535 Rolnummer: A. 190324/XIV-30757 Zaak: Arrest 193535 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-24 Raadplegingen: 182 - laatst gezien 2026-07-01 15:22 Fiche Arrest nr 193.535 van 26 mei 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.535 van 26 mei 2009 in de zaak A. 190.324/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. VERELST, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Brederodestraat 13 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ethiopische nationaliteit, op 13 november 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 17.371 van 20 oktober 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3650 van 9 december 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van attaché R. LARNO, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; XIV-30.757-1/4 Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 17 maart 2007 en zich vluchteling verklaart op 19 maart 2007; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 22 mei 2008 beslist tot de weigering van de vluchtelingen- status en van de subsidiaire beschermingsstatus; Overwegende dat de verzoekende partij op 13 juni 2008 tegen die beslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 20 oktober 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Het enige middel van verzoeker wordt genomen uit de schending van artikel 6 E.V.R.M., van de artikels 10 en 11 van de Belgische Grondwet, van artikels 39/69 tot en met 39/76 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna "Vreemdelingenwet" genoemd), en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. De Belgische wet biedt de kandidaat-vluchteling, in het kader van een procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen een afwijzende beslissing van het Commissari- aat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (hierna "CGVS"), niet de mogelijkheid om schriftelijk te repliceren op de antwoordnota van het CGVS, opgesteld conform artikel 39/72 van de Vreemdelingenwet, ook al bevat deze antwoordnota nieuwe argumenten. Bovendien kan de kandidaat-vluchteling het administratief dossier slechts inzien nadat het CGVS zijn beslissing heeft genomen en voordat desgevallend beroep wordt aangetekend. In de fase van hoger beroep kan de kandidaat-vluchteling het administratief dossier enkel nog inzien nadat een rechtsdag werd bepaald en voor de dag van de zitting. De kandidaat-vluchteling heeft evenwel niet de mogelijkheid om schriftelijk te repliceren op de eventueel nieuwe elementen die door het CGVS in de fase van het hoger beroep kunnen zijn toegevoegd aan het administratief dossier. In de Belgische Vreemdelingenwet worden de rechten van verdediging van een kandidaat-vluchteling bijgevolg geschonden, nu hij niet de kans heeft om een repliekmemorie in te dienen waarin de eventueel nieuwe argumenten van het CGVS beantwoord worden. Voor wat gerechtelijke procedures betreft, heeft het Hof van Cassatie reeds geoordeeld dat conclusies uit de debatten moeten worden geweerd, indien deze nieuwe middelen bevatten waarop de tegenpartij niet meer kan antwoorden (zie o.a. Cass. 14 maart 2002, C.00.0198.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020314.22/1). Dat een partij desgevallend nog mondeling kan repliceren ter zitting, volstaat niet om de schending van het recht van verdediging teniet te doen, nu de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen niet de verplichting heeft om in zijn arrest schriftelijk te antwoorden op de middelen die slechts mondeling werden aangehaald. Op dergelijke wijze wordt elke controle van de rechtsgang dan ook onmogelijk. Verzoeker werd in casu slachtoffer van deze lacune in de Belgische wetgeving. XIV-30.757-2/4 Ter zitting van 2 september 2008 heeft verzoeker, bij monde van zijn raadsman, uitvoerig geantwoord op de argumenten van het CGVS, zoals aangehaald in diens verweernota van 24 juni 2008, en in het bijzonder op de argumenten met betrekking tot de informatie die afkomstig zou zijn van de internetsite www.kinijit.org. Van dit debat vindt verzoeker geen enkel spoor terug in het bestreden arrest. Integendeel, het bestreden arrest is een nagenoeg letterlijke herneming van de argumenten van het CGVS, zonder de minste overweging van en een antwoord op de (mondelinge) tegenargumenten van verzoeker. Het recht van verdediging van verzoeker werd dan ook geschonden. Bovendien wordt ook het gelijkheidsbeginsel geschonden. In het kader van een annulatieberoep dat wordt gevoerd voor diezelfde Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, is h et indienen van een repliekmemorie immers wel mogelijk en zelfs verplicht indien men het vereiste belang in de procedure niet zou willen verliezen (zie artikel 39/81, tweede lid van de Vreemdelingenwet). In dergelijke procedure heeft de rechtszoekende dus wel degelijk de kans om te antwoorden op de nieuwe argumenten van de betrokken autoriteit. Minstens dient over dit verschil in behandeling een prejudiciële vraag, zoals geformuleerd in het dispositief, te worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 39/69 tot en met 39/76 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, (Vreemdelingenwet) en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging opwerpt en in essentie aanvoert dat zij niet de gelegenheid heeft gehad op de repliekmemorie van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te antwoorden noch om nieuwe elementen voor te leggen; Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan niet blijkt - en de verzoekende partij ook niet aanvoert - dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de in het middel vermelde grieven betreffende de beweerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet heeft aangevoerd, noch dat zij een antwoord op de repliekmemorie van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft willen indienen; dat artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet wel degelijk de mogelijkheid voorziet om nieuwe gegevens voor te leggen, los van de vaststelling dat nergens uit blijkt welke nieuwe gegevens de verzoekende partij zou hebben getracht voor te leggen; dat het middel kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat ook niet op het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen moet worden ingegaan; XIV-30.757-3/4
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwin- tig mei tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.757-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.535 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020314.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.