id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.594 Rolnummer: A. 177753/VII-36677 Zaak: Arrest 193594 - Milieuvergunningen - 28/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Fiche Arrest nr 193.594 van 28 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.594 van 28 mei 2009 in de zaak A. A. 177.753/VII-36.
- In zake : Josephina DE VIL, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412F tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Josephina DE VIL op 17 oktober 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 7 juli 2006 waarbij haar beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 15 december 2005, waarbij een milieuvergunning wordt verleend aan de NV TECHNICAL CENTER BELGIUM, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 168.353 van 1 maart 2007 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoekster; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-36.677-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 6 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. MALFAIT die, loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor verzoekster, en van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De NV TECHNICAL CENTER BELGIUM (TCB) wil te Willebroek (Tisselt), aan de Jozef De Blockstraat 62A-64 een nieuwe inrichting uitbaten voor het bouwen en verhandelen van tankwagens en containers. Verzoek- ster woont in de onmiddellijke omgeving. 1.2.
- Het wordt niet betwist dat de NV TCB eind 2003 reeds een milieuvergunning aanvroeg voor deze inrichting die op bepaalde onderdelen, onder meer qua capaciteit, evenwel verschilde. De bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen verleende op 15 juli 2004 de toen gevraagde vergunning, doch na beroep van verzoekster neemt de minister op 18 januari 2005 een weigeringsbe- sluit. De NV TCB stelt tegen dit ministerieel weigeringsbesluit een annulatieberoep in, maar doet op 12 september 2005 afstand van het geding, die met het arrest nr. 157.788 van 20 april 2006 wordt ingewilligd. 1.2.
- Intussen heeft de NV TCB op 10 juni 2005 een nieuwe vergun- ningsaanvraag ingediend. VII-36.677-2/8 1.
- Op 15 december 2005 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning, behoudens wat betreft de opslag van 2.000 liter oxiderende gassen. De vergunning wordt afhankelijk gemaakt van een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden. 1.
- Op 6 februari 2006 stelt het echtpaar PEETERS-DE VIL een administratief beroep in. Beroepers doen onder meer gelden : "Hierbij ons herhaald beroep volgens artikel 51 Vlarem tegen de vergunning uitgereikt door de B.D. op 15.12.2005 : - volgens de aanvraag zou het gaan om het perceel 5/ afdeling, Sie A nrs 342/s²-342t² en 342r²; bij controle blijkt het te gaan om één enkel perceel Sie A nr 342x²; - dit perceel 342x² is volgens het gewestplan Mechelen vastgelegd bij KB 5.08.1976 gelegen in gebieden bestemd voor milieubelastende industrie voor de helft of 30 meter , de andere helft van dit perceel (op de breedte van het perceel 344 n²) is daarentegen gelegen in voorschrift 1.0 'woongebieden'. Hier is ten andere met vergunning door de vorige eigenaars Verhoeven twee appartementen gebouwd; (zie copie gewestplan sch.1.10000) - het bewuste perceel is dus voor de helft gelegen in woongebied tot op een diepte van 50 meter gemeten uit de straat, daar achter is de bestemming voorschrift 4.1 agrarische zone; - de helft van de gebouwen ligt in woongebied deels in agrarisch gebied volgens het gewestplan, er zijn geen vergunningen hiervoor bekend zodat het hier gaat om bouwmisdrijven, zelfs niet om zonevreemde constructies; - om al de voorgaande redenen kan de vergunning niet uitgereikt worden omdat de activiteiten strijdig zijn met de voorschriften van het gewest(plan) Mechelen; (...)". 1.
- In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht : - de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij geeft te kennen dat zij geen adviesbevoegdheid heeft; - de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL adviseert gunstig, omdat de hinder en de risico's tot het aanvaardbare kunnen worden beperkt; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert eveneens gunstig, omdat de loods waarin de activiteiten zullen plaatsvinden volledig ligt in een gebied voor milieubelastende industrie; - ook de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig. 1.
- Op 7 juli 2006 wordt het bestreden besluit genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. VII-36.677-3/8
- De rechtspleging De memorie van antwoord is laattijdig ingediend. Zij wordt overeenkomstig artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit de debatten geweerd.
- De grond van de zaak 3.
- In het eerste middel voert verzoekster de schending aan van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : coördinatiedecreet), van de artikelen 5.1.0 en 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit), van het gewestplan Mechelen, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) en van het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het motiveringsbe- ginsel. Zij stelt dat de vergunning verwijst naar de ligging in een gebied voor milieubelastende industrieën en naar het gunstige advies van AROHM, maar dat het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft slechts gedeeltelijk gelegen is in een gebied voor milieubelastende industrieën en gedeeltelijk ook in een woongebied en in agrarisch gebied, zodat de vergunning wat dat betreft strijdig is met de plannen van aanleg en geweigerd moest worden. De minister heeft de desbetreffende kritiek uit haar beroepschrift terzijde geschoven op grond van de gegevens verstrekt door de aanvrager en het advies van AROHM, maar zonder zulks nader te onderzoeken. Voorts stelt het besluit ook vast dat "de loods waarin de nieuwe activiteit zou worden opgestart, integraal in het gebied voor milieubelastende industrie ligt", maar haalt het toch ook aan dat "het betrokken perceel" gelegen is op de grens van het industriegebied, een woongebied en een achterliggend agrarisch gebied. De minister had zorgvuldiger de precieze situering van het perceel op het gewestplan moeten onderzoeken en de verwijzing naar de planologisch correcte ligging van de loods kan het besluit niet verantwoorden, zeker nu uit de aanvraag blijkt dat de vergunningsplichtige activiteiten niet alleen in de loods, maar ook in open lucht en op het gehele terrein van de inrichting plaats zullen vinden en de loods en de terreinen ruimtelijk een geheel vormen. VII-36.677-4/8 3.
- In de laatste memorie herhaalt verzoekster dat de vergunning volledig gemotiveerd wordt vanuit de ligging in industriegebied en dat de minister nagelaten heeft te motiveren waarom de inrichting toelaatbaar is in het woongebied en het agrarisch gebied. De overeenstemming van een inrichting voor het bouwen en onderhouden van tankwagens met de bestemming woongebied is immers niet evident. De verwijzing naar het advies van AROHM volstaat daarvoor ook niet. Zij benadrukt ook dat de vergunningsplichtige activiteiten niet tot de loods beperkt zijn, maar dat zij op het gehele bedrijfsterrein uitgeoefend worden (het onderhoud van de containers, de opslag van gevaarlijke stoffen). 3.
- Bij het verlenen van een milieuvergunning moet de overheid rekening houden met de voorschriften van de ter plaatse geldende plannen van aanleg. De vergunningsbeslissing moet er blijk van geven dat de ruimtelijke inplanting van de vergunningsplichtige inrichting getoetst is aan die plannen van aanleg. De formele motiveringsverplichting gebiedt het bestuur, in een zaak als de onderhavige, in het vergunningsbesluit zelf aan te geven waarom de inrichting overeenstemt met de voorschriften van het gewestplan. De belang- hebbenden moeten in de overwegingen voldoende aanwijzingen vinden die hen toelaten te achterhalen waarom het bestuur tot de conformiteit met de voorschriften van het gewestplan kon besluiten. Dat is zeker het geval wanneer in de loop van de administratieve procedure ter zake opmerkingen geformuleerd zijn. 3.
- Reeds in de procedure voor de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen is het bestuur erop gewezen dat de inrichting ook gedeeltelijk in een woonzone en een agrarisch gebied gelegen is. De bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen heeft die kritiek afgewezen met het argument dat "de inrichting (ligt) in een gebied (...) voor milieubelastende industrieën, grenzend aan een woongebied" en dat de exploitatie verenigbaar is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. Zij nam dus aan dat de gehele inrichting in een industriegebied gelegen was en zij beschikte daarvoor over het advies van AROHM van 19 september 2005 -"het goed ligt, volgens dit van kracht zijnde gewestplan, in een gebied voor milieubelastende industrie" -en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 20 september 2005- "volgens het advies van de AROHM is de inrichting gelegen in gebied voor milieubelastende industrie. Meer specifiek situeert de aanvraag zich in het natuurlijk overstromingsge- bied van de Bosbeek, waterloop van tweede categorie. Het betreft het laatste perceel VII-36.677-5/8 industriegebied. Linksaanpalend bevindt zich het woongebied in functie van de Jozef De Blockstraat en dieperliggend agrarisch gebied". Beide adviezen zijn zeer algemeen gesteld; de belanghebbenden kregen daarmee geen direct antwoord op hun grief dat de inrichting in hun visie ook in het agrarisch en het woongebied gelegen was. 3.
- In haar administratief beroep heeft verzoekster het bestuur onder meer gewezen op een mogelijke begripsverwarring omtrent de (kadastrale aanwijzing van de) percelen waarop de vergunningsaanvraag betrekking had -volgens haar beslaat de inrichting één perceel met nummer 342x²- en heeft zij opnieuw ingeroepen dat dit perceel voor de helft buiten de industriezone gelegen was en anderzijds dat de constructies in agrarisch gebied illegaal waren opgetrokken. 3.
- Het bestreden besluit neemt, wat de stedenbouwkundige situatie betreft, het advies van AROHM, van de afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie over in de volgende overwegingen : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied voor milieubelastende industrieën volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976; Gelet op het feit dat de inrichting: - aan de linkerzijde rechtstreeks paalt aan een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - gelegen is op een afstand van ± 125 meter van een parkgebied; - gelegen is op een afstand van ± 500 meter van een recreatiegebied; Overwegende dat het betrokken perceel, overeenkomstig het gewestplan Mechelen, gelegen is op de grens van het industriegebied voor milieubelastende industrie, een 50 meter diep woongebied langsheen de Jozef De Blockstraat en een achterliggend agrarisch gebied; Overwegende dat de loods waarin de nieuwe activiteit zou worden opgestart, integraal in het gebied voor milieubelastende industrie ligt; dat de stedenbouw- kundige vergunning voor deze loods door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek op 26 december 1996 werd afgeleverd; dat deze vergunning voorzag in een verplicht aan te leggen groenscherm aan de voorzijde en aan de rechterzijde van het perceel; dat de loods aan de linkerzijde aansluit bij reeds bestaande gebouwen; dat aan de achterzijde de korte afstand tot de Bosbeek de aanleg van een afdoend groenscherm onmogelijk maakt; dat er daarnaast ook voldoende ruimte moet behouden worden voor het ruimen van de Bosbeek; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; (...) Overwegende dat de beroeper stelt dat een van de percelen voor de helft gelegen is in woongebied en voor de andere helft gelegen in een gebied voor milieubelastende industrieën; dat de beroeper ook stelt dat er geen bouwvergun- ningen zijn voor de constructies; dat volgens het situeringsplan van bijlage VII-36.677-6/8 11/A van het aanvraagdossier, de bedrijfsterreinen van de NV Technical Center Belgium gelegen zijn binnen het gebied voor milieubelastende industrieën; dat de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschap- pen Antwerpen de aanvraag gunstig heeft geadviseerd bij advies van 19 september 2005". 3.
- De kritiek die verzoekster in het middel naar voren schuift is terecht. Geplaatst voor de door verzoekster gereveleerde onduidelijkheid op het vlak van de precieze ligging van de gronden waarvoor de aanvraag gebeurde, had de verwerende partij de situatie ter plaatse nader moeten onderzoeken en had zij, gelet ook op de onduidelijkheid aangaande de aanwijzing van de precieze percelen die het voorwerp vormden van de aanvraag, moeten aanduiden waarom de klagers zich vergisten en de minister er zich dienvolgens toe kon beperken vast te stellen dat de aanvraag volledig in een industriezone gesitueerd was. Door dit niet te doen is de verwerende partij tekortgekomen aan haar formele motiveringsverplichting. 3.
- Deze gebrekkige motivering werkt door naar de beoordeling die de Raad van State thans in het kader van het besproken middel moet maken. Inzonderheid omdat de verwerende partij een uiterst summier dossier neergelegd heeft waaruit niet opgemaakt kan worden welke kadastrale percelen bij de inrichting betrokken zijn -ook het stuk 11/A van het aanvraagdossier wordt niet voorgelegd- en in welke zone van het gewestplan deze bedrijfsterreinen gelegen zijn, is het voor de Raad van State onmogelijk na te gaan of de verwerende partij terecht heeft kunnen aannemen dat het gehele terrein dat bij de uitbating van de vergunnings- plichtige inrichting wordt betrokken wel in industriegebied gelegen is en dat het standpunt van verzoekster derhalve op een feitelijke misvatting berustte. 3.
- Het eerste middel is gegrond, VII-36.677-7/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 7 juli 2006 waarbij het beroep van Josephina DE VIL tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 15 december 2005, waarbij een milieuvergunning wordt verleend aan de NV TECHNICAL CENTER BELGIUM, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig mei tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.677-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.594 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.353 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div