← België

Arrest 193597 - Milieuvergunningen - 28/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.597 Rolnummer: A. 191019/VII-37309 Zaak: Arrest 193597 - Milieuvergunningen - 28/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-10 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Fiche Arrest nr 193.597 van 28 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.597 van 28 mei 2009 in de zaak A. 191.019/VII-37.

  1. In zake : de BVBA MAENHAUT WIM, die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA MAENHAUT Wim op 9 januari 2009 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 12 november 2008 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 24 april 2008, houdende het gedeeltelijk verlenen van de milieuvergunning aan de verzoekende partij voor het veranderen van een bedrijf voor grond-, wegenis- en riolerings- werken, gelegen aan de Zuidleiestraat 10-14 te Aalter, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd en deels wordt bevestigd, in de mate dat deze beslissing een weigering inhoudt van de vergunning voor de breek- en zeefinstallaties met een totaal geïnstalleerd vermogen van 475 kW; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-37.309-1/8 Gelet op de beschikking van 6 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 mei 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij exploiteert een bedrijf voor grond-, wegenis- en rioleringswerken aan de Zuidleiestraat te Aalter. De lopende milieuvergunning wordt verleend op 1 september 2005 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Aalter, voor een termijn van twintig jaar. Het bedrijfsterrein ligt in industriegebied, op 100 meter van het dichtstbijzijnde woongebied. In een straal van 100 meter rond de inrichting staan naast bedrijfsgebouwen ook nog drie woningen. 1.
  5. Op 20 november 2007 wordt en milieuvergunningsaanvraag ingediend voor de verandering van de inrichting. Door de verandering zou de inrichting niet langer in klasse 2 zijn ingedeeld, maar in klasse
  6. De verandering waar het in voorliggende vordering om gaat, houdt de uitbreiding in van het vermogen van de breek- en zeefinstallaties van 182 kW naar 475 kW. 1.
  7. Tijdens het openbaar onderzoek worden zes bezwaarschriften ingediend. VII-37.309-2/8 In de loop van het onderzoek van de aanvraag blijkt dat de verzoekende partij de herlokalisatie plant van, onder meer, de breek- en zeef- activiteiten, en op de vergadering van de Provinciale Milieuvergunningscommissie verklaart zij in te stemmen met een vergunning voor die activiteiten voor een termijn van slechts twee jaar. 1.
  8. Op 24 april 2008 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning gedeeltelijk. De breek- en zeefinstallaties worden vergund voor het gevraagde vermogen van 475 kW, voor een termijn van twee jaar. Er worden bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd om geluidshinder en stofhinder te beperken. Onder meer moet binnen zes maanden een geluidsstudie worden voorgelegd aangaande de werking van de breekinstallatie en de laad- en losactiviteiten, en bij overschrijding van de Vlarem II-normen moet er een saneringsplan worden bijgevoegd. 1.
  9. Er wordt administratief beroep aangetekend door een aantal buurtbewoners. 1.
  10. De door de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen gevraagde geluidsstudie wordt opgemaakt. Er wordt geconcludeerd dat een saneringsplan noodzakelijk is. Een van de noodzakelijk geachte maatregelen is het bouwen van een vijf meter hoge muur rond de breek- en zeefinstallaties. 1.
  11. Volgende adviezen worden verleend : - de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij adviseert gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert ongunstig (voor de gehele verandering); - de afdeling Stedenbouwkundig Beleid adviseert gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert om de uitbreiding van de breek- en zeefactiviteiten te weigeren en om bijkomende bijzondere vergunnings- voorwaarden op te leggen ter beperking van de geluidshinder. 1.
  12. Op 12 november 2008 wordt de bestreden beslissing genomen : de door de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen verleende vergunning wordt bevestigd, behalve voor de uitbreiding van de breek- en zeefactiviteiten; de door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie voorgestelde bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarden worden opgelegd. Voor de weigering van de uitbreiding VII-37.309-3/8 van de breek- en zeefactiviteiten wordt verwezen naar de uitgevoerde geluidsstudie en de daarin noodzakelijk geachte maatregelen, en wordt vervolgens overwogen "dat onder de huidige akoestische omstandigheden geen zeef- en breekactiviteiten kunnen uitgevoerd worden zonder overmatige geluidshinder voor de buurt; (...) dat volgens de exploitant de 5 meter hoge muur rond de zeef- en breekactiviteiten niet meer geplaatst zal kunnen worden, aangezien hiervoor nog een bouwvergunning nodig is en de verhuis naar de nieuwe locatie gepland is voor begin 2009";
  13. Het voorwerp van de vordering Overwegende dat de verzoekende partij haar vordering uitdrukkelijk beperkt tot de weigering van de eerder door de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen wel verleende vergunning voor de breek- en zeefinstallaties met een totaal geïnstalleerd vermogen van 475 kW;
  14. De schorsingsvoorwaarden Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij, met betrekking tot de eerste voorwaarde, in een enig middel de schending aanvoert van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel; dat zij uiteenzet dat als gevolg van de bestreden beslissing de gevraagde en door de deputatie verleende uitbreiding van de breek- en zeefactiviteiten niet langer is vergund, terwijl de vergunde termijn van twee jaar een "uitdoofscenario" inhield dat een "overgangsfase" bood om tot herlokalisatie over te gaan, dat de bestreden beslissing er daarbij aan voorbijgegaan is dat de beslissing van de deputatie reeds "afdoende garanties en beperkingen" bood, dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden omdat geen "afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval" is gebeurd, meer bepaald geen "degelijk onderzoek naar de VII-37.309-4/8 feitelijkheden", dat het redelijkheidsbeginsel is geschonden doordat "de toepasselijke rechtsregels" niet op "alle relevante feiten" werden toegepast en er niet op grond van "een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen" werd beslist, dat daardoor de motivering "rechtens en feitelijk niet correct is aangezien deze niet juist is, noch pertinent is en belangrijke informatie achterhoudt" waardoor de motiveringsplicht is geschonden; dat de verzoekende partij toelicht dat reeds in de basisvergunning van 1 september 2005 het uitoefenen van de breek- en zeefactiviteiten vergund werd en dat tijdens de behandeling van de aanvraag tot uitbreiding duidelijk werd aangegeven dat deze activiteiten slechts tijdelijk waren, in afwachting van de herlokalisatie ervan die zo spoedig mogelijk zou gebeuren, en dat het breken periodiek zou gebeuren, met een telkenmale daartoe gehuurde mobiele installatie, dat door het niet langer weerhouden van deze overgangsmogelijkheid voor de breek- en zeefactiviteiten op de site, het voor de verzoekende partij onmogelijk is om de exploitatie op afdoende wijze verder te zetten en te coördineren waardoor de onderneming en de verdere ontwikkelingen op de site aanzienlijk worden gehypothekeerd, dat zij de opgelegde voorwaarden in navolging van de uitgevoerde geluidsstudie door de BVBA EVA- INTERNATIONAL van 13 augustus 2008 integraal heeft nageleefd of zal naleven teneinde in elk geval de geluidshinder tot een minimum te beperken, dat enkel nog voor wat betreft de bouw van de vijf meter hoge muur een stedenbouwkundige vergunning moet worden verkregen, dat de "discrepantie tussen de feitelijke gegevens uit het dossier en het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing" het redelijkheids-, het evenredigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel schendt doordat de bestreden beslissing niet op een zorgvuldige wijze werd voorbereid en niet stoelt op correcte feitenvinding; 3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat zij in dezen over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt tegenover de veeleer beperkte wettigheidscontrole van de Raad van State die slechts beschikt over een marginale toetsingsbevoegdheid, dat zij als vergunningverlenende overheid erover dient te waken dat de hinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt en dat zulks ook geldt voor "een zogenaamde 'tijdelijke' exploitatie", dat er geen lager aanvaardbaar niveau tot stand komt omdat een onderdeel van een milieuvergunning beperkt wordt in de tijd ten opzichte van de andere onderdelen van een in eerste aanleg verleende milieuvergunning, dat niet enkel de belangen van de verzoekende partij in ogenschouw dienen te worden genomen, maar dat minstens evenzeer dient te worden gekeken naar de gevolgen van de tenuitvoerlegging van de gevraagde VII-37.309-5/8 milieuvergunning op de directe omgeving, dat de kritiek die geleverd wordt door de verzoekende partij op de bestreden beslissing des te vreemder is gelet op het volledig akoestisch onderzoek dat door de BVBA EVA-INTERNATIONAL op haar vraag werd uitgevoerd en dat het in dat verband van belang is er op te wijzen dat deze studie werd uitgevoerd na de totstandkoming van de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 24 april 2008; dat het, steeds volgens de verwerende partij, "aannemelijk en zelfs zeer waarschijnlijk" is dat deze beslissing andersluidend zou zijn geweest indien ook de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen hierover zou hebben beschikt, dat volgens de geluidsstudie geen enkele activiteit onder de toegelaten limietwaarden ter hoogte van de meest dichtbijgelegen woning blijft en dat hetzelfde geldt voor de breek- en zeefactiviteiten ten opzichte van de woningen aan de overkant van het kanaal, dat op grond van die informatie het voor de verwerende partij bijgevolg onmogelijk was om de breek- en zeefactiviteiten te vergunnen en dat zulks ook bevestigd wordt in de voornoemde studie, dat de studie ook enkel een mogelijkheid ziet tot het vergunnen van de gevraagde activiteit als alle maatregelen, zoals voorgesteld, worden uitgevoerd, dat de verzoekende partij zelf heeft verklaard op de vergadering van 9 september 2008 van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dat "de 5 meter hoge muur rond de zeef- en breekactiviteiten niet meer geplaatst zal kunnen worden, aangezien hiervoor nog een bouwvergunning nodig is en de verhuis naar de nieuwe locatie gepland is voor begin 2009", zodat de verwerende partij "ertoe gedwongen (werd) de zeef- en breekactiviteiten niet te vergunnen, aangezien zij niet eens de mogelijkheid had om de nodige voorwaarden op te leggen om ervoor te zorgen dat de door de gevraagde activiteiten veroorzaakte hinder onder de toegelaten limietwaarden zou blijven", dat dit des te meer klemt nu de verzoekende partij van oordeel is dat de verwerende partij het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zou hebben terwijl blijkt dat de verzoekende partij zelf niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd door staande te houden dat het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor een dergelijke minieme constructie langer zou duren dan twee jaar; 3.
  17. Overwegende dat de verwerende partij terecht van oordeel is dat een vergunningverlenende overheid de zorg heeft over de beperking van de hinder binnen aanvaardbare normen en dat het niet is omdat een onderdeel van een inrichting slechts gedurende een relatief korte termijn zou worden geëxploiteerd, dat de grenzen van wat aanvaardbaar kan worden geacht, zonder meer beduidend ruimer worden; dat zij er aldus ook terecht op wijst dat de deputatie van de provincie Oost- VII-37.309-6/8 Vlaanderen het probleem heeft onderkend door de geluidsstudie op te leggen, met het oog op de toetsing van de geluidshinder aan de normen van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) en om bij overschrijding daarvan een saneringsplan voor te stellen; dat uit die studie is gebleken dat de normen van Vlarem II slechts kunnen worden gehaald mits welbepaalde saneringsmaatregelen; dat de vraag of de verzoekende partij de voor de breek- en zeefinstallaties noodzakelijk geachte saneringsmaatregel niet wil of niet kan uitvoeren, in dezen zonder belang is; dat immers de verwerende partij moest beslissen over het vergunnen van een uitbreiding waarvan was gebleken dat ze geluidshinder veroorzaakt die groter is dan wat de algemene voorwaarden van Vlarem II toelaten; dat de bestreden beslissing inderdaad onomwonden stelt dat "onder de huidige akoestische omstandigheden geen zeef- en breekactiviteiten kunnen uitgevoerd worden zonder overmatige geluidshinder voor de buurt"; dat "overmatige geluidshinder" niet tijdsgebonden is; dat de gedane vaststellingen het gevolg zijn van het onderzoek in de bestreden beslissing van de uitgevoerde geluidsstudie, de er aan verbonden conclusies en de door de verzoekende partij gedane voorstellen die eveneens in de bestreden beslissing zijn vermeld; dat de bestreden beslissing bijgevolg steunt op juiste feiten en dat de feitenvinding derhalve met de nodige zorgvuldigheid geschiedde; dat voorts is vastgesteld dat de dwingende algemene voorwaarden van Vlarem II niet kunnen worden nageleefd en dat bijgevolg de vergunningverlenende overheid nog maar weinig beoordelingsruimte over heeft; dat in die precieze omstandigheden de verzoekende partij nog bezwaarlijk kan gewagen van een schending van het redelijkheids- en van het evenredigheidsbeginsel; dat het enige middel niet ernstig is; 3.
  18. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  19. De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-37.309-7/8 Artikel
  20. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig mei tweeduizend en negen, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.309-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.597 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.109 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.