id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.616 Rolnummer: A. 151892/XIV-19619 Zaak: Arrest 193616 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 28/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Fiche Arrest nr 193.616 van 28 mei 2009 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.616 van 28 mei 2009 in de zaak A. 151.892/XIV-19.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. LAUWERS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waversesteenweg 214 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie- en asielbeleid. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 18 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 25 maart 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 1 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 9 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 mei 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die verschijnt in persoon, van Advocaat S. LAUWERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van XIV-19.619-1/8 Advocaat S. DE VRIEZE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX komt op 14 juli 2000 België binnen en vraagt op 17 juli 2000 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 29 september 2003 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 8 oktober 2003 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op de zitting van 2 maart 2004 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat F. BLEYEN, gehoord. 1.
- Op 25 maart 2004 neemt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de bestreden beslissing de feiten als volgt stelt: "U, die verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten, zou geboren zijn te Ahvaz. U zou woonachtig zijn geweest in Shahin Shahr. Uw vader zou voor de revolutie leider zijn geweest van de « Hezb-e Kargar » (Arbeiderspartij) en zou hebben samengewerkt met de Savak. Hij zou tot de Bakhtiari-clan behoren. Hij zou geregeld zijn gearresteerd na de revolutie en in 1372 (Perzische kalender, k.o.m. 1993 Gregoriaanse kalender) zou hij zijn overleden. De autoriteiten zouden uw huis steeds onder toezicht hebben gehouden. U zelf zou niet politiek actief zijn geweest, doch u zou sympathisant zijn van de «Nehzat-e Moghavamat-e Melli » (Nationale Verzetsbeweging). U zou twee maal zijn gearresteerd. De eerste keer zou in 1376 of 1377 (1997-1998) zijn geweest. De autoriteiten zouden uw huis zijn binnengevallen en verboden boeken hebben gevonden. U zou twee weken zijn vastgehouden. U zou zijn verdacht van banden met MKO omwille van uw contacten met kennissen van uw vader. Op 19/1/1378 (8/4/1999) zou u opnieuw zijn gearresteerd. Deze keer zouden de autoriteiten een satellietschotel, een XIV-19.619-2/8 kaartspel en het spel tric trac hebben gevonden. U zou zijn vastgehouden in de gevangenis van Dastgerd en voor de revolutionaire rechtbank zijn veroordeeld op beschuldiging van bezit van alcohol en een satellietschotel. U zou veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf en 20 zweepslagen. Na twee weken zou u zijn vrijgelaten na het betalen van een boete van 300.000 touman en het neerleggen van verschillende eigendomsaktes van huizen en gronden als borg. Een week na uw vrijlating zou u zijn ondergedoken bij familie in Ahvaz. In de vierde maand van 1378 (juni juli 1999) zouden u en uw neef XXX hebben deelgenomen aan de studentendemonstraties in Teheran. Uw neef zou zijn opgepakt tijdens de demonstraties. Daarop zou u terug zijn ondergedoken in Ahvaz. Ongeveer een maand na de demonstratie zou u Iran hebben verlaten. Op 14 juli 2000 zou u in België zijn aangekomen en op 17 juli 2000 vroeg u hier asiel aan. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legt u volgende documenten voor, een kopie van uw boekje burgerlijke stand, kopie van een vonnis van de rechtbank dd.19/1/1378 (8/4/1999) kopie van een foto van een conferentie van de Hezb-e Kargar in Zwitserland, fax van extract van het boek 'Adventure in Oll" van H. Longhurst, twee attesten van opleidingen in België en een medisch attest van in België. Overwegende dat appellant in zijn verzoekschrift stelt dat de beslissing van 29 september 2003 in strijd is met het ter zake geldende recht, daar deze beslissing genomen werd door de adjunct-commissaris; dat ingevolge artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen "de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en niemand anders" bevoegd is voor het nemen van de betreffende beslissing; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet verhinderd was daar hij toen reeds een andere functie had opgenomen; dat in casu de adjunct-commissaris evenmin de beslissing nam in toepassing van artikel 57/9 eerste lid van voormelde wet; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen immers niet verhinderd was maar ontslag had genomen; dat: "als er geen Commissaris-generaal is (wegens ontslag en bij gebreke aan benoeming van een andere), dan kan die ook niet verhinderd zijn. Aangezien de Commissaris-generaal aldus niet verhinderd is, zoals gezegd in voorgaande alinea, dan kunnen de adjuncten ook niet diens bevoegdheden, zoals het weigeren te erkennen als vluchteling, uitoefenen. In casu heeft de adjunct dan ook ten onrechte de bevoegdheid van weigering tot erkenning van verzoeker als vluchteling uitgeoefend zodat de beslissing ook om deze reden in strijd met het recht werd genomen."; Dat in eerste instantie kan gesteld worden dat het ontslag van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen totnogtoe niet het voorwerp uitmaakte van een Koninklijk Besluit; dat anderzijds los van het feit of de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen al dan niet ontslag had genomen, het principe geldt van de continuïteit van de openbare dienst dat de ambtenaar van de onmiddellijk lagere rang toelaat op te treden voor de uitoefening van desbetreffende functie (zie Mast, A., Dujardin, J., Van Damme M., Vande Lanotte J., Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Kluwer, Brussel, 2002, nr. 69 tot 72, zie ook R.v.St., nr. 122.608, 9 september 2003); dat tevens kan worden gewezen op het Koninklijk Besluit tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 juli 2003 met name op artikel 2, hoofdstuk II: Afwezigheid van de Commissaris-generaal; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen rechtsgeldig is gevat; Overwegende dat appellant zijn identiteit niet aantoont aan de hand van authentieke identiteitsdocumenten; dat Iraanse onderdanen beschikken over identiteitskaarten en dan ook verwacht kan worden dat zij het belang van dit identificatiemiddel kennen; dat het bewijs van identiteit een essentieel element is in elke procedure en appellant in dit verband de stukken waarover hij beschikt of kan beschikken zou moeten voorleggen; dat appellant slechts een kopie van een fax van een gekopieerd document neerlegt; dat dergelijke kopieën onvoldoende zijn als bewijs van identiteit; Overwegende dat appellant ter zitting geen nuttige toelichtingen kan geven in verband met zijn reisweg; dat hij stelt dat hij met de auto vanuit Ahvaz vertrok en doorreed tot in Istanbul; dat hij de grens niet heeft opgemerkt, noch de vele controleposten in de grensstreek; dat appellant geen enkel nuttig feit, ingrijpende of merkwaardige gebeurtenis van zijn reisweg kan meedelen; Dat appellant de plicht heeft mee te werken om de waarheid te achterhalen; dat er minstens kan verwacht worden dat hij deze ongewone reisweg ter zitting voldoende kan XIV-19.619-3/8 toelichten; dat zijn verklaringen bevattelijk en ondubbelzinnig moeten zijn zodat hij het aannemelijk maakt dat hij deze reis effectief heeft beleefd; dat dit in casu niet het geval is; dat de verklaringen van appellant ter zitting van die aard zijn dat er geen geloof kan worden aangehecht; dat hij het aldus niet aannemelijk maakt dat hij zijn land illegaal verliet; Overwegende dat de bestreden beslissing stelt: "Zo verklaart u dat het een veroordeling is van de revolutionaire rechtbank (CG 8/9/03, p.11 en DB p.8). Het document betreft echter een vonnis van de algemene rechtbank. Bovendien komen de beschuldigingen en de veroordeling die u tijdens uw gehoor aanhaalt niet overeen met wat er in het vonnis is geschreven. U verklaart beschuldigd te zijn van het bezit voor satellietapparatuur, alcohol, een kaartspel en een spel "Tric Trac". Dat zouden de enige beschuldigingen zijn geweest (CG 8/9/03, p.11). In het vonnis wordt echter vernield dat u ook bent beschuldigd van het bezit van instrumenten voor de consumptie van verdovende middelen. De rechtbank zou zich hier echter onbevoegd voor hebben verklaard. Volgens het vonnis werd u tevens beschuldigd van illegale betrekkingen maar hiervoor zou u zijn vrijgesproken. Van alcohol, een kaartspel en een spel "Tric Trac" wordt niets vermeld in het document. U verklaart te zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf en zweepslagen (CG 8/9/03, p.12). Hiervan staat echter evenmin iets vermeld in het vonnis. Hierin wordt alleen gesteld dat u 300.000 riyal boete moest betalen.”; Dat het verzoekschrift stelt: "In dit vonnis wordt ook gesproken over andere personen en over drugs die deze andere personen zou hebben genomen. In dit vonnis verklaart "de algemene rechtbank" zich eveneens onbevoegd aangezien verzoeker eveneens door een andere (bevoegde) rechtbank diende te worden berecht: men vond immers dat hij ook misdrijven had begaan op politiek vlak waarvoor deze algemene rechtbank niet bevoegd was."; Dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vaststelt dat appellant geen vertaling van dit document neerlegt en ter zitting uitzonderlijk de tolk gevraagd wordt de desbetreffende passage te vertalen; dat uit de bewoordingen van de passage van het vonnis blijkt dat appellant werd veroordeeld tot "300.000 riyal boete voor het bezit van satellietapparatuur"; dat "andere personen" beschuldigd werden van drugsverslaving en appellant van het bezitten van materiaal voor het nemen van drugs; dat de algemene rechtbank zich onbevoegd verklaart voor de behandeling van drugsmisdrijven; dat voor zover dit stuk authentiek is, blijkt dat appellant veroordeeld werd voor gemeenrechtelijke misdrijven; Overwegende dat de bestreden beslissing stelt: "Het is ook bevreemdend dat u zou hebben deelgenomen aan de studentenmanifestaties in Teheran op het moment dat u reeds was ondergedoken in Ahvaz uit vrees voor de Iraanse autoriteiten. Temeer daar u verklaart dat deze laatsten u reeds enkele keren thuis waren komen zoeken sinds uw vrijlating in 1378 (CG 8/9/03, p.1B en 18). Er kan immers van worden uitgegaan dat geviseerde personen niet zomaar in de openbaarheid treden en deelnemen aan een betoging waarbij een potentieel risico tot arrestatie bestaat. Bovendien moet hierbij worden vastgesteld dat u in dringend beroep geen melding heelt gemaakt dat u reeds voor uw deelname aan de studentenbetoging was ondergedoken in Ahvaz (CG 12/12/00, p.9). Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw relaas verder ondermijnd.”; Dat het verzoekschrift stelt: "het is niet omdat verzoeker inderdaad vreesde voor de autoriteiten dat het eigenaardig is dat hij deelnam aan eens studentenmanifestatie. Integendeel, verzoeker wilde zijn overtuiging volgen en de autoriteiten bestrijden door deel te nemen, aan de betaling: enkel door te betalen kon hij zin ongenoegen naar de autoriteiten toe kenbaar maken. Bovendien trad verzoeker niet zomaar in de openbaarheid: hij was omgeven door een menigte van andere betogers. De redenering van de adjunct commissaris zou juist zijn indien verzoeker alleen zou betogen in de openbaarheid waarbij het absoluut zeker was dat hij alsdan ook opgepakt zou worden"; Dat appellant ter zitting ondervraagd werd over desbetreffende studentenmanifestatie; dat appellant in eerste instantie herhaalt dat hij geen student is en daarom ook niet goed bekend is met dit milieu; dat voor zover appellant een vrees had voor de autoriteiten, en zoals hij het stelt in het verzoekschrift, toch zijn overtuiging wilde volgen en bewust gekozen had om mee te betogen, er mag verwacht worden dat appellant over deze betoging minimale informatie kan geven; XIV-19.619-4/8 dat echter ter zitting blijkt dat appellant geen studentenorganisaties, noch studentenleiders kan opsommen, ook niet de publieke figuren van de radio, TV en de kranten; dat hij ook niet weet welke slogans werden meegedragen en wat de voornaamste eisen waren van deze betoging; dat hij het verloop van de betoging niet kent; dat appellant in het geheel onwetend is over de studentenbetoging; dat hij het niet aannemelijk maakt dat hij met deze betoging is meegegaan of er enige interesse voor had; dat zijn verklaringen hieromtrent dan ook volkomen ongeloofwaardig zijn; Overwegende dat appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, OM DEZE REDENEN : verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan XXX de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling.”;
- Over de gegrondheid van het beroep. Overwegende dat verzoeker in een enig middel aanvoert dat, eerste onderdeel, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen “het recht schendt en de motiveringsplicht” door niet of minstens niet afdoende te antwoorden op zijn beroepsargument omtrent de bevoegdheid van de adjunct-Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om de beroepen beslissing te nemen, door het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst, zoals verwoord in artikel 57/9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), op onjuiste wijze toe te passen daar niet vastgesteld noch bewezen wordt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verhinderd dan wel afwezig was, en door zelfs tegenstrijdig te motiveren waar zij “impliciet zegt dat de Commissaris-Generaal niet verhinderd was door te stellen dat er nog geen koninklijk besluit omtrent een ontslag was”, dat, tweede onderdeel, wat betreft de motieven ontleend aan het niet aantonen van zijn identiteit en reisweg, de bestreden beslissing is genomen met machtsoverschrijding omdat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ten onrechte overging tot een feitelijk onderzoek van de hele zaak en zelfs de opportuniteit van de bestreden beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onderzocht, terwijl zij als administratieve rechtsmacht enkel de legaliteit van de beroepen beslissing kan en mag beoordelen, dat, derde onderdeel, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de motiveringsplicht schendt door niet te antwoorden op het in zijn beroepschrift ontwikkelde argument dat één enkele tegenstrijdigheid niet van aard kan zijn om tot de ongegrondheid te besluiten, en dat, vierde onderdeel, hij “voor het overige, onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis, de schikkingen van de thans bestreden beslissing dient te betwisten”; 2.
- Overwegende dat artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet, zoals het gold op het ogenblik van de bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, onder meer het volgende bepaalt: “De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is bevoegd: XIV-19.619-5/8 1/ om aan de vreemdeling bedoeld in artikel 53, de hoedanigheid van vluchteling, in de zin van de internationale verdragen die België binden, te erkennen of weigeren te erkennen; (...)”; dat artikel 57/9 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat “(d)e bij artikel 57/6, 1/ tot 3/, omschreven bevoegdheden worden uitgeoefend door de Commissaris-generaal of, als deze verhinderd is, door een van zijn adjuncten”; dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot vaststelling van de werking van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het volgende bepaalt: “In geval van afwezigheid of verhindering duidt de Commissaris-generaal de adjunct aan die hem vervangt. Bij ontstentenis van een uitdrukkelijke aanduiding is de adjunct met de meeste anciënniteit de vervanger van de Commissaris-generaal. In geval beiden dezelfde anciënniteit bezitten, vervangt de oudste adjunct in leeftijd de Commissaris-generaal.”; dat plaatsvervanging, als toepassing van de regel van de continuïteit van de openbare dienst, aanwezig is in het geval een administratief orgaan de bevoegdheid van een ander administratief orgaan tijdelijk uitoefent; dat deze tijdelijke uitoefening zich voordoet wanneer het orgaan waaraan de bevoegdheid is toegekend, verhinderd of afwezig is of wanneer dat orgaan wegens het spoedeisend karakter van de te verrichten handeling niet in de mogelijkheid is tijdig genoeg op te treden; dat in beginsel geen plaatsvervanging kan plaatshebben dan in de gevallen door de wet bepaald en met nakoming van de bij de wet gestelde voorwaarden; dat het bestaan van de verhindering, van de afwezigheid of van de hoogdringendheid moet worden bewezen; dat de ondertekening door de plaatsvervanger “voor” het administratief orgaan of de verwijzing in de administratieve rechtshandeling naar het wettelijk voorschrift dat de plaatsvervanging regelt, aanwezig dient te zijn om als vermoeden van de werkelijkheid van de verhindering of de afwezigheid dient te gelden; dat zoals verzoeker terecht opmerkt, in de bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ten onrechte naar het arrest nr. 122.608 van 9 september 2003 van de Raad van State wordt verwezen, aangezien uit voormeld arrest blijkt dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in die zaak door de adjunct-Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd ondertekend “pour le Commissaire général, empêché”; dat in voormelde zaak derhalve duidelijk uit de beslissing bleek om welke reden de beslissing door de adjunct-Commissaris-generaal werd ondertekend; dat volgens artikel 57/9 van de Vreemdelingenwet de adjunct-Commissaris- generaal enkel de bevoegdheid heeft om een beslissing overeenkomstig artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet te nemen indien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verhinderd is; dat nergens uit de beroepen beslissing van 29 september 2003 tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling blijkt dat de adjunct-Commissaris-generaal deze beslissing heeft genomen omdat de Commissaris-generaal verhinderd zou zijn geweest, integendeel, in voorliggend geval blijkt dat de adjunct-Commissaris-generaal in eigen naam de beslissing heeft ondertekend; dat, aangezien de beroepen beslissing van 29 september XIV-19.619-6/8 2003 noch werd ondertekend “voor” de Commissaris-generaal, noch verwijst naar de bepaling die de afwezigheid of verhindering van de Commissaris-generaal regelt, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen derhalve niet wettig en zonder haar bevoegdheid te overschrijden kon motiveren dat zij rechtsgeldig was gevat; dat, aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet bevoegd was om de bestreden beslissing te nemen, de overige onderdelen van het middel niet nader dienen te worden onderzocht; dat het eerste onderdeel van het enig middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 25 maart 2004 waarbij wordt geweigerd verzoeker als vluchteling te erkennen. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-19.619-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig mei tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, B. TETTELIN, griffier. De griffier, De voorzitter, B. TETTELIN. A. BEIRLAEN. XIV-19.619-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.616 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.