id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.618 Rolnummer: A. 189426/XIV-30454 Zaak: Arrest 193618 - Varia (justitie) - 28/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Fiche Arrest nr 193.618 van 28 mei 2009 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.618 van 28 mei 2009 in de zaak A. 189.426/XIV-30.454. In zake : Abdellah OUABOUR, die woonplaats kiest bij Advocaat Ch. MARCHAND, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Berckmansstraat 83 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, die woonplaats kiest bij Advocaat B. DERVEAUX, kantoor houdende te 3078 KORTENBERG, Veldstraat 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Abdellah OUABOUR op 18 augustus 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Minister van Justitie van 11 januari 2008 tot uitlevering van verzoeker aan de Marokkaanse autoriteiten, aan verzoeker betekend op 19 juni 2008; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 10 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 mei 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Z. CHIHAOUI die, loco Advocaat C. MARCHAND verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat B. DERVEAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; XIV-30.454-1/10 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 8 juli 2005 verzoekt Marokko om de uitlevering van verzoeker. 1.2. Op 11 januari 2008 neemt de Minister van Justitie het besluit tot uitlevering van verzoeker. Dit is het bestreden besluit: “(...) Gezien de brief dd. 14.07.2005 van de Minister van Buitenlandse Zaken en de daarbij gevoegde diplomatieke nota ref. SC/AZ 000640 dd. 13.07.2005 van de ambassade van Marokko te Brussel waarbij de uitlevering wordt gevraagd van de Marokkaanse onderdaan OUABOUR Abdellah geboren te Maaseik op 22.04.1974; Gezien de daarbij overgelegde stukken, waaronder het aanhoudingsbevel dd. 02.05.2005 van de Procureur-generaal van de Koning bij het Hof van Beroep te Rabat. Deze titel werd uitgevaardigd wegens feiten die naar de op het ogenblik van de feiten geldende Belgisch wetgeving omschreven zijn als: (deelneming aan een) vereniging van misdadigers, valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken. Deze feiten werden op het Marokkaanse, Belgische, Afghaanse en Turkse grondgebied gepleegd tussen 2000 en eind 2003; Gezien het advies uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Brussel op 19.10.2006; Gelet op de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997; Gelet op de uitleveringswetten van 1 oktober 1833 en 15 maart 1874; Overwegende dat de feiten zowel naar Belgisch als naar Marokkaans recht strafbaar zijn gesteld en dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.1 van voornoemde uitleveringsovereenkomst; Overwegende dat de verjaring van de strafvordering noch naar Belgisch, noch naar Marokkaans recht is bereikt; Overwegende dat de feiten geen politiek misdrijf of een daarmee samenhangend misdrijf uitmaken; Overwegende evenwel dat de in België tussen 07.01.2004 en 20.03.2004 voor wat de tenlastelegging sub A betreft en de in België tussen 01.01.2002 en 07.01.2004 gepleegde feiten zoals omschreven onder de tenlasteleggingen sub D, F en J waarvoor de opgeëiste persoon bij arrest dd. 19.01.2007 van het Hof van Beroep te Brussel onherroepelijk werd veroordeeld overeenstemmen met de feiten die in het Marokkaanse uitleveringsverzoek, inzonderheid in het feitenrelaas zijn vermeld. Ten aanzien van de feiten die het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve berechting is artikel 7 van voormelde Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering van toepassing. Voor deze feiten kan de uitlevering gelet op het beginsel "ne bis in idem" niet worden toegestaan. Overwegende dat niet is gebleken dat het uitleveringsverzoek dat op misdrijven van gemeen recht berust, in concreto is ingegeven om de opgeëiste persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen, noch dat zijn positie om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed; Overwegende dat evenmin is gebleken dat er in dit geval concrete ernstige risico's bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat zou XIV-30.454-2/10 worden onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling; Overwegende bijgevolg dat aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering is voldaan, Besluit Artikel 1 De uitlevering van OUABOUR Abdellah wordt aan de regering van Marokko toegestaan wegens de feiten op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd, behoudens voor de in België tussen 07.01.2004 en 20.03.2004 gepleegde feiten zoals omschreven in de tenlastelegging A enerzijds en de tussen 01.01.2002 en 07.01.2004 gepleegde feiten zoals omschreven in de tenlasteleggingen D, F en J anderzijds waarvoor Ouabour onherroepelijk werd veroordeeld bij arrest dd. 19.01.2007 van het Hof van Beroep te Brussel. Artikel 2 De uitlevering van OUABOUR Abdellah zal overeenkomstig artikel 17 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering worden uitgesteld tot de opgeëiste persoon aan het Belgische gerecht heeft voldaan. (...).”. 2. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. 2.1. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.1.1. Overwegende, wat de eerste vereiste voorwaarde betreft, dat verzoeker als derde middel aanvoert: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 aangaande de formele motivering van administratieve beslissingen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel; Aangezien in het ministerieel uitleveringsbesluit de uitlevering van verzoeker wordt toegestaan op basis van volgende overweging: "Overwegende dat evenmin is gebleken dat er in dit geval concrete en ernstige risico's bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat zou worden onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling"; Terwijl uit de in middel een aangehaalde uiteenzetting blijkt dat het risico op foltering of een onmenselijke en vernederende behandeling voldoende naar recht bewezen is; 6.3.1. Overwegende dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die rechtsgevolgen beogen te hebben voor één of meer bestuurden, afdoende gemotiveerd moeten zijn in de akte die de beslissing zelf bevat; Overwegende dat drie voorwaarden moeten zijn vervuld opdat aan de materiële motiveringsplicht zou zijn voldaan, in die zin dat de motieven kenbaar moeten zijn in het administratief dossier, de motieven moeten juist zijn en eveneens draagkrachtig; Dat de draagkracht slaat op vier elementen, zijnde de logische consistentie (geen tegenstrijdigheden), de juridische aanvaardbaarheid (hanteren van de juiste wettelijke grond en de juiste interpretatie van de wet), de feitelijke aanvaardbaarheid (gebaseerd op de juiste en relevante feiten) en de beleidsaanvaardbaarheid (aansluitend bij het gevoerde beleid); Dat immers talrijke verslagen (eerste middel) melding maken van folterpraktijken ten aanzien van welbepaalde kwetsbare groepen, waaronder terroristen; XIV-30.454-3/10 Dat in casu niet aan het draagkrachtvereiste is voldaan daar talrijke verslagen (eerste middel) ommers melding maken van folterpraktijken ten aanzien van welbepaalde kwetsbare groepen, waaronder terroristen; Dat in casu de beslissing niet steunt op motieven die onderbouwd worden door de feiten eigen aan deze zaak (ze werden immers niet beoordeeld), zodat er sprake is van een stereotype motivering; Dat de Raad van State meermaals stelde dat een stereotype motivering geenszins een adequate motivering uitmaakt in de zin van artikel 2 en 3 van de wet aangaande de formele motivering van administratieve beslissingen; Dat dit eveneens het standpunt is van het Hof van Cassatie; Dat uit het voorgaande blijkt dat de beslissing niet beantwoordt aan de motiveringsver- eisten die krachtens artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 aangaande de formele motivering van administratieve beslissingen vereist zijn; 6.3.2. Dat een dergelijke motivering, zonder het nodige opzoekingwerk te verrichten immers indruist tegen het algemene rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel; Verzoeker mag immers van de overheid verwachten dat, alvorens hij naar een land wordt uitgewezen, een onderzoek wordt gestart naar de reputatie van het desbetreffende land inzake mensenrechten, zeker wanneer het een publiek geheim is dat het land in kwestie folterpraktijken hanteert jegens welbepaalde kwetsbare groepen waaronder ook verzoeker toebehoort; Dat artikel 3 EVRM en artikel 3 van het Folterverdrag immers van openbare orde zijn; Dat dientengevolge het vertrouwensbeginsel werd geschonden daar "de door de overheid opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de burger in de regel moeten worden gehonoreerd"; Dat het vertrouwensbeginsel een aspect is van het algemene rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur; Dat de beslissing dd. 11 januari 2008 bijgevolg in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;”; 2.1.1.2. Overwegende dat verzoeker kritiek aanvoert ten aanzien van de overweging waarbij de Minister van Justitie in het bestreden besluit stelt dat “evenmin is gebleken dat er in dit geval concrete ernstige risico’s bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat zou worden onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling”; dat verzoeker stelt dat “in casu niet aan het draagkrachtvereiste is voldaan daar talrijke verslagen (...) (immers) melding maken van folterpraktijken ten aanzien van welbepaalde kwetsbare groepen, waaronder terroristen” en dat “de beslissing niet steunt op motieven die onderbouwd worden door de feiten eigen aan deze zaak”; dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker op geen ogenblik gewag heeft gemaakt van de vrees voor praktijken in Marokko die een schending zouden uitmaken van fundamentele mensenrech- ten; dat uit de voorbereidende werken van de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 waarin wordt bepaald dat “uitlevering evenmin kan worden toegestaan wanneer er ernstige riscio’s bestaan dat (men) (...) wordt onderworpen aan (...) foltering of onmenselijke en onterende behandeling”, nergens blijkt dat de persoon om wiens uitlevering wordt verzocht, in de loop van de procedure voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling of rechtstreeks bij de Minister van Justitie dient aan te tonen dat hij het risico loopt op foltering of onmenselijke en onterende behandeling; dat hij dit nog steeds kan doen naar aanleiding van zijn annulatieberoep; dat verzoeker bij zijn verzoekschrift een aantal verslagen en rapporten heeft gevoegd die zijn vermelde stelling aangaande XIV-30.454-4/10 folterpraktijken in Marokko lijken te ondersteunen; dat “Human Rights Watch” in een door verzoeker vermeld rapport van 31 januari 2008 stelt: “Depuis 2006, la police a arrêté au moins 500 autres personnes soupçonnées d’être des activistes islamistes. Selon nombreux témoignages de détenus et de leurs avocats, les agences de renseignement continuent d’utiliser un centre de détention non reconnu à Temara pour interroger certaines personnes soupçonnées de délits graves. Des suspects continuent d’alléguer qu’ils ont été torturés lors de leurs interrogatoires, bien que le nobre de plaintes pour torture et pour des périodes de garde à vue dépassant la durée prévue par la loi ait diminue en 2007, par rapport à la periode ayant immédiatement suivi les attentats de Casablanca de 2003”; dat in een door verzoeker vermeld rapport van 29 april 2004 “Amnesty International” stelt: “
- b)Le présent rapport Amnesty International observe depuis plusieurs décennies la question du recours à la torture et aux mauvais traitements au Maroc et Sahara occidental. Ces derniers mois, l'organisation a étudié des dizaines de cas d'islamistes notoires ou présumés tels, arrêtés en 2002 et en 2003. Une mission de recherche s'est rendue dans le pays en octobre 2003. Les délégués de l'organisation ont rencontré des victimes de torture et leurs proches ainsi que des militants des droits humains, des avocats et des membres du Conseil consultatif des droits de l'homme (CCDH), organisme officiel de défense des droits humains. Amnesty International a présenté publiquement ses sujets de préoccupation à la session de novembre 2003 du Comité des Nations unies contre la torture. Le présent rapport examine en détail les allégations faisant état du recours à la torture et à la détention secrète dans le centre de Témara, qui constituent probablement le cas le plus préoccupant de violations systématiques des droits humains commises dans le cadre des mesures « antiterroristes » prises au Maroc et Sahara occidental. Il se limite à l'une des questions abordées dans les Observations d'Amnesty International au Comité contre la torture qui traitent également d'autres sujets de préoccupation, notamment la Loi n/ 03-03 relative à la lutte contre le terrorisme du 28 mai 2003, le recours à la torture et aux mauvais traitements à l'encontre de militants marocains et sahraouis, les cas récents de judiciaire et ne sont donc pas habilités par la loi à procéder à des arrestations ni à détenir des suspects et à les interroger. Certaines des personnes détenues à Témara y ont été emmenées directement après leur arrestation, tandis que d'autres, dans un premier temps, étaient détenues dans un poste de police proche du lieu de leur interpellation. Selon des informations publiées par la presse marocaine et étrangère, certains prisonniers ont été transférés à Témara après avoir été remis aux forces de sécurité marocaines par les autorités de pays étrangers, entre autres les États-Unis, le Pakistan et la Syrie. Les prisonniers sont détenus à Témara pendant des périodes comprises entre une semaine et près de six mois. Toutefois, c'est généralement durant les tout premiers jours que se déroulent les interrogatoires des détenus accusés d'avoir organisé, préconisé ou commis des actes de violence attribués à des islamistes ou d'être liés à des personnes accusées de tels actes. Beaucoup d'anciens prisonniers se sont plaints d'avoir été torturés ou maltraités au cours de ces séances d'interrogatoire; leurs tortionnaires avaient apparemment pour but de leur extorquer des « aveux » ou des informations ou de les contraindre à apposer leur signature ou l'empreinte de leur pouce sur des documents qu'ils récusaient ou contestaient. Dans de nombreux cas, les détenus signent les documents ou y apposent leur empreinte digitale après avoir été transférés dans un poste de police où ils sont menacés d'être renvoyés à Témara et de nouveau torturés s'ils refusent d'obtempérer. Les sévices infligés aux prisonniers au cours des interrogatoires peuvent prendre différentes formes. Certains ont affirmé qu'on les avait déshabillés et suspendus dans une position contorsionnée au plafond de la salle d'interrogatoire. Beaucoup se sont plaints d'avoir été frappés à la tête et sur tout le corps à coups de poing ou au moyen d'objets, par exemple un bâton ou une règle métallique. Selon certaines sources, des détenus auraient reçu des décharges électriques administrées au moyen d'électrodes ou XIV-30.454-5/10 de matraques électriques. Abdellah Meski a déclaré à Amnesty International qu'on lui avait plongé la tête à plusieurs reprises dans un lavabo rempli d'eau. Certains ont affirmé qu'on leur avait introduit de force un objet, par exemple une bouteille, dans l'anus ou qu'on les avait menacés de leur infliger ce traitement, entre autres formes de sévices sexuels. On aurait menacé d'autres prisonniers d'arrêter leur femme ou une autre de leurs parentes pour la violer ou lui faire subir d'autres sévices sexuels. Des anciens prisonniers ont même affirmé qu'ils avaient entendu des hurlements provenant d'une pièce voisine et avaient pensé entendre les cris d'une parente ; après avoir quitté le centre et avoir eu la confirmation qu'aucune de leurs parentes n'y avait été détenue, ils ont toutefois conclu qu'il s'agissait de hurlements enregistrés pour les tromper. Un ancien prisonnier a déclaré aux délégués de l'organisation qu'il avait reçu des soins médicaux de première nécessité après avoir été torturé ; il pense toutefois qu'il n'existe aucune trace écrite de ces soins. Des anciens prisonniers ont déclaré qu'ils avaient été maintenus à l'isolement pendant toute la durée de leur détention à Témara, qu'ils y soient restés quelques jours ou plusieurs mois. Ils étaient incarcérés dans des cellules rudimentaires où, outre des toilettes et un robinet dans un coin, l’ équipement se réduisait à des couvertures étalées sur le sol, qui tenaient lieu de lit. Ils affirment n'avoir jamais rencontré d'autres détenus et n'avoir pas quitté leur cellule pour prendre de être détenu par les forces de sécurité avant d'être présenté aux autorités judiciaires. Les normes internationales relatives aux droits humains ainsi que les organes et mécanismes de surveillance des Nations unies ont réaffirmé l'interdiction de la détention dans un tel lieu. L'article 10 de la Déclaration sur la protection de toutes les personnes contre les disparitions forcées, adoptée en 1992 par l'Assemblée générale des Nations unies, dispose : « Toute personne privée de liberté doit être gardée dans des lieux de détention officiellement reconnus. » L’absence d’information des familles Les familles des personnes interpellées ne seraient généralement pas informées de l'arrestation de leur proche ni de son lieu de détention. Il semble y avoir là une violation du Code de procédure pénale, lequel prévoit que la famille d'un suspect doit être informée dès que celui-ci est placé en garde à vue par les forces de sécurité. En outre, selon le principe 16-1 de l'Ensemble de principes pour la protection de toutes les personnes soumises à une forme quelconque de détention ou d'emprisonnement, adopté en 1988 par l'Assemblée générale des Nations unies, « [dans] les plus brefs délais après l'arrestation et après chaque transfert d'un lieu de détention ou d'emprisonnement à un autre, la personne détenue ou emprisonnée pourra aviser ou requérir l'autorité compétente d'aviser sa famille ou, s'il y a lieu, d'autres personnes de son choix, de son arrestation, de sa détention ou de son emprisonnement, ou de son transfert et du lieu où elle est détenue. » Les organes et mécanismes de surveillance des Nations unies ont également fait observer que les proches des détenus devaient être informés sans délai. C'est ainsi que le Comité des droits de l'homme, qui surveille l'application du PIDCP par les États parties, a rappelé que les personnes arrêtées ou placées en détention pour une infraction pénale devaient être autorisées à prendre contact avec leur famille « dès le moment de l’arrestation » et a recommandé « l'obligation d'aviser sans retard les proches d'un individu de son interpellation». Lorsque les proches d'un détenu s'enquièrent auprès des autorités, par exemple le procureur local, la police ou des ministères, du sort de leurs proches et de leur lieu de détention, celles-ci, semble-t-il, ne leur donnent aucune réponse ou leur répondent qu'aucune information n'est disponible. Les irrégularités flagrantes de la garde à vue Les prisonniers de Témara ont apparemment été détenus pendant de longues périodes – de quelques jours à plusieurs mois et, dans un cas, durant près de six mois – sans contact avec le monde extérieur, notamment avec leur famille et un avocat, et, dans la plupart des cas, au-delà de la durée légale de la garde à vue. Celle-ci, qui est fixée par le Code de procédure pénale, ne pouvait excéder huit jours avant la promulgation, le 28 mai 2003, de la Loi n/ 03-03 relative à la lutte contre le terrorisme, laquelle a modifié le Code et autorisé la prolongation de la garde à vue jusqu'à douze jours ; cette durée maximale est en vigueur depuis soient notifiées, il dispose de certains droits fondamen- taux tandis que le procureur a certains devoirs. Ce dernier doit informer l'accusé de son droit de désigner immédiatement un avocat et l'accusé a le droit de demander la XIV-30.454-6/10 présence de celuici lors de son interrogatoire. Le procureur doit soumettre l'accusé à un examen médical si celui-ci le réclame et il doit en prendre l'initiative s'il constate que l'accusé présente des traces de torture ou de mauvais traitements. Lorsque le procureur renvoie l'accusé devant le juge d'instruction pour l'interrogatoire préliminaire qui a souvent lieu le même jour, les mêmes droits et devoirs s'appliquent. Le juge d'instruction doit informer l'accusé de son droit de désigner immédiatement un avocat et l'accusé a le droit de demander la présence de celui-ci lors de son interroga- toire. Le juge doit soumettre l'accusé à un examen médical si celui-ci le réclame ; il doit en prendre l'initiative s'il constate que l'accusé présente des traces de torture ou de mauvais traitements. Par ailleurs, le juge doit informer l'accusé de son droit de ne faire aucune déclaration et l'inviter à relire le procès-verbal de première comparution avant de le signer, ou lui en donner lecture s'il est illettré avant de l'inviter à y apposer son empreinte digitale. Qui plus est, ces droits et devoirs sont énoncés par des traités internationaux relatifs aux droits humains, notamment l'Ensemble de principes pour la protection de toutes les personnes soumises à une forme quelconque de détention ou d'emprisonnement. Bon nombre d'accusés ainsi que leurs avocats affirment toutefois que les autorités judiciaires ne tiennent pas compte de ces droits et devoirs et que les accusés ne sont pas informés des droits fondamentaux énoncés plus haut lors de leur première comparution devant le procureur et le juge d'instruction. Ne connaissant pas leurs droits, beaucoup ne réclament pas la présence d'un avocat lors des interrogatoires. En l’ absence d'un expert apte à les conseiller, ils ne savent pas qu'ils ont le droit de formuler une plainte pour les actes de torture et les mauvais traitements infligés ou la détention secrète à laquelle ils auraient été soumis. Certains ont affirmé qu'ils avaient les yeux bandés durant leur transfert et qu'on ne leur avait ôté le bandeau qu'immédiatement avant leur entrée dans la pièce où ils allaient être interrogés. Ils ajoutent qu'ils croyaient que c’ étaient toujours des membres des forces de sécurité qui les interrogeaient. D'autres ont affirmé avoir été menacés de torture s'ils contestaient les charges formulées à leur encontre. Des avocats ont déclaré à Amnesty International que, dans bien des cas, les traces de torture et de mauvais traitements qui pourraient être constatées par un procureur ou un juge ont disparu au moment où l'accusé leur est présenté, en raison de la durée souvent illégale de la garde à vue, parfois prolongée jusqu'à six mois.
- b)Les plaintes pour torture formulées au cours de la procédure judiciaire Dans des interviews à la presse, des responsables gouvernementaux, dont le ministre de la Justice, ont rejeté les plaintes pour torture et mauvais traitements ou L'utilisation par un tribunal de déclarations obtenues à la suite d'actes de torture ou de mauvais traitements constitue une violation de la Convention contre la torture, qui dispose en son article 15 : « Tout État partie veille à ce que toute déclaration dont il est établi qu'elle a été obtenue par la torture ne puisse être invoquée comme un élément de preuve dans une procédure, si ce n'est contre la personne accusée de torture pour établir qu'une déclaration a été faite. » Le rapporteur spécial des Nations unies sur la torture a formulé la recommandation suivante : « Les procureurs et les juges ne devraient pas exiger de preuve concluante de tortures physiques ou de mauvais traitements (encore moins la condamnation finale d'un accusé) avant de décider de ne pas retenir contre le détenu des aveux ou des informa- tions qui auraient été ainsi obtenues. En fait, c'est à l'État qu'il devrait appartenir de démontrer qu'il n'y a pas eu coercition. » Bien que la législation marocaine n'indique pas de manière aussi précise que la Convention contre la torture qu'aucune déclaration obtenue à la suite d'actes de torture ne peut être retenue à titre de preuve dans le cadre d'une procédure, l'article 293 du Code de procédure pénale entré en vigueur le 1er octobre 2003 prévoit que des aveux ne doivent pas être retenus par le tribunal s'ils ont été recueillis « par la violence ou la contrainte ». Cet énoncé représente une amélioration par rapport à l'ancien Code de procédure pénale qui ne comportait pas une telle disposition. Qui plus est, de nombreux accusés contestent certains éléments de preuve retenus à leur encontre, qui reposent sur des déclarations faites par des tiers arrêtés et détenus par les forces de sécurité pour des faits similaires. Au vu des allégations persistantes selon lesquelles les déclarations faites devant les forces de sécurité sont obtenues sous la contrainte, les avocats de la défense demandent que les auteurs de ces déclarations XIV-30.454-7/10 soient cités à comparaître à titre de témoins afin d'établir la véracité des éléments de preuve. Ces requêtes sont systématiquement rejetées par les tribunaux.”; dat in een door verzoeker vermeld rapport van 2007 “Amnesty International” stelt: “Some 200 suspected Islamist activists, including at least nine members of the police and military, were arrested and charged with offences that included preparing terrorist activities, belonging to terrorist groups and undermining state security. Two were tried and sentenced to death, while at least 50 received prison terms of up to 30 years on the basis of a broad and unspecific definition of terrorism. Some 300 suspected Islamist prisoners, many sentenced on terrorist charges following bomb attacks in Casablanca in May 2003, staged a month-long hunger strike in May to demand their release or a judicial review of their trials. Many had been convicted after trials that breached international fair trial standards. Dozens of them alleged that they had been tortured in previous years during questioning by the security forces. Four Moroccan nationals were transferred from US custody in Guantánamo Bay, Cuba, to Morocco in February and October. Three were tried and convicted in November. One of them was sentenced to five years imprisonment for setting up a "criminal gang", among other charges, and was held in custody. The other two received three-year prison sentences for forging official documents, but remained at liberty pending appeals. The fourth returnee faced charges of belonging to a terrorist organization, among other offences. Five other former Guantánamo detainees, who ware returned to Morocco in 2004, ware on trial on similar charges. The authorities categorically denied foreign media reports that the USA planned to build a secret detention centre in Morocco.”; dat uit deze verslagen blijkt dat er, wat terrorisme-verdachten betreft, een patroon bestaat van consistente en grove mishandelingen waarbij in de regel wordt nagelaten effectief en zorgvuldig onderzoek te doen wanneer de gemartelde personen hierover klagen; dat, gezien om verzoekers uitlevering wordt gevraagd, onder meer, omwille van terroristische activiteiten en verzoeker ook in België door het Hof van Beroep te Brussel op 19 januari 2007 werd veroordeeld voor deelname aan terroristische activiteiten, verzoeker het op het eerste gezicht aannemelijk maakt dat er een ernstig risico bestaat om te worden mishandeld en gefolterd in een Marokkaanse gevangenis; dat de bestreden beslissing zich ertoe beperkt te stellen dat er in dit geval “evenmin concrete ernstige risico’s bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende staat zou worden onderworpen aan (...) foltering of onmenselijke of onterende behandeling”; dat deze zin zo summier is dat er niet uit kan worden afgeleid of het risico op foltering in Marokkaanse gevangenissen wat betreft terrorisme-verdachten wel is nagegaan, laat staan om welke precieze reden de Minister van oordeel is dat dit verzoekers uitlevering niet in de weg staat; dat door zonder nadere uitleg te wijzen op het gebrek aan concrete risico’s van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling, terwijl verzoeker aan de hand van recente en onafhankelijke bronnen wijst op folterpraktijken in Marokkaanse gevangenissen, de Minister van Justitie zijn beslissing niet voldoende heeft gemotiveerd; dat dient besloten tot de schending van de formele motiveringsplicht, vervat in de artikelen 2 en 3 van de hierboven vermelde wet van 29 juli 1991; dat het derde middel ernstig is; 2.1.2.1. Overwegende, wat de tweede vereiste voorwaarde betreft, dat verzoeker als moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanvoert: XIV-30.454-8/10 “Artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dd. 12 januari 1973 bepaalt dat: "§ 1.Wanneer een akte of een reglement van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens [artikel 14, §§ 1 en 3], kan de Raad van State als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen (...) § 2. De schorsing van de tenuitvoerlegging kan alleen worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen (...) 3. (Behoudens in het geval van uiterst dringende noodzakelijkheid moeten in één en dezelfde akte zowel de vordering tot schorsing als het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld. In het opschrift van het verzoekschrift dient te worden vermeld dat hetzij een beroep tot nietigverklaring wordt ingesteld, hetzij een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring. Is aan deze pleegvorm niet voldaan, dan wordt het verzoekschrift geacht enkel een beroep tot nietigverklaring te bevatten. (...) Zij bevat een uiteenzetting van de middelen en de feiten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing of, in voorkomend geval, van voorlopige maatregelen rechtvaardigen." Verzoeker meent dat de aangehaalde middelen ernstig zijn en verwijst dientengevolge naar de hierboven vermelde middelen; Verzoeker stelt dat de uitvoering van het ministerieel uitleveringsbesluit een moeilijk te herstellen nadeel veroorzaakt; Verzoeker meent te kunnen stellen dat de uitlevering ernstige gevolgen zal teweegbrengen voor wat zijn gezondheid, privéleven en gezinsleven betreft, die moeilijk te herstellen zijn; Hij dreigt immers het voorwerp uit te maken van folteringen of een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM; Verzoeker heeft zijn bezorgdheid weten te onderbouwen met talloze rapporten waaruit gebleken is dat personen, waarvan vermoed wordt dat ze behoren tot een terroristische organisatie, het voorwerp uitmaken van zware folterpraktijken; De aangewende methoden tonen het afschuwelijke karakter aan; Daarbij komt dat hij een zware gevangenisstraf riskeert voor feiten waarvoor verzoeker reeds veroordeeld is; Daarbij kont dat de uitlevering van verzoeker aan Marokko ontegensprekelijk de aansprakelijk- heid van de Belgische staat in het gedrang brengt, daar de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing in strijd is met artikel 3 EVRM en alle hierboven aangehaalde bepalingen, die gelet op de aard van de schendingen (recht op leven, folteringen, non bis in idem) moeilijk te herstellen zijn eenmaal de beslissing werd uitgevoerd;”; 2.1.2.2. Overwegende dat, gelet op hetgeen hierboven is gesteld bij de bespreking van het derde middel, dient geconcludeerd dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij beweert, verzoeker wel degelijk voldoende concrete gegevens en overtuigende argumenten bijbrengt waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan teweegbrengen; 2.1.3. Overwegende dat derhalve is voldaan aan de beide cumulatieve voorwaarden vereist door artikel artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, om tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing over te gaan, BESLUIT: Artikel 1. XIV-30.454-9/10 Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Minister van Justitie van 11 januari 2008 tot uitlevering van verzoeker aan de Marokkaanse autoriteiten. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwin- tig mei tweeduizend en negen, door : HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, B. TETTELIN, griffier. De griffier, De voorzitter, B. TETTELIN. A. BEIRLAEN. XIV-30.454-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div