← België

Arrest 193623 - Dierenwelzijn - 28/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.623 Rolnummer: A. 190802/VII-37300 Zaak: Arrest 193623 - Dierenwelzijn - 28/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-10 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Fiche Arrest nr 193.623 van 28 mei 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.623 van 28 mei 2009 in de zaak A. 190.802/VII-37.

  1. In zake : Sabine DEVOS, die woonplaats kiest bij advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei 39 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Sabine DEVOS op 22 december 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Sociale zaken en Volksgezondheid van 20 oktober 2008 houdende de intrekking van de erkenning voor de uitbating van een hondenkwekerij en van de erkenning voor de uitbating van een handelszaak voor dieren, met ingang van 1 februari 2009 en met het verbod om vóór 1 mei 2009 een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen, een honden- of kattenkwekerij, handelszaak voor dieren, dierenpension, dierenasiel, markt of dierentuin te beheren en in dergelijke inrichtingen een direct toezicht op de dieren uit te oefenen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 21 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 mei 2009; VII-37.300-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VAN OPSTAL die, loco advocaat M. BALLON verschijnt voor verzoekster, en van advocaat J. MOENS die, loco advocaat J.-F. DE BOCK verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT:
  3. De rechtspleging De verwerende partij dient op 20 februari 2009 een nota in. Dit is buiten de in artikel 11 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State voorziene termijn van vijftien dagen. De nota moet derhalve uit de debatten worden geweerd.
  4. De feiten 2.
  5. Verzoekster verkrijgt op 31 maart 2006 een erkenning voor een handelszaak in honden en een erkenning voor een hondenkwekerij. 2.
  6. Op 23 november 2007 wordt naar aanleiding van een huiszoeking een proces-verbaal opgemaakt ten laste van verzoekster. Er worden meerdere inbreuken op de geldende regelgeving vastgesteld. Een afschrift van het proces- verbaal wordt op 7 december 2007 bezorgd aan verzoekster. 2.
  7. Verwijzend naar dit proces-verbaal, adviseert de betrokken inspecteur-dierenarts om de erkenningen van verzoekster in te trekken. 2.
  8. Hierop schrijft de federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu op 29 mei 2008 een brief aan verzoekster waarin de inbreuken worden opgesomd en melding wordt gemaakt van VII-37.300-2/9 het voornemen om de erkenningen in te trekken. Aan verzoekster worden de volgende inbreuken ten laste gelegd: "Overwegende dat de hondenkwekerij en de handelszaak voor dieren gevestigd zijn op hetzelfde adres en in hetzelfde gebouw, zonder afscheiding tussen beiden; dat beide inrichtingen als één geheel beheerd worden waarbij honden van beiden gemengd worden; dat adequaat bijgehouden registers ontbreken; dat het hierdoor vaak onmogelijk is om na te gaan of een hond tot de kwekerij dan wel tot de handelszaak behoort; dat uit de sterke verwevenheid van beide inrichtingen besloten moet worden dat een aantal overtredingen zowel voor de hondenkwekerij als voor de handelszaak voor dieren geldt; Aangezien, voor wat de hondenkwekerij betreft, volgende overtreding werd vastgesteld: - op het voormelde koninklijk besluit van l7 februari 1997: N artikel 17 : het niet correct bijhouden van de vereiste gegevens over de verschillende worpen, noch van een register van de verhandelde honden; Aangezien, voor wat de handelszaak voor dieren betreft, volgende overtredingen werden vastgesteld : - op het voormelde koninklijk besluit van 17 februari 1997 : N artikel 24 : het niet correct bijhouden van een register van de aangekochte en de verhandelde honden; - op het voormelde koninklijk besluit van 27 april 2007 : N artikel : 27, § 1 : het verhandelen van f(r)auduleus ingevoerde dieren; - op het voormelde koninklijk besluit van 28 mei 2004 : N artikel 3 : het verwerven van honden die niet geïdentificeerd en/of geregistreerd zijn; - op de voormelde verordening nr. 338/97 : N artikel 8,
  9. : het verhandelen van dieren opgenom op CITES bijlage B zonder dat kan aangetoond worden dat zij verkregen werden overeenkomstig de geldende wetgeving; Aangezien, voor wat zowel de hondenkwekerij als de handelszaak voor dieren betreft, volgende overtredingen werden vastgesteld : - op de voormelde wet van 14 augustus 1986 : N artikel 10bis : het afsluiten van een kredietovereenkomst voor de aankoop van een hond; - op het voormelde koninklijk besluit van 17 februari 1997 : N artikelen 4, § 1, en 6 : het niet ter beschikking zijn van voldoende personeel voor de verzorging van de dieren; N artikel 4, § 2 : het ontbreken van drinkwater; N artikel 5, § 3 : het houden van honden die niet moeten werpen in hokken waaruit zij niet naar buiten kunnen kijken; - op het voormelde koninklijk besluit van 27 april 2007 : N artikel 30 : het niet steeds afleveren van een behoorlijk ingevuld garantiecertificaat en het gebruiken van garantiecertificaten die niet voldoen aan het voorgeschreven model; N artikel 31, § 1 : het niet meegeven van door de Dienst goedgekeurde schriftelijke richtlijnen bij de verkoop van een hond; - op het voormelde koninklijk besluit van 28 mei 2004 : N artikel 2, § 1 : het niet laten identificeren en/of regist(r)eren van honden vóór verhandeling en het verhandelen van honden zonder identificatie en/of registratie; N artikel 22 : het niet meegeven van het paspoort bij het verhandelen van honden en het niet binnen de acht dagen doorgeven aan de BVIRH van de verandering van verantwoordelijke; VII-37.300-3/9 N artikel 26, § 2 : het niet terugsturen naar de BVIRH van de paspoorten van overleden honden; Overwegende dat uit het PV met nummer DW/HO/04/AL/0069/1 en het navolgend PV met nummer G/05/378 blijkt dat in het verleden reeds gelijkaardige overtredingen werden vastgesteld". Verzoekster wordt in deze brief uitgenodigd om haar bemerkingen te laten kennen. 2.
  10. Op 12 juni 2008 wordt namens verzoekster bezwaar ingediend. Zij betwist de vastgestelde inbreuken. 2.
  11. Op 20 oktober 2008 wordt dan het thans bestreden besluit genomen. Het somt de vastgestelde inbreuken op en is voorts als volgt gemotiveerd: "Gelet op de brief van 29 mei 2008 met referentie JD/AB/2008/0354 van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu waarin u werd meegedeeld dat de procedure tot intrekking van de erkenningen met nummers HK10101654 en HK53101654 werd opgestart; Gelet op de brief van Meester Ballon dd. 12 juni 2008 met referentie 93618.2 en het in bijlage gevoegde proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder Eyskens dd. 6 juni 2008 waarin bezwaar wordt aangetekend tegen een aantal van de vastgestelde overtredingen; dat deze bezwaren niet overtuigend zijn en wel om volgende redenen : - voor wat betreft de overtredingen van de artikels 17 en 24 van het voormelde koninklijk besluit van 17 februari 1997 : N uit het proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder Eyskens blijkt dat een USB-stick met drie inventarisbestanden werd overhandigd; hieruit kan niet opgemaakt worden dat alle honden zijn opgenomen in deze inventarissen en dat deze alle vereiste gegevens bevatten; N op de worpfiche waarvan kopie in bijlage 1 bij het pv van gerechtsdeurwaarder Eyskens is gevoegd, worden volgende onregelmatigheden vastgesteld : P de identificatiegegevens van het vaderdier zijn niet ingevuld; P de hond met chipnummer 967000001347930 werd tot op heden niet geregistreerd bij de BVIRH; - voor wat betreft de overtreding van artikel 27, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 27 april 2007 : N uit het verhoor van de leverancier van de betrokken honden is gebleken dat de dieren wel degelijk bestemd waren voor uw handelszaak; - voor wat betreft de overtreding van artikel 8, 5., van de voormelde verordening nr. 338/97 : N voor geen van beide ara’s aanwezig in de winkelruimte werd een bewijs van legale oorsprong voorgelegd, noch tijdens de controle, noch achteraf; - voor wat betreft de overtreding van artikel 4, § 2, van het voormelde koninklijk besluit van 27 april 2007 : N er worden geen bewijzen voorgelegd waaruit blijkt dat de politie inderdaad verboden zou hebben de dieren drinken te geven tijdens de controle; - voor wat betreft de overtreding van artikel 5, § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 27 april 2007 : VII-37.300-4/9 N het proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder Eyskens bevestigt de overtreding daar hieruit blijkt dat in de quarantaineruimte twee honden werden gehouden in bakken waaruit zij niet naar buiten konden kijken; - voor wat betreft de overtreding van artikel 30 van het voormelde koninklijk besluit van 27 april 2007 : N uit de documenten aangetroffen tijdens de controle blijkt duidelijk dat niet steeds een garantiebewijs werd afgeleverd bij het verhandelen van een kat of hond; N gerechtsdeurwaarder Eyskens vermeldt in zijn proces-verbaal een 'bundel garantiecertificaten deel 2008'; hieruit kan niet besloten worden dat voor elke verhandelde kat of hond een certificaat werd afgeleverd, noch dat de certificaten steeds correct werden ingevuld; - voor wat betreft de overtreding van artikel 31, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 27 april 2007 : N de bedoelde richtlijnen betreffen specifiek het opvoeden van pups; de bewering in de brief van Meester Ballon als zouden deze richtlijnen niet haalbaar zijn voor jonge dieren wijst dan ook duidelijk op een gebrek aan kennis; - voor wat betreft de overtreding van de artikels 2, § 1, en 22 van het voormelde koninklijk besluit van 28 mei 2004 : N in de winkelruimte werden niet-geïdentificeerde en/of -geregistreerde honden aangetroffen; N er zijn bewijzen dat honden verkocht werden zonder registratie en dat honden soms pas na verkoop geregistreerd werden; N er werden documenten aangetroffen van honden die reeds enige tijd verkocht waren, maar die nog niet werden overgezet op naam van de koper; Op deze gronden beslis ik met toepassing van artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende de erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren, om de erkenning voor de uitbating van een hondenkwekerij onder het nummer HK 10101654, evenals de erkenning voor de uitbating van een handelszaak voor dieren onder het nummer HK 53101654 in te trekken en dit met ingang van 1 februari
  12. Met toepassing van artikel 5, § 4, tweede lid, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, mag u een eventuele nieuwe erkenningsaanvraag niet voor 1 mei 2009 indienen. Bovendien mag u tot deze datum geen honden- of kattenkwekerij, handelszaak voor dieren, dierenpension, dierenasiel, markt of dierentuin beheren, noch in dergelijke inrichting een direct toezicht uitoefenen op de dieren".
  13. Beoordeling 3.
  14. Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerleg- ging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VII-37.300-5/9 3.2.
  15. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van het koninklijk besluit van 17 februari 1997 houdende de erkenningsvoorwaarden voor hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions en handelszaken voor dieren, en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren (hierna : koninklijk besluit van 17 februari 1997). Verzoekster stelt dat de bestreden beslissing niet kon steunen op het geschonden geachte koninklijk besluit aangezien dit koninklijk besluit werd opgeheven door artikel 38 van het "Ministerieel Besluit van 16 april 2007". Uit de opgestelde processen-verbaal blijkt dat verzoeksters inrichting werd gecontroleerd op 23 november 2007, dit is op een ogenblik dat het koninklijk besluit van 17 februari 1997 reeds was afgeschaft. Volgens verzoekster zijn de in de processen-verbaal vermelde overtredingen dan ook onwettelijk. 3.2.
  16. Het koninklijk besluit van 17 februari 1997 werd inderdaad opgeheven bij artikel 38 van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 juli 2007 (hierna : koninklijk besluit van 27 april 2007). Dat artikel luidt echter als volgt : "Art.
  17. Het koninklijk besluit van 17 februari 1997 houdende erkenningvoorwaarden voor hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dieren-pensions en handelszaken voor dieren, en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren wordt opgeheven op de eerste dag van de derde maand volgend op die gedurende welke dit besluit in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt uitgezonderd hoofdstuk III 'Voorwaarden voor de erkenning van inrichtingen' dat opgeheven wordt de twaalfde maand volgend op die gedurende welke dit besluit in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt". Uit die bepaling volgt dat het koninklijk besluit van 17 februari 1997 met ingang van 1 oktober 2007 werd opgeheven, met uitzondering van hoofdstuk III "Voorwaarden voor de erkenning van inrichtingen". Dit hoofdstuk werd pas opgeheven met ingang van 1 juli
  18. Het proces-verbaal waarnaar verzoekster verwijst, heeft betrekking op een controle uitgevoerd op 23 november 2007, dus op een ogenblik waarop hoofdstuk III "Voorwaarden voor de erkenning van inrichtingen" van het koninklijk besluit van 17 februari 1997 nog niet was opgeheven. De artikelen van dat koninklijk besluit, waarnaar expliciet wordt verwezen en die worden beschouwd als zijnde overtreden, waren op het ogenblik van de controle nog steeds van kracht. Het eerste middel is niet ernstig. VII-37.300-6/9 3.3.
  19. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster beweert dat de bestreden beslissing gegrond is op niet-bewezen feiten en dat de verwerende partij niet is overgegaan tot een grondige en volledige feitenvinding. In de toelichting bij het middel stelt verzoekster dat met betrekking tot de aldaar geciteerde processen-verbaal geen rekening kon worden gehouden aangezien zij dateren van vóór de datum waarop zij een erkenning verkreeg. Voorts stelt zij het proces-verbaal nr. G-07-369-AN/AWF niet te kennen. Ten aanzien van één vaststelling (de aanwezigheid van een witoorpenseelaapje) beweert verzoekster dat het "huis", waarin dat dier werd aangetroffen, als private woning, niet behoort tot de vertrekken waarop de vergunning in kwestie betrekking heeft. Ook argumenteert verzoekster dat niet zij het voorwerp uitmaakt van het proces-verbaal nr. TU.21.F1.003847/07 doch wel haar echtgenoot. Zij herhaalt ook wat reeds in het eerste middel werd gesteld, namelijk dat de reglementering, die overtreden wordt geacht, intussen werd opgeheven. 3.3.
  20. De overtredingen die doorheen gans het onderzoek werden vastge- steld, komen nagenoeg steeds op hetzelfde neer. Er werden problemen vastgesteld met de identificatie en de registratie van honden. In dat opzicht kan met processen- verbaal die dateren van vóór de erkenningen wel degelijk rekening worden gehouden, al was het maar om aan te tonen dat verzoekster blijkbaar steeds overtredingen hieromtrent heeft begaan. Deze vaststellingen kunnen verantwoorden waarom de verwerende partij op een bepaald ogenblik besluit om over te gaan tot de intrekking van de erkenningen. Van het proces-verbaal dat verzoekster beweert niet te kennen, werd -zoals blijkt uit het betrokken document zelf- een afschrift aan haar overgemaakt op 7 december
  21. Er werd bovendien van dat proces-verbaal melding gemaakt in de brief van 29 mei 2008, waarmee de procedure tot intrekking werd opgestart. Verzoekster, die haar argumenten ten gronde heeft ontwikkeld, heeft toen geen opmerking gemaakt en heeft nagelaten op dat ogenblik een afschrift van het betrokken proces-verbaal op te vragen. De vaststelling van de aanwezigheid van een aapje in de privé- vertrekken van verzoekster wordt in de bestreden beslissing niet vermeld als reden voor de intrekking van de erkenningen. VII-37.300-7/9 Het proces-verbaal ten laste van verzoeksters echtgenoot, van wie wordt beweerd dat hij ook een uitbater is, is evenmin het enige of doorslaggevende motief voor de sanctie. Verzoekster slaagt er niet in aan te tonen dat de meeste van de inbreuken die haar ten laste worden gelegd, niet bewezen zijn of haar niet kunnen worden toegerekend. Zelfs indien haar kritiek ten opzichte van sommige vastgestelde inbreuken gegrond zou zijn, dan nog vormen de overige vaststellingen een voldoende grond voor de bestreden beslissing. Voor het overige kan worden verwezen naar hetgeen werd gezegd omtrent het eerste middel. Het middel is niet ernstig. 3.4.
  22. In een derde middel wordt de schending aangevoerd van het wettigheidsbeginsel dat voortvloeit uit artikel 159 van de Grondwet, van de formele motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster stelt dat de bestreden beslissing is gestoeld op inbreuken op thans niet meer vigerende wetgeving. Zij verwijst vooreerst naar de artikelen 4 tot en met 12 van het koninklijk besluit van 27 april 2007 om te concluderen dat uit geen enkel proces- verbaal blijkt dat één van die artikelen werd opgenomen als tenlastelegging tegen haar. Volgens verzoekster wordt enkel melding gemaakt van inbreuken op de artikelen 27, 30 en 31 van voormeld koninklijk besluit maar dus niet op de artikelen die betrekking hebben op de algemene en/of bijzondere erkenningsvoorwaarden. Zij is van oordeel dat de erkenningen dan ook niet konden worden ingetrokken. 3.4.
  23. De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed. In zoverre verzoekster opnieuw aanvoert dat het koninklijk besluit van 17 februari 1997 reeds was opgeheven, kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel. Op het ogenblik van de controle waren de door verzoekster geciteerde artikelen zelfs nog niet van toepassing. Zoals reeds eerder gesteld, diende hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 17 februari 1997 te worden toegepast. In artikel 17 van dat koninklijk besluit staan een aantal bij te houden gegevens vermeld (identificatiegegevens, geboortedatum, ...). Ook op het vlak van de uitrusting, verzorging en huisvesting van de dieren worden voorwaarden gesteld. Uit de diverse processen-verbaal blijkt dat deze voorwaarden niet werden nageleefd. Er wordt verwezen naar de overtreden bepalingen van het koninklijk besluit van 17 februari
  24. Aangezien deze bepalingen nog steeds van kracht waren op het VII-37.300-8/9 ogenblik van de controle, vindt de bestreden beslissing een voldoende wettelijke grondslag in dat koninklijk besluit. Het middel is evenmin ernstig, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
  25. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  26. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig mei tweeduizend en negen, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-37.300-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.623 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.012 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.