← België

Arrest 193638 - Tucht (openbaar ambt) - 29/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.638 Rolnummer: A. 135581/IX-3765 Zaak: Arrest 193638 - Tucht (openbaar ambt) - 29/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-12 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Fiche Arrest nr 193.638 van 29 mei 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.638 van 29 mei 2009 in de zaak A. 135.581/IX-

  1. In zake : Petrus OLBRECHTS, die woonplaats kiest bij advocaat P. LAHOUSSE, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 64 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Petrus OLBRECHTS op 17 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 25 februari 2003 waarbij hij om tuchtredenen van ambtswege wordt ontslagen met ingang van diezelfde datum; Gelet op het arrest nr. 122.540 van 8 september 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 1 oktober 2003 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-3765-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoeker; Gelet op de beschikking van 13 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LAHOUSSE, die verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
  2. Verzoeker is tot aan het bestreden besluit als verificateur verbonden aan het controlekantoor van de BTW te Vilvoorde. 1.
  3. Hij wordt op 25 april 1997 aangehouden onder de verdenking van omkoping. Met ingang van 14 mei 1997 wordt hij om die reden geschorst uit zijn functies met behoud van 80% van zijn wedde. 1.
  4. Op 21 februari 2001 maakt de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel op vraag van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit het arrest van 28 juni 2000 over waarbij verzoeker definitief schuldig wordt bevonden aan omkoperij. Het hof van beroep spreekt de opschorting uit van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van drie jaar op grond van de volgende overweging : IX-3765-2/12 “Overwegende dat beklaagde eerder niet werd veroordeeld tot een criminele of tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden en dat bedoeld feit niet van die aard schijnt te zijn gestraft te moeten worden met een hoofdgevangenisstraf van meer dan vijf jaar of een zwaardere straf; (...) Dat het opleggen van een straf in de huidige omstandigheden, mede gelet op het eenmalige van de feiten, het tijdsverloop sedert de feiten en de vaststelling dat er sedertdien geen andere misdrijven van beklaagde aan het licht kwamen, zich om geen reden nog opdringt en dat voormelde maatregel de doeleinden van de strafvervolging zal kunnen verwezenlijken zonder de sociale reclassering van de beklaagde in het gedrang te brengen”. 1.
  5. Op 1 juni 2001 wordt verzoeker gehoord in het kader van een tuchtprocedure over de feiten die tot de strafrechtelijke uitspraak hebben geleid. 1.
  6. Op 5 juni 2001 maakt de gewestelijk directeur een voorlopig voorstel van tuchtstraf op. Hij stelt voor verzoeker af te zetten en motiveert dit voorstel als volgt: “Overwegende dat de uitspraak van de strafrechter de feiten als bewezen beschouwt; Overwegende dat de ten laste gelegde feiten behoorlijk werden vastgesteld en in voldoende mate bewezen zijn; Overwegende dat met alle tenlasteleggingen rekening kan worden gehouden bij de bepaling van de strafmaat; Overwegende dat de feiten zeer ernstig zijn; Overwegende dat de H. OLBRECHTS door zijn optreden tijdens de uitoefening van zijn functie de integriteit, de geloofwaardigheid en de faam van onkreukbaarheid van de Administratie in het gedrang heeft gebracht; dat zijn handelwijze van aard is om het vertrouwen van de burgers in de fiscale ambtenaren ernstig aan te tasten; Overwegende dat de betrokkene het in hem gestelde vertrouwen heeft beschaamd; Overwegende dat er overeenstemming bestaat tussen de te bestraffen fout en de feiten, die in het verleden aanleiding gaven tot een morele straf met waarschuwend karakter, nl. de blaam; Overwegende dat de bedoelde feiten het vertrouwen dat de Administratie in een personeelslid noodzakelijk moet kunnen stellen, ernstig ondermijnen; Overwegende dat de door de H. OLBRECHTS ingeroepen verzachtende omstandigheden niet van aard zijn om de feiten te verschonen en geen inschikkelijkheid meer rechtvaardigen.” 1.
  7. Op 14 juni 2001 laat verzoeker weten dat hij in beroep wenst te gaan tegen het voorstel en dat hij wenst gehoord te worden door het college van dienstchefs. Hij formuleert als bezwaren dat er bij het bepalen van de strafmaat geen rekening werd gehouden met de verzachtende omstandigheden waar het hof van beroep wel rekening mee hield, dat er rekening werd gehouden met een reeds IX-3765-3/12 doorgehaalde tuchtstraf bij het bepalen van de strafmaat, dat er geen rekening werd gehouden met de elementen uit het verhoor van 10 mei 1997 en dat het arrest van het hof van beroep reeds dateert van 28 juni
  8. Voornoemde elementen brengen mee dat de redelijke termijn werd overschreden bij het uitspreken van de tuchtstraf. 1.
  9. Het college van dienstchefs hoort verzoeker in zijn vergadering van 10 juli
  10. Het college stelt definitief voor om verzoeker van ambtswege te ontslaan. Dat voorstel is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat in geval van strafvordering de tuchtvordering moet worden ingesteld binnen zes maanden na de datum van kennisgeving van de einduitspraak aan de bevoegde minister; dat de einduitspraak inzake de H. OLBRECHTS op 21 februari 2001 werd medegedeeld; dat de betrokkene bij brief van 15 mei 2001 werd opgeroepen voor het voorafgaand verhoor; dat de tuchtvordering derhalve tijdig werd ingesteld; Overwegende dat de administratieve overheid als enige oordeelt over de gepastheid een tuchtstraf uit te spreken, ongeacht het resultaat van de strafvordering; dat, uitgezonderd het geval waarin de rechter bevestigt dat de aan de ambtenaar ten laste gelegde feiten niet bestaan, de administratieve overheid nooit gebonden is door de kwalificatie van de feiten die er door de rechter aan wordt gegeven, noch door de feitelijke omstandigheden waarin de handeling werd gesteld of elk ander element dat door het vonnis werd weerhouden; dat de tuchtvordering wordt ingesteld tot handhaving van het morele gezag en van de waardigheid van het korps waartoe de hieraan onderworpen persoon behoort; dat de tuchtvordering als essentiële grondslag heeft de noodzaak om de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren; dat het aan de H. OLBRECHTS ten laste gelegde feit door de rechter bewezen werd verklaard; dat hij door het plegen van dit feit tijdens de uitoefening van zijn functie de integriteit, de geloofwaardigheid en de faam van onkreukbaar- heid van de Administratie in het gedrang heeft gebracht; dat hij het in hem gestelde vertrouwen ernstig heeft geschaad; Overwegende dat rekening moet worden gehouden met de leeftijd van de betrokken ambtenaar; dat het ambtshalve ontslag om tuchtredenen minder ingrijpende gevolgen heeft op zijn pensioensituatie.” Het voorstel wordt op 12 december 2001 aan verzoeker betekend die er op 14 december 2001 kennis van neemt en beroep aantekent bij de raad van beroep. 1.
  11. De raad van beroep behandelt de zaak in zijn zitting van 27 juni
  12. Verzoekers verdediger pleit dat de redelijke termijn is over- schreden, vooreerst omdat de straf werd uitgesproken meer dan vier jaar na de feiten en ten tweede omdat het definitief strafvoorstel meer dan vijf maanden nadat het IX-3765-4/12 was uitgebracht aan verzoeker werd betekend, wat in strijd is met artikel 79, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijksperso- neel. Tevens vindt hij het bevreemdend dat de op één na zwaarste straf wordt opgelegd, terwijl de strafrechter de opschorting van de straf had uitgesproken. De raad van beroep is met acht stemmen tegen vijf van oordeel dat artikel 79, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, waarop verzoeker zich beroept, niet van toepassing was op het ogenblik van de betekening van het definitief strafvoorstel. Dit neemt niet weg dat de redelijke termijn binnen dewelke een tuchtstraf moet worden opgelegd overschreden is, dit naar analogie met artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (EVRM), daar de termijn van tien dagen binnen dewelke het definitief strafvoorstel aan de betrokkene moest worden meegedeeld met meer dan vijf maanden werd overschreden. Bijgevolg oordeelt de raad van beroep dat de tuchtvervolging niet meer tot bestraffing kan leiden. 1.
  13. De minister van Financiën gaat daarmee op 1 oktober 2002 evenwel niet akkoord. Volgens hem heeft de Administratie de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 correct toegepast en werd het dossier binnen een redelijke termijn afgesloten nu het arrest van het hof van beroep pas op 21 februari 2001 aan de Administratie werd betekend. Hij is van mening dat de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege moet worden opgelegd. Dit wordt met een brief van 25 oktober 2002 aan verzoeker meegedeeld. Er wordt hem ook gemeld dat het ministerieel besluit tot ratificatie van die beslissing hem zo spoedig mogelijk zal worden betekend. Bij ministerieel besluit van 25 februari 2003 wordt verzoeker van ambtswege ontslagen. Dit besluit is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de Departementale raad van beroep tijdens zijn zitting van 27 juni 2002 met 8 stemmen tegen 5 van advies was dat de redelijke termijn krachtens dewelke tuchtvorderingen dienen beoordeeld te worden, te deze overschreden is en de tuchtvervolging derhalve niet meer tot bestraffing kan leiden; Overwegende dat in geval van strafvordering de tuchtvordering moet worden ingesteld binnen zes maanden na de datum van kennisgeving van de einduitspraak aan de bevoegde minister; dat de einduitspraak inzake de H. OLBRECHTS op 21 februari 2001 werd medegedeeld; dat de betrokkene bij IX-3765-5/12 brief van 15 mei 2001 werd opgeroepen voor het voorafgaand verhoor; dat de tuchtvordering derhalve tijdig werd ingesteld; Overwegende dat de administratieve overheid als enige oordeelt over de gepastheid een tuchtstraf uit te spreken, ongeacht het resultaat van de strafvordering; dat uitgezonderd het geval waarin de rechter bevestigt dat de aan de ambtenaar ten laste gelegde feiten niet bestaan, de administratieve overheid nooit gebonden is door de kwalificatie van de feiten die er door de rechter aan wordt gegeven, noch door de feitelijke omstandigheden waarin de handeling werd gesteld of elk ander element dat door het vonnis werd weerhouden; dat de tuchtvordering werd ingesteld tot handhaving van het morele gezag en van de waardigheid van het korps waartoe de hieraan onderworpen persoon behoort; dat de tuchtvordering als essentiële grondslag heeft de noodzaak om de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren; dat het aan de H. OLBRECHTS ten laste gelegde feit door de rechter bewezen werd verklaard; dat hij door het plegen van dit feit tijdens de uitoefening van zijn functie de integriteit, de geloofwaardigheid en de faam van onkreukbaar- heid van de Administratie in het gedrang heeft gebracht; dat hij het in hem gestelde vertrouwen ernstig heeft geschaad; Overwegende dat het arrest van het Hof van Beroep van Brussel van 28 juni 2000 slechts op 21 februari 2001 aan de administratie werd betekend; dat het dossier aldus binnen een redelijke termijn werd afgesloten; Overwegende dat de administratie de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel juist heeft toegepast; Overwegende dat de tekortkoming van die aard is dat zij de oplegging van een tuchtstraf met tastbare gevolgen ten volle rechtvaardigt; Overwegende dat het ten laste gelegde feit behoorlijk werd vastgesteld en in voldoende mate bewezen is; Overwegende dat met de tenlastelegging rekening kan worden gehouden bij de bepaling van de strafmaat; Overwegende dat de H. OLBRECHTS niet meer beschikt over de nodige onafhankelijkheid en het vereiste prestige om enige functie als fiscaal ambtenaar uit te oefenen; Overwegende dat de te bestraffen fout - gelet op de aard, de ernst en de weerslag ervan op de werking van de dienst, op het prestige van het ambt en op het aanzien van de Administratie bij het publiek - de ontzetting uit het ambt ten volle rechtvaardigt; Overwegende dat elke verdere professionele samenwerking met de betrokkene niet langer verenigbaar is met het belang van de dienst en definitief onmogelijk is; dat hij niet langer de hoedanigheid van rijksambtenaar kan bekleden; Overwegende dat rekening moet worden gehouden met de leeftijd van de betrokken ambtenaar; dat het ambtshalve ontslag om tuchtredenen minder ingrijpende gevolgen heeft op zijn pensioensituatie; Overwegende dat de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege het meest in verhouding staat tot de ernst van de te bestraffen fout en derhalve als gepast voorkomt”. Dit is het bestreden besluit. Het wordt aan verzoeker betekend met een brief van 19 maart
  14. IX-3765-6/12 Gegrondheid van het beroep 2.
  15. In een eerste middel, eerste onderdeel, voert verzoeker aan dat het definitieve strafvoorstel hem met overtreding van de bepalingen van artikel 79, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel pas na vijf maanden en dus te laat werd betekend en dat dit tot gevolg heeft dat de verwerende partij moest geacht worden van de tuchtmaatregel af te zien. In een tweede onderdeel voert hij aan dat daardoor ook de redelijke termijnvereiste en de zorgvuldigheidsplicht werd geschonden. 2.
  16. De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel dat voormeld artikel 79, § 3, pas werd ingevoerd bij het koninklijk besluit van 16 november 2001 houdende wijziging van diverse reglementaire bepalingen inzake het statuut van het rijkspersoneel, dat slechts van kracht werd op 5 december
  17. Die bepaling was dus niet van toepassing op het ogenblik dat het college van dienstchefs zijn definitief strafvoorstel uitbracht. Zij stelt dat artikel 79, § 3, op dat ogenblik niet voorzag in een sanctie voor de overschrijding van de betekeningster- mijn van tien dagen, en dat die termijn dus moet worden aanzien als een termijn van orde. Wat het tweede onderdeel betreft, overloopt de verwerende partij alle stappen van de procedure en besluit zij dat er een periode van acht maanden is verstreken tussen de uitspraak van het arrest van 28 juni 2000 door het Hof van Beroep te Brussel en de mededeling van dit arrest door de gerechtelijke overheid aan de Administratie op 21 februari
  18. Zij wijst erop dat verzoeker, hoewel hij veel sneller kennis had van die uitspraak, zelf niets heeft ondernomen om ze ter kennis van de verwerende partij te brengen, terwijl bij de beoordeling van de redelijke termijnvereiste, die neerkomt op een vraag naar het zorgvuldig optreden van de overheid, mee in rekening moet worden gebracht of de ambtenaar zelf in zijn relatie met die overheid wel de zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd die van hem mocht verwacht worden. Is dat laatste niet het geval, dan kan, zeker wanneer dezelfde zorgvuldigheidsnorm ter sprake komt, aangenomen worden, zo schrijft de verwerende partij, dat de ambtenaar zijn recht verbeurd heeft om zelf de schending van de zorgvuldigheidsplicht door de overheid in te roepen. In casu heeft verzoeker door niet zelf de gerechtelijke einduitspraak aan de verwerende partij mee te delen en alzo een lange termijn onbenut te laten verstrijken, duidelijk aangegeven dat hij IX-3765-7/12 de redelijke termijnvereiste niet strikt toegepast wenste te zien. Meer in het bijzonder verkoos hij volgens haar, omdat dit kennelijk beter met zijn belangen overeenstemde, om zo lang mogelijk geschorst te blijven met behoud van 80% van zijn wedde, eerder dan een snelle afhandeling van de procedure mogelijk te maken. In deze omstandigheden, zo besluit de verwerende partij, moet worden aangenomen dat verzoeker te kennen heeft gegeven dat de naleving van de redelijke termijnver- eiste, die juist tot doel heeft de belangen van de betrokken ambtenaar te vrijwaren, niet strookte of niet in de eerste plaats strookte met zijn belangen. Door deze houding heeft verzoeker dan ook afgezien van de mogelijkheid om zich na het totstandkomen van het tuchtbesluit nog te beroepen op de redelijke termijnvereiste. 2.3.
  19. Wat het eerste onderdeel betreft, stelt de Raad van State vast dat het college van dienstchefs zijn definitief voorstel heeft uitgebracht op 10 juni
  20. Op dat ogenblik luidde artikel 79, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel als volgt: “Binnen een termijn van ten hoogste twee maanden vanaf de dag dat de zaak bij de directieraad is ingediend, doet de directieraad het definitieve voorstel en betekent (hij) het aan de ambtenaar binnen de tien dagen.” Deze bepaling voorziet niet in een sanctie op de overschrijding van de termijn van tien dagen, zodat deze als een termijn van orde moet worden aanzien. De overschrijding ervan heeft op zich geen gevolg voor de geldigheid van de betekening en van de eindbeslissing. Het eerste onderdeel is niet gegrond 2.3.
  21. Wat het tweede onderdeel betreft, blijkt uit de gegevens van het dossier dat de verwerende partij op 21 februari 2001 kennis heeft gekregen van het arrest van het Hof van Beroep te Brussel en dat de tuchtprocedure op 19 maart 2003 beeïndigd is met de betekening van het bestreden besluit aan verzoeker. In het onderdeel bekritiseert verzoeker de periode van vijf maanden die nodig was om hem het definitief strafvoorstel te betekenen, terwijl daarvoor reglementair slechts tien dagen waren voorzien. In voorliggende zaak duurde het inderdaad vijf maanden om het definitief strafvoorstel, door het college van dienstchefs aangenomen op 10 juli 2001, aan verzoeker te betekenen, terwijl volgens artikel 79, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 die betekening moest plaatsvinden binnen de tien dagen. IX-3765-8/12 De vereiste van de redelijke termijn dient evenwel in concreto te worden beoordeeld. Er moet aldus rekening worden gehouden met het feit dat een niet onbelangrijk deel van de termijn van vijf maanden zich situeert in de vakantie- periode. Voor het overige is de Raad van State van oordeel, mede gelet op de globale duur van de procedure, dat de termijn van vijf maanden wel langer is dan wenselijk, maar dat die termijn daarom nog niet onredelijk is. Het tweede onderdeel kan niet aangenomen worden. 3.
  22. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van het evenredigheidsbeginsel. Hij meent dat de straf buiten redelijke verhouding staat tot de feiten, gelet op de contradictie tussen het bestreden besluit en het arrest van het hof van beroep. Zo zou de tuchtoverheid geen of onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn persoonlijke situatie en met het belang van de dienst. Hij wijst wat dat betreft op zijn vlekkeloze loopbaan, op de elementen die hij als verzachten- de omstandigheden had aangevoerd voor het college van dienstchefs en op de motivering door de raad van beroep en door het hof van beroep, dat opschorting van straf verleende en op die wijze te kennen gaf hem een tweede kans te willen geven met het oog op zijn sociale reclassering. Hij stelt concreet dat hij zijn persoonlijke problemen na hard werken onder controle heeft en dat het om een eenmalig feit gaat. 3.
  23. De verwerende partij antwoordt dat de feiten bewezen zijn en dat ze in hoofde van een fiscaal ambtenaar ernstig zijn. Zij wijst erop dat de straf- en tuchtprocedure elk een eigen finaliteit hebben en dat het bijgevolg niet ondenkbaar is dat de strafrechtelijke beoordeling verschilt van de tuchtrechtelijke. Volgens haar is het daarbij op zich niet onredelijk dat omkoping door een fiscaal ambtenaar, wiens taak het is om de individuele dossiers te controleren, leidt tot zijn ontslag. Zij stelt dat verzoeker zich niet kan beroepen op een vlekkeloze loopbaan, vermits hem in 1986 reeds een blaam werd opgelegd omdat hij naar aanleiding van een fiscale controle van een belastingplichtige geschenken had aangenomen. Zij voert ten slotte aan dat er wel degelijk rekening is gehouden met verzachtende omstandigheden, daar gekozen werd voor het ontslag van ambtswege boven de voorgestelde afzetting omdat eerstgenoemde sanctie minder ingrijpende gevolgen heeft voor de pensioensi- tuatie van de betrokkene. 3.
  24. In tuchtzaken beschikt de overheid bij het bepalen van de strafmaat over een ruime appreciatiebevoegdheid in die zin dat de Raad van State IX-3765-9/12 enkel een kennelijk volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig kan beschouwen, dit wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen. De tuchtvordering en de strafvordering verschillen van elkaar door hun grondslag, hun draagwijdte en het nagestreefde doel. Indien eenzelfde gedraging als een tuchtvergrijp en een misdrijf wordt gekwalificeerd, worden beide soorten bestraffing afzonderlijk in werking gesteld, zonder dat de tuchtoverheid, in beginsel, door de uitspraak van de strafrechter gebonden is. De uitspraak op strafrechtelijk gebied houdt evenwel in dat de uitspraak van de strafrechter waarbij deze de feiten bewezen verklaart, de tuchtoverheid op dat punt bindt. Te dezen heeft de strafrechter de feiten bewezen verklaard en op het stuk van de straftoemeting aan verzoeker de gunst van de opschorting van de uitspraak toegestaan. Aangezien de tuchtoverheid niet gebonden is door de wijze waarop de strafrechter de gedragingen van de betrokkene heeft beoordeeld, heeft die uitspraak niet tot gevolg dat de tuchtoverheid daardoor niet haar eigen bevoegdheid kan uitoefenen. Indien de tuchtoverheid meent de op één na zwaarste tuchtstraf te moeten opleggen, dient zij te motiveren waarom zij voor die straf kiest, als de strafrechter juist opschorting van veroordeling heeft verleend om verzoekers professionele kansen niet buitenmatig te schaden. Het feit dat een zware tuchtstraf wordt opgelegd terwijl de strafrechter de opschorting van veroordeling heeft toegestaan, levert echter op zich niet het bewijs van een kennelijk onevenredige sanctie. Te dezen wijst de verwerende partij op de essentiële noodzaak om de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren en op het feit dat verzoeker door zijn daad de geloofwaardigheid en de faam van onkreukbaarheid van de administratie in het gedrang heeft gebracht en het in hem gestelde vertrouwen heeft beschaamd. Zij voegt daaraan toe dat hij niet meer beschikt over de nodige onafhankelijkheid en het vereiste prestige om een functie van fiscaal ambtenaar uit te oefenen en dat bijgevolg verdere professionele samenwerking met de betrokkene niet langer verenigbaar is met het belang van de dienst. Daarnaast wordt in het bestreden besluit rekening gehouden met verzoekers leeftijd en met het feit dat het ambtshalve ontslag minder ingrijpende gevolgen heeft voor zijn pensioen dan de tuchtstraf van de afzetting. Het oordeel van de minister dat verzoekers functie van fiscaal ambtenaar niet meer verenigbaar is met het belang van de dienst en dat om die reden de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege moet worden opgelegd, kan dan ook niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd, hierbij tevens in acht IX-3765-10/12 genomen dat verzoeker reeds eerder is gestraft geweest wegens het ontvangen van geschenken. Tegen die conclusie voert verzoeker vruchteloos aan dat hij onder meer voor het college van dienstchefs gewezen heeft op zijn jarenlange goede dienst, het ontbreken van gelijkaardige feiten in het verleden en zijn recht op reclassering. De aldus ingeroepen verzachtende omstandigheden stemmen weliswaar overeen met sommige van de omstandigheden waarop het hof van beroep heeft gesteund om hem opschorting van de uitspraak van de veroordeling te verlenen. Het hof van beroep heeft meer bepaald gesteund op het blanco strafregister van verzoeker, het eenmalig karakter van de feiten, het tijdsverloop sedert de feiten, en het feit dat de opschorting de doeleinden van de strafvervolging kan verwezenlijken zonder verzoekers sociale reclassering in het gedrang te brengen. Zoals hiervóór uiteengezet, zijn de finaliteit van de tuchtvordering en die van de strafvordering evenwel verschillend. Het feit dat het hof van beroep in het kader van de beoordeling van de strafvordering op de genoemde omstandigheden heeft gesteund, doet dan ook geen afbreuk aan de conclusie dat de opgelegde tuchtstraf de grenzen van de evenredigheid niet te buiten gaat. Het tweede middel kan niet aangenomen worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  25. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  26. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-3765-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 mei 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3765-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.638 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.122.540 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.