← België

Arrest 193639 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.639 Rolnummer: A. 153638/IX-4594 Zaak: Arrest 193639 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-11 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Fiche Arrest nr 193.639 van 29 mei 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.639 van 29 mei 2009 in de zaak A. 153.638/IX-

  1. In zake : Ivan GEYBELS, die woonplaats kiest bij advocaat D. DE HERDT, kantoor houdende te MORTSEL, Molenstraat 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS-DSJ, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ivan GEYBELS op 7 juli 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Directie van de rekrutering en van de selectie van de Algemene Directie Personeel van de Federale Politie van 17 mei 2004, waarbij zijn kandidatuur voor een functie van inspecteur van politie niet wordt weerhouden; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 7 april 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 18 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-4594-1/8 Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
  3. De verzoeker schrijft zich op 28 april 2003 in voor deelname aan selectieproeven met het oog op een aanwerving als inspecteur van politie bij de Federale Politie. In het kader van deze kandidaatstelling dient de verzoeker een biografische vragenlijst in te vullen en, naar eigen zeggen, vijf verschillende proeven af te leggen, waarvan hij er vier met succes afrondt. De laatste proef betreft een onderhoud met de selectiecommissie op 14 mei
  4. Op deze datum beoordeelt de selectiecommissie de verzoeker als ongeschikt voor de functie van inspecteur van politie. Blijkens de stukken van het administratief dossier steunt deze beoordeling op de volgende motieven: “r kan zich voldoende vlot uitdrukken; heeft al heel wat ondernomen om bij de politie te kunnen komen (2e kansonderwijs, tattoo laten wegnemen ...); cogn. pot.: kan redeneren. s weinig oogcontact; zeer nerveus: zeer defensieve houding; emotioneel labiel Y heeft 10 j. geleden een feit gepleegd en is nog niet in het reine met zichzelf Y zal eerst dit moeten leren verwerken en plaatsen; soc wenselijk: weinig concreet in zijn antwoorden.” 1.
  5. Met een brief van 17 mei 2004 deelt de Directie van de rekrutering en van de selectie van de Algemene Directie Personeel van de Federale Politie aan de verzoeker mee dat zijn kandidatuur voor een functie van inspecteur van politie niet wordt weerhouden, omdat hij niet beantwoordt aan het vereiste profiel. IX-4594-2/8 Deze brief luidt als volgt: “Betreft: uw kandidatuur als inspecteur bij de politie [...] Het spijt mij u te melden dat uw kandidatuur als inspecteur niet weerhouden werd. Tengevolge het gesprek met de selectiecommissie van 14/05/04 werd vastgesteld dat u momenteel niet beantwoordt aan het vereiste profiel voor een kandidaat inspecteur. Volgens het K.B. van 30 maart 2001, Art. IV.I.5, hebt u de mogelijkheid om maximaal 3 maal aan deze proef deel te nemen. De wachttijd tussen een mislukking en een nieuwe kandidatuur is bepaald op 1 jaar. Art. IV.I.29 van hetzelfde K.B. bepaalt dat wanneer u opnieuw wenst deel te nemen, binnen de 2 jaar volgend op deze kennisgeving, je een vrijstelling kan krijgen voor de selectieproeven waarvoor je geslaagd was. Indien u meer gegevens wenst omtrent uw resultaat, staat het u vrij schriftelijk te solliciteren tot 3 maand na de bovenvermelde datum van deze kennisgeving. Feedback wordt gegeven op woensdag van 08.00 tot 16.00 uur. Wij nemen zo spoedig mogelijk contact met u op. Mogen wij wel vragen in uw schrijven het telefoonnummer en het tijdstip te vermelden waarop u op woensdag bereikbaar bent. Deze beslissing kan het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietigverkla- ring bij de Raad van State. Dit beroep moet, binnen de zestig dagen vanaf de dag volgend op deze kennisgeving, per aangetekende brief, worden ingesteld bij de Raad van State, Afdeling Administratie, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel. Dit beroep moet eveneens voldoen aan de voorwaarden bepaald bij het besluit van de Regent van 23/08/1948 tot regeling van de rechtspleging voor de Afdeling Administratie van de Raad van State.” Dit is de bestreden beslissing. Ten gronde 2.
  6. In zijn eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de motiveringsplicht. Hij laat gelden dat de bestreden beslissing “in het geheel niet [is] gemotiveerd”. Hij wijst erop dat deze beslissing geen feiten of redenen aanhaalt waarop ze is gesteund en zich integendeel ertoe beperkt te verwijzen naar een besluit dat is voortgevloeid uit het gesprek met de selectiecommissie op 14 mei
  7. De vermelding in de bestreden beslissing dat de mogelijkheid bestaat om feedback te vragen, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de beslissing niet is gemotiveerd. De motieven op grond waarvan een beslissing werd genomen, dienen niet achteraf te worden opgevraagd, maar moeten in de beslissing zelf worden weergegeven. 2.
  8. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de bestreden beslissing voldoende is gemotiveerd. Zij verwijst in dit verband naar het IX-4594-3/8 arrest van de Raad van State, nr. 97.260 van 29 juni 2001, inzake D’Hooghe, waarin werd geoordeeld: “Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen stelt dat verzoeker niet ingegaan is op de hem geboden mogelijkheid om inzage te verkrijgen van de stukken met betrekking tot zijn examen en dat in ieder geval het bestreden besluit op afdoende motieven gesteund is; [...] Overwegende, wat betreft de vraag of de verwerende partij rechtsgeldige motieven had om verzoeker 12 punten op 40 toe te kennen, dat vooreerst vastgesteld wordt dat de praktische proef geen betrekking had op het beant- woorden van kennisvragen; dat dienvolgens de beslissing niet afdoende verantwoord wordt door een globaal puntencijfer; dat de examencommissie moet kunnen aantonen dat zij op correcte wijze gebruik gemaakt heeft van haar ruime discretionaire bevoegdheid; dat, wanneer een kandidaat zijn resultaat betwist, de examencommissie in staat moet zijn om aan de hand van stukken die haar bij de deliberatie voorlagen of die het relaas vormen van de bespre- kingen en de besluitvorming in de examencommissie, de betrokkene en uiteindelijk de administratieve rechter -die ter zake over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt- te laten begrijpen waarom de commissie de kandidaat niet geslaagd heeft verklaard; Overwegende vervolgens dat verzoeker de besluitvorming in de examen- commissie met geen concrete argumenten betwist, maar slechts in het algemeen stelt dat hij de relevante elementen van het besluit niet kan achterhalen; dat evenwel in het administratief dossier dat de verwerende partij heeft neergelegd, [...] een ‘notuleringsfiche’ is opgenomen waarin de examenjury de verschillen- de hoedanigheden van verzoeker, zoals die haar zijn gebleken tijdens het interview, becommentarieert met het besluit: ‘De kandidaat mist diepgang en geeft op geen enkel moment blijk van het bezit van de vereiste competenties’; dat al die gegevens aantonen dat de examencommissie de negatieve uitslag van verzoeker met een aantal verifieerbare gegevens onderbouwd heeft; dat [...] het middel [...] niet ernstig is.” Volgens de verwerende partij werd in de desbetreffende zaak de toenmalige verzoeker niet geslaagd verklaard voor de praktische proef van een vergelijkend loopbaanexamen. Deze beslissing, die aan de betrokkene schriftelijk werd meegedeeld, vermeldde enkel het resultaat dat hij had behaald op de proef. Aan de betrokkene werd wel gemeld dat hij bijkomende inlichtingen kon vragen, wat hij naliet te doen. De verwerende partij betoogt dat zij de verzoeker in de voorliggende zaak met een schrijven van 17 mei 2004 heeft meegedeeld dat zijn kandidatuur niet wordt aanvaard en dat hij zich voor meer gegevens kan richten tot de Directie van de rekrutering en van de selectie. De selectiecommissie heeft, zo stelt de verwerende partij, haar beslissing om de verzoeker niet te weerhouden met voldoende gegevens onderbouwd. Zij heeft geoordeeld dat hij weinig oogcontact heeft gemaakt, dat hij nerveus is, dat hij niet in het reine is met feiten die hij heeft IX-4594-4/8 gepleegd en dat zo lang dit niet het geval is, hij emotioneel niet in staat is om de functie van inspecteur uit te oefenen. De commissie stelt bovendien dat de verzoeker weinig concreet is in zijn antwoorden en dat de antwoorden die hij geeft “sociaal wenselijk” zijn. Om deze redenen besluit de selectiecommissie dat de verzoeker ongeschikt is en dat hij niet de persoonlijkheidskenmerken bezit die hem toelaten het ambt van inspecteur van politie uit te oefenen. De verwerende partij stelt dat de beslissing van de selectiecommissie, waarvan de verzoeker de inzage kon vragen, met voldoende gegevens is onderbouwd om te kunnen besluiten dat de verzoeker momenteel niet beantwoordt aan het vereiste profiel van een inspecteur van politie. Volgens de verwerende partij moet “analoog met het voormelde arrest D’Hooghe” worden aangenomen dat van een schending van de motiveringsplicht geen sprake is. 2.
  9. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat de verwijzing naar het arrest van de Raad van State, nr. 97.260 van 29 juni 2001, inzake D’Hooghe, niet dienstig is, omdat in de desbetreffende zaak het niet-slagen van de betrokkene werd gemotiveerd aan de hand van het behaalde resultaat, wat te dezen niet het geval is. Voorts merkt de verzoeker op dat de bewering dat hij geen toelichting heeft gevraagd, onjuist is. Hij stelt dat hij in eerste instantie contact heeft opgenomen met de psychologe van de selectiecommissie, die hem heeft meegedeeld dat zijn motivatie zeer goed was en hij verbaal vlot was, maar dat hij een defensieve houding heeft aangenomen en erg nerveus overkwam toen hij door de officier werd geconfronteerd met een veroordeling die hij vroeger heeft opgelopen. De verzoeker voert aan dat de commissie blijkbaar niet ervan op de hoogte was dat hij eerherstel heeft verkregen bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 7 juni 2001, zodat het niet abnormaal was dat hij nerveus werd en zich in het defensief gedrongen voelde. Hij stelt nadien nog contact te hebben opgenomen met de directeur van de selectiecommissie die hem heeft meegedeeld dat hij niet werd weerhouden omdat hij tijdens zijn onderhoud met de selectiecommissie heeft gelogen over zijn verleden. De verzoeker stelt vast dat “een en ander [...] duidelijk niet [blijkt] uit de bestreden beslissing”. 2.
  10. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat in de bestreden beslissing uitvoerig melding wordt gemaakt van de mogelijkheid om IX-4594-5/8 bijkomende informatie te verkrijgen, zodat bezwaarlijk kan worden gesteld dat zij niet voldoende initiatieven heeft genomen om de motieven van die beslissing ter kennis van de verzoeker te brengen. Zij stelt dat haar werkwijze beoogt “extra gepersonaliseerde feedback” te kunnen geven, aangezien de betrokkene telefonisch vragen kan stellen waarop een concreet antwoord kan worden geformuleerd. Ten slotte voert de verwerende partij aan dat het niet steeds evident is om de volledige motivering te vermelden in de beslissing die wordt meegedeeld aan een kandidaat. Soms houdt de beoordeling door de commissie immers een confronterende boodschap in, zodat het meer aangewezen is om de initiële motivering minimaal te houden en een dergelijke boodschap telefonisch over te brengen. 2.5.
  11. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 2.5.
  12. Te dezen dient te worden vastgesteld dat uit de bestreden beslissing niet op een afdoende wijze blijkt op grond van welke motieven de kandidatuur van de verzoeker niet werd weerhouden. De bestreden beslissing vermeldt slechts dat tengevolge van het gesprek met de selectiecommissie op 14 mei 2004 werd vastgesteld dat de verzoeker momenteel niet beantwoordt aan het vereiste IX-4594-6/8 profiel van een kandidaat-inspecteur. Deze vermelding kan als zodanig niet als een afdoende motief voor de afwijzing van de kandidatuur van de verzoeker worden beschouwd, vermits daaruit niet blijkt welke de precieze en concrete redenen zijn die de verwerende partij ertoe hebben gebracht de kandidatuur van de verzoeker af te wijzen. Een dergelijke motivering is een loutere stijlformule die bij iedere beslissing tot afwijzing van een kandidatuur kan worden gehanteerd. De formele motiveringsplicht is dan ook geschonden. 2.5.
  13. De verwijzing door de verwerende partij naar het arrest van de Raad van State, nr. 97.260 van 29 juni 2001, inzake D’Hooghe, is niet dienstig. De overwegingen van dat arrest waarop de verwerende partij zich beroept, hebben immers geen betrekking op de schending van de formele motiveringsplicht, maar wel op de aangevoerde schending van de materiële motiveringsplicht. 2.5.
  14. De formele motiveringsplicht impliceert dat de motieven uit de beslissing zelf moeten blijken. Wel kan worden aangenomen dat aan de doelstelling van de formele motiveringsplicht om de betrokkene een zodanig inzicht te geven in de motieven van de beslissing dat hij met kennis van zaken kan uitmaken of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden, is voldaan, indien de betrokkene desgevallend langs enige andere weg kennis heeft gekregen van de motieven waarop de beslissing is gesteund, ook al worden die motieven dan niet in de beslissing zelf veruitwendigd. De betrokkene heeft er dan geen belang bij in een annulatieberoep dat hij tegen die beslissing bij de Raad van State instelt, de schending van de formele motiveringsplicht aan te voeren. Te dezen blijkt niet dat de verzoeker op het ogenblik dat hij het voorliggende beroep tot nietigverklaring indiende een voldoende duidelijke, precieze en zekere kennis had van de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. 2.5.
  15. De omstandigheid dat de verwerende partij aan de verzoeker de mogelijkheid heeft geboden om meer inlichtingen te bekomen over de redenen waarom hij werd afgewezen, doet aan de vastgestelde schending van de formele motiveringsplicht geen afbreuk. Deze mogelijkheid tot feedback, die wordt georganiseerd nadat de beslissing is genomen en aan de betrokkene is meegedeeld, kan niet eraan verhelpen dat geenszins is voldaan aan het vereiste dat de motieven uit de beslissing zelf blijken. De aanpak van het bestuur waarbij de mededeling van IX-4594-7/8 de motieven afhankelijk wordt gemaakt van het initiatief van de betrokkene is niet bestaanbaar met de formele motiveringsplicht. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  16. Vernietigd wordt de beslissing van de Federale Politie, Algemene Directie Personeel, Directie van de rekrutering en van de selectie van 17 mei 2004 waarbij de kandidatuur van Ivan GEYBELS voor een functie van inspecteur van politie niet wordt weerhouden. Artikel
  17. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 mei 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-4594-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.639 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.