id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.641 Rolnummer: A. 134907/IX-3751 Zaak: Arrest 193641 - Energie - 29/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-12 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Fiche Arrest nr 193.641 van 29 mei 2009 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.641 van 29 mei 2009 in de zaak A. 134.907/IX-
- In zake : Pierre REYNDERS, die woonplaats kiest bij advocaten D. VAN HEUVEN en S. RONSE, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 8b tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en J. BOUCKAERT, kantoor houdende te BRUSSEL, Central Plaza, Loksumstraat
- tussenkomende partij : Tom VANDEN BORRE, die woonplaats kiest bij advocaat B. SCHUTYSER, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pierre REYNDERS op 22 mei 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 2 april 2003 tot aanstelling van de leden van de raad van bestuur van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle; Gelet op het arrest nr. 118.441 van 17 april 2003 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerleg- ging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Tom VANDEN BORRE; IX-3751-1/14 Gelet op de beschikking van 8 augustus 2003 die de tussenkomst van Tom VANDEN BORRE toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van tussenkomst; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat J. ROGGEN die, loco advocaat J. BOUCKAERT, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.
- Verzoeker wordt bij koninklijk besluit van 14 januari 1997 benoemd tot lid van de raad van bestuur van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) samen met dertien andere bestuurders. Zeven onder IX-3751-2/14 hen, waaronder verzoeker, worden benoemd voor de duur van zes jaar, de zeven anderen voor de duur van drie jaar. Jacques Bougard wordt als oudste lid benoemd tot voorzitter ad interim. Vermits dit besluit geen bijzondere bepaling van inwerkingtreding bevat, treedt het in werking tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, dit wil zeggen op 14 maart
- 1.
- Bij koninklijk besluit van 17 november 1998 wordt Jean-Paul Samain, van de Franse taalrol, aangesteld tot directeur-generaal. Bij besluit van dezelfde datum wordt verzoeker aangesteld tot voorzitter van het FANC. Tegelijkertijd wordt aan Jacques Bougard ontslag verleend uit zijn functie van voorzitter. Beide koninklijke besluiten treden in werking op 1 december
- 1.
- Daar de mandaten van de zeven leden van de Raad van Bestuur die voor zes jaar werden aangesteld op 14 maart 2003 een einde namen, moest worden voorzien in nieuwe aanstellingen. Vier van de zeven leden worden opnieuw aangesteld voor zes jaar, het mandaat van verzoeker en van twee andere leden wordt niet verlengd. Tom Vanden Borre wordt benoemd als nieuw lid van de raad van bestuur en aangesteld als voorzitter. Hij neemt de plaats van verzoeker in. Dit alles wordt gerealiseerd door het koninklijk besluit van 2 april 2003 tot aanstelling van de leden van de raad van bestuur van het FANC. Dit is het bestreden besluit. Het wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 april
- Ten gronde 2.1.
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 35 en 36 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende IX-3751-3/14 gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en van het koninklijk besluit van 17 november 1998 tot aanstelling van de voorzitter van de raad van bestuur van het FANC. Hij wijst erop dat luidens artikel 35 van de genoemde wet van 15 april 1994 de raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en dertien leden, terwijl artikel 3 van het koninklijk besluit van 14 januari 1997, dat de leden van de raad van bestuur benoemde, bepaalde dat het oudste lid van de raad van bestuur benoemd werd tot voorzitter ad interim. De reden voor de benoeming van een voorzitter ad interim is volgens verzoeker gelegen in het feit dat het de bedoeling was de voorzitter van de raad van bestuur gelijktijdig aan te wijzen met de directeur-generaal van het FANC omdat zij van een verschillende taalrol moesten zijn. Daar de wervingsprocedure voor de directeur-generaal moest worden opgestart door de raad van bestuur konden die benoemingen niet gelijktijdig geschieden en werd er eerst een interim voorzitter aangesteld. Toen de wervingspro- cedure voor de directeur-generaal was afgelopen werden de directeur-generaal en de effectieve voorzitter, zijnde de verzoeker, aangesteld met twee koninklijk besluiten van 17 november 1998, met ingang van 1 december
- De artikelen 36, eerste lid, en 41, tweede lid, van de wet van 15 april 1994 bepalen dat de benoe- mingen van de voorzitter en van de directeur-generaal een duurtijd van zes jaar hebben. Bijgevolg lopen deze benoemingen tot 1 december
- Volgens de verzoeker mag er geen rekening worden gehouden met zijn benoeming tot lid van de raad van bestuur voor het bepalen van de duurtijd van zijn mandaat van voorzitter van de raad van bestuur. Dit zou alleen mogen indien er nooit een voorzitter was aangeduid en er steeds met een interimvoorzitter werd gewerkt. 2.1.
- De verwerende partij antwoordt dat de termijn van zes jaar niet gebonden is aan de persoon van de voorzitter maar wel aan de uitoefening van het mandaat van voorzitter. Daaruit volgt dat de datum waarop de interim voorzitter werd aangeduid, zijnde 14 maart 1997, als uitgangspunt dient voor de berekening van de geldingsduur van het voorzitterschap zodat het mandaat van de voorzitter na IX-3751-4/14 de wettelijk voorgeschreven termijn van zes jaar ten einde liep, hetzij op 14 maart
- Ook om een andere reden liep, aldus de verwerende partij, verzoekers mandaat van voorzitter af op 14 maart
- Naar luid van artikel 35 van de wet van 15 april 1994 blijkt dat de raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en dertien leden. Aangezien volgens diezelfde bepaling de raad evenveel Franstalige als Nederlandstalige leden telt is de voorzitter dus eveneens lid van de raad van bestuur. Aangezien verzoeker bij koninklijk besluit van 14 januari 1997 voor zes jaar tot lid van de raad van bestuur werd benoemd is er op 14 maart 2003 een einde gekomen aan zijn mandaat van lid van de raad van bestuur en bijgevolg ook, vermits de voorzitter lid moet zijn van de raad van bestuur, aan zijn mandaat van voorzitter. 2.1.
- De tussenkomende partij sluit zich hierbij aan. Zij brengt ter ondersteuning van de stelling dat het mandaat van voorzitter niet op de persoon maar wel op de functie betrekking heeft nog volgende bijkomende argumenten aan: - overeenkomstig artikel 36 van de wet van 15 april 1994 eindigt het mandaat van een lid van de raad van bestuur wanneer hij de leeftijd van 65 jaar bereikt; - overeenkomstig artikel 38 van diezelfde wet kan een lid van de raad van bestuur geacht worden zijn mandaat te hebben neergelegd wanneer hij zich in een toestand van onverenigbaarheid bevindt; - overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van voornoemde wet kan de aanstelling van een directeur-generaal van dezelfde taalrol als die van de voorzitter tot gevolg hebben dat het mandaat van de voorzitter vroegtijdig wordt beëindigd daar zij tot een verschillende taalrol moeten behoren. De tussenkomende partij voegt daaraan toe dat uit het feit dat de wetgever heeft gewild dat de raad van bestuur elke drie jaar voor de helft wordt vernieuwd, volgt dat de mandaten steeds na zes jaar eindigen en dat dus, indien een mandataris om een of andere reden zijn mandaat niet kan uitdoen, zijn opvolger IX-3751-5/14 maar kan worden aangeduid voor het nog te lopen deel van het mandaat. Alleen zo kan worden bereikt dat de helft van de mandaten een einde neemt om de drie jaar. Ook uit de wijze waarop de diverse uitvoeringsbesluiten de bepalingen van de wet van 15 april 1994 die betrekking hebben op de werking en de samenstelling van de raad van bestuur hebben uitgevoerd blijkt volgens de tussenkomende partij dat de persoon die het mandaat van de voorzitter of van een lid van de raad van bestuur overneemt van een ander persoon, die functie niet voor een nieuwe maar wel voor de nog resterende termijn uitoefent. De manier waarop verzoeker zelf voorzitter is geworden, is daarvan het beste voorbeeld. Verzoeker is immers bij koninklijk besluit van 14 januari 1997 benoemd tot lid van de raad van bestuur. Wanneer hij het voorzitterschap bij koninklijk besluit van 17 november 1998 heeft overgenomen van Jacques Bougard, die om reden dat er een taalincom- patibiliteit was met de nieuw aangestelde directeur-generaal niet langer voorzitter kon blijven, heeft dit niets veranderd aan zijn mandaat van lid van de raad van bestuur, zoals ook Jacques Bougard verder lid van de raad van bestuur is gebleven totdat zijn mandaat van drie jaar was verlopen. Verzoekers aanstelling tot voorzitter had ten gevolge van zijn aanstelling als lid van de raad van bestuur enkel een aanvullende werking, in die zin dat hij op grond van zijn benoeming tot voorzitter voor de resterende termijn van zijn benoeming tot lid van de raad van bestuur ook de functie van voorzitter uitoefende. Zijn benoeming tot voorzitter heeft verzoeker dan ook geen nieuw mandaat van zes jaar opgeleverd. 2.1.
- In zijn memorie van wederantwoord schrijft de verzoeker dat uit de artikelen 35 en 36 van de wet van 15 april 1994 duidelijk blijkt dat de wetgever een onderscheid heeft willen maken tussen de aanwijzing van de voorzitter enerzijds, en de leden van de raad van bestuur anderzijds, en dat bijgevolg niet kan worden gesteld dat de aanwijzing tot voorzitter volstrekt irrelevant zou zijn ten opzichte van de aanwijzing tot lid van de raad van bestuur. Tevens kan de voorzitter krachtens artikel 36 van genoemde wet slechts benoemd worden voor zes jaar zodat verzoekers mandaat in principe moest lopen tot 1 december
- De verzoeker stelt daarenboven dat onmogelijk kan worden volgehouden dat de wettelijke termijn van zes jaar als voorzitter wordt uitgevoerd door de interimvoorzitter en door hemzelf. De benoeming tot voorzitter is een IX-3751-6/14 benoeming met een persoonlijk karakter die rechtstreeks rechten doet ontstaan voor de benoemde. Bovendien moet, aldus de verzoeker, artikel 36 samengelezen worden met artikel 41 dat handelt over de aanwijzing van de directeur-generaal van het FANC. De mandaten van voorzitter van de raad van bestuur en van directeur- generaal hebben een duurtijd van zes jaar en zijn ontegensprekelijk gelieerd in die zin dat de personen die voor die mandaten worden aangewezen tot een verschillende taalrol moeten behoren. Bijgevolg kan het alleen maar de bedoeling zijn geweest om deze personen samen te benoemen en hun mandaat samen te laten eindigen. Indien dit parallellisme zou worden doorbroken dan zou de Koning verplicht zijn om bij het aflopen van het mandaat van de directeur-generaal steeds een Franstalige directeur-generaal te benoemen daar op het ogenblik dat zijn mandaat zal aflopen er een Nederlandstalige voorzitter van de raad van bestuur zal zijn. Dit zou de keuzevrijheid van de Koning te zeer beknotten. Ten slotte is de regeling die in het koninklijk besluit van 4 juni 1999 tot uitvoering van het mandaat van lid van de raad van bestuur, voorzitter en directeur-generaal van het FANC wordt uitgewerkt voor het geval de taalpariteit tussen de directeur-generaal en de voorzitter niet langer is verzekerd onwettig, nu de wet van 15 april 1994 de Koning niet machtigt om zo’n verregaande regeling uit te werken, wat ook door de afdeling wetgeving van de Raad van State werd gesteld in haar advies. Er kan dus enkel rekening gehouden worden met de tekst van de wet zelf. 3.1.
- Het middel doet de vraag rijzen of voor het bepalen van de duurtijd van het mandaat van voorzitter rekening moet worden gehouden met zijn aanstelling tot lid van de raad van bestuur of niet, of, anders gezegd, of de termijn van voorzitter een termijn is die al dan niet losstaat van de termijn van lid van de raad van bestuur. De bepalingen in de wet van 15 april 1994 tot oprichting van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle die voor de oplossing van deze vraag van belang zijn luiden als volgt: “Art.
- Het Agentschap wordt bestuurd door een raad van bestuur bestaande uit een voorzitter en dertien leden, allen stemgerechtigd en door de Koning aangewezen bij een in Ministerraad overlegd besluit op voorstel van de ministers onder wier bevoegdheid het Agentschap valt. (...) IX-3751-7/14 De raad van bestuur bestaat uit evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter of diens plaatsver- vanger doorslaggevend. Art.
- De voorzitter en de leden van de raad van bestuur worden door de Koning aangewezen, voor een termijn van zes jaar. Hun mandaat is vernieuw- baar volgens de regels bepaald voor de benoeming. Het mandaat eindigt van rechtswege wanneer de titularis de leeftijd van 65 jaar bereikt. In afwijking van het eerste lid, eindigt het mandaat van de helft van de leden die deel uitmaken van de eerste raad van bestuur na een termijn van drie jaar. Op gemotiveerd eensluidend advies van de raad van bestuur, goedgekeurd met tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen, kunnen de bestuurders van het Agentschap worden ontslagen door een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Art.
- Het dagelijks bestuur van het Agentschap, zijn vertegenwoordiging voor wat betreft het beheer en de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur, worden toevertrouwd aan de directeur-generaal, die voor een vernieuwbare termijn van zes jaar, door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wordt aangewezen. Hij kan alleen worden afgezet bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op eensluidend gemotiveerd advies van twee derden van de leden van de raad van bestuur. De voorzitter en de directeur-generaal behoren tot een verschillende taalrol. (...).” 3.1.
- Uit deze bepalingen blijkt dat de raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en dertien leden en dat hij voor de helft uit Nederlandstaligen en voor de andere helft uit Franstaligen bestaat. De raad van bestuur bestaat dus uit veertien leden, daaronder begrepen de voorzitter. Voorts blijkt uit de aangehaalde bepalingen dat de raad van bestuur om de drie jaar voor de helft vernieuwbaar is. Om die reden is de helft van de eerste raad van bestuur trouwens slechts aangesteld voor drie jaar. Indien, zoals verzoeker voorhoudt, er met zijn aanstelling tot lid van de raad van bestuur geen rekening mag worden gehouden om te bepalen hoelang zijn mandaat van voorzitter loopt, dan zou verzoekers mandaat in casu geen zes jaar lopen maar wel zeven jaar en negen maanden door een cumulatie van één jaar en negen maanden als gewoon lid van de raad van bestuur met zes jaar als voorzitter. Hoewel de voorzitter en de andere leden van de raad van bestuur in de artikelen 35 en 36 afzonderlijk worden vermeld en er voor beiden wordt bepaald dat hun mandaat zes jaar duurt, betekent dit niet dat het mandaat van voorzitter een duur heeft die losgekoppeld is van deze van lid van de raad van bestuur. IX-3751-8/14 IX-3751-9/14 Nu de voorzitter een lid is van de raad van bestuur, kan hij pas tot voorzitter worden aangesteld nadat hij eerst tot lid van de raad van bestuur is aangesteld. Zo is het trouwens ook gebeurd, zowel in het koninklijk besluit van 14 januari 1997 als in het bestreden besluit. 3.1.
- De verzoeker meent een argument te kunnen vinden in het feit dat de mandaten van voorzitter en van directeur-generaal gelieerd zijn, in de zin dat ze tot een verschillende taalrol moeten behoren. Volgens hem moet dit tot gevolg hebben dat hun mandaten, die van gelijke duur zijn, op hetzelfde ogenblik moeten ingaan en aflopen, zo niet zou de overheid bij de keuze van een nieuwe voorzitter of een nieuwe directeur-generaal te zeer beperkt worden door de taalaanhorigheid van de kandidaten. Vooreerst moet worden opgemerkt dat het door verzoeker beschreven gevolg niet met zoveel woorden te vinden is in de tekst van de aangehaalde wetsbepalingen. Vraag is daarnaast of het gelieerd zijn van de voornoemde mandaten noodzakelijkerwijze inhoudt dat zij op hetzelfde ogenblik moeten aflopen. Zoals verzoeker stelt werd het probleem van de beperking door de taalaanhorigheid onderkend tijdens de bespreking van het ontwerp in de bevoegde commissie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, waar één van de leden wees op het feit dat indien de voorzitter niet gelijktijdig met de directeur-generaal moet worden vervangen, bijvoorbeeld omdat de voorzitter in de loop van zijn mandaat de leeftijdsgrens bereikt, men bij de keuze van een opvolger door de taalrol gebonden is. De minister heeft in zijn antwoord deze zienswijze niet bestreden, maar beperkte zich tot de vaststelling dat men “doorgaans vrij bevredigende oplossingen” vindt voor de taalvereisten (Parl. St., Kamers, 1992-93, nr. 1124/5, pp. 58-59). De minister deelde dus blijkbaar niet verzoekers visie dat de beide mandaten slechts op eenzelfde moment kunnen aflopen. Er moet overigens opgemerkt worden dat verzoekers standpunt tot gevolg zou hebben dat de raad van bestuur niet om de drie jaar voor de helft kan worden vernieuwd, zoals dat nochtans in de wet zelf is bepaald. Uit de teksten kan dan ook niet worden afgeleid dat de aan- stellingen van voorzitter en van directeur-generaal altijd gelijklopend moeten gebeuren. Het mandaat van voorzitter kan dus wel degelijk een einde nemen op een andere datum dan dat van de directeur-generaal. IX-3751-10/14 3.1.
- Indien een lid van de raad van bestuur pas tijdens de duur van zijn mandaat tot voorzitter wordt aangesteld, neemt deze aanstelling een einde wanneer zijn mandaat als lid van de raad van bestuur een einde neemt. Het middel is niet gegrond. 3.2.
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van het gelijkheids- en het niet-discriminatiebeginsel. Hij zet uiteen dat hij gelijktijdig benoemd werd met de directeur- generaal, bij koninklijk besluit van 17 november 1998 en, zoals hij, met ingang van 1 december 1998, en dat krachtens de artikelen 36 en 41, eerste lid, van de wet van 15 april 1994 hun mandaat een zelfde duurtijd van zes jaar heeft. Door enkel te willen overgaan tot de vervanging van de verzoeker zonder ook de directeur-generaal te vervangen schendt de verwerende partij het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel. 3.2.
- De verwerende partij antwoordt dat zij niet begrijpt hoe uit de regel dat de voorzitter van de raad van bestuur en de directeur-generaal van een verschillende taalrol moeten zijn zou volgen dat zij steeds tegelijkertijd moeten worden aangesteld en nog minder hoe er in casu een schending van het gelijkheids- beginsel zou kunnen zijn. Zij stelt dat, vermits aan het mandaat van de verzoeker een einde was gekomen op 14 maart 2003 terwijl dat van de directeur-generaal nog liep tot 1 december 2004 en daar het gaat om twee afzonderlijke en onafhankelijke mandaten die niet met elkaar vergelijkbaar zijn, het niet valt in te zien dat de bestreden beslissing een schending van het gelijkheidsbeginsel zou inhouden doordat een nieuwe voorzitter van de raad van bestuur wordt benoemd, zonder dat wordt geraakt aan het mandaat van de directeur-generaal. 3.2.
- De tussenkomende partij betoogt dat op geen enkele wijze uit de wet van 15 april 1994 kan worden afgeleid dat het mandaat van voorzitter van de raad van bestuur en dat van directeur-generaal dermate met elkaar zijn verbonden dat de voorzitter noodzakelijkerwijze op hetzelfde ogenblik als de directeur-generaal moet worden benoemd of dat de vervanging van de ene ook de vervanging van de IX-3751-11/14 andere impliceert. Ook de functies van voorzitter van de raad van bestuur en deze van directeur-generaal van het FANC verantwoorden een dergelijke gelijktijdigheid niet. Hun taken zijn daarvoor te verschillend. Verder voert de tussenkomende partij aan dat verzoeker eigenlijk slechts het mandaat van Jacques Bougard heeft overgenomen voor de resterende duurtijd van dat mandaat terwijl de directeur-generaal voor een volle termijn van zes jaar werd aangesteld. Verzoeker bevindt zich dus in een andere situatie dan de directeur-generaal. 3.2.
- Het mandaat van voorzitter van de raad van bestuur en dat van directeur-generaal zijn twee verschillende mandaten. Dat de voorzitter en de directeur-generaal tot een andere taalrol moeten behoren, houdt niet in dat zij tegelijkertijd moeten worden aangesteld. Het middel kan niet aangenomen worden. 3.3.
- In een derde middel voert de verzoeker aan dat de bestreden aanstelling van de nieuwe voorzitter impliciet maar zeker zijn afzetting als voorzitter inhoudt en dat het om een verdoken tuchtstraf gaat die werd opgelegd met schending van de rechten van de verdediging. 3.3.
- De verwerende partij antwoordt dat zij van oordeel is dat verzoekers mandaat niet vroegtijdig werd afgebroken maar dat het mandaat van de voorzitter, tegelijkertijd met dat van de helft van de leden van de raad van bestuur, ten einde liep op 14 maart
- Er is ook geen sprake van een verdoken tuchtmaat- regel. Evenmin moest de verzoeker worden gehoord door de verwerende partij. 3.3.
- De tussenkomende partij stelt dat de hoorplicht niet gold omdat het niet gaat om een ernstige maatregel die steunt op het gedrag van de verzoeker en van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten. De bestreden beslissing is immers louter ingegeven door de vaststelling dat verzoekers mandaat was verstreken. IX-3751-12/14 3.3.
- Met de verwerende en de tussenkomende partij wordt aangenomen dat niets erop wijst dat het zou gaan om een verdoken tuchtstraf. Er is in het dossier geen enkele aanduiding dat aan de verzoeker iets wordt verweten en de verzoeker brengt ook geen enkel feitelijk element aan dat zou doen vermoeden dat dit wel het geval is. In die omstandigheden was er geen verplichting om de verzoeker te horen voordat het besluit tot benoeming van onder meer zijn opvolger werd genomen. Het middel kan niet aangenomen worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-3751-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 mei 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3751-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.641 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.118.441 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.