id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.643 Rolnummer: A. 189957/IX-6095 Zaak: Arrest 193643 - Tucht (openbaar ambt) - 29/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-09 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Fiche Arrest nr 193.643 van 29 mei 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.643 van 29 mei 2009 in de zaak A. 189.957/IX-
- In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaat W. VAN DER GUCHT, kantoor houdende te GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 9 oktober 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de waarnemend directeur-generaal van de Algemene Directie Bestuurlijke Politie van 27 augustus 2008, waarbij hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 2 december 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 5 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-6095-1/32 Gehoord de opmerkingen van advocaat W. VAN DER GUCHT, die verschijnt voor de verzoeker, en van adviseur K. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- De verzoeker maakt als wachtmeester deel uit van het 1/ Eskadron van de Algemene Reserve van de Rijkswacht (ARG), wanneer op 22 februari 2000 door de brigadecommandant van Etterbeek te zijnen laste een proces-verbaal wordt opgesteld op grond van een klacht van wachtmeester S.C. wegens openbare zedenschennis. 1.
- Met een brief van 5 juni 2000 deelt de procureur des Konings te Brussel, die kennis heeft gekregen van dat proces-verbaal, aan de Algemene Inspectie van de Rijkswacht (IGGd) mee dat de verdere afhandeling van het desbetreffende dossier best door deze inspectiedienst gebeurt. 1.
- Met een brief van 15 juni 2000 deelt de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel aan de eskadronscommandant van de verzoeker mee dat hij toelating verleent om inzage en afschrift te nemen van het dossier voor administratieve doeleinden. Hij vermeldt tevens dat het dossier zonder gevolg werd geklasseerd door de procureur des Konings te Brussel. 1.
- Met een nota van 29 november 2000 wijst de commandant van de Algemene Inspectie van de Rijkswacht een korpscommandant en een eenheidscommandant “ad hoc” aan “met het oog op een eenvormige behandeling” in het kader van een onderzoek van tuchtfeiten ten laste van diverse personeelsleden, waaronder de verzoeker. IX-6095-2/32 De feiten die aanleiding geven tot dit onderzoek worden als volgt omschreven: “Op 19-06-2000 werd de IGGd door een syndicale organisatie ingelicht over mogelijke feiten van openbare zedenschennis en ongewenst seksueel gedrag op het werk. Op 29-06-2000 acteerde de IGGd een klacht van een personeelslid lastens voorlopig onbekenden uit hoofde van doodsbedreigingen. Rekening houdend met het gegeven dat de doodsbedreigingen in rechtstreeks verband zouden staan met diverse feiten van racisme en xenofobie die in de ARG zouden hebben plaatsgevonden, werd deze bedreiging ernstig genomen. Op 10-07-2000 werden diverse personeelsleden door de IGGd geseind onder gerechtelijk vervolg voor diverse zaken van openbare zedenschennis, belaging, racisme, xenofobie, doodsbedreigingen en opzettelijke slagen en verwondingen met werkonbekwaamheid tot gevolg. Voor alle voormelde dossiers loopt een gerechtelijke procedure bij het Brussels gerecht.” 1.
- Met een nota van 12 januari 2001 wordt de ad hoc aangewezen eenheidscommandant in kennis gesteld van het eindrapport van de Algemene Inspectie van de Rijkswacht. Uit dit rapport blijkt dat de zaak in gang is gezet door een klacht van drie vrouwelijke rijkswachters, dat de verhoren in het kader van het gerechtelijk onderzoek 21 strafrechtelijke inbreuken aan het licht hebben gebracht en dat een substituut van de procureur des Konings de onderzoeksrechter heeft geadieerd. Met betrekking tot de feiten vermeldt het rapport dat het onderzoek heeft aangetoond dat er binnen het 1/ Eskadron van de ARG een ontaarding van elementaire menselijke waarden was en dat de “groentjes” werden onderworpen aan de spelregels van de “anciens” zonder reactie van het eskadronscommando, ondanks pogingen van sommigen om bepaalde feiten ter kennis te brengen. Het rapport besluit dat het gerechtelijk onderzoek nog aan de gang is, maar het opstarten van een administratief onderzoek niet langer in de weg staat. 1.
- Met een brief van 21 juni 2001 deelt de procureur-generaal aan de directeur-generaal van de Algemene Directie Personeel van de Federale Politie mee dat de onderzoeksrechter kortelings het dossier zal overmaken aan de procureur des Konings voor de passende vorderingen en dat op dat ogenblik toelating zal kunnen worden verleend om inzage en afschrift van het dossier te verkrijgen. 1.
- Op 4 juli 2001 maakt de Algemene Directie Personeel een nota bekend betreffende de werkwijze die moet worden gevolgd in tuchtzaken ingevolge het inwerkingtreden van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Politietuchtwet). Daarin wordt IX-6095-3/32 onder meer verduidelijkt dat voor de voormalige leden van de Rijkswacht de oude tuchtwetgeving van toepassing blijft op de tuchtprocedures die werden ingesteld vóór de inwerkingtreding van de Politietuchtwet, en dat een tuchtprocedure als ingesteld moet worden beschouwd wanneer een inleidend verslag ter kennis van het betrokken personeelslid werd gebracht. 1.
- Op 19 juli 2001 maakt de ad hoc aangewezen eenheids- commandant, ter uitvoering van de voormelde nota, het “tuchtdossier” van de verzoeker over aan de directeur-generaal van de Algemene Directie Bestuurlijke Politie van de Federale Politie (DGA). 1.
- Met een nota van 27 juli 2001 meldt de waarnemend directeur- generaal van de DGA aan de verzoeker dat hij in kennis werd gesteld van het feit dat betrokkene het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek dat nog niet werd beslecht door de rechtbank, en dat hij beslist het resultaat van het gerechtelijk onderzoek af te wachten alvorens met toepassing van de Politietuchtwet een initiatief te nemen. 1.
- Met een brief van 24 december 2002 verleent de procureur- generaal bij het Hof van Beroep te Brussel aan de Directie van de Algemene Reserve van de Federale politie (DAR) toelating om inzage en afschrift te nemen van het dossier “tot administratieve doeleinden”. 1.
- Met een nota van 26 mei 2004 maakt de DAR het verkregen afschrift van het gerechtelijk dossier over aan de DGA. Het betreft de vordering van de procureur des Konings ten laste van acht personeelsleden, waaronder de verzoeker, en de beschikking van de raadkamer waarbij allen naar de correctionele rechtbank worden verwezen. 1.
- Op 15 juli 2004 ontvangt de Algemene Directie Personeel een afschrift van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 11 juni 2004 waarbij de verzoeker wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, een geldboete van 100 euro en een ontzetting uit de rechten bedoeld in artikel 31 van het Strafwetboek gedurende vijf jaar. De tenuitvoerlegging van het vonnis wordt gedurende drie jaar uitgesteld wat de hoofdgevangenisstraf en de ontzetting uit de genoemde rechten betreft. IX-6095-4/32 Zeven aangeklaagde personeelsleden zijn veroordeeld. De verzoeker is de enige die schuldig wordt bevonden aan aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging en openbare zedenschennis. Hij is ook de enige die tegen het vonnis hoger beroep aantekent. 1.
- Met een nota van 22 juli 2004 deelt de waarnemend directeur- generaal van de DGA aan de verzoeker mee dat, mede gelet op het feit dat de verzoeker de ten laste gelegde feiten blijft ontkennen, hij beslist heeft dat “de [...] opgestarte tuchtprocedure verder geschorst blijft tot op het ogenblik dat de gerechtelijke overheid [hem] in kennis stelt van de eindbeslissing in deze zaak”. 1.
- Met brieven van 16 februari 2005, 27 oktober 2005, 3 mei 2006 en 4 december 2006 informeert de Algemene Directie Personeel bij de procureur- generaal naar de stand van de gerechtelijke procedure. 1.
- Op 19 december 2007 ontvangt de DGA een afschrift van het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 3 oktober 2007, waarbij de verzoeker wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden en een ontzetting uit de rechten bedoeld in artikel 31, 1/, 3/, 4/ en 5/, van het Strafwetboek gedurende drie jaar. De tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf en de ontzetting uit de genoemde rechten worden uitgesteld gedurende drie jaar. Het hof van beroep acht de tenlasteleggingen van aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging ten aanzien van P.S. en van openbare zedenschennis ten aanzien van meerdere collega’s bewezen. 1.
- Op 9 januari 2008 stelt de directeur-generaal van de DGA, in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, ten laste van de verzoeker een inleidend verslag op. Luidens dat verslag zijn de feiten die aan de verzoeker ten laste worden gelegd, de volgende: “Feit 1 Heeft op 27-09-1999, tijdens de dienstuitvoering, een aanranding van de eerbaarheid met geweld gepleegd op een vrouwelijke collega-inspecteur door in een dienstvoertuig op de openbare weg in aanwezigheid van collega’s het hoofd van deze inspecteur naar zijn geslachtsdeel te duwen, hetgeen hij kort daarvoor had ontbloot. Ingevolge deze feiten heeft het slachtoffer een ernstig psychisch trauma opgelopen. IX-6095-5/32 Feit 2 Heeft op 31-07-1999, tijdens de dienstuitvoering, zich schuldig gemaakt aan openbare zedenschennis door in het rustlokaal in het bijzijn van collega’s tot tweemaal toe zijn geslachtsdeel te tonen aan een vrouwelijke collega- inspecteur. Feit 3 Heeft tussen 06-04-1998 en 30-06-2000, tijdens de dienstuitvoering, zich schuldig gemaakt aan openbare zedenschennis door in een dienstvoertuig op de openbare weg in het bijzijn van collega’s zijn geslachtsdeel te tonen aan een vrouwelijke collega-inspecteur. Feit 4 Heeft tussen 01-09-1995 en 30-09-1996, zich schuldig gemaakt aan open- bare zedenschennis door in een dienstvoertuig op de openbare weg in het bijzijn van collega’s zijn geslachtsdeel te ontbloten en zich vervolgens openlijk te masturberen.” De directeur-generaal stelt dat deze feiten op grond van het arrest van het hof van beroep bewezen zijn, dat ze aan de verzoeker moeten worden toegerekend en dat ze als tuchtfeiten moeten worden gekwalificeerd. Hij formuleert het voorstel om aan de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. De verzoeker ondertekent dit inleidend verslag op 11 januari 2008 voor kennisneming en ontvangst. 1.
- Op 12 februari 2008 wordt de verzoeker in opdracht van de hogere tuchtoverheid gehoord. Hij legt bij deze gelegenheid een verweerschrift neer. 1.
- Naar aanleiding van het door de verzoeker gevoerde verweer geeft de hogere tuchtoverheid aan de dossierbeheerder de opdracht om te onderzoeken of op grond van de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten reeds eerder een inleidend verslag werd opgesteld en betekend, tevens na te gaan of binnen de DAR (ARG) nog andere documenten bestaan die meer duidelijkheid kunnen brengen over het optreden van de overheid in 1999 en 2000, en zo nodig bijkomende verhoren af te nemen van de betrokken personeelsleden. 1.
- Dat bijkomend onderzoek, waarvan de verzoeker op 3 maart 2008 op de hoogte wordt gebracht, leidt onder meer tot de conclusie dat er noch een inleidend, noch een informatieverslag werd opgesteld in
- IX-6095-6/32 1.
- Op 25 maart 2008 ontvangt de hogere tuchtoverheid een aanvullend verweerschrift van de verzoeker. 1.
- Op 27 maart 2008 formuleert de hogere tuchtoverheid het voorstel om de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. De verzoeker ondertekent dit voorstel op 29 maart 2008 voor kennisneming en ontvangst. 1.
- Met een aangetekende brief van 1 april 2008 dient de verzoeker bij de tuchtraad een verzoek tot heroverweging in. 1.
- Op 14 mei 2008 heeft een eerste hoorzitting voor de tuchtraad plaats. Daarop wordt beslist dat de hogere tuchtoverheid een inventaris dient op te maken van het zogenaamde “werkdossier” waarvan zij, volgens de verzoeker, gebruik heeft gemaakt, zonder dat hij daarvan kennis heeft kunnen nemen. 1.
- Met een nota van 15 mei 2008 maakt de hogere tuchtoverheid dit “werkdossier” aan de tuchtraad over. Het blijkt in het bijzonder de volgende stukken te bevatten: stukken betreffende incidenten naar aanleiding van de ordehandhaving bij een voetbalwedstrijd, verslagen met betrekking tot schadegevallen van twee wachtmeesters, documenten in verband met de detachering van de verzoeker en de inhouding van zijn wapen, een proces-verbaal van de Algemene Inspectie van de Rijkswacht waaruit blijkt dat de eskadronscommandant van gelijkaardige feiten wordt verdacht. 1.
- Op 9 juni 2008 dient de verzoeker een aanvullend verweerschrift in. 1.
- Naar aanleiding van de behandeling van verzoekers tuchtzaak door de tuchtraad, stelt de inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de Federale Politie en van de Lokale Politie een deskundigenverslag op waarin hij adviseert dat de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn, aan de betrokkene kunnen worden toegerekend en een tuchtvergrijp uitmaken dat kan worden gesanctioneerd met de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. IX-6095-7/32 1.
- Op 11 juni 2008 heeft een tweede hoorzitting voor de tuchtraad plaats. 1.
- Op 8 juli 2008 verstrekt de tuchtraad zijn definitief advies. Met betrekking tot de gevolgde procedure maakt hij geen opmerkingen. Hij besluit voorts dat de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn, aan de betrokkene kunnen worden toegerekend en een zeer ernstig tuchtvergrijp uitmaken. Met betrekking tot de op te leggen tuchtstraf stelt hij: “[...] De sfeer in het eskadron op het ogenblik dat de feiten werden gepleegd, de schuldige houding van de overheid, de in verhouding tot de feiten veeleer lichte straffen die aan de andere leden van de bende werden opgelegd, het verlopen van een onbehoorlijk lange termijn tussen de datum waarop de feiten werden gepleegd en de datum van het voorstel van zware tuchtstraf, de langdurige schorsing, het vervagen van het collectief geheugen, het feit dat betrokkene zich ogenschijnlijk voorbeeldig heeft gedragen tussen 2000 en 2004, zijn zoveel elementen die de tuchtraad ervan overtuigen dat, ondanks de uitermate zwaarwichtige feiten die op zichzelf genomen en abstractie makend van het voorgaande, een ontslag van ambtswege zouden verantwoorden, in deze zaak de tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal een beter aangepaste straf is. Deze straf is evenredig tot de ernst van de feiten. [...]” 1.
- In een nota van 1 augustus 2008 zet de hogere tuchtoverheid haar intentie uiteen om af te wijken van het advies van de tuchtraad. Zij motiveert deze intentie onder meer als volgt: “[...] Verder stelt de tuchtraad dat door de onbehoorlijk lange termijn die er verlopen is tussen het ogenblik waarop de feiten werden gepleegd en de datum waarop de tuchtstraf wordt uitgesproken, het collectief geheugen sterk is afgezwakt en de terechte commotie waartoe de feiten destijds aanleiding hebben gegeven, is weggeëbd. De hogere tuchtoverheid kan zich moeilijk bij deze stelling aansluiten. Hoewel de feiten moeten gesitueerd worden tussen 1995 en 2000, mag eerst en vooral niet uit het oog worden verloren dat de werkelijke aard, omvang en ernst van de feiten eerst in april 2004 ter kennis werd gebracht aan de tuchtoverheid, dit op het moment dat het gerechtelijk dossier ter kennisgeving werd toegezonden aan de gewone tuchtoverheid. Tevens werden deze feiten, op het ogenblik dat het dossier werd behandeld voor de Correctionele Rechtbank te Brussel, uitgebreid gecommentarieerd binnen de geschreven pers, waarbij de actoren met naam werden vermeld. Vele collega's maar ook burgers hebben op die manier kennis gekregen van de feiten, die door inspecteur XXXX werden gepleegd. Ingevolge de veroordeling in eerste aanleg heeft de Minister van Binnenlandse Zaken inspecteur XXXX op 20-08-2004 voorlopig geschorst bij IX-6095-8/32 ordemaatregel omdat hij van oordeel was dat door het plegen van deze feiten zijn aanwezigheid binnen de politie onverenigbaar is met het belang van de dienst. Hierdoor is betrokkene de laatste vier jaar niet meer actief geweest binnen de geïntegreerde politie. Een herneming van zijn functies binnen de politie zal bij vele burgers die hem kennen en via de pers op de hoogte zijn van zijn veroordeling, op zijn minst grote verbazing en bij sommigen ongeloof opwekken. Dat dit de geloofwaardigheid van de (federale) politie bij de bevolking in het gedrang kan brengen, hoeft geen betoog. Ook binnen de politie zelf is er ongetwijfeld verontwaardiging ontstaan. Hierbij mag immers niet vergeten worden dat inspecteur XXXX in het jaar 2000 deel uitmaakte van de Algemene Reserve van de Rijkswacht, die op dat ogenblik meer dan duizend leden telde. Door de betrokkenheid van vele personeelsleden in dit dossier, werd er destijds een grote ruchtbaarheid aan dit dossier gegeven en zijn vele personeelsleden dan ook op de hoogte van deze feiten. Door de veroordeling van betrokkenen in 2004 werden deze opnieuw opgerakeld en konden deze leden via de pers kennis nemen van de aard en de ernst van de ten laste gelegde feiten. Vele chefs en collega's zijn uiteraard op de hoogte van zijn voorlopige schorsing bij ordemaatregel. Bij een eventuele dienstherneming zullen velen dan ook verwonderd, maar vooral verontwaardigd zijn wanneer zij dienen vast te stellen dat een inspecteur die veroordeeld werd tot een gevangenisstraf voor zeer laakbare feiten, alsnog opnieuw in actieve dienst kan treden. Hierbij dient vooral gedacht aan de vele vrouwelijke personeelsleden die het slachtoffer geworden zijn van zijn perversiteiten. Deze zullen het uiteraard zeer moeilijk hebben met een dergelijke terugkeer, zeker voor hen die tijdens de dienstuitvoering opnieuw met de dader zullen geconfronteerd worden. Bovendien zullen zowel de chefs als de collega's zich vragen stellen over de werking van het tuchtsysteem. De hogere tuchtoverheid is dan ook van oordeel dat het collectieve geheugen in dit dossier zeker niet is afgezwakt en dat, bij een eventuele terugkeer in actieve dienst, vele personeelsleden en vooral zij die het slachtoffer zijn geweest van zijn perversiteiten, verontwaardigd zullen reageren. Gelet op deze elementen is de hogere tuchtoverheid dan ook van oordeel dat dit dossier nog steeds zeer gevoelig ligt bij de chefs en de vele collega's van inspecteur XXXX waarbij, bij een eventuele terugkeer, het vertrouwen in zijn persoon ernstig in vraag wordt of zal worden gesteld. Dit is tevens één van de redenen waarom de Minister van Binnenlandse Zaken van oordeel is dat de aanwezigheid van betrokkene, in de gegeven omstandigheden, nog steeds onverenigbaar blijft met het belang van de dienst. [...]” Op 11 augustus 2008 ondertekent de verzoeker de desbetreffende nota voor kennisneming en ontvangst. Op dezelfde dag dient de verzoeker nog een verweerschrift in. 1.
- Op 27 augustus 2008 beslist de hogere tuchtoverheid de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IX-6095-9/32 Als repliek op het laatste verweerschrift van de verzoeker wordt in de bestreden beslissing het volgende gesteld: “Wat het punt 4.1 betreft : U stelt dat het de overheid niet toekomt om voor het eerst de zwaarst mogelijke straf op te werpen nadat het huidig tuchtbundel reeds zijn beloop heeft gekregen voor de tuchtraad. Ik wens hier op te merken dat ik zowel in het inleidend verslag vermeld in referte 1.4 als in het voorstel tot zware straf vermeld in referte 1.7 duidelijk heb gesteld dat in beginsel de zwaarste straf zou moeten worden opgelegd. Het is dan ook niet correct te beweren dat het opleggen van de zwaarste straf voor het eerst zou zijn opgeworpen in mijn nota DGA/DIT/Bxl/DT1107-28 van 01-08-
- Wat het punt 4.2 betreft : Dat er binnen het eerste eskadron een zekere normvervaging was, kan zeker niet ontkend worden. Dat sommige chefs soms ongeoorloofde sancties oplegden aan personeelsleden die niet in orde waren, is correct. Het natspuiten met de sproeiwagen van personeelsleden die niet in kledij waren, is hiervan een voorbeeld. Nergens wordt echter aangetoond dat er binnen het eskadron systematisch ontgroeningen van nieuwelingen plaatsvonden. Dat binnen deze sfeer een kleine hechte kern van anciens hiervan heeft geprofiteerd om een aantal (vooral vrouwelijke) personeelsleden te viseren, is duidelijk. In welke mate de chefs op de hoogte waren van deze laakbare praktijken, blijft echter een open vraag. Essentieel in dit dossier is echter het feit dat u als enige nog een stap verder bent gegaan door u schuldig te maken aan zeer laakbare strafrechtelijke feiten, zoals omschreven in punt 2 hierboven. Hiervoor bent u alleen verantwoordelijk en werd u dan ook door het Hof van Beroep zeer streng veroordeeld. Wat punt 4.3 betreft : In de loop van 2000 werd de tuchtoverheid door de inspecteur-generaal van de Rijkswacht in kennis gesteld dat er ten laste van INP XXXX een opsporingsonderzoek was geopend wegens openbare zedenschennis, belaging en mogelijke doodsbedreigingen. Concrete elementen omtrent deze tenlasteleggingen werden echter nooit verstrekt. Het is dan ook eerst in april 2004, op het ogenblik dat het gerechtelijk dossier ter beschikking van de tuchtoverheid wordt gesteld, dat deze kennis neemt van de juiste aard en de ernst van de door INP XXXX gepleegde feiten. De verdediging geeft niet aan op welke wijze de overheid voor een bepaalde ruchtbaarheid zou gezorgd hebben bij het voeren van het onderzoek in
- Het is uiteraard evident dat de detacheringen naar eerst het tweede eskadron en nadien naar de metrobrigade bij vele collega's de nodige nieuwsgierigheid hebben gewekt. Anderzijds is het evident dat dit dossier, zowel in 2000 als bij de veroordeling in 2004, werd gevolgd door vele personeelsleden, die bijgevolg op de hoogte waren van de feiten. Het feit dat een groot aantal personeelsleden van de dienst metro een petitie hebben getekend alsook het feit dat de korpschef van de lokale politie Regio Rhode en Schelde begin 2008 hieromtrent een brief schrijft naar de commissaris-generaal, toont duidelijk aan dat dit dossier blijkbaar nog steeds goed gekend is binnen de geïntegreerde politie. IX-6095-10/32 Wat punt 4.4 betreft: Ik wens hier nogmaals te herhalen dat de feiten van een heel andere orde zijn dan deze die werden ten laste gelegd aan de andere betrokken personeelsleden. Wat punt 4.5 betreft: Wat de aanwezigheid van een proces-verbaal, met name PV nr 100308 van de Algemene Inspectie betreft, kan worden gesteld dat dit proces-verbaal een kopie is van het gerechtelijk bundel, dat in april 2004 van het parket werd ontvangen en aldus kon gebruikt worden in een administratief dossier.” De bestreden beslissing wordt voorts als volgt gemotiveerd: “[...] Overwegende dat een politieambtenaar steeds en zonder enige voorwaarde respect moet kunnen afdwingen bij de bevolking; dat het mede door de waardigheid waarvan een politieambtenaar blijk moet geven, mogelijk wordt dat de politiedienst het vertrouwen van de burger verwerft en behoudt; dat een politieambtenaar die tijdens de dienst feiten pleegt als omschreven in punt 2 -waarvan de ernst onbetwistbaar is en die bovendien ingevolge de twee opeenvolgende veroordelingen en de mediaberichtgeving openbaar zijn geworden- op geen enkele geloofwaardige wijze nog kan optreden ten aanzien van of ten behoeve van burgers; Overwegende dat u door de aard van de feiten niet meer beschikt over de nodige onafhankelijkheid en het nodige prestige om ten overstaan van de burger nog enige functie als politieambtenaar te kunnen uitoefenen; Overwegende dat alle feiten werden gepleegd tegenover en in aanwezigheid van (meestal vrouwelijke) collega's, in drie gevallen zelfs op de openbare weg; dat dergelijke feiten de noodzakelijke vertrouwensband tussen u en de chefs enerzijds en de collega's anderzijds ernstig aantast, aangezien hierdoor het prestige van het korps maar vooral de geloofwaardigheid van haar personeelsleden ernstig wordt aangetast; dat u bovendien door uw ongepast gedrag ongetwijfeld vele collega's hebt gechoqueerd; dat vele chefs en collega's u voortaan dan ook met enige argwaan zullen benaderen en nog weinig vertrouwen hebben in uw persoon; dat mede hierdoor uw aanwezigheid binnen de politie onverenigbaar is met het belang van de dienst; dat u in deze context sinds 20-08-2004 tot op heden door de Minister van Binnenlandse Zaken voorlopig geschorst werd bij ordemaatregel; Overwegende dat de feiten zich blijkbaar hebben gespreid over meerdere jaren; dat dit aangeeft dat uw wansmakelijk optreden geen kortstondige grap was maar wel degelijk een permanente houding betrof voortvloeiend uit uw asociale persoonlijkheid zoals door het Hof van Beroep omschreven; dat hierdoor het risico dat u in de toekomst opnieuw een dergelijk gedrag gaat ten toon spreiden, zeker niet is uit te sluiten; Gelet op het feit dat het Hof van Beroep zeer zwaar tilde aan de feiten en u veroordeeld heeft tot een gevangenisstraf van zes maanden, alsook een IX-6095-11/32 ontzetting uit uw burgerrechten van art 31,1/,3/,4/ en 5/, van het strafwetboek, dit alles met uitstel voor een periode van drie jaar; Overwegende dat zowel de tuchtraad en de Inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale en van de lokale politie de feiten bijzonder ernstig vinden en een politieambtenaar onwaardig; Overwegende dat omwille van de bovenvermelde beschouwingen ik van oordeel ben dat in dit dossier de feiten uitzonderlijk ernstig zijn waardoor zonder meer voorrang moet verleend worden aan het algemeen belang, in het bijzonder de goede werking van de dienst en de goede werksfeer en de serene relaties tussen collega's, boven het individueel belang; dat bijgevolg uw aanwezigheid binnen de politie niet langer verenigbaar is met het belang van de dienst; dat gelet op bovenvermelde overwegingen ik van oordeel ben dat in beginsel de zwaarste tuchtstraf zou moeten worden opgelegd, met name de afzetting; Overwegende dat de feiten gepleegd zijn tussen 1995 en 2000; dat de tuchtoverheid, omwille van de complexiteit van het dossier en het feit dat u de feiten steeds bent blijven ontkennen, op 27-07-2001 beslist heeft de gerechtelijke eindbeslissing af te wachten; dat u hieromtrent niet in de onzekerheid werd gehouden maar op 31-08-2001 van deze beslissing werd in kennis gesteld; dat deze beslissing u bevestigd werd op 23-07-2004; dat de overheid, na de kennisgeving van de gerechtelijke eindbeslissing, met respect voor de rechten van de verdediging, alles in het werk heeft gesteld om de tuchtprocedure zo snel mogelijk op te starten; Overwegende dat de tuchtraad in haar advies voorstelt om geen ontslag van ambtswege maar een terugzetting in de weddeschaal op te leggen; dat ik mij heb voorgenomen om van dit advies af te wijken omwille van de redenen vermeld in mijn nota in referte 1.9, nota die u via aangetekende zending werd voorgelegd op 04 en 06 augustus 2008; Gelet op uw verweerschrift van 11-08-2008, ontvangen op 13-08-2008, en mijn repliek opgenomen in punt 3 van deze nota; Gelet op het advies van de inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale en van de lokale politie die adviseert om het ontslag van ambtswege op te leggen; Overwegende dat rekening dient gehouden te worden met uw blanco tuchtverleden, uw carrière, uw relatief jonge leeftijd en deels met de context van ontaarding van de elementaire menselijke waarden binnen uw toenmalige eenheid; dat een ambtshalve ontslag minder ingrijpende gevolgen heeft voor de pensioenrechten; [...]” De bestreden beslissing wordt met een op 27 augustus 2008 ter post aangetekend verzonden brief aan de verzoeker betekend. IX-6095-12/32 Grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Voorwaarde van de ernstige middelen 3.
- De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de rechten van verdediging, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van de fair play. Hij betoogt dat de verwerende partij over een zogenaamd werkdossier beschikte dat inhoudelijk verschilde van het tuchtdossier dat hem initieel ter inzage werd gegeven. Dit werkdossier bevatte nochtans nuttige informatie die hij in het kader van zijn verdediging had kunnen gebruiken en die een objectief beeld gaf van de context waarin de hem ten laste gelegde feiten werden gepleegd. Zo blijkt eruit dat de toenmalige eskadronscommandant van de verzoeker werd verdacht van gelijkaardige feiten en dat binnen de ARG een ernstige normvervaging bestond. Het feit dat dit werkdossier uiteindelijk in het kader van de procedure voor de tuchtraad, hetgeen een beroepsprocedure is, toch door de verwerende partij werd voorgelegd, verandert niets daaraan, vermits het inleidend verslag en het voorstel van zware tuchtstraf eerder al waren geformuleerd op basis van het tuchtdossier én het werkdossier zonder dat de verzoeker van dit laatste kennis had. De verzoeker laat gelden dat aldus zijn rechten van verdediging zijn geschonden, vermits die vereisen dat in tuchtzaken de betrokkene inzage kan nemen van het volledige dossier. Volgens hem is ook het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden, omdat bij de voorbereiding van een overheidsbeslissing alle relevante factoren en omstandigheden moeten worden afgewogen, hetgeen te dezen niet is gebeurd. Ten slotte acht de verzoeker het beginsel van de fair play geschonden, vermits de overheid bepaalde gegevens heeft achtergehouden. IX-6095-13/32 De verzoeker stelt dat ook de strafrechter geen kennis had van het werkdossier van de verwerende partij en de strafrechtelijke veroordeling derhalve gebaseerd is op een onvolledig dossier, terwijl de tuchtstraf gebaseerd is op deze strafrechtelijke veroordeling. 3.
- De verwerende partij repliceert in haar nota dat in het werkdossier geen elementen ter ontlasting terug te vinden zijn die niet ook in het tuchtdossier zelf opgenomen zijn. Zij zet uiteen dat het werkdossier in eerste instantie stukken bevat betreffende incidenten naar aanleiding van de ordehandhaving bij een voetbalwedstrijd, twee verslagen met betrekking tot schadegevallen van twee wachtmeesters en een aantal documenten in verband met de detachering van de verzoeker en de inhouding van zijn wapen. Geen van deze stukken heeft volgens haar betrekking op de tuchtprocedure die tegen de verzoeker werd gevoerd. Ze dienden dan ook niet in het tuchtdossier te worden opgenomen. De omstandigheid dat het werkdossier ook een proces-verbaal van de Algemene Inspectie bevat waaruit blijkt dat de eskadronscommandant van gelijkaardige feiten wordt verdacht, is niet ter zake, vermits het desbetreffende dossier op geen enkele wijze betrekking heeft op de verzoeker en er dan ook geen rekening mee diende te worden gehouden. In het tuchtdossier bevinden zich, aldus de verwerende partij, trouwens voldoende elementen waaruit de ernstige normvervaging binnen de ARG blijkt. De verwerende partij argumenteert voorts dat de verzoeker bovendien tijdens de procedure voor de tuchtraad kennis heeft gekregen van het werkdossier, zodat hij erop heeft kunnen repliceren. De verzoeker toont op geen enkele wijze aan dat het inleidend verslag en het voorstel tot tuchtstraf werden beïnvloed door elementen uit het werkdossier die zich niet in het tuchtdossier bevinden. Het tuchtdossier is gebaseerd op het strafdossier en de tuchtoverheid is gebonden door de vaststellingen van de strafrechter over het bestaan van de feiten, aangezien deze bekleed zijn met een absoluut gezag van gewijsde. Dat de strafrechter geen kennis had van het interne werkdossier en de strafrechtelijke veroordeling dus gebaseerd is op een onvolledig dossier, is volgens de verwerende partij een probleem van vervolging en verdediging, en geen probleem van de overheid. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt ten slotte dat wel degelijk rekening is gehouden met elementen ter ontlasting van de verzoeker. 3.3.
- In het middel wordt vooreerst aangevoerd dat verzoekers rechten van verdediging geschonden zijn, doordat er naast het tuchtdossier ook nog een IX-6095-14/32 “werkdossier” bestaat, waarvan de verzoeker aanvankelijk geen kennis had, zodat hij zijn verweer niet van meet af aan daarop heeft kunnen afstemmen. Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat het bedoelde werkdossier geen stukken bevat die mede ten grondslag liggen van de tuchtvordering tegen de verzoeker, waartegen de betrokkene zich had moeten kunnen verweren of die hij ter ontlasting had moeten kunnen aanvoeren. In het inleidend verslag worden de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen bevonden en aan de verzoeker toerekenbaar geacht op grond van het eindarrest van het hof van beroep van 3 oktober 2007, dat deel uitmaakt van het tuchtdossier. De omstandigheid dat uit het werkdossier blijkt dat de eenheidscommandant verdacht werd van gelijkaardige feiten, kan op geen enkele wijze afbreuk doen aan het oordeel van de strafrechter dat concrete feiten van aanranding van de eerbaarheid en openbare zedenschennis in hoofde van de verzoeker bewezen zijn. Het gegeven dat uit het werkdossier voorts blijkt dat binnen de ARG een ernstige normvervaging bestond, is niet nieuw, vermits het ook uit het tuchtdossier kan worden opgemaakt. Het is evenmin van aard afbreuk te doen aan de vaststelling dat concrete feiten van aanranding van de eerbaarheid en openbare zedenschennis in hoofde van de verzoeker bewezen zijn. Voorts lijkt het standpunt van de verzoeker dat de strafrechter geoordeeld zou hebben op basis van een onvolledig dossier, niet dienstig. Het strafproces is gevoerd op grond van de resultaten van het gerechtelijk onderzoek zoals het door de gerechtelijke autoriteiten is aangepakt. Op die basis heeft de strafrechter de feiten voor bewezen gehouden. Eventuele onvolkomenheden van het gerechtelijk onderzoek kunnen de aangevoerde schending van verzoekers rechten van verdediging in het kader van de tuchtprocedure niet aantonen. Vermits het inleidend verslag, het voorstel van tuchtstraf en de opgelegde tuchtstraf werden gebaseerd op het tuchtdossier en het werkdossier geen bijkomende gegevens bevat die afbreuk zouden kunnen doen aan de bewezen geachte feiten die blijken uit het tuchtdossier, noch nieuwe gegevens die de verzoeker ter ontlasting had kunnen aanvoeren, lijkt het feit dat het werkdossier pas naar aanleiding van de procedure voor de tuchtraad aan de verzoeker is meegedeeld, niet in strijd met zijn rechten van verdediging. IX-6095-15/32 3.3.
- Voor zover in het middel tevens wordt aangevoerd dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest door gegevens uit het werkdossier ter ontlasting van de verzoeker niet mee in aanmerking te nemen, moet worden vastgesteld dat de hogere tuchtoverheid wel degelijk rekening heeft gehouden met de elementen ter ontlasting van de verzoeker die blijken uit het tuchtdossier, terwijl in het werkdossier geen dergelijke bijkomende elementen terug te vinden zijn. Dat zich in het werkdossier een stuk bevindt waaruit blijkt dat de eenheidscommandant van gelijkaardige feiten wordt verdacht, is geen bijkomend element ter ontlasting van de verzoeker, vermits deze feiten niets te maken hebben met de feiten die aan de verzoeker worden verweten en die door de strafrechter bewezen worden geacht. Het gegeven van de inverdenkingstelling van de eenheidscommandant kan slechts als een element ter verduidelijking van de ernstige normvervaging binnen de ARG worden opgevat. Die normvervaging blijkt ook reeds uit het tuchtdossier en is door de hogere tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat mede in aanmerking genomen. 3.3.
- De verzoeker acht ten slotte ook het beginsel van de fair play geschonden, omdat de tuchtoverheid de stukken van het werkdossier aanvankelijk heeft achtergehouden. Benevens het feit dat niet bewezen is dat de verwerende partij bewust gegevens heeft willen achterhouden, blijkt uit de bespreking van de vorige onderdelen van het middel dat het werkdossier geen elementen bevat die in essentie iets kunnen toevoegen aan het tuchtdossier. Het beginsel van de fair play lijkt dan ook niet geschonden. 3.3.
- Geen van de onderdelen van het eerste middel is derhalve ernstig. 4.
- De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 56 van de Politietuchtwet, artikel 6 van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens (EVRM) en [het beginsel van] de redelijke termijn. 4.1.
- De verzoeker betoogt dat de vier hem ten laste gelegde feiten dateren uit de periode tussen september 1995 en juni 2000 en dat uit het dossier blijkt dat zijn oversten, die destijds de bevoegde tuchtoverheden waren, kennis hadden van deze feiten kort nadat ze gepleegd werden, maar dat zij daartegen niet optraden. Niettegenstaande de feiten bekend waren, werd binnen de zes maanden IX-6095-16/32 geen inleidend verslag opgesteld en aan de verzoeker betekend, zodat de feiten tuchtrechtelijk verjaard waren en geen tuchtvordering meer kon worden ingesteld, gelet op artikel 56 van de Politietuchtwet. Volgens de verzoeker kan niet worden aangenomen dat de gerechtelijke procedure de verjaringstermijn heeft geschorst, aangezien op het ogenblik dat het gerechtelijk onderzoek werd aangevat, de feiten tuchtrechtelijk reeds verjaard waren. Evenmin kan worden aangevoerd dat artikel 56 van de Politietuchtwet toen nog niet van toepassing was, aangezien de verwerende partij zelf de tuchtprocedure met toepassing van die wet heeft gevoerd. Overigens waren de feiten ook overeenkomstig de vroegere regelgeving verjaard. 4.1.
- Los van deze tuchtrechtelijke verjaring van de hem ten laste gelegde feiten is de verzoeker van oordeel dat tevens de redelijke termijn werd overschreden. Hij betoogt dat het beginpunt van de redelijke termijn die moet worden getoetst, het ogenblik is waarop de tuchtoverheid kennis krijgt van de feiten. De tuchtoverheid had te dezen reeds lang vóór het indienen van de eerste klacht kennis van de feiten. Waar de tuchtoverheid zich na het indienen van de klacht nog kon beroepen op het feit dat een gerechtelijk onderzoek aan de gang was, geldt dit niet meer vanaf 24 december 2002 toen de procureur-generaal haar toelating heeft verleend om inzage en afschrift van het strafdossier te nemen. Bovendien was de tuchtoverheid blijkbaar voldoende op de hoogte van de feiten om hem op 11 september 2000 bij ordemaatregel te detacheren naar de metrobrigade. Uiteindelijk duurde het nog tot 1 april 2004 vooraleer de tuchtoverheid kennis kreeg van het strafdossier en hoewel zij dus zeker vanaf die datum volledig op de hoogte was van de feiten, werd het inleidend verslag pas op 9 januari 2008 opgesteld. De aldus verstreken termijn sinds de datum van de feiten is kennelijk onredelijk. Ook de tuchtraad verwijst in zijn advies naar de onbehoorlijk lange termijn. Het feit dat de verzoeker in eerste instantie in dienst bleef en hij vanaf 20 augustus 2004 geschorst werd met weddeverlies, maakt de overschrijding van de redelijke termijn nog flagranter. De tuchtoverheid beroept zich volgens de verzoeker ten onrechte op het feit dat zij de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht, aangezien zij over alle gegevens en informatie beschikte om de tuchtprocedure te starten en zij niet genoodzaakt was om het resultaat van de strafprocedure af te wachten. 4.2.
- De verwerende partij repliceert in haar nota vooreerst dat het middel, voor zover het de schending aanvoert van artikel 6 van het EVRM, niet voldoet aan de voorwaarden van “artikel 2, § 1, 2/” (lees : artikel 2, § 1, 3/), van het IX-6095-17/32 algemeen procedurereglement, vermits de verzoeker op geen enkele wijze aantoont hoe deze verdragsbepaling door de bestreden beslissing wordt geschonden. 4.2.
- Voorts betoogt de verwerende partij dat het inleidend verslag ten laste van de verzoeker pas werd opgesteld op 9 januari 2008, zodat de Politietuchtwet en in het bijzonder artikel 56 van deze wet van toepassing is op de tuchtprocedure ten laste van de verzoeker. Krachtens deze wetsbepaling begon de termijn van zes maanden om het inleidend verslag aan de verzoeker te betekenen pas te lopen vanaf het moment dat de tuchtoverheid in kennis werd gesteld van de gerechtelijke eindbeslissing, dit is op 19 december
- Vermits het inleidend verslag op 11 januari 2008 aan de verzoeker ter kennis werd gebracht, werd de tuchtprocedure binnen de wettelijke termijn opgestart. De verwerende partij betwist voorts dat de hiërarchische oversten van de verzoeker van meet af aan op de hoogte waren van de feiten die door de verzoeker werden gepleegd en dat de feiten reeds tuchtrechtelijk verjaard waren op het ogenblik dat het gerechtelijk onderzoek werd opgestart. Zij zet uiteen dat zelfs onder de toepassing van de oude tuchtregeling de feiten niet verjaard geweest zouden zijn. 4.2.
- Voor zover in het middel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing het beginsel van de redelijke termijn schendt, verwijst de verwerende partij naar haar nota van 1 augustus 2008 waarin zij de motieven uiteenzet op grond waarvan zij wenst af te wijken van het advies van de tuchtraad. Zij benadrukt tevens dat het wenselijk was in deze zaak de afloop van de gerechtelijke procedure af te wachten, vermits de verzoeker zowel tijdens de gerechtelijke procedure als tijdens de tuchtprocedure de feiten steeds heeft ontkend. Het was om de goede verstandhouding binnen de Algemene Reserve te bewaren dat de verzoeker tijdens de duur van het onderzoek naar de metrobrigade werd gedetacheerd. De verwerende partij besluit dat zij er goed aan gedaan heeft het resultaat van de gerechtelijke procedure af te wachten, vermits de verzoeker in hoger beroep van een aantal tenlasteleggingen werd vrijgesproken. 4.3.
- Voor zover in het middel de schending wordt aangevoerd van artikel 6 van het EVRM werpt de verwerende partij terecht op dat de verzoeker niet uiteenzet op welke wijze deze verdragsbepaling zou zijn geschonden. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. IX-6095-18/32 4.3.
- De verzoeker voert voorts aan dat de tuchtvordering verjaard is. Te dezen dateren de feiten die aan de verzoeker ten laste worden gelegd en ten grondslag liggen van de bestreden beslissing, uit de periode tussen september 1995 en juni 2000, toen de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht (hierna: de wet van 27 december 1973) nog van toepassing was. Luidens artikel 24.27 van die wet moest de eenheidscommandant, na de afloop van een eventueel voorafgaand onderzoek, een inleidend verslag ten laste van het betrokken personeelslid opstellen indien hij van oordeel was dat een tuchtprocedure moest worden opgestart. Dat inleidend verslag diende nauwkeurig de feiten te vermelden die aan het personeelslid werden verweten. Uit niets blijkt dat de eenheidscommandant toentertijd een inleidend verslag ten laste van de verzoeker heeft opgesteld, noch dat hij een nauwkeurige kennis had van de feiten die aan de grondslag liggen van de bestreden beslissing. Luidens artikel 24.38 van de wet van 27 december 1973 verjaart de tuchtvordering voor het opleggen van onder meer het ontslag van ambtswege “twee jaar na de datum waarop de feiten werden vastgesteld”. Het proces-verbaal van de brigadecommandant van Etterbeek van 22 februari 2000 blijkt het oudste officiële stuk dat in verband kan worden gebracht met de feiten van openbare zedenschennis die aan de verzoeker ten laste worden gelegd. De eenheidscommandant van de verzoeker werd van het bestaan van dit proces-verbaal in kennis gesteld met een nota van 17 april
- Overeenkomstig artikel 24.38 van de wet van 27 december 1973 kon een tuchtvordering tegen de verzoeker met het oog op het opleggen van een ontslag van ambtswege, pas twee jaar later verjaren. Op dat ogenblik was echter de Politietuchtwet in werking getreden. Luidens artikel 72 van de Politietuchtwet worden enkel de “hangende tuchtprocedures” overeenkomstig de oude tuchtprocedure afgehandeld. Aangezien in casu geen inleidend verslag was opgesteld door de eenheidscommandant -noodzakelijke voorwaarde voor het opstarten van een tuchtprocedure- was bij de inwerkingtreding van de Politietuchtwet op 1 april 2001 geen tuchtprocedure “hangend”. Vermits bovendien de tuchtvordering overeenkomstig de wet van 27 december 1973 niet verjaard was, kon de tuchtprocedure waarin is voorzien door de Politietuchtwet ten aanzien van de verzoeker worden toegepast. IX-6095-19/32 Het feit dat de nieuwe tuchtprocedure kon worden toegepast, had tot gevolg dat er voor de verzoeker een nieuwe bevoegde tuchtoverheid was, namelijk de directeur-generaal van de DGA. Deze werd op 19 juli 2001 in kennis gesteld van het feit dat tegen de verzoeker een gerechtelijk strafonderzoek aan de gang was. Artikel 56 van de Politietuchtwet luidt als volgt: “De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is. In alle gevallen zullen de tuchtvergrijpen die tot een lichte tuchtstraf kunnen leiden, na vijf jaar verjaren. De in het derde lid bedoelde verjaringstermijn gaat in de dag van de voltooiing voor de ogenblikkelijke vergrijpen, de dag waarop de situatie ophoudt voor de voortdurende vergrijpen en de dag waarop het laatste feit dat de reeks vormt gepleegd wordt in het geval waarin het vergrijp bestaat uit een geheel van afzonderlijke feiten maar die het gevolg zijn van één en hetzelfde opzet.” Op 27 juli 2001 meldde de hogere tuchtoverheid aan de verzoeker dat zij ervoor opteerde het resultaat van het gerechtelijk onderzoek af te wachten. Op 22 juli 2004, nadat zij kennis had genomen van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 11 juni 2004 en van het hoger beroep dat de verzoeker daartegen had ingesteld, heeft zij dat herhaald. Op 19 december 2007 heeft de hogere tuchtoverheid kennis genomen van het in kracht van gewijsde getreden arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 3 oktober
- Vervolgens heeft zij op 9 januari 2008, binnen de door artikel 56, tweede lid, van de Politietuchtwet voorgeschreven termijn, het inleidend verslag aan de verzoeker betekend. Uit wat voorafgaat volgt dat het middel niet ernstig is, voor zover de verzoeker erin aanvoert dat de tuchtprocedure volgens de wet van 27 december 1973 verjaard was en dat artikel 56 van de Politietuchtwet werd geschonden. IX-6095-20/32 4.3.
- De verzoeker voert voorts aan dat, los van de verjaring van de tuchtvordering, de redelijke termijn werd overschreden. Overeenkomstig hetgeen de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in zijn arrest nr. 190.728 van 20 februari 2009, inzake Darville, kan de hogere tuchtoverheid op grond van artikel 56 van de Politietuchtwet de tuchtrechtelijke vervolging uitstellen tot na de afloop van de strafrechtelijke procedure, maar is zij daartoe niet verplicht. De hogere tuchtoverheid die, wanneer ze dat opportuun acht, gebruik maakt van de mogelijkheid om een tuchtrechtelijke vervolging pas in te stellen na afloop van de strafrechtelijke procedure, dient het beginsel van de redelijke termijn in acht te nemen. Zij mag de tuchtrechtelijke vervolging slechts uitstellen wanneer zij op grond van de onderzoeksmiddelen waarover zij beschikt geen beoordeling kan geven van de feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd. Zij mag een personeelslid dat een tuchtmaatregel riskeert niet te lang in onzekerheid laten over zijn lot. De verplichting om het dossier van het personeelslid met bekwame spoed te behandelen, noodzaakt de tuchtoverheid om het administratieve onderzoek zo grondig mogelijk te voeren, zodanig dat zij zich ervan kan vergewissen of het in voorkomend geval voor haar in redelijkheid onmogelijk is om uitspraak te doen voordat de strafrechter een definitieve beslissing heeft genomen. Te dezen moet worden vastgesteld dat de Algemene Inspectie van de Rijkswacht, zodra op 22 februari 2000 door de brigadecommandant van Etterbeek een proces-verbaal was opgesteld op grond van een klacht wegens openbare zedenschennis, onmiddellijk een aantal onderzoekshandelingen heeft gesteld. Daarbij is gebleken dat meerdere personeelsleden gerechtelijk werden vervolgd “voor diverse zaken van openbare zedenschennis, belaging, racisme, xenofobie, doodsbedreigingen en opzettelijke slagen en verwondingen”, dat de verhoren in het kader van het gerechtelijk onderzoek 21 strafrechtelijke inbreuken aan het licht hadden gebracht en dat er binnen het 1/ Eskadron van de ARG een ontaarding van elementaire waarden was, zonder reactie van het eskadronscommando. Uit het administratief dossier blijkt niet, zoals de verzoeker beweert, dat de bevoegde tuchtoverheid van meet af aan een voldoende kennis had of kon hebben van de concrete feiten van openbare zedenschennis en aanranding van de eerbaarheid, die uiteindelijk door de bestreden beslissing aan de verzoeker IX-6095-21/32 ten laste worden gelegd, om toen reeds de tuchtprocedure tegen hem voortgang te laten vinden. Gelet op de complexiteit van de zaak waarbij tegen wel acht personeelsleden een gerechtelijk onderzoek werd gevoerd met betrekking tot talrijke en uiteenlopende strafrechtelijke inbreuken, gelet ook op de ernstige en delicate aard van de feiten die het voorwerp waren van dat onderzoek, de omstandigheid dat de normvervaging binnen een gans eskadron en het gedogen daarvan door de hiërarchische chefs aan de kaak werden gesteld, en het gegeven dat de verzoeker de hem ten laste gelegde feiten zowel in het kader van het gerechtelijk als het administratief onderzoek bleef ontkennen, lijkt de hogere tuchtoverheid redelijkerwijze niet te kunnen worden verweten dat zij het eindresultaat van de gerechtelijke procedure heeft afgewacht alvorens op tuchtrechtelijk vlak tegen de verzoeker een initiatief te nemen. In de concrete omstandigheden van de zaak kan dan ook niet tot een schending van het beginsel van de redelijke termijn worden besloten. De omstandigheid dat de verzoeker aanvankelijk in dienst kon blijven en vanaf 20 augustus 2004 geschorst werd met weddeverlies, doet daaraan geen afbreuk. 4.3.
- Geen van de onderdelen van het tweede middel is derhalve ernstig. 5.
- De verzoeker voert in een derde middel de schending aan van artikel 54 van de Politietuchtwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoeker betoogt dat uit de motivering van de bestreden beslissing onvoldoende blijkt op grond van welke motieven wordt afgeweken van het advies van de tuchtraad. De bestreden beslissing verwijst daarvoor naar de nota van de hogere tuchtoverheid van 1 augustus 2008, maar de motieven die daarin zijn vermeld, zijn niet afdoende en draagkrachtig. Zo stelt de hogere tuchtoverheid in de voormelde nota dat het niet bewezen is dat verzoekers oversten op de hoogte waren van de gepleegde feiten, terwijl de tuchtraad met dit gegeven wél rekening heeft gehouden als een verzachtende omstandigheid bij het bepalen van de strafmaat. Volgens de verzoeker IX-6095-22/32 blijkt ook uit het dossier dat de hiërarchische oversten op de hoogte waren van de feiten. Hij wijst in dat verband op een nota van de inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de Federale Politie en van de Lokale Politie van 14 juni 2000 en hij stelt dat uit het zogenaamde werkdossier blijkt dat de korpscommandant zelf werd verdacht van aanranding van de eerbaarheid. Voorts kunnen, aldus de verzoeker, de argumenten van de hogere tuchtoverheid ter weerlegging van het standpunt van de tuchtraad dat de redelijke termijn is verstreken en dat de verzoeker thans niet meer dezelfde persoon is als diegene die tussen 1995 en 2000 de feiten heeft begaan, niet worden aangenomen. Tegen het argument van de hogere tuchtoverheid dat zij pas in april 2004 in kennis werd gebracht van de omvang en de ernst van de feiten, voert hij aan dat de tuchtoverheid al veel eerder toelating had om een afschrift van het gerechtelijk dossier te vragen en dat zij bovendien, op basis van een intern onderzoek, reeds kennis had van de feiten. Het standpunt van de hogere tuchtoverheid dat er verontwaardiging zou ontstaan bij burgers, pers, collega’s en chefs, indien de verzoeker zijn functies binnen de politie zou hernemen, weerlegt volgens de verzoeker niet dat hij thans niet meer dezelfde persoon is als destijds. De beweerde verontwaardiging is trouwens niet bewezen, nu integendeel blijkt dat de verzoeker steun krijgt van collega’s en hij zelfs een aanbod kreeg van de korpschef van de lokale politiezone Rhode en Schelde. Ten slotte stelt de verzoeker dat de hogere tuchtoverheid niet afdoende motiveert waarom zij afwijkt van het advies van de tuchtraad dat erop wijst dat de andere bij de feiten betrokken personeelsleden veeleer lichte straffen hebben gekregen. Volgens de verzoeker overtuigt het argument niet dat deze feiten betrekking hebben op incidenten naar aanleiding van de ordehandhaving bij een voetbalwedstrijd en losstaan van de feiten die hij heeft gepleegd. De verzoeker laat gelden dat uit het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 11 juni 2004 blijkt dat die personeelsleden ook nog op grond van andere feiten werden veroordeeld, onder meer het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen aan collega’s, waarvoor een aantal van hen een gevangenisstraf van vier maanden kreeg, terwijl als tuchtstraf slechts één week schorsing werd opgelegd. 5.
- De verwerende partij repliceert in haar nota dat uit het tuchtdossier niet blijkt dat de hiërarchische oversten van de verzoeker op de hoogte waren van de feiten. Bovendien toont de verzoeker niet aan dat deze oversten de IX-6095-23/32 bevoegde tuchtoverheden waren. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat zij niet geneigd waren de feiten te signaleren aan hun chefs uit angst nog meer te worden gepest. Die chefs kenden dan ook de exacte toedracht van de feiten niet. De eskadronscommandant heeft trouwens verklaard dat hij pas in februari 2000 in zeer algemene termen ervan op de hoogte werd gebracht dat bepaalde zedenfeiten ten laste van de verzoeker waren gesignaleerd. Voorts laat de verwerende partij gelden dat de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing en in haar nota van 1 augustus 2008 voldoende de stelling van de tuchtraad heeft weerlegd betreffende de overschrijding van de redelijke termijn enerzijds en het feit dat de verzoeker niet meer dezelfde persoon zou zijn als ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten anderzijds. Ter adstructie haalt zij aan hetgeen dienaangaande in de bestreden beslissing en de voormelde nota is uiteengezet. Ten slotte stelt de verwerende partij dat de feiten waarvoor collega’s van de verzoeker werden veroordeeld, wel degelijk losstaan van de feiten waaraan de verzoeker zich schuldig heeft gemaakt en die een seksuele connotatie hebben, wat door de tuchtraad is bevestigd en door de hogere tuchtoverheid is overgenomen in haar nota van 1 augustus
- De verwerende partij voegt hieraan toe, met verwijzing naar het arrest van de Raad van State, nr. 172.852 van 28 juni 2007, inzake Vanrintel, dat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel in beginsel geen toepassing vindt in tuchtzaken, vermits de situaties van ambtenaren in tuchtaangelegenheden, behoudens identieke feitelijke gegevens, niet met elkaar kunnen worden vergeleken. In casu zijn de feiten gepleegd door de verzoeker en zijn collega’s niet met elkaar te vergelijken. De verwerende partij besluit dat de hogere tuchtoverheid op een voldoende deugdelijke manier heeft gemotiveerd waarom ze van het advies van de tuchtraad is afgeweken. 5.
- In het middel wordt in essentie aangevoerd dat de hogere tuchtoverheid niet afdoende heeft gemotiveerd waarom zij afwijkt van het advies van de tuchtraad, voor zover daarin wordt gesteld dat de hiërarchische oversten van de verzoeker op de hoogte waren van de feiten, dat een onredelijke termijn is verstreken sinds de feiten en dat de andere strafrechtelijk veroordeelde personeelsleden veel lichtere tuchtstraffen hebben gekregen. IX-6095-24/32 5.3.
- Wat het standpunt van de tuchtraad betreft dat de oversten van de verzoeker op de hoogte zouden geweest zijn van de feiten, verwijst de verzoeker naar een passage uit het advies van de tuchtraad waarin melding wordt gemaakt van de algemene malaise en de verziekte mentaliteit in het eskadron en waarin tevens wordt aangestipt dat de hiërarchische oversten van de verzoeker de handelingen van de betrokkene niet afkeurden en deze integendeel eerder stilzwijgend goedkeurden. Het advies van de tuchtraad is te dezen echter in zeer algemene en beschouwende bewoordingen gesteld, waarbij veronderstellingen niet worden geschuwd (“het is [...] waarschijnlijk dat [...]”). De stelling van de tuchtraad dat de oversten op de hoogte waren van de “feiten” lijkt in die context slechts in die zin te kunnen worden begrepen dat de oversten op de hoogte waren van de ontaarding binnen de eenheid. Alleszins worden in het advies van de tuchtraad geen elementen aangebracht waaruit kan worden afgeleid dat de “hiërarchische oversten” op de hoogte waren van de concrete feiten van openbare zedenschennis en aanranding van de eerbaarheid die aan de verzoeker ten laste worden gelegd. In de nota van 1 augustus 2008 waarin zij haar intentie om af te wijken van het advies van de tuchtraad formuleerde, lijkt de hogere tuchtoverheid dan ook terecht te stellen: “Dat er zich binnen het eskadron een kleine hechte kern van anciens had gevormd die duidelijk een aantal zwakkere, meestal vrouwelijke collega’s viseerden en dat deze groep, waarbinnen ook enkele keurgegradueerden die blijkbaar bepaalde feiten tolereerden, handelde in een sfeer van een zekere normvervaging, kan zeker niet ontkend worden en is een betreurenswaardige vaststelling. Hieruit besluiten, zoals de tuchtraad doet, dat deze feiten getolereerd werden door de overheid, lijkt mij echter een stap te ver en wordt geenszins aangetoond. Dat deze groep zich enigszins superieur opstelde en zich overgaf aan laakbare feiten, komt inderdaad tot uiting in het dossier. Anderzijds blijkt uit de verklaringen dat de slachtoffers van deze pestactiviteiten blijkbaar weinig geneigd waren om deze feiten te signaleren aan hun chefs. In welke mate de chefs op de hoogte waren van deze activiteiten blijft dan ook een open vraag.” De hogere tuchtoverheid ontkent dienvolgens de malaise in het eskadron niet, ook niet in de bestreden beslissing, waar zij “de context van ontaarding van de elementaire menselijke waarden binnen de toenmalige eenheid” mede in aanmerking heeft genomen om niet de zwaarste tuchtstraf op te leggen. IX-6095-25/32 De nota van de inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de Federale Politie en van de Lokale Politie van 14 juni 2000, waarnaar de verzoeker verwijst, is te dezen niet dienstig vermits ze slechts aangeeft welke feiten het voorwerp waren van onderzoek, maar als zodanig niet aantoont dat de hiërarchische oversten van de verzoeker op de hoogte waren van de concrete feiten die aan de verzoeker ten laste worden gelegd. Evenmin dienstig is het feit dat uit het werkdossier blijkt dat de korpscommandant zelf werd verdacht van aanranding van de eerbaarheid. 5.3.
- Wat het standpunt van de tuchtraad betreft dat een “onbehoorlijk lange termijn” is verlopen sedert de feiten, is uit de bespreking van het tweede middel reeds gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat de bevoegde tuchtoverheid van meet af aan een voldoende kennis had of kon hebben van de concrete feiten van openbare zedenschennis en aanranding van de eerbaarheid, die uiteindelijk door de bestreden beslissing aan de verzoeker ten laste worden gelegd, om toen reeds de tuchtprocedure tegen hem voortgang te laten vinden. De hogere tuchtoverheid heeft pas kennis gekregen van de precieze feiten middels het gerechtelijk dossier dat haar op 26 mei 2004 werd overgemaakt. Na de kennisname van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 11 juni 2004 waarbij de verzoeker werd veroordeeld, heeft zij vrijwel onmiddellijk de verzoeker verwittigd dat zij de gerechtelijke eindbeslissing wilde afwachten aangezien de verzoeker beroep had aangetekend. Op regelmatige tijdstippen heeft zij bij de gerechtelijke overheid geïnformeerd naar de stand van zaken. Nadat zij in december 2007 in kennis was gesteld van het in kracht van gewijsde getreden arrest van het Hof van Beroep te Brussel, heeft zij op 11 januari 2008 het inleidend verslag aan de verzoeker betekend. Deze chronologie van het handelen van de hogere tuchtoverheid is ook uiteengezet in haar nota van 1 augustus 2008 waarin zij haar intentie om af te wijken van het advies van de tuchtraad formuleert. Daaruit blijkt afdoende de opvatting van de hogere tuchtoverheid dat de langdurige procedure niet te wijten is aan haar nalatigheid of dralen. Met betrekking tot het standpunt van de tuchtraad dat de verzoeker thans niet meer dezelfde persoon is als op het ogenblik dat de feiten werden gepleegd, overweegt de hogere tuchtoverheid in haar nota van 1 augustus 2008: “[...] Een herneming van zijn functies binnen de politie zal bij vele burgers die hem kennen en via de pers op de hoogte zijn van zijn veroordeling, op zijn IX-6095-26/32 minst grote verbazing en bij sommigen ongeloof opwekken. Dat dit de geloofwaardigheid van de (federale) politie bij de bevolking in het gedrang kan brengen, hoeft geen betoog. [...] Door de betrokkenheid van vele personeelsleden in dit dossier, werd er destijds een grote ruchtbaarheid aan dit dossier gegeven en zijn vele personeelsleden dan ook op de hoogte van deze feiten. Door de veroordeling van de betrokkenen in 2004 werden deze opnieuw opgerakeld. [...] Bij een eventuele dienstherneming zullen velen dan ook verwonderd, maar vooral verontwaardigd zijn wanneer zij dienen vast te stellen dat een inspecteur die veroordeeld werd tot een gevangenisstraf voor zeer laakbare feiten, alsnog opnieuw in actieve dienst kan treden. Hierbij dient vooral gedacht aan de vele vrouwelijke personeelsleden die het slachtoffer geworden zijn van zijn perversiteiten. [...] Dat inspecteur XXXX nog tot augustus 2004 in actieve dienst is gebleven, is het gevolg van het feit dat de tuchtoverheid tot april 2004 geen inzage had in het gerechtelijk dossier en bijgevolg niet op de hoogte was van de omvang en de ernst van de feiten [...]. Dat hij zich tijdens die periode blijkbaar naar behoren heeft gedragen, kan niet worden ontkend, maar een correct gedrag mag nu eenmaal van iedere politieambtenaar verwacht worden. Dat hij er zich van bewust was dat een mogelijk ontslag hem boven het hoofd hing zal hierbij zeker gemotiveerd hebben. Bovendien blijven we, zoals de tuchtraad terecht opmerkt, geconfronteerd met de merkwaardige ontkenning van de seksuele connotatie van zijn wangedrag. [...]”. Deze overwegingen geven op een afdoende wijze aan waarom het standpunt van de tuchtraad dat de verzoeker thans niet meer dezelfde persoon is als destijds, de hogere tuchtoverheid niet van haar overtuiging kan afbrengen dat het tuchtrechtelijk ontslag van ambtswege van de verzoeker aangewezen is. 5.3.
- Wat ten slotte de opmerking van de tuchtraad betreft dat de andere strafrechtelijk veroordeelde personeelsleden veel lichtere tuchtstraffen hebben gekregen, dient te worden vastgesteld dat de verzoeker het enige personeelslid is dat veroordeeld werd voor openbare zedenschennis en aanranding van de eerbaarheid. Hierover wordt in de nota van 1 augustus 2008 van de hogere tuchtoverheid onder meer het volgende gesteld: “[...] Het is duidelijk dat de feiten waarvoor inspecteur XXXX in beroep werd veroordeeld van een heel andere orde zijn dan deze waarvoor de andere personeelsleden zijn veroordeeld. Aanranding van de eerbaarheid van een collega en openbare zedenschennis staan qua ernst in groot contrast met de opzettelijke slagen in de hierboven geschetste situatie. Dat er in dit tuchtdossier dan ook een specifieke strafmaat dient te worden gehanteerd is evident.” IX-6095-27/32 Voorts verwijst de hogere tuchtoverheid in haar nota naar hetgeen de Raad van State heeft gewezen in zijn arrest nr. 172.852 van 28 juni 2007, inzake Vanrintel, namelijk dat, behoudens identieke feitelijke gegevens, de situaties van ambtenaren in tuchtaangelegenheden niet met elkaar kunnen worden vergeleken. Zij zet uiteen dat te dezen de feiten gepleegd door verzoeker en de feiten gepleegd door de andere personeelsleden op geen enkel punt met elkaar te vergelijken zijn. Aldus wordt op afdoende wijze gemotiveerd waarom de hogere tuchtoverheid ook op dit punt is afgeweken van het advies van de tuchtraad. 5.3.
- Het derde middel is derhalve evenmin ernstig. 6.
- In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoeker laat vooreerst gelden dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat ten onrechte ervan is uitgegaan dat de zwaarste straf die kon worden opgelegd, de afzetting is. De tuchtraad heeft met verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens er nochtans op gewezen, dat de zwaarst mogelijk straf die kon worden opgelegd, het ontslag van ambtswege is. De verzoeker betoogt dat de tuchtoverheid te dezen ten onrechte het standpunt van de tuchtraad betwist. Dit is volgens hem van belang, vermits indien de hogere tuchtoverheid ervan was uitgegaan, zoals het hoorde, dat het ontslag van ambtswege de zwaarst mogelijke tuchtstraf is, zij een minder zware straf zou hebben opgelegd. Voorts argumenteert de verzoeker dat de opgelegde tuchtstraf kennelijk onredelijk is, omdat de hogere tuchtoverheid ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verzachtende omstandigheid dat de feiten door de hiërarchische oversten gekend waren en op zijn minst werden getolereerd, met de overschrijding van de redelijke termijn, met de duidelijke ongelijkheid ten aanzien van de straffen die aan de andere betrokken personeelsleden werden opgelegd en met de lichtere straf van terugzetting in weddeschaal die werd voorgesteld door de tuchtraad. IX-6095-28/32 6.
- De verwerende partij betwist in haar nota vooreerst dat het ontslag van ambtswege de zwaarst mogelijke tuchtstraf is. Zij verwijst daarvoor naar hetgeen zij, eveneens steunend op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dienaangaande heeft uiteengezet in haar nota van 1 augustus
- Voor zover de verzoeker de kennelijke onredelijkheid van de bestreden beslissing afleidt uit het feit dat zijn hiërarchische oversten op de hoogte waren van de feiten en deze tolereerden, herhaalt de verwerende partij dat dit geenszins blijkt uit het tuchtdossier. Het feit dat in het eskadron een normvervaging is opgetreden, is voorts een element dat mee in overweging is genomen in de motivering van de bestreden beslissing. Voor zover de verzoeker de kennelijke onredelijkheid van de bestreden beslissing in verband brengt met de lange termijn die verstreken is sedert het opstellen van het eerste proces-verbaal en met het feit dat hij nog tot juli 2004 actief is gebleven en pas dan voorlopig werd geschorst, repliceert de verwerende partij dat de preventieve schorsing geen voorwaarde is om een personeelslid te ontslaan en dat zij in 2000 nog niet over voldoende precieze elementen beschikte om de tuchtprocedure op te starten. Zodra zij in 2004 kennis kon nemen van het gerechtelijk dossier en van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, heeft zij de nodige stappen ondernomen om de verzoeker preventief te schorsen. Wat de aangevoerde kennelijke onredelijkheid van de bestreden beslissing betreft omdat de andere personeelsleden een veel lichtere tuchtstraf hebben gekregen, herhaalt de verwerende partij dat luidens de rechtspraak van de Raad van State het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel in beginsel geen toepassing vindt in tuchtzaken en de situaties van ambtenaren in tuchtaangelegenheden in beginsel niet met elkaar kunnen worden vergeleken. 6.
- Uit het inleidend verslag van 9 januari 2008 van de hogere tuchtoverheid blijkt dat deze ervan uitging dat in beginsel voor de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten de zwaarste tuchtstraf, namelijk de afzetting, kon worden opgelegd, maar dat rekening houdend met het blanco tuchtverleden en de jonge leeftijd van de verzoeker en het feit dat een ontslag van ambtswege minder ingrijpende gevolgen heeft voor verzoekers pensioenrechten, de laatstgenoemde IX-6095-29/32 tuchtstraf wordt voorgesteld. De hogere tuchtoverheid is dit standpunt getrouw gebleven in haar nota van 1 augustus 2008 waarin zij haar intentie formuleerde om af te wijken van het advies van de tuchtraad, en in de bestreden beslissing. In zijn arrest nr. 181.466 van 25 maart 2008, inzake Blondeel, heeft de Raad van State, zich steunend op het arrest L. t./België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 maart 2006, overwogen dat wanneer, in het geval van een afzetting, aan het betrokken personeelslid niet elk pensioen is ontzegd, maar dat personeelslid zijn dienstjaren bij de overheid in aanmerking kan laten nemen in het algemeen pensioenstelsel van de privé-sector, waardoor geen afbreuk wordt gedaan aan het wezen van zijn pensioenrechten, er geen schending is van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM. Ook te dezen lijkt de afzetting van de verzoeker als zwaarst mogelijke tuchtstraf niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM en is de hogere tuchtoverheid terecht ervan uitgegaan dat zij met het ontslag van ambtswege de op één na zwaarste strafsanctie aan de verzoeker oplegde, zodat de bestreden beslissing dienaangaande wel degelijk deugdelijk is gemotiveerd. Voor zover de verzoeker voorts de onevenredigheid van de opgelegde tuchtstraf afleidt uit het feit dat de hogere tuchtoverheid ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de feiten door de hiërarchische oversten gekend waren en op zijn minst werden getolereerd, met de overschrijding van de redelijke termijn, met de duidelijke ongelijkheid van de straffen die aan de andere betrokken personeelsleden werden opgelegd en met de lichtere straf voorgesteld door de tuchtraad, moet worden opgemerkt dat de verzoeker de voormelde grieven in het eerste, tweede en derde middel heeft aangevoerd en dat ze daar niet ernstig werden bevonden. Ook het vierde middel is derhalve niet ernstig.
- Vermits de verzoeker geen ernstig middel aanvoert, is niet voldaan aan alvast één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden, bepaald in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voor het bevelen van de schorsing. IX-6095-30/32 Verzoek tot anonimisering
- Ter zitting vraagt de verzoeker de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en totdat de debatten gesloten zijn, eisen dat bij de publicatie van het arrest of de beschikking de identiteit van de natuurlijke personen niet zou worden bekendgemaakt. Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoekers vraag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Artikel
- Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van de verzoeker niet bekendgemaakt. IX-6095-31/32 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 mei 2009, door : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-6095-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.643 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.323 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.