← België

Arrest 193663 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 29/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.663 Rolnummer: A. 192760/XII-5830 Zaak: Arrest 193663 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 29/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Fiche Arrest nr 193.663 van 29 mei 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.663 van 29 mei 2009 in de zaak A. 192.760/XII-

  1. In zake : de CVBA SERVITAX, die woonplaats kiest te 1020 Brussel, Araucariastraat 101 tegen : de GEMEENTE DROGENBOS. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de cvba Servitax op 27 mei 2009 heeft ingediend om te vragen dat bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt opgelegd van de beslissing “vermoedelijk dd. 26.5.2009” van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Drogenbos in verband met een zogenaamde “aanvraag voor de verlenging van taxi-vergunningen”, en dat de gemeente, bij wijze van dwangmaatregel, verplicht wordt “tot het afleveren van de taxi-attesten voor de periode vanaf 1.6.2009 tot 22.1.2014 op straffe van een dwangsom van 2.000 i per taxi-attest en per dag vertraging”; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2009, om 11.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Haegeman, die verschijnt voor verzoekster, en van burgemeester A. Calmeyn en schepen van Juridische Zaken C. François, die verschijnen voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; XII-5830-1/6 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De voornaamste feiten
  2. Bij beslissing van 22 januari 2004 kent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Drogenbos aan verzoekster dertien taxivergunningen toe. De concessie, zo specificeert artikel 2 van de beslissing, is “geldig voor een termijn van 10 jaar [en] zal een aanvang nemen vanaf de datum van vaststelling van de vergunning ter zake onder voorbehoud van wijzigingen in de regelgeving”. Verzoekster zet in het verzoekschrift uiteen dat op 31 mei 2009 vijf taxi-attesten, welke “in de taxi aanwezig dienen te zijn en het bestaan van de vergunning alsook de exploitatievoorwaarden en tarieven bevestigen”, vervallen en dat zij -blijkens stuk 5 van het administratief dossier: op 6 april 2009- de vervanging ervan vroeg aan de gemeente. In een brief van 13 mei 2009 schrijft verzoekster aan de gemeente dat de aanvraag de afgifte betreft van “6 + 1 reserve nieuwe attesten” en dat om haar “onbekende redenen” de gemeente daarvoor verlangt dat telkens een nieuwe vergunning wordt aangevraagd, terwijl zij nochtans reeds over de nodige vergunningen beschikt. Zij wijst erop dat het “dus pas na afloop van de lopende vergunningen [is], [...] in 2014, dat voor wat betreft het toekennen van nieuwe vergunningen de nieuwe voorwaarden voorzien in het Decreet voor het afleveren van vergunningen zal toegepast moeten worden”. Het college antwoordt met een brief van 26 mei 2009 wat volgt : “Het college van burgemeester en schepenen heeft uw aanvraag voor de verlenging van uw taxivergunningen goed ontvangen. Naar aanleiding hiervan hebben wij de wetgeving doorgenomen en volgens artikel 73 van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg en tot oprichting van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen kunnen al de gevraagde vergunningen niet verlengd worden. We betreuren echter die toestand maar met een totaal van 4.800 inwoners hebben wij recht op vijf vergunningen. Wij moeten ons naar deze norm schikken en kunnen geen afwijking toestaan. In het besluit van de Vlaamse regering betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder van 18 juli 2003, is bepaald onder hoofdstuk I Art. 3 § 1 dat de norm één taxi-voertuig per duizend inwoners is”. XII-5830-2/6 De vordering tot schorsing
  3. Krachtens artikel 17, § 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan door de Raad slechts tot een schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstige nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.
  4. Wat de eerste schorsingsvoorwaarde betreft wordt in een enig middel de schending aangevoerd “van de artikelen 2, 3, 4, 10, 11, 64, 65, 84 en 85 van het Decreet van 18 juli 2003 van de Vlaamse Gemeenschap betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder[,] van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de rechtszekerheid, de hoorplicht en de rechten van verdediging, de zorgvuldigheidsverplichting en de motiveringsverplichting, manifeste appreciatiefout, schending van het gelijkheidsbeginsel, schending van de beslissing van de het College van Burgemeester en Schepenen dd. 22.1.2004, schending van het principe van de rechtszekerheid en van het gewettigde vertrouwen in overheidshandelingen”. Toegelicht wordt in de eerste plaats dat verwerende partij een foutieve toepassing maakt van “het Decreet van de Vlaamse Gemeenschap”, dat daarin nergens voorgeschreven wordt dat de bestaande vergunningen nietig zijn en voor onbestaande gehouden moeten worden, dat dan ook de bestaande vergunningen geëerbiedigd dienen te worden, dat er anders over oordelen ingaat tegen het decreet en tegen de verworven rechten van verzoekster, haar gewettigde vertrouwen, en de verplichting van het bestuur om haar eigen eerder toegekende vergunning na te leven. In dit licht is het volgens het middel ten onrechte dat verwerende partij “blijft uitgaan van een ‘verlenging’ van een bestaande vergunning”. Tevens wijst verzoekster erop dat haar argumenten niet in aanmerking zijn genomen en er niet op geantwoord wordt, dat verwerende partij niet in een van de gevallen verkeerde waarin zij overeenkomstig “het decreet van 18.7.2003” verzoeksters vergunningen mocht schorsen of intrekken, en dat zij XII-5830-3/6 evenmin de voorgeschreven procedure daartoe -“die het horen van het Taxibedrijf impliceert”- volgde.
  5. Verzoekster werpt verwerende partij op het eerste gezicht ten onrechte tegen dat haar argumenten -in de brief van 13 mei 2009- over het hoofd zijn gezien en onbeantwoord zijn gelaten. Meer bepaald antwoordt de bestreden beslissing erop door te verwijzen, eensdeels, naar artikel 73 van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg waardoor “al de gevraagde vergunningen niet verlengd [kunnen] worden” en, anderdeels, naar artikel 3, § 1, van het besluit van 18 juli 2003 van de Vlaamse regering betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder, waardoor de gemeente slechts vijf vergunningen kan uitreiken.
  6. Voorts lijkt verwerende partij het decreet van 20 april 2001, waaraan uitvoering is gegeven door het besluit van 18 juli 2003, niet verkeerd te hebben begrepen, in zoverre zij uit het artikel 73 van het decreet afleidt dat de geldingsduur van verzoeksters vergunningen van 22 januari 2004 verstrijkt op 1 juni 2009, zodat zij verzoeksters aanvraag op het eerste gezicht wel degelijk als een aanvraag tot verlenging of hernieuwing mocht aanzien. Immers bepaalt dit artikel 73, dat deel uitmaakt van de “Overgangsbepalingen” van het decreet : “De vergunningen die werden uitgereikt op basis van artikel 3, § 2, van de wet van 27 december 1974 betreffende de taxidiensten blijven maximaal vijf jaar geldig na de inwerkingtreding van dit decreet”. Er lijkt geen reden toe om te betwijfelen dat verzoeksters vergunningen van 22 januari 2004 op basis van genoemd artikel 3, § 2, “werden uitgereikt” of dat het decreet op 1 juni 2004 in werking is getreden. Tenminste in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat uit een en ander volgt dat de vergunningen van verzoekster vanaf 1 juni 2009 niet meer geldig zijn. Vooralsnog blijkt niet dat verwerende partij door de loutere erkenning van dit rechtsgevolg, dat direct is toe te schrijven aan het decreet van 20 april 2001, het verwijt treft dat zij haar eigen eerdere beslissing van 22 januari XII-5830-4/6 2002 niet naleeft of verzoeksters zogenaamde “verworven rechten” of “gewettigde vertrouwen” schendt.
  7. Vermits er geen sprake is van een schorsing of intrekking van de vergunningen van verzoekster, hoefde de regelgeving terzake ook niet toegepast te worden.
  8. Het enige middel is in al zijn onderdelen niet ernstig. Aldus blijkt dat alvast de eerste van de drie cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet vervuld is. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen. De vordering tot afgifte van taxi-attesten
  9. De bijkomende vordering van verzoekster om verwerende partij onder verbeurte van een dwangsom te bevelen “de nodige documenten attesten en plaatjes” af te geven, dient het lot te volgen van de vordering tot schorsing. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  10. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de vordering tot oplegging van “dwangmaatregelen” worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-5830-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig mei 2009, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5830-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.663 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.