← België

Arrest 193734 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 02/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.734 Rolnummer: A. 87156/X-9200 Zaak: Arrest 193734 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 02/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Fiche Arrest nr 193.734 van 2 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.734 van 2 juni 2009 in de zaak A. 87.156/X-

  1. In zake : Johan FLORIZOONE, die woonplaats kiest bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Archimedesstraat
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan FLORIZOONE op 6 oktober 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 februari 1999 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot aanvulling van het gewestplan Veurne-Westkust op het grondgebied van de gemeente Koksijde voor zover het perceel gelegen te Koksijde, Hoge Duinenlaan, kadastraal bekend sectie G, nr. 1037/b, tot natuurgebied wordt bestemd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 januari 2009; X-9200-1/11 Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. JONGBLOET, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. LOUAGE, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Feiten 1.
  4. De verzoeker is eigenaar van een perceel gelegen aan de Hoge Duinenlaan te Koksijde, kadastraal bekend sectie G, nr.1037/b. 1.
  5. Het oorspronkelijk gewestplan Veurne-Westkust, zoals definitief vastgesteld bij koninklijk besluit van 6 december 1976, gaf het hierboven genoemde perceel de bestemming natuurgebied. 1.
  6. Bij arrest nr. 22.744 van 14 december 1982 werd dit koninklijk besluit van 6 december 1976 vernietigd in zoverre het de bestemming van het betrokken perceel vastlegde om reden dat er geen afdoend antwoord werd gegeven op de door de rechtsvoorganger van de verzoeker ingediende bezwaren. 1.
  7. Bij besluit van de Vlaamse Executieve van 18 november 1987 houdende aanvulling van het koninklijk besluit van 6 december 1976 houdende vaststelling van het gewestplan Veurne-Westkust, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 maart 1988, werd overgegaan tot een nieuwe definitieve vaststelling van het gewestplan Veurne-Westkust gevolg gevend aan het arrest nr. 22.
  8. 1.
  9. Ook dit laatstgenoemde besluit werd vernietigd bij arrest nr. 59.516 van 7 mei 1996 in zoverre het de eigendom van de verzoeker tot X-9200-2/11 natuurgebied bestemde. Er werd geoordeeld dat er een te lange duurtijd was verstreken tussen het einde van de driejarige gelding van een voorlopig vastgesteld ontwerpgewestplan en het tijdstip waarop het gewestplan definitief werd met als gevolg dat zowel het ontwerpgewestplan als de adviezen die erover werden verstrekt, evenals de bezwaarschriften die ertegen werden ingediend door de particulieren, hun geldigheid als processtukken hadden verloren of niet meer pertinent waren doordat binnen die tijd genomen beslissingen of veranderingen in de toestand of andere omstandigheden te verreikende wijzigingen aan de bestemming van het betrokken gebied zouden hebben aangebracht. Dit arrest werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 april
  10. 1.6.
  11. Ten gevolge van dit arrest wordt bij besluit van de Vlaamse regering van 3 maart 1998 overgegaan tot de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke aanvulling van het gewestplan Veurne-Westkust voor het grondgebied van de gemeente Koksijde. Het betrokken perceel krijgt de bestemming natuurgebied. Het besluit overweegt onder meer wat volgt: “Overwegende dat thans, nog meer dan bij de vaststelling van het gewestplan Veurne-Westkust, het beleid van de Vlaamse regering uitgaat van een maximaal behoud van de duinen; dat daartoe, in het bijzonder, bij decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen, aan de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud het hoofdstuk IX werd toegevoegd met specifieke bepalingen voor de maritieme duinstreek; Overwegende dat het definitief vastgestelde en bekrachtigde ontwerp Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen voor de kustmilieus (inclusief de duinengordel), als belangrijke gebieden van de natuurlijke structuur, gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven bevat dewelke voorzien dat, omwille van de zware druk op de waardevolle ecosystemen van het kustmilieu, de ecologische waarden van het kustgebied optimaal versterkt worden, hetgeen inhoudt dat de natuurgebieden worden uitgebreid en dat de gevolgen van waterwinning op de natuurgebieden en de mogelijke alternatieven worden onderzocht en geëvalueerd”. 1.6.
  12. Van 15 juni 1998 tot 13 augustus 1998 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd waarbij 6 bezwaarschriften worden ingediend, onder andere door de verzoeker met een brief van zijn raadslieden van 11 augustus
  13. Hierin stelt de verzoeker dat zijn perceel niet als natuurgebied dient te worden beschouwd, doch als bouwgrond. 1.6.
  14. Op 8 oktober 1998 brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen gunstig advies uit. Zij overweegt onder meer dat er bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan de kustmilieus omwille van de zware druk, dat de waardevolle ecosystemen en ecologische waarden dienen X-9200-3/11 te worden versterkt en dat voor een optimale bescherming de natuurgebieden dienen te worden uitgebreid. 1.6.
  15. De gemeente Koksijde brengt geen advies uit, zodat zij met toepassing van artikel 11, §3, tweede lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 geacht wordt een gunstig advies te hebben uitgebracht. 1.6.
  16. Op 6 november 1998 brengt de regionale commissie van advies gunstig advies uit. Met betrekking tot de bespreking van de bezwaren maakt zij vooreerst de volgende algemene bedenking: “De Commissie stelt dat grote eenheden natuur aan onze kust gevrijwaard dienen te worden om enerzijds het geografisch-fysisch patrimonium van onze kustlijn te bewaren en anderzijds om de druk van het verstedelijkte recreatieve gebied op te vangen en dat daarvoor alle restanten van de open ruimte, welke deel uitmaken van of aansluiten bij grotere gehelen beschermd dienen te worden. De Commissie stelt dat enkel door deze specifieke zorgzaamheid de sociale, economische, recreatieve en natuurlijke waarden van dit gebied kunnen bewaard worden”. Met betrekking tot het bezwaar ingediend door de verzoeker wordt als volgt overwogen : “Bezwaarindiener situeert zijn grond tussen de Koninklijke baan, Dorlodotlaan, Rolandstraat, Bettystraat en geeft als kadastraal gegeven Sectie G nr. 1037b. Bezwaarindiener stelt dat tot tweemaal toe de besluiten die de grond de bestemming natuurgebied gaven werd(en) vernietigd door de Raad van State en dat de Vlaamse regering bij haar besluitvorming hiermede dient rekening te houden. Bezwaarindiener stelt dat de gronden als woongebied dienen bestemd te worden en gaat daarvoor uit van volgende argumentatie : - gelegen aan een volledig uitgeruste weg, gas, water, elektriciteit en telefoon zijn in het kwartier aanwezig; - nabijheid van bestaande woningen, bezwaarindiener verwijst naar tramhalte, home Duinenhuis en de omringende woningen; - technische geschiktheid om bebouwd te worden : bezwaarindiener verwijst naar een vroegere vervallen verkaveling, en naar mondelinge bouwtoelating door de gemeente : Bezwaarindiener stelt tevens dat de grond geen natuurwaarden bezit. De Commissie merkt op dat het kadastraal perceel Sectie G, nr. 1037b gelegen is ten zuiden van de Koninklijke Baan, aan de Hoge Duinenlaan. De Commissie stelt dat het arrest van de Raad van State van 7 mei 1996 over een vroegere gewestplanwijziging geen uitspraak doet over deze ontwerp- gewestplanwijziging. De Commissie stelt dat het perceel Sectie G, nr. 1037b volledig aansluit en geïntegreerd is in een bestaand natuurgebied, dat het van de bestaande bebouwing gescheiden is door een nutsvoorziening van gemeentelijk belang, dat de omringende bebouwing deel uitmaakt van het woongebied. X-9200-4/11 De Commissie verklaart het bezwaar ontvankelijk en ongegrond. Een lid stemt tegen”. 1.6.
  17. Bij het bestreden besluit van 9 februari 1999 beslist de Vlaamse regering tot de definitieve vaststelling van het plan tot aanvulling van het gewestplan Veurne-Westkust op het grondgebied van de gemeente Koksijde. Het perceel van de verzoeker blijft hierin bestemd tot natuurgebied. De regering overweegt onder meer het volgende: “Overwegende dat de niet aanwijzing van de betrokken percelen als beschermd duinengebied, in uitvoering van het duinendecreet van 26 januari 1994, niet aangeeft dat het geen natuurgebied betreft, omdat bij de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden, bij decreet van 21 december 1994, de gronden overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 18 november 1987 tot aanvullende vaststelling van het gewestplan Veurne- Westkust te Koksijde, als natuurgebied waren bestemd en deze bestemming pas nadien, bij arresten van de Raad van State van 7 mei 1996 en later, werd vernietigd; Overwegende dat de in artikel 12, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen, gegeven opsomming van wat de natuurgebieden omvatten, expliciet de duinen aangeven; dat de opsomming van artikel 12 ook niet limitatief is gesteld zodat hieruit geenszins kan worden beslist dat de percelen geen natuurgebied zijn; Overwegende dat de duinen niet alleen bestaan uit door de wind samengestoven zandheuvels, maar ook het ganse complex omvatten van de erbijhorende gronden die er nodig zijn voor het instandhouden van de voor het duinensysteem kenmerkende grootschalige geomorfologische processen; dat het Vlaamse gewest gedurende de laatste decennia een beleid voert voor het behoud en het herstel van de duinen, zoals ondermeer blijkt uit de herhaalde beslissingen van de Vlaamse regering betreffende de betrokken gronden en de uitvoering van het duinendecreet; dat ook in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen uitdrukkelijk wordt gesteld dat omwille van de zware druk op de waardevolle ecosystemen van het kustmilieu (inclusief de duinengordel) de ecologische waarden van het kustgebied moeten versterkt worden”.
  18. Ten gronde 2.
  19. Eerste middel 2.1.
  20. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 3, §1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, evenals machtsoverschrijding. Hij licht dit middel als volgt toe: “Doordat het bestreden besluit de gronden van verzoekende partijen tot natuurgebied bestemt, zonder voorafgaandelijk de afdeling wetgeving van de X-9200-5/11 Raad van State te raadplegen met betrekking tot deze voorgenomen bestemmingen, die krachtens artikel 2 van het gecoördineerde decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening nochtans verordenende kracht hebben. Terwijl voormeld art. 3 §1 voorziet dat buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid de Ministers, ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State onderwerpen de tekst van alle ontwerpen van reglementaire besluiten. Zodat door het nemen van het betrokken reglementair besluit, de verwerende partij de in het middel vermelde wettelijke en reglementaire bepalingen heeft geschonden, de aangehaalde beginselen heeft miskend en machtsoverschrijding heeft gepleegd”. 2.1.
  21. Een besluit waarmee een (aanvulling van een) gewestplan wordt vastgesteld moet niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State worden voorgelegd wanneer de bestemmingsvoorschriften geen aanvullingen of afwijkingen inhouden ten aanzien van de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen. In het bestreden besluit wordt geen ander stedenbouwkundig voorschrift toegepast dan het voorschrift “natuurgebied” zoals voorzien in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. Het argument van de verzoeker dat er in casu geen sprake is van een natuurgebied zoals bedoeld in het bovenvermelde koninklijk besluit, is niet ter zake dienend en maakt overigens het voorwerp uit van de overige drie middelen, die hierna worden verworpen. Derhalve ligt de reden voor de niet-raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State geenszins in het ontbreken van een zogenaamd reglementair karakter van het bestreden besluit, doch in het feit dat de bestreden bestemming slechts een toepassingsmaatregel is van een bestaande normatieve tekst die wel aan het advies van de afdeling wetgeving werd onderworpen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit zelf niet meer aan het advies van de afdeling wetgeving diende te worden voorgelegd. Het eerste middel is dan ook niet gegrond. 2.
  22. Tweede middel 2.2.
  23. In een tweede middel voert de verzoeker aan dat er een schending, is van artikel 10, 1/ en 2/ van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, dat er een manifeste X-9200-6/11 beoordelingsvergissing zowel in feite als in rechte is en dat er machtsoverschrijding is. Hij zet dit middel uiteen als volgt: “Doordat het bestreden besluit, dat van het advies van de streekcommissie niet afwijkt en aldus geacht wordt op de motieven van voormeld advies te steunen, ervan uitgaat dat het kwestieuze perceel ‘volledig aansluit en geïntegreerd is in een bestaand natuurgebied, dat het van de bestaande bebouwing gescheiden is door een nutsvoorziening van gemeentelijk belang, dat de omringende bebouwing deel uitmaakt van het woongebied’. En doordat de gemeentelijke overheden eerst in samenwerking met, daarna in overleg en met de toestemming van de rechtsvoorganger van verzoekende partij zelf tot de aanleg van de bestaande wegenissen gelegen aan de kwestieuze gronden zijn overgegaan, met inbegrip van de afboording van deze wegen met de nodige verlichting. Terwijl art. 10, 1/ van het gecoördineerde decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening duidelijk stelt dat het gewestplan de aanduiding van de bestaande toestand bevat, waardoor op impliciete, doch zekere wijze kan worden voorondersteld dat met voormelde bestaande situatie daadwerkelijk rekening dient te worden gehouden wanneer tot een bestemmingswijziging wordt besloten en welke bestaande toestand in casu inhoudt dat het perceel paalt aan een uitgeruste weg, de overkant van de straatzijde volledig bebouwd is en er nog regelmatig verbouwingen en uitbreidingen gebeuren. En terwijl art. 10, 2/ van het gecoördineerde decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening bepaalt dat het gewestplan eveneens de maatregelen dient te bevatten, vereist om te voldoen aan de economische en sociale behoeften van het gewest, waaruit volgt dat de betrokken overheid rekening dient te houden met het feit dat door de bestemmingswijziging van de gebieden de woonfaciliteiten in het algemeen van de burgers in het gedrang worden gebracht. En terwijl een zorgvuldige en redelijk handelende overheid bij het doorvoeren van een vaststelling van bestemming van een bepaald perceel, zulks niet kan zonder zich voorafgaandelijk te hebben beraden over de gevolgen van het plan op het vlak van de woongelegenheid enerzijds en rekening houdend met het door de betrokken eigenaars en plaatselijke overheden aangebrachte wegen anderzijds. En terwijl een overheid wanneer zij een beslissing terzake neemt terdege rekening zal dienen te houden met het rechtmatige vertrouwen dat bij rechtsonderhorigen, zoals verzoekende partij, zelfs door andere overheden werd opgewekt. Zodat door het nemen van de kwestieuze beslissing tot vaststelling van de bestemming van de betrokken gronden, de verwerende partij de in het middel aangehaalde decretale bepalingen heeft geschonden, de vermelde beginselen van behoorlijk bestuur heeft miskend en machtsoverschrijding heeft gepleegd”. 2.2.2.
  24. Artikel 10, 1/ en 2/ van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 bepaalt: “Het gewestplan bevat: 1/ de aanduiding van de bestaande toestand; 2/ de maatregelen van aanleg, vereist om te voldoen aan de economische en sociale behoeften van het gewest”. X-9200-7/11 2.2.2.
  25. Aldus dient het gewestplan de aanduiding te bevatten van de bestemming die het gebied bestreken door het ontwerp-gewestplan reeds in feite en in rechte heeft gekregen. De verplichting de gegevens omtrent wat bestaat kenbaar te maken, moet de belanghebbende particulieren, alsook de te raadplegen overheden en zij die uiteindelijk moeten beslissen over de in het definitief gewestplan vast te leggen bestemmingen en voorschriften, in staat stellen een correct inzicht te krijgen en een juist oordeel te vormen. De verzoeker betwist niet dat het plan dat de bestaande toestand weergeeft, hiermee overeenstemt. Hij toont niet aan dat de overheid een verkeerde voorstelling zou hebben gemaakt van de omgeving van het betrokken perceel, noch stelt hij dat de overheid bij het vaststellen van de bestemming misleid zou zijn. De verzoeker voert in essentie aan dat de overheid bij het vaststellen van het gewestplan onvoldoende rekening heeft gehouden met de bestaande toestand. Hij verwijst onder meer naar elementen zoals de bestaande wegenis en de aanwezigheid van bepaalde bebouwing. Een gewestplan is geen loutere bevestiging van bestaande toestanden, maar vormt een instrument om de ruimtelijke ordening voor de toekomst vast te stellen. Een gewestplan kan dus ook toekomstgerichte bestemmingen vastleggen die niet noodzakelijk overeenstemmen met de bestaande toestand. Het betoog van de verzoeker dat zijn perceel, gelet op de “bestaande toestand”, niet in natuurgebied maar in woongebied moet worden opgenomen, kan dan ook niet worden gevolgd. 2.2.2.
  26. De verzoeker kan zich evenmin beroepen op het “rechtmatige vertrouwen” dat zijn perceel, gelet op de bestaande wegenis, door de overheid tot woongebied zou worden bestemd. De aanwezigheid van een weg is op zich geen element om het betrokken gebied als woongebied te moeten bestemmen. De overwegingen vermeld in het besluit houdende de voorlopige vaststelling, de motieven van de commissie en de overwegingen vermeld in de bestreden beslissing maken duidelijk waarom de plannende overheid, niettegenstaande de bestaande wegenis, meent dat de gronden dienen te worden bestemd tot natuurgebied. Tevens blijkt uit de bovenvermelde overwegingen en motieven dat het uitdrukkelijk de bedoeling is het gebied niet voor bebouwing te bestemmen, wat uiteraard betekent dat die optie bij de belangenafweging betrokken werd. De Vlaamse regering beschikt bij het bepalen van de bestemming van de onderscheiden gebiedsdelen over een ruime beleidsvrijheid. Artikel 10, 2/ van het voormelde decreet verplicht haar er geenszins toe voor elke wijziging of beperkte aanvulling in de eerste plaats uit te X-9200-8/11 gaan van overwegingen omtrent woonfaciliteiten. Bovendien richt dit artikel zich in eerste instantie naar het volledige beheersingsgebied van het gewestplan. De beleidsoptie van de plannende overheid komt niet kennelijk onredelijk voor. Het tweede middel is derhalve ongegrond. 2.
  27. Derde middel 2.3.
  28. In een derde middel voert de verzoeker een schending aan van artikel 13.4.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen en van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het algemeen motiveringsbeginsel, evenals machtsoverschrijding. Hij licht dit middel als volgt toe: “Doordat het bestreden besluit het betrokken terrein, dat geenszins aan de objectieve voorwaarden voldoet om als bos, woud, veen, heide, moeras, duin, rots, aanslibbing, strand of ander dergelijk gebied te worden beschouwd, als natuurgebied bestemt, En doordat uit het bestreden besluit niet blijkt waarom het betrokken terrein, in weerwil van het door verzoekende partij ingediende bezwaarschrift, wel aan voormelde objectieve voorwaarden om als natuurgebied te worden gekatalogeerd, zou beantwoorden, Terwijl op basis van art. 13.4.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de natuurgebieden slechts bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden kunnen omvatten, en de betrokken gronden door de aanwezigheid van bestaande bewoning, bestaande wegenis en technische bebouwbaarheid de kenmerken van woongebied vertonen, En terwijl het feit dat de betrokken gronden niet in het duinendecreet van 26 januari 1994 werden opgenomen aangeeft dat voormelde gronden geenszins de kenmerken van duinen vertonen, En terwijl de verwerende partij de verplichting heeft om haar beslissing uitdrukkelijk en afdoende te motiveren, te beginnen met het afdoende weerleggen van de ingediende bezwaarschriften. Zodat door de aangevochten beslissing te nemen en de kwestieuze grond als natuurgebied te bestemmen zonder het vervuld zijn van de daarvoor noodzakelijke voorwaarden en zonder het met het oog daarop ingediende bezwaarschrift terdege te weerleggen, de verwerende partij in elk geval de in het middel aangehaalde wettelijke en reglementaire bepalingen heeft geschonden, de aangehaalde beginselen heeft miskend en haar macht heeft overschreden”. 2.3.
  29. De overwegingen in het advies van de commissie en de motivering van het bestreden besluit, zoals respectievelijk weergegeven onder de randnummers 1.6.5 en 1.6.6, geven een duidelijk en afdoend antwoord op de bezwaren van de verzoeker. De overheid motiveert voldoende waarom zij de betrokken gebieden, niettegenstaande de bestaande wegenis en de omliggende X-9200-9/11 woningen, bestemt tot natuurgebied. Zij verwijst onder meer naar het beleid inzake het behoud en het herstel van de duinen en stelt dat “omwille van de zware druk op de waardevolle ecosystemen van het kustmilieu (...) de ecologische waarden van het kustgebied moeten versterkt worden”. Het is duidelijk dat de bevoegde overheid daarbij een afweging heeft gemaakt van het belang van de natuur en het belang van diegenen die in het betrokken gebied willen bouwen. De afweging van deze verschillende belangen behoort tot de bevoegdheid van de betrokken overheid om de opportuniteit van een bestemming te beoordelen, en niet tot de bevoegdheid van de Raad van State. De verzoeker maakt niet aannemelijk dat de beleidskeuze van de overheid niet deugt. Het argument in de memorie van wederantwoord dat het betrokken terrein “geenszins de inherente karakteristieken van een natuurgebied in zich draagt” omdat er geen vegetatie van belang aanwezig zou zijn, overtuigt niet. Het perceel van de verzoeker sluit aan bij het ten oosten ervan gelegen natuurgebied. Het bestreden besluit wijst er bovendien op dat “duinen niet alleen bestaan uit door de wind samengestoven zandheuvels, maar ook het ganse complex omvatten van de erbijhorende gronden die er nodig zijn voor het instandhouden van de voor het duinensysteem kenmerkende grootschalige geomorfologische processen”. Bovendien zijn gewestplanbestemmingen ook toekomstgericht. Het feit dat de betrokken gronden niet werden aangewezen als beschermd duinengebied, in uitvoering van het duinendecreet van 26 januari 1994, belet evenmin dat deze gebieden alsnog tot natuurgebied worden bestemd. Bovendien stelt het bestreden besluit dat de niet-aanwijzing tot beschermd duinengebied precies het gevolg was van de bestemming van de gronden tot natuurgebied. De verzoeker toont met zijn kritiek niet aan dat de bevoegde overheid tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan. Het derde middel is ongegrond. 2.
  30. Vierde middel 2.4.
  31. In ondergeschikte orde leidt de verzoeker een vierde middel af uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en uit machtsoverschrijding: “Doordat het definitief besluit van 9 februari 1999 geenszins op afdoende wijze aangeeft op grond van welke motieven de betrokken gronden nu juist als natuurgebied dienen te worden gekwalificeerd, rekening houdend met het feit dat de betrokken grond aan een uitgeruste wegenis is gelegen en er verschillende woningen in de onmiddellijke omgeving te vinden zijn en rekening houdend met het feit dat de gronden niet in het duinendecreet werden opgenomen. X-9200-10/11 Terwijl de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aan elke administratieve overheid oplegt, bij het nemen van de in de wet voorziene beslissingen, dat deze uitdrukkelijk en afdoende zouden gemotiveerd zijn. Zodat door het nemen van de bestreden akte de verwerende partij de in het middel vermelde bepalingen heeft geschonden en haar macht heeft overschreden”. 2.4.
  32. Een besluit tot vaststelling van een gewestplan is geen akte met individuele strekking. Dergelijk besluit valt derhalve niet onder de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Het vierde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  33. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 2 juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-9200-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.734 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.