← België

Arrest 193736 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 02/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.736 Rolnummer: A. 190791/XII-5660 Zaak: Arrest 193736 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 02/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-15 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:11 Fiche Arrest nr 193.736 van 2 juni 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 193.736 van 2 juni 2009 in de zaak A. 190.791/XII-

  1. In zake : Marleen ZANDERS, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat Openbaar Ambt, Groep Onderwijs, met zetel te 1000 Brussel, Boudewijnlaan 20-21 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij de Juridische cel van de afdeling “Advies en Ondersteuning Onderwijspersoneel”, met zetel te 1210 Brussel, Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15, kamer 1C
  2. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marleen Zanders op 22 december 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 13 oktober 2008 waarbij de kamer voor het Gemeenschapsonderwijs van het college van beroep haar beroep tegen de evaluatie “onvoldoende” onontvankelijk verklaart; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en over de vordering tot schorsing opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 26 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 april 2009; XII-5660-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoekster en van adviseur M. Broucke, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  3. Verzoekster is sedert 1 september 1987 vast benoemd als leraar algemene vakken SO van de hogere graad. In die hoedanigheid is ze sedert 1 juni 2007 voor 12 u. vast benoemd in het KTA Maaseik en voor 8 u. in het KA Maaseik. 1.
  4. Op 25 juni 2007 kent de directeur van het KTA Maaseik aan verzoekster een (eerste) evaluatie “onvoldoende” toe. Verzoekster dient hiertegen geen bezwaar in. Op 12 september 2007 beslist het college van directeurs van scholengroep 14 van het Gemeenschapsonderwijs ter uitvoering van artikel 8, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en de tucht in het gemeenschapsonderwijs (hierna : het evaluatiebesluit), om de pedagogisch adviseur te belasten met het begeleiden van verzoekster en met het toekennen van een nieuwe evaluatie. Op 25 juni 2008 kennen zowel de pedagogisch adviseur als de directeur van het KTA Maaseik verzoekster een (tweede) evaluatie “onvoldoende” toe. XII-5660-2/6 In fine van zijn verslag maakt de directeur er melding van dat verzoekster tegen de evaluatie binnen twintig kalenderdagen beroep kan aantekenen bij de raad van beroep voor het personeel van het Gemeenschapsonderwijs. Verzoekster laat na om volgens de haar alzo meegedeelde wijze beroep aan te tekenen. 1.
  5. Op 29 augustus 2008 beslist de algemeen directeur van de scholengroep bij hoogdringendheid, met toepassing van artikel 88, 5/, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna : het rechtspositiedecreet), de definitieve ambtsneerlegging uit te spreken ten aanzien van verzoekster, voor haar ambt van vast benoemd leraar

(12u)KTA Maaseik. 1.
  1. Op 10 september 2008 tekent verzoekster bij de kamer voor het Gemeenschapsonderwijs van het college van beroep bezwaar aan tegen de door de directeur op 25 juni 2008 verleende evaluatie met als eindconclusie “onvoldoende”. 1.
  2. Op 24 september 2008 beslist de raad van bestuur van de scholengroep om de beslissing van 29 augustus 2008 van de algemeen directeur, te bekrachtigen en te bevestigen. 1.
  3. Op 13 oktober 2008 beslist de kamer voor het Gemeenschapsonderwijs van het college van beroep het beroepsschrift van verzoekster niet ontvankelijk te verklaren. 1.
  4. Op 27 oktober 2008 dient verzoekster bij de Raad van State een beroep in tegen de sub 1.
  5. genoemde beslissing van de algemeen directeur van 29 augustus 2008 (zaak A.190.121/XII-5602). Bij arrest nr. 190.597 van 17 februari 2009 verwerpt de Raad van State in die zaak de tegelijk gevorderde schorsing van tenuitvoerlegging. 1.
  6. Bij aangetekend schrijven van 3 november 2008 wordt verzoekster afschrift gegeven van de voormelde beslissing van 29 augustus 2008 van de algemeen directeur en van de bekrachtigingsbeslissing van 24 september 2008 van de raad van bestuur. XII-5660-3/6 1.
  7. Bij schrijven van 7 november 2008 wordt aan verzoekster kennis gegeven van de thans bestreden beslissing van 13 oktober 2008 van de kamer voor het Gemeenschapsonderwijs van het college van beroep. De ontvankelijkheid van het beroep
  8. Niet betwist wordt, dat de (eerste) evaluatie van 25 juni 2007 aan verzoekster is gegeven met toepassing van de toenmalige bepalingen van artikel 41 van het rechtspositiedecreet en van -inzonderheid artikel 8 van- het evaluatiebesluit.
  9. Voor de huidige zaak blijft de Raad van State er bij, zoals hij reeds eerder heeft uiteengezet in, onder meer, het arrest Theys, nr. 171.225, van 15 mei 2007, dat de evaluatieprocedure zoals die toentertijd was geregeld in de voornoemde bepalingen te kenmerken is als een complexe verrichting, waarbij slechts na de tweede evaluatieronde en na de uitspraak door de raad van beroep een definitieve en dus aanvechtbare eindbeslissing wordt genomen met betrekking tot de evaluatie van het personeelslid. Verzoekster heeft verzuimd om, hoewel haar uitdrukkelijk op die beroepsmogelijkheid was gewezen, tegen de tweede evaluatie het beroep in te stellen bij de raad van beroep. Het beroep is bijgevolg niet ontvankelijk, omdat het niet op ontvankelijke wijze het georganiseerd administratief beroep heeft uitgeput.
  10. Vergeefs beroept verzoekster zich er op, dat ondertussen artikel 41 van het rechtspositiedecreet is gewijzigd en op haar niet (meer) van toepassing is zodat, volgens haar, de (tweede) evaluatie haar is gegeven met toepassing van de nieuwe regels met betrekking tot de evaluatie en zodat ook de nieuwe regels met betrekking tot de beroepsmogelijkheden bij het college van beroep door haar moesten worden -en werden- gevolgd. Dat dit verweer niet dienstig is, blijkt immers uit artikel 100bis, § 3, van het rechtspositiedecreet, ingevoegd bij decreet van 13 juli 2007, dat bij overgangsmaatregel bepaalt : “§
  11. De beoordelings- en evaluatieprocedures ingezet in toepassing van artikel 22 of 41 en de beroepsprocedure ingezet in toepassing van artikel 24 en XII-5660-4/6 artikel 61, 6/, moeten verder worden gezet overeenkomstig de decreets- en reglementsbepalingen die golden op het ogenblik van het opstarten van deze procedures. Hiertoe blijft een raad van beroep fungeren. Deze raad van beroep is samengesteld uit : [...] ”. De voorliggende evaluatieprocedure is ingezet met toepassing van artikel 41 van het rechtspositiedecreet. De aan verzoekster toegekende evaluatie moet bijgevolg worden toegekend en in voorkomend geval door haar worden bestreden overeenkomstig de bepalingen die golden bij het opstarten van de procedure. Mét de parlementaire bespreking van deze overgangsbepaling die nota bene een geval zoals het voorliggende als voorbeeld neemt (Parl. St. Vl. Parl. 2006- 2007, nr. 1246/1, blz. 16) wordt aangenomen dat de procedure ook moet worden “af- gewerkt” volgens de voorheen geldende bepalingen, wat betekent dat het personeelslid “binnen deze ‘oude’ procedure een nieuwe evaluatie [moet] krijgen binnen een termijn van tenminste acht maanden effectieve prestaties en rekening houdend met de bepalingen die ter zake zijn opgenomen in het [evaluatie]besluit” -wat is gebeurd met de (tweede) evaluatie van 25 juni 2008- en vervolgens dat “[h]et personeelslid [...] beroep [kan] aantekenen tegen deze evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ bij de huidige raad van beroep” -wat verzoekster precies heeft nagelaten te doen.
  12. Terecht heeft de auditeur-verslaggever gemeend dat deze zaak met korte debatten kan worden opgelost en zijn verslag dienovereenkomstig opgesteld. De vordering tot schorsing
  13. De vordering tot schorsing, die aan het annulatieberoep ondergeschikt is, dient hetzelfde lot te ondergaan. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. XII-5660-5/6 Artikel
  15. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni 2009, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5660-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.736 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.