id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.739 Rolnummer: A. 141241/X-11566 Zaak: Arrest 193739 - Plannen van aanleg - 02/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-17 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:12 Fiche Arrest nr 193.739 van 2 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.739 van 2 juni 2009 in de zaak A. 141.241/X-11.
- In zake :
- de n.v. TRANSPO HELLINGS,
- de n.v. HELLINGS TRADE COMPANY, die woonplaats kiezen bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92 tegen :
- de stad BREE, die woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131,
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
- tussenkomende partij : de n.v. HULSBOSCH BEHEER, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. TRANSPO HELLINGS en de n.v. HELLINGS TRADE COMPANY op 5 september 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring, in hoofdorde, de gedeeltelijke vernietiging te vorderen van het besluit van 3 juni 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende de goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Veeweide” van de stad Bree, meer bepaald van “de toevoeging in artikel 1 van het bestreden besluit van de woorden ‘met uitzondering van de met blauw omrande delen uit de stedenbouwkundige voorschriften’” en, in ondergeschikte orde, zo de “Raad van mening zou zijn dat het om een niet afsplitsbaar geschil gaat, (...) van het gehele besluit”; X-11.566-1/7 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 25 november 2003 ingediend door de n.v. HULSBOSCH BEHEER; Gelet op de beschikking van 9 december 2003 die de tussenkomst van de n.v. HULSBOSCH BEHEER toelaat; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 8 december 2003 ingediend door de stad BREE; Gelet op de beschikking van 12 januari 2004 die de tussenkomst van de stad BREE niet toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 5 september 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 20 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN ALSENOY, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat L. TIJINI, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat J. DE STAERCKE, die loco advocaat J. GHYSELS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; X-11.566-2/7 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Rechtspleging Met een ter post aangetekende brief van 26 februari 2004 dient de eerste verwerende partij een bijkomende “nota” in. Het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voorziet niet in de mogelijkheid tot het indienen van een dergelijk stuk. Het wordt om deze reden uit de debatten geweerd.
- Ontvankelijkheid 2.
- In hun verzoekschrift stellen de verzoekende partijen met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione temporis van hun annulatieberoep het volgende: “Ook met de ontvankelijkheid ratione temporis kan er geen probleem zijn. De dienst ruimtelijke ordening van de Stad Bree deelde immers mee dat de bekendmaking pas op 26.6.2003 werd uitgehangen (en deze aanplakking op 8.8.2003 nog niet beëindigd zou zijn, zodat de termijn van 60 dagen nog niet zou beginnen lopen zijn, nu deze pas aanvangt de dag nadat de aanplakking van het besluit beëindigd werd)”. 2.
- De tweede verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie op: “Artikel 4 lid 3 van het Besluit van de Regent tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State (hierna genoemd het ‘Procedurereglement R.v.St’) bepaalt dat beroepen tot nietigverklaring op straffe van niet-ontvankelijkheid moeten ingesteld worden binnen zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. Deze termijn gaat in daags na de bekendmaking van de bestreden beslissing. De vervaldag wordt in de termijn gerekend. Het bestreden ministerieel besluit van 3 juni 2003 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 24 juni
- Op straffe van niet-ontvankelijkheid diende de vordering tot nietigverklaring ingesteld te worden binnen zestig dagen na deze bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. X-11.566-3/7 Het verzoekschrift tot nietigverklaring van 4 september 2003 werd derhalve laattijdig ingediend”. 2.
- In hun memorie van wederantwoord repliceren de verzoekende partijen hierop het volgende: “Tweede verwerende partij (zie hoger procesvoorgaanden) betwist in haar ‘nota’ niet ernstig dat het verzoekschrift wel degelijk ontvankelijk is, doch verwijst enkel naar een aantal ‘algemene principes’ Eerste verwerende partij roept wel een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift tot nietigverklaring in, omdat dit buiten de termijn van 60 dagen zou zijn ingediend. Eerste verwerende partij gaat namelijk uit van datum van publicatie bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van het ministerieel goedkeuringsbesluit, hetzij 24 juni 2003, waardoor de termijn om een annulatieberoep in te dienen een aanvang zou nemen op 25 juni
- Dit standpunt is onterecht. Zoals verzoekende partij echter reeds liet gelden in haar verzoekschrift, was de aanplakking van de bekendmaking op 8 augustus 2003 nog niet beëindigd (hetgeen door verwerende partijen niet wordt betwist), zodat de termijn van 60 dagen op dat ogenblik nog niet beginnen lopen was. De beroepstermijn vangt immers pas aan de dag nadat de aanplakking van de bekendmaking van het goedkeuringsbesluit beëindigd werd (...). Louter ondergeschikt merken verzoekende partijen nog op dat de publicatie bij uittreksel in het B.S. geenszins volstaat om op nuttige wijze kennis te nemen van het goedkeuringsbesluit. Een formulering als ‘met uitzondering van de met blauw omrande delen’ laat verzoekende partijen niet onmiddellijk toe na te gaan welke delen van het BPA niet werden goedgekeurd. In elk geval dient, bovendien nog tijdens de zomervakantie, minstens een redelijke termijn van twee weken in aanmerking te worden genomen om kennis te krijgen van de draagwijdte van de niet goedgekeurde delen van het BPA, zodat het verzoekschrift d.d. 4 september 2003 alleszins tijdig is ingediend. Het verzoek is derhalve ontvankelijk.” 2.
- De tussenkomende partij werpt in haar memorie onder meer een soortgelijke exceptie ratione temporis op: “Terecht wijst het Vlaamse Gewest er op dat het bestreden besluit werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 juni
- Een op 4 september 2003 verstuurd verzoekschrift is ten aanzien van de datum van publicatie buiten termijn. Ten onrechte stellen de verzoekende partijen dat de termijn op 8 augustus 2003 nog niet zou lopen. Volgens verzoekers zou de termijn om een verzoekschrift in te dienen bij de Raad van State maar beginnen lopen na de beëindiging van de aanplakkingstermijn voor het ministerieel besluit. Dit doet echter niets ter zake. Artikel 112 van de Nieuwe Gemeentewet voorziet trouwens geen termijn. Verzoekers betwisten ook niet dat de aanplakking op 26 juni 2003 gebeurd is. Wat telt is dat het ministerieel besluit wordt bekendgemaakt en dat men inzage kan krijgen van het plan. De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad is een vaststaand feit. De verzoekers betwisten niet dat het plan vanaf 26 juni 2003 ter inzage lag op het stadhuis. De Stad Bree moet dan ook bijgetreden worden dat het beroep weldegelijk laattijdig is”. X-11.566-4/7 2.
- In hun laatste memorie voeren de verzoekende partijen geen wezenlijk nieuwe argumenten aan met betrekking tot de opgeworpen exceptie. 2.6.
- Luidens artikel 4, derde lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, verjaren de beroepen tot nietigverklaring zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen zijn bekendgemaakt of betekend, of, indien ze niet bekendgemaakt of betekend moeten worden, zestig dagen nadat de verzoeker er kennis van heeft gekregen. 2.6.
- Artikel 19, laatste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) luidt als volgt: “De gemeenteraadsbeslissing waarbij het plan definitief door de gemeenteraad werd aanvaard, wordt bekendgemaakt zoals bepaald in artikel 112 van de Nieuwe Gemeentewet. De aanplakbrief vermeldt dat de beslissing in werking treedt 15 dagen na publicatie van het goedkeuringsbesluit van de Vlaamse regering in het Belgisch Staatsblad. De aanplakbrief vermeldt tevens dat bij ontstentenis van een beslissing van de Vlaamse regering zoals bepaald in artikel 21, achtste lid, de beslissing in werking treedt 15 dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de gemeenteraadsbeslissing houdende de definitieve aanvaarding van het plan. Het plan ligt voor iedereen ter inzage in het gemeentehuis”. Artikel 21, vijfde en zesde lid, van voornoemd decreet bepaalt : “Het plan treedt in werking 15 dagen na de bekendmaking van het besluit tot goedkeuring bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad. Binnen dezelfde termijn zendt de Gouverneur een afdruk van het plan aan de gemeente of gemeenten, eventueel aan de betrokken vereniging van gemeenten”. 2.6.
- Aldus neemt de termijn om beroep aan te tekenen tegen een bijzonder plan van aanleg slechts een aanvang nadat de beide door voormelde bepalingen van het gecoördineerde decreet voorgeschreven bekendmakingen zijn gedaan. 2.6.
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het bestreden ministerieel besluit van 3 juni 2003 houdende de gedeeltelijke goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Veeweide” genaamd, van de stad Bree in het Belgisch Staatsblad van 24 juni 2003 bij uittreksel is bekendgemaakt. Voorts wordt niet betwist dat de eerste verwerende partij op 26 juni 2003 heeft bekendgemaakt dat het bestreden X-11.566-5/7 ministerieel besluit met bijhorende plannen en stedenbouwkundige voorschriften voor iedereen ter inzage lag in het gemeentehuis. Hieruit volgt dat de beide door het gecoördineerde decreet gestelde publiciteitsvoorwaarden op 26 juni 2003 waren vervuld, zodat de termijn voor het instellen van het beroep vanaf deze datum is beginnen lopen. Het beroep tot nietigverklaring is ingesteld op 5 september 2003, dit is na het verstrijken van de door artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalde termijn van 60 dagen. Het betoog van de verzoekende partijen dat “de publicatie bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad geenszins volstaat om op nuttige wijze kennis te nemen van het goedkeuringsbesluit”, doet aan voormelde conclusie geen afbreuk, nu de publicatie bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad het gehele dispositief van het bestreden besluit vermeldt en de verzoekende partijen door de ter inzagelegging van het plan op 26 juni 2003 sedert deze datum met de inhoud van de in het dispositief uitgesloten stedenbouwkundige voorschriften bekend konden en dienden te zijn. 2.6.
- De excepties zijn gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.566-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.566-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.739 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div