id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.745 Rolnummer: A. 134891/X-11347 Zaak: Arrest 193745 - Plannen van aanleg - 02/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:12 Fiche Arrest nr 193.745 van 2 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.745 van 2 juni 2009 in de zaak A. 134.891/X-11.347. In zake : Piet MARTENS, die woonplaats kiest bij advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : 1. de stad GENT, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Piet MARTENS op 1 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 januari 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Arbed Zuid” genaamd, van de stad Gent, bestaande uit een plan van de bestaande toestand en een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 januari 2003; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 16 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en de eerste verwerende partij; X-11.347-1/11 Gelet op de beschikking van 3 februari 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 27 februari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VAN AKEN, die loco advocaat I. LARMUSEAU verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat S. KEMPINAIRE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat K. DE MULDER, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoeker is eigenaar van een perceel met woonhuis, gelegen aan de Kerkstraat 225 te Gent, kadastraal bekend “Gent tweeëntwintigste afdeling, Gentbrugge tweede afdeling, volgens titel sectie B, nummer 288/G/10 en deel van nummer 288/K/11 (...) thans gekend ten kadaster sectie B nummer 288/G/12”. 1.2. Naast de eigendom van de verzoeker bevindt zich een onbebouwd perceel dat eigendom is van de firma TREILLARMÉ, maar dienst doet als tuinperceel bij de woning van de verzoeker. 1.3. Zowel de eigendom van de verzoeker als het belendende tuinperceel zijn volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, gelegen in woongebied. Beide percelen zijn eveneens gelegen binnen het beheersingsgebied van het bijzonder plan van aanleg “Sas en Bassijnwijk”, goedgekeurd bij besluit van 9 februari 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening. Overeenkomstig de bepalingen van dit bijzonder plan van aanleg zijn de beide percelen gelegen in een “Zone A voor X-11.347-2/11 woningen”, met als hoofdbestemming “woningen” en als toegelaten bestemming onder meer “gemeenschapsuitrusting op buurtniveau”. Op geen van beide percelen wordt door het bijzonder plan van aanleg “Sas en Bassijnwijk” in een zone voor “voetgangers- en fietsverbindingen” voorzien. 1.4. Aan de achterzijde grenzen het perceel van de verzoeker en het naastliggende tuinperceel aan het bestreden bijzonder plan van aanleg “Arbed Zuid”. Het bestreden plan voorziet in een bufferzone achter het perceel van de verzoeker en in een “zone voor gegroepeerde autostandplaatsen” achter het tuinperceel. Het plan voorziet tevens in een “voetgangers- en fietsersverbinding” die de zone voor gegroepeerde autostandplaatsen, over het tuinperceel heen, met de Kerkstraat beoogt te verbinden. 1.5. In een brief van 12 februari 2002 laat de afdeling Ruimtelijke Planning de eerste verwerende partij onder meer weten: “Het B.P.A. Arbed Zuid bevat aanduidingen voor de ontsluiting voor fietsers en voetgangers waarvoor wellicht ingrepen nodig zijn op plaatsen die niet in het plan begrepen zijn. Bijvoorbeeld de verbinding naar de Tertzweillaan onder de spoorweg en de doorgang naar de Kerkstraat. Wellicht is het mogelijk de betrokken percelen aan de Kerkstraat bijkomend in het B.P.A. op te nemen zodat er garanties zijn voor de ontsluiting”. 1.6. In een brief van 25 februari 2002 laat de gemachtigde ambtenaar van de afdeling ROHM Oost-Vlaanderen de eerste verwerende partij weten: “Uit de toelichting en volgens het bestemmingsplan worden op drie plaatsen een verbinding voorzien met de Kerkstraat en L. Van Houttestraat. Aangezien dit een verplichting van doorgang legt op enkele percelen, volgens het gewestplan gelegen in woongebied, is het aangewezen het plangebied uit te breiden met deze percelen”. 1.7. Op 22 april 2002 neemt de gemeenteraad van de stad Gent het ontwerp van het bestreden bijzonder plan van aanleg voorlopig aan. 1.8. Tijdens de fase van het openbaar onderzoek wordt onder andere door de verzoeker een bezwaarschrift ingediend. In dit bezwaarschrift stelt de verzoeker onder meer: “Op het bpa is een voetgangers- en fietsersverbinding gepland van de Kerkstraat naar de geplande ‘zone voor gegroepeerde autostandplaatsen’, waar X-11.347-3/11 nu het bedrijf Treillarmé gevestigd is. Die voetgangers- en fietsersverbinding loopt op het plan over een onbebouwd perceel tussen de Kerkstraat 225 (ons huis) en nummer 231. Dat perceel is echter al sinds de bouw van ons huis in 1953 in gebruik als tuin bij ons huis. Het perceel is momenteel nog eigendom van de firma Treillarmé, maar wij onderhandelen al geruime tijd met het bedrijf om deze grond in eigendom te verwerven. Dat betekent dus niet minder dan dat onze tuin moet plaats maken voor die weg. In onze tuin staan enkele oude en dus waardevolle bomen (omtrek tussen 1,75 en 3,10 meter). De tuin is aangelegd met een gazon, speeltuigen voor onze kinderen, een zandbak, een vijver en twee tuinhuisjes. Bovendien is er een alternatief voor deze doorgang: op minder dan 50 meter oostwaarts, in de richting van de spoorweg dus. Daar ligt een onbebouwd én ongebruikt perceel tussen het huis aan de Kerkstraat 217 en het volgende flatgebouw (...)”. 1.9. Op 27 augustus 2002 brengt de GECORO van de stad Gent een gunstig advies uit. Hierin concludeert zij niet in te gaan op het bezwaarschrift van de verzoeker. Het bezwaar wordt weerlegd als volgt: “Het BPA doet enkel uitspraken over het gebied binnen de begrenzing van het BPA. Enkel voor de duidelijkheid is deze pijl over de begrenzing heen getekend. De bestemming van dit betreffend perceel is juridisch vastgelegd in het BPA Sas en Bassinwijk. Dit laat naast een wenselijke bebouwing van dit perceel o.m. een semi-openbare fietsers- en voetgangersverbinding toe. Deze verbinding ter hoogte van de zone voor gegroepeerde autostandplaatsen is echter noodzakelijk om deze zone, en de achterliggende nieuw te creëren woonstraat, op een zo direct en zo kort mogelijke manier te verbinden met de Kerkstraat. Met het aangegeven alternatief 50 m. verderop wordt de zone voor gegroepeerd parkeren minder vlot toegankelijk wat het gebruik er van niet zal bevorderen. Op plan is de structuur van voetgangers- en fietsersverbindingen getekend, waarbij deze aanduidingen slechts richtinggevend zijn. Afwijkingen, evenwel beperkt, t.o.v. dit tracé zijn mogelijk. Aldus moet het bovendien ook mogelijk zijn om op een beperkte breedte deze verbinding te realiseren met een ev. gedeeltelijk behoud van de tuin”. 1.10. Op 23 september 2002 neemt de gemeenteraad van de stad Gent het ontwerp van het bijzonder plan van aanleg “Arbed Zuid” definitief aan. 1.11. Op 21 november 2002 brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een gunstig advies uit. Op 2 december 2002 brengt de afdeling ROHM Oost-Vlaanderen een gunstig advies uit, waarin onder meer wordt gesteld: “Aan de grenzen van het plan worden op drie plaatsen voetgangers en fietsersverbindingen voorzien naar aangrenzende straten. Deze verbindingen zijn evenwel niet opgenomen in het aangrenzende BPA Sas en Bassijnwijk. Ze X-11.347-4/11 zijn bijgevolg niet afdwingbaar. Dit gegeven is echter geen essentieel element voor de realiseerbaarheid van het plan”. 1.12. Bij het bestreden besluit van 16 januari 2003 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 januari 2003, wordt het bijzonder plan van aanleg “Arbed Zuid” van de stad Gent goedgekeurd. 2. Ontvankelijkheid 2.1. Standpunt van de partijen 2.1.1. Anticiperend op een exceptie van onontvankelijkheid betoogt de verzoeker met betrekking tot zijn belang bij het beroep onder meer het volgende: “(...) De verzoekende partij is eigenaar van een woning aan de Kerkstraat 25 te Gent. Sinds de jaren ’50 heeft het aanpalende, onbebouwde tuinperceel langs de Kerkstraat ononderbroken een integrerend deel uitgemaakt van dit woonperceel, hetgeen - zoals gezegd - voor de verzoekende partij en zijn gezin dé reden vormde om tot aankoop van deze eigendom over te gaan. Ingevolge het thans bestreden, ‘aanpalende’ BPA Arbed Zuid zou over dit tuinperceel een voetgangers- en fietsersverbinding worden gerealiseerd. Enerzijds wordt in het door de Vlaamse minister goedgekeurde gemeenteraadsbesluit dd. 23 september 2002 en in de stedenbouwkundige voorschriften bij dit BPA aangegeven dat die verbinding noodzakelijk is voor de werking van het BPA, inzonderheid voor het gebruik van de zone voor gegroepeerde autostandplaatsen, terwijl hierover anderzijds geen enkele rechtszekerheid wordt geboden, nu deze aanduiding van deze voetgangers- en fietsersverbinding op het bij het BPA gevoegde bestemmingsplan slechts een indicatieve waarde lijkt te hebben en het dus evenmin duidelijk is of deze verbinding er ook daadwerkelijk zal komen (temeer het verlengde ervan, gelegen in het BPA Sas en Bassijnwijk (...), evenmin een tracé-aanduiding of onteigeningsplan bevat (...)) en zo ja, waar die verbindingsweg dan wel zou worden aangelegd, hoe breed deze zal zijn en op welke wijze de privacy van de verzoekende partij en zijn gezin zal worden gewaarborgd (cfr. eerste middel). Het staat dan ook vast dat de verzoekende partij - bij al die onduidelijkheid - zonder twijfel kan doen blijken van het rechtens vereiste belang. Ten aanzien van de mogelijke rechtstreekse impact van deze verbinding op het bij zijn woning horende tuinperceel, wordt dit belang zo niet op een verkrijgende verjaring (cfr. bestaande toestand sinds de jaren ’50), dan minstens op een overeenkomst van gebruik ter bede (mits uitvoering van gewone onderhoudswerken aan en in de tuin) gesteund. En zelfs mocht hierover door de verwerende partij(
- en)enige contestatie worden gevoerd, dan nog zal deze niet door uw Raad kunnen worden aangenomen, nu de verzoekende partij ook als eigenaar en bewoner van de naastgelegen woning aan de Kerkstraat 225 te Gent over voldoende belang beschikt. X-11.347-5/11 Immers, de aanleg van een verbindingsweg naar een parkeerplaats, waarvan thans geenszins duidelijk is waar het eventuele tracé zou worden aangelegd (vlak naast het woonperceel ?), zal hoe dan ook een belangrijke negatieve impact hebben op diens woonkwaliteit (op het perceel met huis nr. 225), dit niet alleen omwille van de gevolgen ervan op de privacy (permanente af- en aanrijden/wandelen van fietsers/voetgangers), maar ook door - het te verwachten nachtlawaai (cfr. geschikte, want ‘verdoken’ ontmoetingsplaats voor jongeren), - het verlies van het uitzicht op een zeer waardevolle tuin, nu er hoe dan ook een afsluiting langsheen de verbindingsweg zal moeten worden geplaatst ter beveiliging van de eigendom van de verzoekende partij, - de vernietiging, minstens aantasting van een mooi stukje groen in deze omgeving, waarop inzonderheid de bewoners van het huis nr. 225 sinds begin jaren ’50 aanspraak hebben gemaakt en dat ingevolge het BPA Sas en Bassinwijk ook als dusdanig is beschermd (cfr. ‘klasse 3 voor tuinstrook en binnenkern’, één van de zones die in het stedelijk gebied van Gent (vgl. met andere BPA’
- s)de hoogste bescherming genieten), zodat het ‘doorkruisen’ van deze beschermde groenzone (met een verharding, met afsluitingen) ontegensprekelijk een belangrijke negatieve invloed zal hebben op de woonkwaliteit van de verzoekende partij en zijn gezin, dit temeer in de stedenbouwkundige voorschriften zelfs wordt voorzien dat deze verbindingsweg tevens voor hulpdiensten (bvb. brandweer) bruikbaar moet zijn, hetgeen een 4 à 5 m brede wegzate laat vermoeden. In die zin doet de verzoekende partij aldus evident van het rechtens vereiste belang blijken om tegen het bestreden besluit op te komen. Nog dit. Het is de verzoekende partij niet te doen om de door de stad Gent voorgestelde reconversie van de globale voormalige Trefil Arbed-site te dwarsbomen. Evenmin wenst hij zich onredelijk op te stellen. Echter, talrijke vragen tot verduidelijking aan de stad Gent bleven tot op heden onbeantwoord. Om die reden ziet de verzoekende partij zich door de opmaak van dit BPA, waarvan de betrokken zone voor gegroepeerde autostandplaatsen en de al dan niet indicatieve voetgangers- en fietsersverbinding integrerend deel uitmaakt, geconfronteerd met een toestand van absolute rechtsonzekerheid”. 2.1.2. De eerste verwerende partij werpt een exceptie ratione personae op, gestoeld op het gemis aan belang in hoofde van de verzoeker. Zij zet deze exceptie als volgt uiteen: “(...) De verzoekende partij heeft geen belang i.v.m. gronden gelegen binnen de grenzen van het bestreden bijzonder plan van aanleg., verzoekende partij moet aantonen welk(...) belang ze dan wel heeft (...). Verzoekende partij meent zijn belang te kunnen aantonen door voor te houden dat hij eigenaar is van de woning gelegen te 9050 Gent, Kerkstraat 225 (een aanpalend(...) perceel van het bestreden BPA), verzoekende partij legt echter geen bewijs voor dat hij eigenaar zou zijn. Verzoekende partij meent dat hij zijn belang ook kan aantonen omdat naast zijn woning een tuinstrook ligt (ook buiten het bestreden BPA) die hij zou gebruiken en die een eenheid zou vormen met zijn woning. Verzoekende partij heeft dus toe dat hij m.b.t. de tuinstrook geen zakelijk recht doch stelt dat hij dit zou gebruiken. Deze tuinstrook ligt eveneens zoals de woning in een ander BPA zijnde het BPA nr. G-18 Sas en Bassijnwijk. X-11.347-6/11 Volgens het BPA nr. G-18 Sas en Bassijnwijk is de woning en de tuinstrook gelegen in een zone A voor wonen. M.b.t. tot die tuinstrook blijft verzoekende partij volledig in gebreke enige bewijs over te maken waaruit blijkt dat hij een gebruiksrecht zou hebben. Het gaat over een zogenaamd(...) gebruik(...) doch er wordt geen enkel bewijs overgemaakt van enig recht. De verzoekende partij die geen houder is van een zakelijk recht doet geenszins blijken van een rechtstreeks en vaststaand belang (...). Verzoekende partij bewijst zijn belang dus niet. 4.2 In subsidiaire orde. Indien uw Raad zou oordelen dat verzoekende partij een zakelijk recht m.b.t. de woning en de tuinstrook heeft (gelegen buiten het bestreden BPA) dan moet verzoekende partij aantonen dat hij welk rechtstreeks en persoonlijk belang heeft bij de vernietiging van het bestreden BPA. (...). (...) Hierna zal blijken dat door verzoekende partij veel wordt beweerd doch dat er niets bewezen wordt. Op pagina 8. punt 3 wordt door verzoekende partij het volgende overwogen: ‘evenmin wordt aangegeven of en op welke wijze deze verbindingsweg buiten de perimeter van het bestreden BPA zal worden gerealiseerd, nu er ook in het aanpalende BPA Sas en Bassijnwijk, waarin het tuinperceel van de verzoekende partij is gelegen, evenmin enige aanduiding is terug te vinden waar een eventuele verbindingsweg (in een prioritair beschermde zone voor tuinstrook en binnenkern ?) zou kunnen worden aangelegd;’ Uit deze overweging blijkt duidelijk dat verzoekende partij geen enkel belang heeft bij de annulatie van het aanpalende BPA Arbed Zuid. Verzoekende partij meent de volgende belangen te kunnen inroepen. 4.2.1 Negatieve impact op de woonkwaliteit. De bedreiging van de rust van het woongebied is puur hypothetisch (...). Verzoekende partij bewijst niets. Bovendien kan verzoekende partij moeilijk voor(...)houden dat de nieuwe toestand een verslechtering is in vergelijking met de oude toestand (industriegebied). In tegendeel de toestand van verzoekende partij wordt zelfs beter. Verzoekende partij bewijst zijn belang niet. 4.2.2 Het te verwachten nachtlawaai. Verzoekende partij gaat uit van de veronderstelling dat er sprake zal zijn van nachtlawaai omdat parkeerplaatsen ontmoetingsplaatsen zouden zijn van jongeren. Dit is een louter hypothese die door niets bewezen wordt. Wanneer dit toch zou gebeuren kan er opgetreden worden door de politie. (...). De lawaaioverlast is niet bewezen minstens kan zo het nodig mocht blijken door de verzoekende partij het eventueel nog bestreden worden bij de burgerlijke rechtbank of strafrechter. Verzoekende partij bewijst zijn belang niet. 4.2.3 Verlies van het uitzicht op een zeer waardevolle tuin. Het bestreden BPA gaat niet over de zogenaamde waardevolle tuin waarvan verzoekende partij zou gebruik (...) maken (wat echter niet bewezen wordt - zie hiervoor). Het bestreden BPA wijzigt niets aan de zogenaamde waardevolle tuin die bovendien volgens het BPA waarin het wel ligt (nr. G -18 Sas en Bassijnwijk) gelegen is in een zone A woongebied. De tuin is dus zeker niet beschermd en ingevolge het BPA waarin het ligt kan er aan deze tuin een andere bestemming gegeven worden. X-11.347-7/11 Verzoekende partij bewijst zijn belang niet. 4.2.4 Het zogenaamde voordeel van verzoekende partij bij een vernietiging. Uit hetgeen voorafgaat en hierna blijkt duidelijk dat verzoekende partij ook geen enkel voordeel heeft bij de vernietiging van het bestreden BPA. Indien de verzoekende partij geen voordeel heeft, heeft de verzoekende partij ook geen belang. (...). De nieuwe toestand is een verbetering van de bestaande toestand. In het gewestplan was het gebied een industriegebied (bestaande toestand). In het bestreden BPA wordt de situatie voor verzoekende partij alleen maar verbeterd door duidelijk de zones te omschrijven en in te vullen en door de zware industrie uit te sluiten. Zo er al sprake zou (zijn) van eventuele nadelen van verzoekende partij dan bestonden deze nadelen al en zijn deze zeker niet het gevolg van de bestreden BPA. Verzoekende partij moet aantonen dat zijn eventuele nadelen voortvloeien uit de uitvoering van de bestreden akte (...). In casu wordt dit dus niet bewezen. Verzoekende partij toont zijn belang dus niet aan”. 2.1.3. De tweede verwerende partij werpt eveneens een exceptie van onontvankelijkheid op, gestoeld op het gemis aan belang in hoofde van de verzoeker. Zij zet deze exceptie uiteen als volgt: “Verzoekende partij is eigenaar en bewoner van een woning aan de Kerkstraat 225 te 9050 Gent-Ledeberg. Deze eigendom maakt deel uit van het BPA nr. G-18 Sas en Bassijnwijk, gelegen in de zone A voor wonen. Verzoekende partij gebruikt uit loutere gedoogzaamheid het naastliggend perceel als tuinperceel, dat volgens het BPA nr. G-18 Sas en Bassijnwijk deels gelegen is (
- in)een zone klasse 3 voor tuinstrook en binnenkern. Verzoekende partij is geen eigenaar van deze tuinstrook. Beide genoemde percelen maken derhalve geen deel uit van het BPA ‘Arbed-Zuid’. Verzoekende partij omschrijft evenwel haar belang bij een annulatieberoep tegen het aanpalende BPA Arbed-Zuid met de stelling dat over het naastliggend en door haar gebruikte tuinperceel volgens het BPA Arbed-Zuid een ‘voetgangers- en fietsersverbinding zou worden gerealiseerd’. (...) Het BPA ‘Arbed-Zuid’ kan slechts uitspraken doen over het gebied binnen de begrenzing van dit BPA. De bestemming van de eigendom van verzoekende partij en de naastliggende tuinstrook, die niet tot haar eigendom behoort, is juridisch vastgelegd in het BPA G-18 Sas en Bassijnwijk. Volgens dit BPA zou op de naastliggende tuinstrook, naast een wenselijke bebouwing op dit perceel, ondermeer een semi-openbare fietsers- en voetgangersverbinding worden toegelaten. (...) Een eventuele vernietiging van dit BPA ‘Arbed-Zuid’ kan verzoekende partij geen voordeel verschaffen nu de bestemming en de stedenbouwkundige voorschriften van het naastliggend perceel, gebruikt als tuinstrook, hierdoor geenszins zou gewijzigd worden. Naast een wenselijke bebouwing blijft een fietsers- en voetgangersverbinding voorzien. Verzoekende partij beschikt dan ook niet over het rechtens vereiste belang voor een verzoek tot nietigverklaring van het BPA ‘Arbed-Zuid’”. X-11.347-8/11 2.1.4. In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker met betrekking tot het belang: “(...) geen van de verwerende partijen betwist dat de eigendom van de verzoekende partij rechtstreeks paalt aan het BPA-gebied, dat het voorwerp van huidige procedure uitmaakt. Alleen al dit feit maakt dat de verzoekende partij kan bogen op een voldoende rechtstreeks, actueel en persoonlijk belang. (...) In tegenstelling tot wat de verwerende partijen beweren, kan de verzoekende partij wel degelijk een voordeel uit een nietigverklaring halen. Bij een gebeurlijke vernietiging wordt de bestreden beslissing immers uit het rechtsverkeer verwijderd. De verzoekende partij heeft hierbij vast en zeker belang, nu deze onmogelijk kan leven met de door het bestreden BPA gecreëerde onzekerheid, nu dit aanpalende BPA aangeeft dat over het kwestieuze tuinperceel een voetgangers- en fietsersverbinding zou worden gerealiseerd waarbij deze aanduiding op het bestemmingsplan ‘slechts richtinggevend’ zou zijn, terwijl zowel de stedenbouwkundige voorschriften bij dit BPA als het door de Vlaamse Minister goedgekeurde gemeenteraadsbesluit dd. 23 september 2002 aangeven dat die verbinding daarentegen noodzakelijk is voor de werking van het voormelde BPA. Voorgaande plannen en voorschriften geven op onomstotelijke wijze duidelijk aan dat het BPA ‘Arbed - Zuid’, ook buiten zijn perimeter rechtsgevolgen teweeg brengt (zal brengen), meer specifiek voor wat het kwestieuze tuinperceel dan wel de woning van verzoekende partij betreft. De aangevoerde excepties kunnen geenszins worden aangenomen. De verzoekende partij beschikt kennelijk over het rechtens vereiste belang”. 2.2. Beoordeling Er dient te worden vastgesteld dat het door de verzoeker gebruikte tuinperceel volledig is gelegen buiten het beheersingsgebied van het bestreden bijzonder plan van aanleg “Arbed Zuid”. Het betrokken perceel is daarentegen volledig gelegen binnen het beheersingsgebied van het bijzonder plan van aanleg “Sas en Bassijnwijk”. Het op het betrokken tuinperceel van toepassing zijnde bijzonder plan van aanleg voorziet niet in een “voetgangers- en fietsverbinding” op het kwestieuze tuinperceel, ook al is een dergelijk bestemmingsvoorschrift uitdrukkelijk voorzien in dat bijzonder plan van aanleg. Om die reden kan het bijzonder plan van aanleg “Sas en Bassijnwijk” geen rechtsgrond bieden voor de realisatie van een voetgangers- en fietsersverbinding op het betrokken tuinperceel. Waar de tweede verwerende partij van oordeel is dat volgens het bijzonder plan van aanleg “Sas en Bassijnwijk” op het desbetreffende tuinperceel een “semi-openbare fietsers- en voetgangersverbinding” zou kunnen worden toegelaten, kan deze stelling niet worden aangenomen. De eerste verwerende partij meent de rechtsgrond voor de realisatie van een dergelijke verbinding te kunnen X-11.347-9/11 vinden in het voorschrift van het bijzonder plan van aanleg “Sas en Bassijnwijk” luidens hetwelk het tuinperceel tot een “zone A voor woningen” behoort, waar naast de hoofdbestemming “woningen” onder meer ook de bestemming “gemeenschapsuitrusting op buurtniveau” is toegelaten. Deze interpretatie kan niet worden gevolgd. Aangezien het bijzonder plan van aanleg “Sas en Bassijnwijk” de “voetgangers- en fietsverbinding” uitdrukkelijk op een andere plaats voorziet, is die verbinding enkel aldaar toelaatbaar. Anderzijds biedt het bestreden bijzonder plan van aanleg “Arbed Zuid” geen rechtsgrond om een voetgangers- en fietsersverbinding op het kwestieuze tuinperceel te realiseren, aangezien het perceel gelegen is buiten het beheersingsgebied van het bestreden bijzonder plan van aanleg, terwijl een bijzonder plan van aanleg slechts een verordenende kracht heeft binnen de grenzen van dit plan. Doordat het in het beheersingsgebied van het bijzonder plan van aanleg “Sas en Bassijnwijk” gelegen tuinperceel niet is betrokken in de planningsprocedure van het bestreden bijzonder plan van aanleg “Arbed Zuid”, is bijgevolg de realisatie van een voetgangers- en fietsersverbinding tussen de in het bestreden bijzonder plan van aanleg gelegen “zone voor gegroepeerde autostandplaatsen” en de in het beheersingsgebied van het bijzonder plan van aanleg “Sas en Bassijnwijk” gelegen Kerkstraat in rechte niet mogelijk. De eerste verwerende partij treedt deze zienswijze in haar laatste memorie uitdrukkelijk bij. Vermits de verzoeker zijn nadeel uitsluitend op de aanleg van die verbinding en de gevolgen daarvan ent, berokkent het bestreden bijzonder plan van aanleg hem geen nadeel, terwijl de vernietiging van het bijzonder plan van aanleg hem evenmin een rechtstreeks voordeel vermag op te leveren. De voormelde vaststelling volstaat om te besluiten tot een gemis aan belang in hoofde van de verzoeker. Bijgevolg zijn de excepties gegrond en is het beroep onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. X-11.347-10/11 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-11.347-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.745 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div