id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.776 Rolnummer: Zaak: Arrest 193776 - Plannen van aanleg - 03/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:12 Fiche Arrest nr 193.776 van 3 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.776 van 3 juni 2009 in de zaken A. 134.492/X-11.336 (I) A. 134.493/X-11.337 (II) I. In zake : de c.v.b.a. METALUNION, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus 3, 2. de stad VILVOORDE. II. In zake : de n.v. SOBEMETAL, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus 3, 2. de stad VILVOORDE. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v.b.a. METALUNION op 24 maart 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 januari 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, houdende goedkeuring van “het bijgaand bijzonder plan van aanleg nr. 48.2 ‘Achter Mima’ genaamd, van de stad Vilvoorde, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 januari 2003, en bij samenhang, het besluit van X-11.336-11.337-1/19 7 oktober 2002 van de gemeenteraad van Vilvoorde houdende definitieve aanname van voornoemd bijzonder plan van aanleg (zaak A. 134.492); Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SOBEMETAL op 24 maart 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 januari 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, houdende goedkeuring van “het bijgaand bijzonder plan van aanleg nr. 48.2 ‘Achter Mima’ genaamd, van de stad Vilvoorde, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 januari 2003, en bij samenhang, het besluit van 7 oktober 2002 van de gemeenteraad van Vilvoorde houdende definitieve aanname van voornoemd bijzonder plan van aanleg (zaak A. 134.493); Gelet op het arrest nr. 129.035 van 10 maart 2004 in de zaak A. 134.492 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting in de zaak A. 134.492, op 15 april 2004 ingediend door de c.v.b.a. METALUNION; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij, de memorie van wederantwoord ten aanzien van de eerste verwerende partij en de toelichtende memorie ten aanzien van de tweede verwerende partij in de zaak A. 134.492; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in de zaak A. 134.493; Gezien de verslagen opgemaakt door adjunct-auditeur S. DE TAEYE in de beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 13 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast in de beide zaken; X-11.336-11.337-2/19 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij en de laatste memorie van de tweede verwerende partij in de zaak 134.492; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij en van de laatste memorie van de tweede verwerende partij in de zaak 134.493; Gelet op de beschikkingen van 21 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS in de beide zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GHYSELS, die in de beide zaken verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat F. van DIEVOET, die in de beide zaken loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat K. VAN ALSENOY, die in de beide zaken verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL in de beide zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging De twee beroepen zijn dermate verknocht dat het in het raam van een goede rechtsbedeling past de twee zaken samen te voegen. 2. Feiten 2.1. De verzoekende partij in de zaak gekend onder het nummer A. 134.492/X-11.336 is eigenares van een grond met gebouwen gelegen te Vilvoorde, Luchthavenlaan 21-23, kadastraal bekend sectie H, nr. 57/p. X-11.336-11.337-3/19 De verzoekende partij in de zaak gekend onder het nummer A. 134.493/X-11.337 is eigenares van een grond met gebouwen gelegen te Vilvoorde, Luchthavenlaan nr. 23a en b en Fabriekstraat nr. 85, kadastraal bekend onder sectie H, nrs. 54/t, 54/v, 57/m en 57/n. Die eigendommen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in industriegebied en zijn tevens gelegen binnen het beheersingsgebied van het bij koninklijk besluit van 31 maart 1967 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) nr. 48 “Achter Mima” genaamd, van de stad Vilvoorde, met als bestemming “nijverheidszone” waarvan de stedenbouwkundige voorschriften als volgt luiden: “Zone voorbehouden aan alle nijverheden behalve degene die van aard zijn schadelijke uitwasemingen te verwekken voor de andere zones; de openbare instellingen zijn er toegelaten. Zijn enkel toegelaten de woonhuizen ten bate van het bestuur en bewakers van personeel van de nijverheidsinstellingen alsook het personeel waarvan de aanwezigheid ter plaatse noodzakelijk is met een maximum van een woning per hectare van industriële zone. Bij uitzondering zijn in deze zone de materialen zoals asbest, cement, assebeton en beton toegelaten”. 2.2. Bij ministerieel besluit van 24 mei 1996 wordt het plan tot wijziging van het voornoemde BPA goedgekeurd, waarbij onder meer de bestemming “nijverheidszone” wordt gewijzigd in “multifunctionele industriezone”. De respectieve eigendommen van de voormelde verzoekende partijen worden bestemd tot “multifunctionele industriezone nivo 2”. De stedenbouwkundige voorschriften (artikel 2.13) voor deze zone bepalen wat volgt: “Deze zone is voorbehouden voor het oprichten van gebouwen en constructies, welke enerzijds behoren tot een normale uitrusting van de industriezone, zoals gesteld in artikel 7 punt 2.0. van het KB van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen, met uitsluiting van vervuilende en/of milieubelastende industrieën en anderzijds behoren tot een polyvalent business- en handelscentrum - grootwinkelbedrijven uitgesloten - met daaraan gekoppelde noodwendige nevenbestemmingen, zoals hotelaccomodatie, activiteiten in de secundaire en tertiaire sektoren, high-tech bedrijvigheden, alsmede handel en dienstverlenende instellingen, kantoren en personeelsaccomodaties. De commerciële activiteiten worden beperkt tot deze, waarvan de netto verkoopsoppervlakte (oppervlakte bestemd voor de verkoop en toegankelijk voor het publiek) niet meer bedraagt dan 300 m², behoudens zij gekoppeld zijn aan de productie ter plaatse waarvan de productieoppervlakte minimaal de helft van de bebouwde oppervlakte bedraagt”. X-11.336-11.337-4/19 Het ministerieel besluit van 24 mei 1996 motiveert de bestemmingswijziging als volgt: “Overwegende dat ten opzichte van de afwijking waarbij het industriegebied wordt omgevormd tot multifunctionele woonzone de motivering kan bijgetreden worden; dat de bestaande bestemming van het gewestplan, nl. industriegebied, immers als achterhaald kan beschouwd worden gelet op het feit dat dit plangebied onmiddellijk aansluit bij een tot woongebied bestemd gebied en zeer dicht aansluit bij het stadscentrum; dat de voorgestelde wijziging van de bestemming perfect aansluit bij de hedendaagse planologische inzichten die een vermenging van functies voorstaan, eerder dan de in de jaren ‘60 gepropageerde uiteenlegging van functies. (...) Overwegende dat ten opzichte van de voorgestelde bestemmingswijziging naar multifunctionele industriezone waar onder meer ook handelsvestigingen worden toegelaten, met betrekking tot het achterhaald zijn van de bestaande bestemming industriegebied op dezelfde wijze als hierboven kan geargumenteerd worden; dat de voorgestelde nieuwe bestemming hier kan aanzien worden als een totaaloplossing voor het specifieke probleem dat werd gecreëerd door het teloorgegane bedrijf DELACRE; dat de in de bij het dossier toegevoegde motivatienota opgenomen argumentatie kan bijgetreden worden waarbij onder meer wordt gesteld dat een nieuwe ontwikkeling van een zware industriële activiteit op deze locatie uitermate als ongewenst wordt ervaren; dat ten nadele van deze bestemming eventueel kan ingebracht worden dat daarbij weinig wordt ingespeeld op de potenties die de onmiddellijke nabijheid van het station genereert, doch dat anderzijds dient opgemerkt dat het binnen de stadskern houden van dergelijke omvangrijke handelsfuncties dan weer is te verkiezen boven de hedendaagse ongebreidelde uitzaaiing van dergelijke functies naar de stadsranden meestal ten nadele van de open ruimte; dat ook hier gesteld kan worden dat het gehalte van de schaal van de afwijking dermate is dat deze problematiek kan geregeld worden via een bijzonder plan van aanleg”. 2.3. De gemeenteraad van Vilvoorde beslist in zitting van 1 december 1998 om een verzoek tot herziening van het BPA nr. 48 “Achter Mima” in te dienen. Bij ministerieel besluit van 6 mei 1999 wordt beslist dat het BPA volledig dient te worden herzien. De gemeenteraad van Vilvoorde beslist vervolgens, in zitting van 17 juni 2002, tot de voorlopige aanvaarding van het ontwerp BPA nr. 48.2 “Achter Mima”. Daarbij wordt de voormelde eigendom van de verzoekende partij in de zaak gekend onder het nummer A. 134.492/X-11.336 bestemd tot een “zone voor kantoren en diensten met complementaire activiteiten”. Wat betreft de verzoekende partij in de zaak gekend onder het nummer A. 134.493/X-11.337 geldt hetzelfde inzake haar bedrijfsgebouwen die zijn gelegen aan de Luchthavenlaan nr. 23a en b en die kadastraal bekend zijn onder sectie H, nrs. 57/m en 57/n - respectievelijk leegstaand (57/
- m)en door een groothandel in tabakswaren gebruikt X-11.336-11.337-5/19 als opslagplaats en een klein deel voor kantoren (57/n). De stedenbouwkundige voorschriften voor deze zone (artikel 18) bepalen wat volgt: “Kantoren, high-tech bedrijvigheid, dienstverlenende instellingen, horeca en hotelaccomodatie. De commerciële activiteiten worden beperkt tot deze, waarvan de netto-verkoopsoppervlakte (oppervlakte bestemd voor de verkoop en toegankelijk voor het publiek) niet meer bedraagt dan 400 m². De commerciële activiteiten kunnen enkel worden toegelaten voor zover deze niet concurrentieel zijn met gelijkaardige binnen de stadskern en woonwijken. Het gaat hier over winkels, winkelservices, horecavoorzieningen, garages en dergelijke, polyvalent business- en handelscentrum met daaraan gekoppelde nevenbestemmingen. Deze nevenactiviteiten dienen hoofdzakelijk kleinschalig van aard te zijn. Opslag en zeer beperkte productie worden toegelaten wanneer deze activiteiten een duidelijk ondergeschikte functie hebben (max. 30% van de totale vloeroppervlakte) ten aanzien van de kantoorfunctie. Grootwinkels zijn niet toegestaan. Openbare en semi-openbare instellingen zijn eveneens toegelaten. Geen afvalstoffen noch grondstoffen, niet-afgewerkte en afgewerkte producten mogen gestort of gestapeld worden in open lucht”. De eigendom van de verzoekende partij in de zaak gekend onder het nummer A. 134.493/X-11.337, die is gelegen aan de Fabriekstraat 85, kadastraal bekend sectie H, nrs. 54/v en 54/t en die momenteel wordt gebruikt voor de opslag van stalen platen, stalen buizen en betonnetten, wordt bestemd tot “multifunctionele economische zone”. Het stedenbouwkundig bestemmingsvoorschrift voor deze zone (artikel 16.1) bepaalt het volgende: “Kantoren, high-tech bedrijvigheid, dienstverlenende instellingen, industriële of ambachtelijke bedrijven, horeca en hotelaccomodatie. De commerciële activiteiten worden beperkt tot deze, waarvan de netto- verkoopsoppervlakte (oppervlakte bestemd voor de verkoop en toegankelijk voor het publiek) niet meer bedraagt dan 300 m². De commerciële activiteiten kunnen enkel worden toegelaten voor zover deze niet concurrentieel zijn met gelijkaardige binnen de stadskern en woonwijken. De industriële of ambachtelijke bedrijven zijn toegelaten in functie van de economische continuïteit van de bestaande bedrijven binnen desbetreffende zone. Openbare en semi-openbare instellingen zijn eveneens toegelaten. Woongelegenheden met de beperking van één per bedrijf, zijn toegelaten voor zover (
- ze)gebruikt worden door het besturend en/of bewakend personeel waarvan de aanwezigheid tot de strikte noodzakelijkheid behoort. Inrichtingen met opslagruimte voor gebruikte voertuigen, voertuigwrakken en/of schroot, zoals bedoeld in artikel 99 van de wet van 18 mei 1999, houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd en aangevuld zoals tot op heden, worden niet toegelaten. De constructies welke noodzakelijk zouden zijn voor de nutsvoorzieningen mogen: - ofwel ondergronds voorzien worden; - ofwel geïntegreerd in een industrieel gebouw; - ofwel afzonderlijk van de gebouwen worden opgetrokken. X-11.336-11.337-6/19 De gebouwen die zouden bestemd worden voor opslag, steeds behorend bij een hoofdgebouw met een andere bestemming dan opslag dewelke in deze zone kan worden toegelaten, dienen beperkt te blijven tot maximum 80 % van de betrokken toegelaten bebouwbare oppervlakte per perceel of gevormd perceel”. 2.4. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 15 juli 2002 tot en met 14 augustus 2002, worden twee bezwaarschriften ingediend, waaronder één gezamenlijk bezwaarschrift op verzoek van onder andere de c.v.b.a. METALUNION en de n.v. SOBEMETAL. 2.5. De gemeentelijke commissie voor Ruimtelijke Ordening heeft in vergadering van 20 september 2002 de ingediende bezwaren onderzocht. 2.6. De gemeenteraad van Vilvoorde heeft in zijn zitting van 7 oktober 2002 de ingediende bezwaren verworpen en het BPA nr. 48.2 “Achter Mima” genaamd, definitief aanvaard. Dit is het tweede bestreden besluit in de beide zaken. 2.7. De Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening heeft bij het besluit van 7 januari 2003 het bijgaand BPA nr. 48.2 “Achter Mima” genaamd, van de stad Vilvoorde, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan, goedgekeurd. Dit is het eerste bestreden besluit in de beide zaken. Dit besluit is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse het plangebied van het bijzonder plan van aanleg nr. 48.2 ‘Achter Mima’ bestemd als woongebied met bijzondere voorzieningen, als industriegebied, als gebied voor openbare nuts- en gemeenschapsvoorzieningen en als buffergebied; Overwegende dat het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen delen van de gemeente stad Vilvoorde legt binnen het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel; dat Vilvoorde beschikt over een, zeer goed uitgeruste stedelijke kern met een uitrustings- en verzorgingsniveau ten aanzien van de omgeving die te vergelijken is met een goed uitgeruste kleine stad; dat de ontwikkelingsperspectieven voor zo’n stedelijk gebied onder meer uitgaan van het uitbouwen van de troeven van het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel op specifieke locaties tussen Groot-Bijgaarden en Zaventem, van het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid via verdichting in bestaande bedrijvenzones en van het optimaliseren van de bestaande wegeninfrastructuur zonder aanleg van bijkomende automobiliteits-genererende wegen; Overwegende dat luidens het ontwerp gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Vilvoorde, in opmaak krachtens artikel 33 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en wijzigingen, de stad streeft naar het verder saneren van de bestaande bedrijventerreinen, het uitbouwen van de site Luchthavenlaan als een arbeidsintensieve site van kantoren en complementaire diensten en bedrijvigheid, het verbinden van het X-11.336-11.337-7/19 station via een snelle openbaar vervoerslijn op bovenlokaal niveau en het opwaarderen van de Trawoolbeek als groenstructuur om een aangenaam vestigingsklimaat te creëren; Overwegende dat dit bijzonder plan van aanleg de reconversie van het bestaande bedrijventerrein van traditionele industrie naar arbeidsintensieve kantoren en diensten stimuleert; dat het plan uitdrukkelijk inspeelt op de grote vraag van luchthavengerelateerde bedrijven en diensten naar een locatie in de omgeving van de luchthaven; dat de Trawoolbeek geherwaardeerd wordt om tot een aangenamer vestigingsklimaat te komen; dat het voorstel de troeven van het Vlaams stedelijk gebied op deze bestaande locatie uitspeelt; Overwegende dat het bijzonder plan van aanleg geen uitbreiding van de locatie voorziet doch wel streeft naar een optimaler ruimtegebruik en uitdrukkelijk arbeidsintensieve bedrijven wenst aan te trekken; dat nieuwe bedrijven dus vestigingslocaties krijgen via verdichting van de site; dat een vorm van specialisatie wordt ingevoerd gelet op het algemeen luchthavengerelateerd karakter van nieuwe bedrijvigheid; dat verder de aanleg van nieuwe busbanen voorzien zijn binnen het openbaar domein van bestaande wegen; dat de aanleg van nieuwe wegen enkel interne ontsluiting betreft en geen nieuwe mobiliteit genereert; dat het voorstel uitvoering geeft aan de opties van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en aan de opties van het (voorontwerp) van gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Vilvoorde; Overwegende dat het afwijkend karakter van het bijzonder plan van aanleg zijn steun vindt in artikel 14 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 en wijzigingen; dat de ruimtelijke afweging gebeurde conform de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”. 3. Ontvankelijkheid van het beroep gekend onder het nummer A. 134.492/X-11.336 3.1.1. In haar memorie van antwoord werpt de eerste verwerende partij op dat de vordering tot nietigverklaring niet ontvankelijk is wegens schending van artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen (hierna: KBO-wet) en wegens schending van artikel 2, §1, 1/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State (hierna: algemene procedureregeling). Ze zet uiteen dat artikel 14 van de KBO-wet is geschonden omdat “de verzoekende partij geen melding maakt van het ondernemingsnummer in (haar) verzoekschrift tot nietigverklaring, noch de juiste vermelding geeft van de plaats van vestiging van de maatschappelijke zetel of inschrijving in het handelsregister”, terwijl “in een procedure voor de Raad van State (...) een rechtspersoon, die een handelswerkzaamheid uitoefent in het rechtsgebied van een Rechtbank van Koophandel, melding (moet) maken van het ondernemingsnummer en de correcte maatschappelijke zetel in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring”. Daarbij voert ze X-11.336-11.337-8/19 vooreerst aan, met verwijzing naar de “historiek (van
- de)referentiedatabank rechtspersonen en (
- de)akte in digitale versie (die
- is)neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel te Dendermonde op 19.11.2003”, dat “de maatschappelijke zetel sinds 2003 is overgebracht van de Bremstraat 50 te 9100 Sint-Niklaas naar de Pathoekweg 158 te 8800 Brugge”. Voorts stelt ze in dat verband dat “het ondernemingsnummer van de verzoekende partij, dat niettemin nummer 0400.045.618 is, (...) niet (wordt) vermeld in het verzoekschrift tot vernietiging van 25.03.2003 (lees: 24.03.2003), noch in het verzoekschrift tot voortzetting van de procedure van 16.04.2004 (lees: 15.04.2004)”. Vervolgens merkt ze dienaangaande op dat “on-line consultatie in de referentiedatabank van rechtspersonen van de inschrijving van een vennootschap in het handelsregister te Brussel onder nummer 506.480 (...) geen zoekresultaat op(levert), zodat (...) (
- ze)vermoedt dat het om een verkeerde inschrijving gaat”, aangezien “er (...) immers (dient) (te worden vastgesteld) dat de verzoekende partij haar inschrijving in het handelsregister heeft te Sint-Niklaas onder (het) nummer 046.139”. Waarna ze artikel 14, eerste en derde lid van de KBO-wet citeert en betoogt dat artikel 14 van de KBO-wet ook van toepassing is op procedures voor de Raad van State - wat dit laatste betreft verwijst ze naar een arrest van de Raad van State “betreffende (
- de)artikelen 41 en 42 van (de wetten betreffende het handelsregister gecoördineerd op 20 juli 1964)” (hierna: handelsregisterwet), “opgeheven bij artikel 72, 2/ van de (KBO-wet), met ingang van 01.07.2003”. Tot slot laat ze nog gelden dat “op die wijze (...) ook niet (
- is)voldaan aan de vereiste vermeldingen in het verzoekschrift tot nietigverklaring, (zoals) voorgeschreven door artikel 2, §1, 1/ van (de algemene procedureregeling) (...), daar de identiteit van de verzoekende partij niet (kan worden achterhaald)”. 3.1.2. De tweede verwerende partij, die geen memorie van antwoord heeft ingediend, verwijst in haar laatste memorie naar de door de eerste verwerende partij opgeworpen “exceptie (...) ivm de inschrijving in het toenmalige handelsregister”. Ze werpt daarbij op dat door de verzoekende partij in haar laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de procedure “niet verder (wordt) ingegaan op dit verzoek en enkel het oude nr.(wordt) herhaald, en het nieuwe KBO- nummer (wordt) opgegeven”, zodat “een en ander (...) dus inderdaad verder (dient) (...) te worden (nagezien)”. Dergelijke opmerking kan niet als een exceptie worden beschouwd. Een exceptie moet immers met concrete feitelijke en juridische bewijzen worden gestaafd en zonder voorbehoud worden geformuleerd. X-11.336-11.337-9/19 3.2.1. Het verzoekschrift werd ingediend op 24 maart 2003. Op dat ogenblik gold artikel 14 van de KBO-wet nog niet. Die bepaling is immers, op grond van artikel 87 KBO-wet juncto artikel 3, §1 van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 tot bepaling van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen (hierna: koninklijk besluit van 15 mei 2003), pas op 1 juli 2003 in werking getreden. Ten tijde van het verzoekschrift was de handelsregisterwet nog van toepassing. Overeenkomstig artikel 40 van die wet moest elk op verzoek van een handelaar betekend dagvaardingsexploot, wanneer de vordering haar oorzaak vond in een daad van koophandel, het nummer, waaronder de verzoeker in het handelsregister was ingeschreven, vermelden. Als sanctie op het niet naleven van die verplichting bepaalde artikel 41 van de handelsregisterwet dat “bij gebreke van vermelding van het nummer der inschrijving in het handelsregister in het exploot van dagvaarding en behoudens verantwoording van die inschrijving op de datum, waarop de eis werd ingesteld binnen de door de rechtbank gestelde termijn, (...) deze de eis van ambtswege niet ontvankelijk (verklaart)”. Hoewel de rechtspleging van de Raad van State niet met een exploot van dagvaarding wordt ingeleid, waren die bepalingen ook van toepassing op de Raad van State. In casu heeft de verzoekende partij in haar verzoekschrift de inschrijving “in het handelsregister te Brussel onder het nummer 506.480” vermeld. Ook heeft ze -als reactie op een vraag daartoe in het auditoraatsverslag, binnen de termijn voor het indienen van een verzoek tot voortzetting en een eventuele laatste memorie, en los van haar “laatste memorie met verzoek tot voortzetting” van 23 maart 2006- op 3 maart 2006 aan de Raad van State stukken bezorgd die de voormelde inschrijving op de datum waarop ze haar verzoekschrift heeft ingesteld, bewijzen. 3.2.2. Als maatschappelijke zetel vermeldt de verzoekende partij in haar verzoekschrift: “9100 Sint-Niklaas, Bremstraat 50”. Dienaangaande blijkt dat de raad van bestuur van de verzoekende partij bij beslissing van 13 oktober 2003, die is geregistreerd op de griffie van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde op 19 november 2003 en is gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 26 november 2003, de maatschappelijke zetel heeft overgebracht van de Bremstraat 50 te 9100 Sint-Niklaas naar de Pathoekeweg 158 te 8000 Brugge. Dit impliceert dat de maatschappelijke zetel van de verzoekende partij op het ogenblik van de indiening van het verzoekschrift op 24 maart 2003 nog was gevestigd aan de X-11.336-11.337-10/19 “Bremstraat 50 te 9100 Sint-Niklaas”, zoals het correct in het verzoekschrift tot nietigverklaring is vermeld. 3.2.3. Ten tijde van het verzoek tot voortzetting van de procedure, dat is ingediend op 15 april 2004, gold artikel 14 van de KBO-wet wel. Deze bepaling luidt als volgt: “Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer. Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen. Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank de vordering van ambtswege onontvankelijk. Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming eveneens onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de onontvankelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen”. Dit artikel moet echter worden geacht enkel betrekking te hebben op het verzoekschrift tot nietigverklaring en niet op het verzoek tot voortzetting van de procedure. Het feit dat het ondernemingsnummer niet in dat stuk is vermeld, kan dus niet leiden tot de onontvankelijkheid ervan. De verzoekende partij heeft overigens in haar memorie van wederantwoord, alsook in haar “laatste memorie met verzoek tot voortzetting”, haar ondernemingsnummer vermeld. 3.2.4. Wat betreft de juistheid van de vermelding van de plaats van vestiging van de maatschappelijke zetel in het verzoek tot voortzetting van 15 april 2004, dient te worden opgemerkt, dat de niet-vermelding of de foutieve vermelding ervan in het voormelde verzoek, niet de onontvankelijkheid ervan tot gevolg heeft. De vermelding van de woonplaats of de maatschappelijke zetel van de verzoekende partij, is immers geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschrift. Zelfs de niet-vermelding ervan in het inleidend verzoekschrift, kan slechts tot de onontvankelijkheid van het beroep leiden, wanneer de verzoekende partij door dat verzuim niet of slechts zeer moeilijk zou kunnen worden geïdentificeerd of een X-11.336-11.337-11/19 behoorlijke procesvoering zou zijn bemoeilijkt of onmogelijk zou zijn gemaakt, wat in casu niet wordt aangetoond noch aannemelijk wordt gemaakt. 3.2.5. Gelet op hetgeen voorafgaat alsook op het feit dat het verzoekschrift wel degelijk de naam “METALUNION”, de hoedanigheid “C.V.B.A.” en de zetel “9100 St.-Niklaas, Bremstraat 50” van de verzoekende partij bevat, kan, tot slot, de eerste verwerende partij ook niet worden gevolgd waar ze stelt dat niet is voldaan aan de door de algemene procedureregeling vereiste vermeldingen in het verzoekschrift. 3.2.6. De exceptie is niet gegrond. 4. Gegrondheid van de beroepen 4.1. Eerste middel 4.1.1.1. De verzoekende partijen voeren in hun eerste middel, naast “de ontstentenis van de rechtens vereiste juridische grondslag”, de schending aan van artikel 14 van het gecoördineerde decreet, “in het bijzonder (...) het derde en vierde lid” (lees: vierde en vijfde lid), van het materiële motiveringsbeginsel en van de motiveringswet. Zij stellen daartoe in essentie, vooreerst, dat “het allerminst duidelijk is op grond van welk toetsingskader het BPA werd aangenomen en goedgekeurd”, aangezien “de overwegingen in het (ministerieel besluit) (...) tegenstrijdig zijn”. Er wordt immers een “amalgaam (...) gemaakt van de regeling van het derde (lees: vierde) en het vierde (lees: vijfde) lid van het artikel 14 (van het gecoördineerde decreet)”. Voorts gaat het, aldus de verzoekende partijen, in casu niet om een “sectoraal BPA”, maar om een “gewoon afwijkend BPA”, zodat “artikel 14, derde lid” (lees: vierde lid) en niet “artikel 14, vierde lid” (lees: vijfde lid) van toepassing is. Daarbij stellen ze “dat het toetsingskader van het gewoon afwijkend BPA (...) de zogenaamde Heylen-doctrine blijft”, wat impliceert dat “het aannemen en goedkeuren van een BPA dat met toepassing van artikel 14, derde lid (lees: vierde lid) afwijkt van een vroeger vastgesteld gewestplan, op wettige wijze enkel mogelijk is wanneer ondermeer is aangetoond dat de bestemming in het hogere plan (is achterhaald) of niet meer (kan worden verwezenlijkt)”, hetgeen volgens de verzoekende partijen in casu niet het geval is. X-11.336-11.337-12/19 Inzake de aangevoerde schending van de motiveringswet zetten ze uiteen dat “(wordt aangenomen) dat het (ministerieel besluit) houdende goedkeuring van een BPA als zodanig géén reglementair karakter heeft, rechtsgevolgen heeft voor een ander bestuur en voor derden en dientengevolge formeel onder de (motiveringswet) valt”. 4.1.1.2. De verzoekende partijen voeren in hun memorie van wederantwoord aan dat “het lijkt (...) dat volgens een grondwetsconforme lezing artikel 14 (van het gecoördineerde decreet) zo moet (worden begrepen) dat voor het opmaken van een sectoraal BPA het vierde lid (lees: vijfde lid) twee bijkomende voorwaarden heeft toegevoegd” aan “de beoordelingscriteria van de Heylendoctrine” (artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet) “om af te wijken van het gewestplan”. Daarbij werpen ze op dat, “indien de Raad van State van oordeel is dat de lezing die hier aan artikel 14, derde en vierde lid (lees: vierde en vijfde lid) (van het gecoördineerde decreet is gegeven), geen grondwetsconforme lezing is en de Raad meent dat de beoordelingscriteria van het derde lid (lees: vierde lid) niet gelden voor het vierde lid (lees: vijfde lid), (...) hierover een prejudiciële vraag (dient) te worden gesteld aan het Arbitragehof”. In het “beschikkend gedeelte” van hun memorie van wederantwoord formuleren de verzoekende partijen de volgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 14 DROG de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door in het vierde lid toe te laten dat gemeentebesturen die de beslissing genomen hebben om een ruimtelijk structuurplan op te stellen mogen afwijken van het gewestplan op de enkele voorwaarde dat die afwijking getoetst wordt aan de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, terwijl gemeentebesturen die een dergelijke beslissing niet hebben genomen hun afwijking moeten verantwoorden op grond van de afwijkingscriteria die in de rechtspraak tot stand gekomen zijn voor het derde lid van artikel 14 en die bekend zijn als de ‘Heylendoctrine’”? 4.1.2.1. In zoverre de verzoekende partijen een schending van de motiveringswet aanvoeren, dient te worden vastgesteld dat artikel 1 van deze wet handelt over bestuurlijke rechtshandelingen “met individuele strekking” die beogen “rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur”. Een besluit waarbij een BPA al dan niet wordt goedgekeurd, is geen akte met individuele strekking. Wat dit betreft is het middel dus niet gegrond. X-11.336-11.337-13/19 4.1.2.2. Uit de hoger geciteerde motivering van het eerste bestreden besluit blijkt dat het BPA is aangenomen en goedgekeurd op grond van artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet. 4.1.2.3. Artikel 14, vierde en vijfde lid van het gecoördineerde decreet luidde op het ogenblik van het nemen van de bestreden besluiten als volgt: “Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken. Gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, kan het bijzonder plan van aanleg afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”. De Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, heeft in zijn “Inleidende uiteenzetting” bij het ontwerp van decreet houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening voor de Commissie voor Ruimtelijke Ordening, Openbare Werken en Vervoer in zitting van 19 april 1999 (Parl.St. Vl.Parl. 1998-99, nr. 1332/8, 8) onder meer verklaard wat volgt: “(...) Wat de van het gewestplan afwijkende, al dan niet ‘sectorale’ BPA’s betreft, wordt voorzien in een decretale verankering: het huidige ‘desnoods afwijken’ wordt vervangen door afwijken zonder meer, op voorwaarde dat de gemeente gestart is met het structuurplanningsproces en op voorwaarde dat de principes van het RSV worden gerespecteerd”. Daaruit volgt, enerzijds, dat artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet andere voorwaarden oplegt om met een BPA te kunnen afwijken van de bestemmingsvoorschriften van een gewestplan dan die vermeld in artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet en, anderzijds, dat de afwijkingsmogelijkheid van artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet parallel bestaat naast de “reguliere” afwijkingsmogelijkheid bedoeld in artikel 14, vierde lid van het voormelde decreet. Het vierde lid kadert in het aflopende stelsel van de plannen van aanleg met hun onderlinge hiërarchie en bepaalt de verhouding van BPA’s tot streekplannen, gewestplannen en APA’s, waarbij een afwijking uitzonderlijk is. Het vijfde lid is een overgangsregeling die geldt tijdens de overgang van de bestaande X-11.336-11.337-14/19 plannen van aanleg naar de nieuwe ruimtelijke structuurplannen, en voorziet in een mogelijkheid om conform het nieuwe structuurplan Vlaanderen af te wijken van een gewestplan, dit bij wege van voorschot op het in voorbereiding zijn van een gemeentelijk structuurplan. De afwijkingsvoorwaarden bedoeld door de verzoekende partijen, met name de door hen vermelde “beoordelingscriteria van de Heylendoctrine” gelden dus niet in het voorliggende geval. 4.1.2.4. Het gaat niet op een prejudiciële vraag op te werpen louter wegens het bestaan van de afwijkingsmogelijkheid bedoeld in artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet, zonder concreet aan te geven waarin de verzoekende partij bij de aanwending van de afwijkingsmogelijkheid bedoeld in artikel 14, vijfde lid van hetzelfde decreet zou zijn gediscrimineerd. Het komt de Raad van State, bij gebrek aan een duidelijke en ondubbelzinnige stellingname door de verzoekende partijen, niet toe de vraag op dat stuk te vervolledigen door in de plaats van die partijen die vereiste preciseringen aan te brengen aangaande een essentieel element van de prejudiciële vraagstelling. Aangezien in de gegeven omstandigheden het Grondwettelijk Hof een noodzakelijk gegeven ontbeert om zijn wettelijke opdracht te vervullen, ziet de Raad van State niet in welk nut het adiëren van het Grondwettelijk Hof kan hebben. 4.1.3. Het eerste middel is ongegrond. 4.2. Tweede middel 4.2.1. De verzoekende partijen nemen hun tweede middel uit de schending van artikel 172 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), van artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse “(K.B. 7 maart 1977)”, alsook uit “de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag” en “met toepassing van artikel 159 (van
- de)grondwet”. Zij stellen daartoe dat, “volgens artikel 172 DRO, de plannen die werden goedgekeurd vóór de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van het gewestplan en die niet geheel of ten dele (werden herzien) na de inwerkingtreding van het gewestplan, van rechtswege (zijn opgeheven), tenzij de gemeente tijdig (heeft gevraagd) om het plan te mogen behouden en de Vlaamse regering op deze vraag gunstig heeft beslist overeenkomstig artikel 190 DRO”. X-11.336-11.337-15/19 Voorts betogen ze dat “het oorspronkelijke BPA nr. 48 ‘Achter Mima’ (...) dateert van vóór de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (van) 7 maart 1977”, dat “de stad Vilvoorde geen gebruik heeft gemaakt van het bepaalde in artikel 190 DRO om het BPA nr. 48 ‘Achter Mima’, vastgesteld bij K.B. van 31 maart 1967, te kunnen behouden”, en dat de wijziging van het oorspronkelijk BPA nr. 48 ‘Achter Mima’ van 24 mei 1996, “in toepassing van artikel 159 (van
- de)grondwet buiten toepassing dient te worden gelaten”, omdat “niet werd aangetoond dat de bestemming van het gewestplan, nl. industriegebied, (was achterhaald)”. Vervolgens poneren ze dat “dientengevolge (moet worden vastgesteld) dat het BPA nr. 48 ‘Achter Mima’, zoals vastgesteld bij K.B. van 31 maart 1967, in toepassing van artikel 172 DRO van rechtswege als opgeheven (moet worden beschouwd)” en “dat een van rechtswege opgeheven BPA niet (kan worden gewijzigd)”. De verzoekende partijen concluderen dat “het aangenomen en goedgekeurde BPA nr. 48.2 ‘Achter Mima’, door een in toepassing van artikel 172 DRO van rechtswege opgeheven BPA te wijzigen, laatstgenoemd artikel schendt en (werd genomen) met ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”. 4.2.2. Artikel 172, eerste lid, eerste volzin van het DRO luidt als volgt: “De algemene plannen van aanleg en bijzondere plannen van aanleg die goedgekeurd werden vóór de inwerkingtreding van het besluit of de besluiten tot vaststelling van het gewestplan waarbinnen die gemeenten of delen ervan gelegen waren en die niet geheel of ten dele herzien werden na de inwerkingtreding van dat besluit, maar waarvan de Vlaamse regering overeenkomstig artikel 190, tweede lid beslist dat ze niet behouden worden in het plannenregister, worden van rechtswege opgeheven op de datum van publicatie bij uittreksel van deze beslissing in het Belgisch Staatsblad”. Het bij koninklijk besluit van 31 maart 1967 goedgekeurde BPA nr. 48 “Achter Mima” werd eerst gewijzigd door een bij ministerieel besluit van 24 mei 1996 goedgekeurd wijzigingsplan. Het eerstgenoemde BPA werd dus herzien na de inwerkingtreding van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. Er was dan ook niet voldaan aan één van de drie door het voormelde artikel gestelde cumulatieve voorwaarden. Het BPA werd derhalve niet getroffen door de vervalregeling van artikel 172, eerste lid DRO. De omstandigheid dat het ministerieel besluit van 24 mei 1996 houdende goedkeuring van het BPA nr. 48 “Achter Mima” overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing zou moeten worden gelaten, omdat het ten X-11.336-11.337-16/19 onrechte zou overwegen dat de bestemming industrie is achterhaald, doet geen afbreuk aan het gegeven dat het oorspronkelijk BPA werd herzien. 4.2.3. Het tweede middel is niet gegrond. 4.3. Derde middel 4.3.1. De verzoekende partijen nemen een derde middel uit de schending van het rechtszekerheidsbeginsel en haar “verworven rechten” alsook uit “de ontstentenis van de rechtens vereiste juridische grondslag”. Zij voeren daartoe in essentie aan dat zij “door het van kracht worden van de nieuwe bestemming (...) onmiddellijk strafrechtelijke vervolging (riskeren)”, aangezien hun “bedrijf en de activiteiten” ervan “niet bestaanbaar zijn met de nieuwe bestemming van het afwijkende BPA (...) die onmiddellijk van kracht wordt” en “een inbreuk op (
- de)plannen van aanleg die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het (gecoördineerde decreet), volgens artikel 145 DRO” (lees: artikel 146 DRO) “strafbaar (
- is)met een gevangenisstraf van 8 dagen tot 5 jaar en/of met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro”. Dit houdt, aldus de verzoekende partijen, “een inbreuk (
- in)op de verworven rechten die voortvloeien uit regelmatig verleende bouwvergunningen”. Daarenboven stellen ze dat daardoor “de rechtszekerheid geweld (wordt) aangedaan door een eventuele nieuwe zonevreemdheid te creëren ten overstaan van de industriebestemming van het gewestplan waarop (ze vermogen) beroep te doen”. Tot slot betogen ze nog dat “dit bezwaar des te meer geldig is daar het decreet op de zonevreemde bedrijven geen afwijkingsmogelijkheid voorziet bij afgifte van vergunningen, nu voormelde regelingen enkel van toepassing zijn in geval van zonevreemdheid die voortvloeit uit het gewestplan en niet, zoals in casu, in geval van zonevreemdheid die voortvloeit uit een BPA”. 4.3.2. De bestreden besluiten kunnen niet tot gevolg hebben dat de verzoekende partijen niet de rechten genieten die voortvloeien uit regelmatig verleende bouw- en milieuvergunningen. Bijgevolg valt niet in te zien in welk opzicht dat de verzoekende partijen zich louter door het van kracht worden van het bestreden BPA zouden blootstellen aan strafrechtelijke vervolging. De argumentatie die de verzoekende partijen voor het eerst in hun memorie van wederantwoord aanvoeren met betrekking tot het -beweerdelijk- niet meer kunnen uitvoeren van instandhoudings- en onderhoudswerken, is niet ontvankelijk, want laattijdig. X-11.336-11.337-17/19 Het mogelijk “creëren van een nieuwe zonevreemdheid” is eigen aan elke wijziging van planbestemmingen. Elk plan is in beginsel uiteraard vatbaar voor wijziging. Indien het rechtszekerheidsbeginsel louter hierdoor zou worden geschonden, zouden wijzigingen zo goed als uitgesloten zijn. 4.3.3. Het derde middel kan niet worden aangenomen. 4.4. Vierde middel 4.4.1. In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de grondwet, alsook van het materiële motiveringsbeginsel en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij stellen daartoe in essentie dat “in kwestie geenszins blijkt waarom het bestaande bedrijf”, wat de c.v.b.a. METALUNION betreft, en “de kadastrale percelen 57n en 57m van het bestaande bedrijf”, wat de n.v. SOBEMETAL betreft, “niet (werden) opgenomen in de multifunctionele economische zone, dit in tegenstelling tot het bestaande bedrijf Maxon”, dat “een producent (
- is)van industriële branders”. “Het bestaande bedrijf van (de c.v.b.a. METALUNION)” en “de desbetreffende percelen van het bestaande bedrijf van (de n.v. SOBEMETAL)” “(zijn immers), (net) als het bestaande bedrijf Maxon, langs de Luchthavenlaan gelegen” alsook, “volgens het gewestplan, (...) in industriegebied” en, voorts, zijn “de (betrokken) activiteiten” wat de drie bedrijven betreft “(onbestaanbaar) met de bestemming zone voor kantoren”. 4.4.2.1. In zoverre de verzoekende partijen een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) aanvoeren, dient te worden vastgesteld dat noch het bestreden gemeenteraadsbesluit, noch het bestreden ministerieel goedkeuringsbesluit, rechtshandelingen zijn met individuele strekking in de zin van de motiveringswet. 4.4.2.2.1. Het gelijkheidsbeginsel kan slechts zijn geschonden indien in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. De verzoekende partijen die aanvoeren dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden moeten dit in hun verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aantonen. X-11.336-11.337-18/19 4.4.2.2.2. De verzoekende partijen tonen, gelet op de verschillende ligging (bijvoorbeeld aan verschillende zijden van de Luchthavenlaan) van de verschillende bedrijven, niet aan dat hun situatie dezelfde is als of minstens vergelijkbaar is met deze van het door hen vermelde bedrijf. 4.4.3. Het vierde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De zaken A. 134.492 en A. 134.493 worden gevoegd. Artikel 2. De beroepen worden verworpen. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij in de zaak A. 134.492. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij in de zaak A. 134.493. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.336-11.337-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.776 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div