← België

Arrest 193803 - Kansspelen - 04/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.803 Rolnummer: A. 158778/XII-4342 Zaak: Arrest 193803 - Kansspelen - 04/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-16 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 03:12 Fiche Arrest nr 193.803 van 4 juni 2009 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.803 van 4 juni 2009 in de zaak A. 158.778/XII-

  1. In zake : de BVBA POMPEI, die woonplaats kiest bij advocaat J. Stijns, kantoor houdende te Leuven, Ubicenter - Philipssite 5 tegen :
  2. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie,
  3. de KANSSPELCOMMISSIE bij de federale overheidsdienst Justitie, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Bronders, kantoor houdende te Oostende, E. Beernaertstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de bvba Pompeï op 4 februari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie om haar geen vergunning klasse B uit te reiken voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II aan de Schansstraat 16 te Mol, evenals van “de beslissing die vervat zit in de mededeling bij gewone brief van een kopie van de beslissing van 5 februari 2003 aan de raadsman van verzoekster dd. 16 december 2004 [...] houdende het beschouwen van de aanvraag tot vergunning klasse B als nieuw dossier”; Gelet op het arrest nr. 138.945 van 6 januari 2005 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 182.753 van 8 mei 2008 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek van de zaak; XII-4342-1/8 Gezien het aanvullend verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 6 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Cornelissen, die loco advocaat J. Stijns verschijnt voor verzoekster, en van advocaat P. Louage, die loco advocaat B. Bronders verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens
  5. Verzoekster dient een op 30 januari 2001 gedateerde aanvraag in bij de kansspelcommissie om een vergunning klasse B te verkrijgen voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II te Mol, Schansstraat
  6. De kansspelcommissie besluit op 27 juni 2001 de vergunning te weigeren omdat de gemeenteraad van Mol op 9 april 2001 besliste geen convenant te sluiten voor de uitbating van de kansspelinrichting. Na vernietiging van de gemeenteraadsbeslissing van 9 april 2001 bij arrest van de Raad van State, nr. 107.947 van 18 juni 2002, trekt de kansspelcommissie de beslissing van 27 juni 2001 in op 2 oktober
  7. Op 14 oktober 2002 beslist de gemeenteraad van Mol opnieuw om geen convenant te sluiten met verzoekster. Die beslissing wordt de kansspel- commissie ter kennis gebracht met een brief van 29 oktober
  8. Van een XII-4342-2/8 mededeling van de beslissing aan verzoekster is er geen spoor. Op 5 februari 2003 stelt de kansspelcommissie vast dat de gemeenteraad van Mol op 14 oktober 2002 besloot om geen convenant te sluiten met verzoekster en beslist zij bij afwezigheid van een convenant ook geen vergunning klasse B uit te reiken. Die beslissing van de kansspelcommissie wordt niet aan verzoekster ter kennis gebracht. Uiteindelijk stemt de gemeenteraad van Mol er op 22 november 2004 dan toch mee in om met verzoekster een convenant te sluiten voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II. Verwijzend naar de vergunningsaanvraag die op 31 januari 2001 werd ingediend, deelt de raadsman van verzoekster op 8 december 2004 aan de kansspelcommissie mee dat op 6 december 2004 met de gemeente Mol een convenant werd gesloten, zodat het dossier volledig is en aan verzoekster een vergunning klasse II dient te worden toegekend. De kansspelcommissie antwoordt met een brief van 16 december 2004 wat volgt : “Na onderzoek van het dossier is gebleken dat de commissie reeds ter zitting van 5 februari 2003 een beslissing ten gronde nam in het dossier van uw cliënt. Wij constateerden echter dat er zich geen bewijs van kennisgeving van deze beslissing bevond in het dossier. Wij gaan er dan ook van uit dat deze - omwille van een administratieve vergetelheid - niet gebeurde. De situatie zal onmiddellijk worden rechtgezet. Als bijlage vindt u eveneens een kopie van de beslissing van 5 februari
  9. Voorgaande elementen werpen dus een nieuw licht op de stand van zaken van het dossier. Wij kunnen akkoord gaan wat de 2 eerste punten van uw schrijven betreft. Voor het overige dient rekening te worden gehouden met het bestaan van bovenvermelde beslissing. Uw schrijven en de bijlagen zullen wij beschouwen als een nieuw dossier. Van zodra u dit heeft vervolledigd, kan u een plaats op de wachtlijst worden toegekend”. Eveneens op 16 december 2004 wordt alsnog een afschrift van de beslissing van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie aan verzoekster toegezonden. Op 21 februari 2005 beslist de gemeenteraad van Mol dat zijn besluit van 14 oktober 2002 om geen convenant met verzoekster te sluiten “wordt ingetrokken”. Uiteengezet wordt dat “[i]ngevolge gewijzigde omstandigheden -aantal aanvragen, noodzakelijke spreiding, regelmatig en bijzonder toezicht door lokale politie-” op 22 november 2004 besloten werd toch een convenant te sluiten, en dat door de intrekking een einde wordt gesteld aan het bestaan van twee tegenstrijdige beslissingen en “duidelijk [wordt] gesteld dat de gemeente sinds XII-4342-3/8 22 november 2004 een convenant heeft afgesloten met de bvba Pompei voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II op het adres Schansstraat 16 te Mol”. Het arrest nr. 182.753
  10. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep is in het tussenarrest nr. 182.753 geoordeeld dat het tweede voorwerp in principe niet aanvechtbaar is, maar dat er toch reden toe kan zijn om het “in voorkomend geval tezamen met de beslissing van 5 februari 2003 te vernietigen, met het oog op de duidelijkheid in het rechtsverkeer”. Tevens heeft het arrest verzoeksters eerste middel verworpen. Deze verwerping is definitief. De opmerkingen die verzoekster terzake in de laatste memorie formuleert, kunnen daar niets aan veranderen. Het tweede middel Standpunt van verzoekster
  11. Verzoekster leidt een tweede middel af uit de “Schending van het artikel 36 van de Wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en van het artikel 19, al. 1 van het K.B. van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse II, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse B”. Uiteengezet wordt : “2e.
  12. Wanneer de bepalingen van artikel 36 van de Wet van 7 mei 1999 erop nagekeken worden, kan worden vastgesteld dat verzoekster volledig voldoet aan alle wettelijke vereisten, inclusief de vereiste van het kunnen voorleggen van een convenant met de gemeente van vestiging. Door te weigeren een vergunning klasse B te verlenen aan verzoekster die zich binnen de wettelijke voorwaarden bevindt, werd artikel 36 geschonden bij de besluitvorming. 2e.
  13. In het schrijven van 16 december 2004, waarbij aan de raadsman van verzoekster een kopie van de beslissing van 5 februari 2003 werd meegedeeld, werd gesteld dat de aanvraag van verzoekster als een nieuw dossier wordt beschouwd. Gelet op het feit dat de eerder genomen beslissing van de Kansspelcommissie dd. 27 juni 2001 werd ingetrokken, bevond verzoekster zich in de periode tot wanneer de commissie een beslissing genomen heeft. XII-4342-4/8 In het ‘normaal’ procedureverloop zoals in het vorige middel reeds aangehaald, zou verzoekster een beroep kunnen indienen bij de Raad van State tegen de weigering van convenant en tegen de weigering van vergunning. Beide procedures zouden nog hangende zijn op het ogenblik dat de gemeente een convenant verleende op 6 december
  14. De aanvraag diende sowieso te worden beschouwd als zijnde van een inrichting die van de overgangsmaatregel geniet. In casu werd alles omgedraaid. Door de aanvraag, die reeds dateert van 31 januari 2001, als een nieuwe aanvraag te beschouwen, worden de rechten van verzoekster, bestaande uit het kunnen genieten van de overgangsmaatregel, miskend en wordt artikel 19 van het K.B. van 22 december 2000 geschonden”. Beoordeling
  15. Het middel valt samen met het eerste middel. Het is om dezelfde redenen als dat eerste middel ongegrond. Ten overvloede wordt nog opgemerkt wat volgt. Verzoekster zegt zelf dat de gemeente pas een convenant verleende op 6 december
  16. Bijgevolg heeft de kansspelcommissie op 5 februari 2003 niet ten onrechte de afwezigheid van een convenant vastgesteld. De zogenaamde “intrekking” op 21 januari 2005 van het gemeenteraadsbesluit van 14 oktober 2002 om geen (!) convenant te sluiten, verandert daar niets aan. Zoals in het arrest nr. 182.753, sub 9.2, nader toegelicht, blijkt niet dat de beslissing van 5 februari 2003, louter doordat er zeer laat kennis van gegeven is, verzoeksters rechten heeft geschaad wat de overgangsperiode betreft die het koninklijk besluit van 22 december 2000 haar garandeert of wat het verloop betreft van een annulatieberoep tegen de beslissing. Waar verzoekster de kansspelcommissie verwijt haar “aanvraag, die reeds dateert van 31 januari 2001, als een nieuwe aanvraag te beschouwen” richt zij zich tegen het tweede voorwerp van het beroep, waaromtrent in het meer vermelde arrest 182.753 reeds is aangenomen dat het een mededeling betreft die geen eigen rechtsgevolgen heeft en dus niet vatbaar is voor vernietiging - behoudens ten behoeve van de duidelijkheid in het rechtsverkeer, ingeval de beslissing van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie zou dienen te worden vernietigd. XII-4342-5/8 Het derde middel Standpunt van verzoekster
  17. Verzoekster voert in een derde middel de “Schending van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, iuncto de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur” aan. Toegelicht wordt : “3e.
  18. De beslissing zelf van 5 februari 2003 is uitsluitend gebaseerd op het gebrek aan convenant, gelet op de weigeringsbeslissing van de Gemeente Mol dd. 14 oktober 2002, dewelke evenmin aan verzoekster ter kennis werd gebracht. Op 6 december 2004 sloot de Gemeente Mol een convenant met verzoekster. Het (nog steeds niet ter kennis gebrachte) besluit tot weigering van vergunning houdt dan ook geen rekening met gewijzigde omstandigheden. In tegenstelling tot hetgeen het begeleidend schrijven aan de raadsman van verzoekster dd. 16 december 2004 stelt dat het ‘herontdekken’ van het (bijna 2 jaar) oude besluit van 5 februari 2003 een nieuw licht op het dossier werpt, is juist het tussenkomen van het convenant dat nieuwe licht. De verkeerde feitelijke gegevens liggen aan de basis van het bestreden besluit. De beslissing tot weigering van vergunning is achterhaald. 3e.
  19. Er werd geen rekening gehouden met het feit dat, indien de beslissing tijdig zou zijn ter kennis gebracht, een beroep zou zijn opgestart bij de Raad van State (zeker gelet op het niet ter kennis gebrachte convenant dat er aan de basis van ligt) en dat deze procedure nog lopende zou geweest zijn, op het ogenblik dat het convenant dan toch werd verleend. Er werd geen enkele motivering gegeven waarom het dossier als een nieuwe aanvraag wordt beschouwd. De zinsnede dat moet worden rekening gehouden met de beslissing van 5 februari 2003 is in elk geval een verkeerde motivering en kan niet als afdoende motivering worden beschouwd”. Beoordeling
  20. Het middel is ongegrond om de redenen die ook de verwerping van het tweede middel verantwoorden. XII-4342-6/8 Het vierde middel Standpunt van verzoekster
  21. Een vierde middel doet de “Schending van het redelijkheidsbeginsel en van de redelijke termijn, iuncto het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van de tijdige kennisgeving” gelden : “4e.
  22. Bestuurshandelingen dienen tijdig ter kennis te worden gebracht, en in elk geval binnen een periode waarbij de kennisgeving nog nuttig is. In voorliggend geval verliest de kennisgeving bijna 2 jaar na het nemen van de betreffende beslissing elk nut, aangezien de feitelijke omstandigheden intussen gewijzigd zijn. De basis van de weigeringsbeslissing was het gebrek aan convenant. Wel nu is er een convenant. 4e.
  23. Daar waar de aangevoerde motieven al niet kunnen gelden als een afdoende motivering, kan niet naar redelijkheid worden verantwoord dat aan dergelijke achterhaalde beslissing dergelijke vergaande rechtsgevolgen worden verbonden. Het redelijkheidsbeginsel werd geschonden. 4e.
  24. De Kansspelcommissie heeft zich niet als een zorgvuldige overheidsinstantie gedragen door een beslissing van bijna 2 jaar oud mee te delen aan de raadsman van de betrokkene, zonder deze evenwel effectief ter kennis te brengen van de kansspelinrichting, terwijl de inhoud reeds achterhaald was en de basis zelf van het besluit weggenomen werd. De redelijke termijn voor het nemen van een beslissing en voor de kennisgeving van een genomen beslissing werd in elk geval overschreden”. Beoordeling
  25. Het middel bekritiseert het feit dat de bestreden beslissing van 5 februari 2003 van de kansspelcommissie verzoekster pas met een brief van 16 december 2004 ter kennis is gebracht. Al in het arrest nr. 182.753 is hierover, bij de bespreking van het eerste middel, geoordeeld dat, hoe afkeurenswaardig die tekortkoming ook is, ze zonder gevolgen blijft voor de wettigheid van de beslissing van 5 februari
  26. In zoverre daar toen aan toegevoegd werd dat er mogelijk reden is om van dit principe af te wijken indien de laattijdige betekening heeft meegebracht dat verzoeksters rechten “volledig miskend [werden]”, is vast te stellen dat net zo min als het eerste middel, het vierde middel dergelijke miskenning aannemelijk maakt. XII-4342-7/8 Het middel wordt niet aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  27. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  28. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4342-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.803 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.945 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.753 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.