← België

Arrest 193805 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 04/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.805 Rolnummer: A. 97688/XII-2850 Zaak: Arrest 193805 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 04/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-20 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:12 Fiche Arrest nr 193.805 van 4 juni 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.805 van 4 juni 2009 in de zaak A. 97.688/XII-

  1. In zake : Bart DE VOGELAERE, wonende te Gent, Coupure 910 tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bart De Vogelaere op 22 november 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “een besluit van omstreeks april 2000 van de bestendige deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen, houdende de toelating tot deelname aan de bevorderingsexamens tot diensthoofd bij het provinciebestuur Oost-Vlaanderen van de heer Adelbrecht Haenebalcke, en van de gevolgen van deze beslissing, zijnde de opname van de heer Haenebalcke als geslaagde in de uitslagen van deze examens en de bevordering van de heer Haenebalcke tot diensthoofd met ingang van 1 juni 2000”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 24 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-2850-1/7 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van bestuurssecretarissen A. Van Der Haegen en N. De Smet, die verschijnen voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De voornaamste voorgaanden
  2. Op 14 oktober 1999 beslist de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verscheidene functies van diensthoofd vacant te verklaren, om te begeven na een vergelijkend bevorderingsexamen. De kandidaten moeten minimum vier jaar anciënniteit in niveau A hebben. Met een brief van 22 november 1999 deelt verzoeker, bestuurssecretaris in dienst van de provincie Oost-Vlaanderen, aan de provinciegouverneur mee dat hij een uitnodiging ontving om zich kandidaat te stellen voor de vacature van diensthoofd ten behoeve van het provinciaal Tehuis Heynsdaele, en dat hij graag zou vernemen of hij aan de bevorderingsvoorwaarden voldoet. Luidens het antwoord van 14 december 1999 moet de gevraagde minimumanciënniteit van vier jaar in niveau A begrepen worden als het totaal van de in dat niveau opgebouwde anciënniteit en zal hij pas op 1 december 2000 in niveau A een niveau-anciënniteit van vier jaar verworven hebben. A. Haenebalcke stelt zich kandidaat voor de functie van diensthoofd van dienst 11 en dienst
  3. Hij slaagt zowel in het bevorderingsexamen voor de functie van diensthoofd van dienst 11 als in dat voor de functie van diensthoofd van dienst
  4. Op 12 oktober 2000 benoemt de deputatie hem tot diensthoofd van dienst 12, Werving en Loopbaan. XII-2850-2/7 De procedure
  5. Na de sluiting van de debatten heeft verzoeker de Raad van State een brief van 3 oktober 2008 doen toekomen, met een “aanvullende repliek op de openbare terechtzitting”. In de brief legt hij uit door verwerende partij ter terechtzitting geconfronteerd te zijn geweest met een nieuw element waarop hij zich niet had kunnen voorbereiden, “met name het feit dat ik sinds de bestreden beslissing niet had deelgenomen aan nieuw georganiseerde examens voor diensthoofd, in het bijzonder aan het examen voor diensthoofd van dienst 12, dat in 2005 werd georganiseerd”.
  6. Verzoeker heeft, toen hij het genoemde feit op de zitting vernam, niet gevraagd de behandeling van de zaak uit te stellen om hem in staat te stellen op het feit te antwoorden. Integendeel heeft hij er meteen mondeling op geantwoord. De brief is niet meer dan een herhaling van dat antwoord. Er is geen reden om de debatten te heropenen. De brief wordt uit het beraad geweerd. Het belang Standpunt van de partijen
  7. In het verzoekschrift verantwoordt verzoeker zijn belang hierdoor dat A. Haenebalcke, die minder statutaire anciënniteit in niveau A dan hem heeft, ten onrechte aan de bevorderingsexamens tot diensthoofd mocht deelnemen en bevorderd werd, zodat zijn eigen mogelijkheid tot bevorderen vermindert.
  8. Verwerende partij wijst er in de memorie van antwoord onder meer op dat verzoeker zich geen kandidaat heeft gesteld voor het examen dat tot de bevordering van A. Haenebalcke heeft geleid en dat “zelfs in de hypothese dat per impossibile de bevordering van Adelbrecht Haenebalcke zou worden nietig verklaard om reden dat hij ten onrechte tot het examen werd toegelaten op grond van de niet vervulde anciënniteitsvoorwaarde”, dan nog verzoeker daar niet mee gebaat is omdat de verrichtingen van het vergelijkend examen onverkort blijven bestaan en in principe de tweede gerangschikte laureaat de functie zal vervullen. XII-2850-3/7
  9. Verzoeker dupliceert in de memorie van wederantwoord dat hij zich geen kandidaat heeft gesteld voor de diverse bevorderingsexamens omdat hem was meegedeeld dat hij pas op 1 december 2000 aan de anciënniteitsvoorwaarde voldeed, dat dit echter niet betekent dat zijn beroep onontvankelijk zou zijn, dat immers de Raad van State in een aantal arresten heeft gewezen dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gemis van belang niet met goed gevolg kan worden opgeworpen in het geval dat noch de verzoeker, noch de benoemde kandidaat de benoemingsvereisten vervult, wanneer namelijk het belang van de verzoeker zou bestaan in de mogelijkheid om na de vernietiging in de gelegenheid te worden gesteld aan de bedoelde vereisten te voldoen en naar de opnieuw vacant geworden betrekking te solliciteren. Verzoeker voegt daar aan toe dat de tweede gerangschikte van het bevorderingsexamen voor diensthoofd van dienst 12 intussen tot diensthoofd van dienst 11 werd bevorderd en dat het provinciebestuur in geval van nietigverklaring van de bevordering van A. Haenebalcke “ongetwijfeld een nieuw bevorderingsexamen [zal] organiseren (waaraan dan ook verzoeker zal kunnen deelnemen)”.
  10. Met een brief van 7 juli 2008 gevraagd naar eventuele feiten en beslissingen die een weerslag op zijn belang of belangstelling kunnen hebben, bevestigt verzoeker nog altijd belang te hebben bij de vernietiging van de bevordering van A. Haenebalcke tot diensthoofd, aangezien hij nog steeds de graad van bestuurssecretaris bekleedt.
  11. Verwerende partij reageert in een brief van 23 juli 2008 dat de functie van diensthoofd die A. Haenebalcke bekleedde en wiens bevordering in die functie voorwerp is van het besproken beroep, in 2005 vacant werd door de bevordering van de betrokkene tot directeur. Verwerende partij deelt mee dat verzoeker zich voor deze functie niet kandidaat stelde hoewel hij op dat ogenblik aan de voorwaarde van anciënniteit voldeed en dat de vacante functie werd ingevuld zonder dat verzoeker de bevordering met een annulatieberoep bestreed. Dit toont volgens haar op overtuigende wijze aan dat verzoeker geen belangstelling meer had, noch belang in juridische zin. Beoordeling
  12. Uit zijn aard strekt het ingediende beroep ertoe voor de verzoeker een nieuwe kans te verschaffen om tot diensthoofd bevorderd te worden. Van meet XII-2850-4/7 af aan en bij herhaling heeft verzoeker te kennen gegeven dat dit ook effectief zijn oogmerk is en dat de nagestreefde vernietiging ertoe moet bijdragen dat hij alsnog zelf tot diensthoofd bevorderd kan worden en uit de graad van bestuurssecretaris wegraakt.
  13. In dat licht geeft het bijzonderlijk te denken dat verzoeker voor de functie van diensthoofd van dienst 12 -waarin de bestreden beslissing van 12 oktober 2000 A. Haenebalcke bevorderde- geen enkele interesse betoonde toen die opnieuw vrijkwam, doordat de betrokkene in 2005 tot directeur bevorderd werd. De deputatie verklaarde de betrekking van diensthoofd van dienst 12 op 18 mei 2006 open en het personeel werd met een dienstnota van 26 juni 2006 op de hoogte gebracht van de vergelijkende bevorderingsprocedure voor de functie. Verzoeker stelde zich geen kandidaat en nam niet aan het examen deel, ofschoon hij toen wel aan de voorwaarden voldeed. Uiteindelijk werd op 1 februari 2007 bestuurssecretaris I. Dellaert bevorderd tot diensthoofd van dienst 12, met ingang van 1 januari
  14. Ter terechtzitting voert verzoeker ter verontschuldiging van zijn passiviteit aan dat een kandidaatstelling en deelname aan het examen “niet zinvol” waren omdat hij in geval van benoeming, onder directeur A. Haenebalcke zou hebben moeten presteren. Ook laat hij uitschijnen dat hij gedwongen was zich lijdelijk op te stellen op gevaar af anders een “carrière bij de provincie” te “mogen vergeten”. Het excuus is te faciel. Als het verzoekers ambitie is om “een carrière bij de provincie” uit te bouwen, dan was het juist wél zinvol om mee te dingen naar de functie van diensthoofd. Dat hij als zodanig onder A. Haenebalcke, directeur van de eerste directie, zou moeten werken, kan hem dan misschien niet bijzonder welgevallig zijn, het mag bij gebrek aan een bewezen speciale, persoonlijke animositeit tussen beiden, evenmin prohibitief heten.
  15. Niet minder betekenisvol is dat er ook nog verschillende andere bevorderingsmogelijkheden tot diensthoofd zijn geweest waar verzoeker evenmin interesse voor heeft gehad. Naar verwerende partij meedeelt, zou het om negen bevorderingsprocedures sinds 2001 gaan. XII-2850-5/7 Verzoeker werpt tegen dat terzake geen bewijs wordt bijgebracht. Tegelijkertijd, echter, bevestigt hij de stelling van verwerende partij, althans in zoverre hij in verband met deze beweerde andere bevorderingsexamens doet gelden dat ze altijd werden georganiseerd door de eerste directie, Personeel, waarvan A. Haenebalcke directeur is, waardoor -alweer- een deelname voor hem niet zinvol was. Met dit laatste laat verzoeker uitschijnen het correcte verloop van elk examen dat door het personeel van de eerste directie georganiseerd wordt, te mogen en te moeten wantrouwen om de enkele reden dat A. Haenebalcke de directeur van die eerste directie is. Hoe verzoeker daarbij komt, is totaal onduidelijk. Het argument wordt afgedaan als een echte drogreden.
  16. Het voorgaande wijst uit dat verzoeker -objectief bekeken- ophield het doel na te streven dat de gevorderde nietigverklaring mogelijk diende te maken. Het is ongeloofwaardig dat het beroep nog altijd ertoe moeten bijdragen dat hij tot diensthoofd, inzonderheid tot diensthoofd van dienst 12, benoemd kan worden. Er is bijgevolg reden om hem zonder het rechtens vereiste actueel belang te verklaren. Het beroep is onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-2850-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2850-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.805 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.