← België

Arrest 193807 - Milieuheffingen - 04/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.807 Rolnummer: A. 115786/XII-3406 Zaak: Arrest 193807 - Milieuheffingen - 04/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:12 Fiche Arrest nr 193.807 van 4 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuheffingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.807 van 4 juni 2009 in de zaak A. 115.786/XII-

  1. In zake : de NV STEVAN, die woonplaats kiest bij advocaat D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 6/24 tegen : de GEMEENTE LENDELEDE. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Stevan op 21 januari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 november 2001 van de gemeenteraad van Lendelede van 22 november 2001 houdende het “[v]aststellen van opcentiemes op de milieuheffing voor het dienstjaar 2002 (30 opcentiemes)”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 11 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-3406-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Ronse, die loco advocaat D. Van Heuven verschijnt voor verzoekster, en van advocaten F. Werbrouck en A. Delafontaine, die verschijnen voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De bestreden beslissing
  2. Verzoekster baat de enige stortplaats categorie 2 uit in de gemeente Lendelede. Sinds jaren heft de gemeenteraad opcentiemen op de milieuheffing, aanvankelijk 20 opcentiemen en met ingang van het dienstjaar 2001 30 opcentiemen. Op 22 november 2001 keurt de gemeenteraad voor het dienstjaar 2002 een aanvullende belasting goed op de heffing van de Vlaamse gemeenschap met toepassing van artikel 47 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (artikel 1). De belasting wordt berekend a rato van 30 opcentiemen op alle categorieën van afvalstoffen zoals omschreven in het decreet van 2 juli 1981 (artikel 2). In de aanhef wordt overwogen : “Overwegende dat de uitbating van stortplaatsen een zware hypotheek legt op het leefmilieu en de volksgezondheid van onze bevolking in het algemeen; Overwegende dat het derhalve aangewezen is om alle middelen aan te wenden om de toevoer van het afval zoveel mogelijk af te remmen en als zodanig het aanwenden van meer milieuvriendelijke verwijderingswijzen te stimuleren; Gelet op het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, inzonderheid op artikel 47 § 7, zoals dit werd gewijzigd bij decreet van 21 december 1990; Gelet op het besluit van 16 oktober 1991 van de Vlaamse Executieve betreffende de medewerking van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest aan de inning van gemeentelijke opcentiemen op sommige milieuheffingen; Gelet op de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen; Gelet op de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen; Gelet op de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken; XII-3406-2/7 Gelet op het Koninklijk Besluit van 12 april 1999 tot bepaling van de procedure voor de gouverneur of voor het college van burgemeester en schepenen inzake bezwaarschrift tegen een provincie- of gemeentebelasting; Gelet op artikel 117 en 118 van de nieuwe gemeentewet; Gelet op de financiële toestand van de gemeente”. De procedure
  3. In de memorie van wederantwoord werpt verzoekster de onontvankelijkheid van de memorie van antwoord op, omdat niet blijkt dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lendelede rechtsgeldig heeft beslist tot het voorleggen van het administratief dossier en het voeren van een verweer.
  4. Te dezen is de gemeente Lendelede als verwerende partij aangeduid. Ten tijde van het indienen van de memorie van antwoord droegen de toenmalige artikelen 123, 8/, en artikel 270, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet aan het college van burgemeester en schepenen de bevoegdheid op om bij rechtsgedingen tegen de gemeente als verweerder op te treden. Voorts mogen, gelet op artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de partijen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel der Orde der advocaten of op de lijst van de stagiairs. Voor het voorleggen van het administratief dossier en het voeren van een verweer volstond derhalve het mandaat aan de advocaat van verwerende partij, die in casu de memorie van antwoord heeft ondertekend en tevens houder is van de stukken. Eerste middel Standpunt van verzoekster
  5. Verzoekster leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet, van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, van de formele- en materiële-motiveringsplicht, en van het vereiste van een duidelijk omschreven en aantoonbaar doel van een belastingreglement. Verzoekster stelt dat het bestreden besluit een ongelijke behandeling invoert van de belastingplichtigen, die niet redelijk verantwoord is in XII-3406-3/7 functie van de aard van de belasting. Immers streeft de belasting in realiteit enkel een algemeen financieel doel na, met name het tekort in de begroting aanpakken, wijl een belasting die louter is ingesteld om budgettaire redenen niet mag worden verhaald op een specifieke categorie van belastingplichtigen, de uitbaters van stortplaatsen. Ondergeschikt doet verzoekster gelden dat zij uit het bestreden reglement niet kan afleiden wat er het exacte specifieke doel van is, zodat niet kan worden nagegaan waarom de verschillende categorieën van belastingplichtigen verschillend worden behandeld.
  6. In de memorie van wederantwoord voegt verzoekster daar nog aan toe dat de overweging in het bestreden reglement over de zware hypotheek op het leefmilieu en de volksgezondheid niet aangeeft waarom haar stortplaats getroffen moet worden met de hoogste opcentiemen van Vlaanderen, dat ook niet aangegeven wordt waarom deze hypotheek “meer zou gelden in de gemeente Lendelede dan elders”, en dat een belasting nooit zodanig mag zijn dat een wettig toegelaten activiteit onmogelijk wordt. Beoordeling
  7. De bestreden beslissing heft voor het dienstjaar 2002 30 opcentiemen op de milieuheffing ex -toentertijd- artikel 47 van het decreet van 2 juli
  8. Ze voert in de formele motivering als verantwoording in essentie aan : 1/ de zware hypotheek op het leefmilieu en de gezondheid van de plaatselijke bevolking, door de uitbating van stortplaatsen, en 2/ de financiële toestand van de gemeente. Met andere woorden heeft verwerende partij gemeend om, vanwege haar financiële toestand, speciaal de uitbaters van bepaalde vergunningplichtige inrichtingen voor het verwijderen van afvalstoffen te moeten belasten om reden van de milieu- en gezondheidsrisico’s die hun uitbatingen meebrengen. XII-3406-4/7
  9. In het middel wordt niet betwist dat er bij de gemeente een financiële nood bestaat, noch wordt (concreet) betwist dat de bedoelde uitbatingen milieu- en gezondheidsrisico’s inhouden.
  10. Op zich maken de genoemde risico’s een motief uit dat redelijkerwijze kan verantwoorden dat met het oog op de financiering van de algemene dienstverlening een specifieke bijdrageplicht wordt ingesteld ten laste van de in het toenmalige artikel 47 van het decreet van 2 juli 1981 bedoelde uitbaters van onder andere stortplaatsen. Voorts maakt verzoekster in het middel niet aannemelijk dat de belasting haar een onevenredig groot nadeel veroorzaakt. Dit wordt meer bepaald niet aangetoond door het feit dat stortplaatsen in andere gemeenten minder zwaar belast zouden worden, noch door in het algemeen -overigens terecht- op te merken dat een belasting niet tot gevolg mag hebben een wettig toegelaten activiteit onmogelijk te maken.
  11. Samenvattend is het doel van de bestreden belasting voldoende duidelijk en komt, in het licht van dit doel, de differentiatie in de bijdrageplicht die de belasting invoert objectief en redelijk verantwoord voor, zodat de belasting niet geacht kan worden de gelijkheidsregel te schenden. Het middel is ongegrond. Tweede middel Standpunt van verzoekster
  12. Een tweede middel van het verzoekschrift wordt afgeleid uit de schending van het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het zuinigheidsbeginsel, de motiveringsplicht en uit machtsafwending. In een eerste onderdeel betoogt verzoekster dat de motivering van het bestreden besluit bijzonder summier is, zeker ten opzichte van de motivering in de belastingreglementen van 1999 en 2000 en dat de bestreden belasting onredelijk hoog is zodat zij een prohibitief karakter krijgt. De bestreden belasting heeft immers een bijzonder nadelig effect op het concurrentievermogen van verzoekster, vermits zij de enige vergunde stortplaats categorie 2 in de regio is die aan opcentiemen is onderworpen, XII-3406-5/7 en de enige in Vlaanderen die aan 30 opcentiemen is onderworpen. In een tweede onderdeel verwijt verzoekster de verwerende partij haar belastingsmacht afgewend te hebben van de eigenlijke belastingsdoelstellingen. Precies de aantasting van verzoeksters concurrentievermogen lijkt immers de bedoeling te zijn van de verwerende partij, teneinde in de volksgunst te komen. Beoordeling
  13. Als gezien moet de belasting een uit de algemene dienstverlening voortvloeiende financiële behoefte dekken. Daartoe heft het bestreden reglement overeenkomstig artikel 1 een bijdrage van onder anderen de uitbaters van een stortplaats, om reden van de meer vermelde risico’s. Weliswaar mag het bedrag van de belasting niet de grenzen van de redelijkheid te buiten gaan en voor de betrokken belastingplichtigen een onevenredig groot nadeel veroorzaken. In het onderhavige middel wordt niet op afdoende wijze aannemelijk gemaakt dat de belasting onredelijk of onevenredig hoog is. Alleszins volgt dat geenszins zomaar uit het feit dat andere gemeenten van mening geweest zouden zijn met minder opcentiemen te kunnen volstaan. Een gemeente beschikt over een grondwettelijk gewaarborgde fiscale autonomie, die haar toelaat eigenmachtig over het tarief van een belasting te beslissen, zonder daarbij te hoeven verantwoorden waarom niet wordt gevolgd wat andere gemeenten beweerdelijk doen. De bewering dan weer dat de belasting door haar nadelig effect op verzoekers concurrentievermogen een prohibitief karakter krijgt, wordt niet met een minimum aan concrete, geloofwaardige gegevens gestaafd. Het eerste onderdeel van het middel is ongegrond.
  14. Waar de motieven in verband met de risico’s voor het leefmilieu en de volksgezondheid van aard zijn de ingestelde specifieke bijdrageplicht in de kosten van de algemene dienstverlening redelijkerwijze te verantwoorden, kan de belasting geen fiscaal doel ontzegd worden. Het bestaan van die fiscale motieven en dat fiscaal doel wordt niet tegengesproken doordat de gemeente zich ook, bijkomend, heeft laten leiden door het niet-fiscaal nevenresultaat erin bestaande dat XII-3406-6/7 ten gevolge van de belasting het uitbaten van een stortplaats minder aantrekkelijk wordt. Tevens is niet gebleken dat tussen de bijdrageplicht en de last die door de belastingplichtigen aan de gemeenschap wordt veroorzaakt, ieder redelijk verband zoek is. In de gegeven omstandigheden ziet de Raad van State geen reden om aan te nemen dat verwerende partij “haar belastingsmacht af[wendde] van de eigenlijke en oirbare belastingsdoelstellingen”. Ook het tweede onderdeel van het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3406-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.807 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.