← België

Arrest 193810 - Diploma’s - 04/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.810 Rolnummer: A. 188247/XII-5460 Zaak: Arrest 193810 - Diploma's - 04/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-09 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Fiche Arrest nr 193.810 van 4 juni 2009 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : heropening debatten Voortzetting Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.810 van 4 juni 2009 in de zaak A.188.247/XII-

  1. In zake : Kris VAN DER HIJDEN, die woonplaats kiest te Balen, Soef 30 tegen : de UNIVERSITEIT GENT, die woonplaats kiest bij advocaat J. Goethals, kantoor houdende te Ardooie, Brugstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Kris Van der Hijden op 19 mei 2008 heeft ingediend om een administratief cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing nr. 2008/006 van 6 mei 2008 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen; Gelet op de beschikking nr. 2781 van 3 juni 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag, opgesteld door adjunct-auditeur J. Neuts, overeenkomstig artikel 51 van de procedureregeling; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5460-1/5 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat J. Goethals, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het advies van adjunct-auditeur J. Neuts bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Verzoeker vordert de nietigverklaring van het besluit van 6 mei 2008 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in de zaak 2008/006, waarin de beslissing van 13 maart 2008 van de beroepscommissie van de Universiteit Gent wordt vernietigd, in de mate dat door de beroepscommissie geen deelvrijstelling werd onderzocht.
  4. Verzoeker geeft in de door hem neergelegde memorie van weder- antwoord aan dat hij klacht met burgerlijke partijstelling heeft ingediend tegen - onder meer - de Universiteit Gent wegens valsheid in geschrifte en het gebruik van valse stukken. Met name geeft hij te kennen, onder meer, de beslissing van 13 maart 2008 van de beroepscommissie van de Universiteit Gent te viseren. Met een brief van 8 januari 2009 bevestigt J. Poppe, onderzoeks- rechter te Gent, het bestaan van deze klacht aan het bevoegde lid van het auditoraat. Hij meldt dat het onderzoek “op heden” nog niet is afgerond.
  5. Artikel 25 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State bepaalt : “Art.
  6. Wat de tussengeschillen betreft, wordt te werk gegaan overeenkomstig de artikelen 51 en 55 tot 65 van de algemene procedureregeling”. Die “algemene procedureregeling” betreft, zo blijkt uit artikel 1, 7/, van het genoemde koninklijk besluit van 30 november 2006, het besluit van de XII-5460-2/5 Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement). Artikel 51 van het algemeen procedurereglement luidt : “Art.
  7. Zo een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt de partij die het stuk heeft overgelegd door de staatsraad of het lid van het auditoraat belast met het onderzoek, of door de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, verzocht zonder verwijl te verklaren of zij volhardt in haar bedoeling er van gebruik te maken. Zo de partij op deze vraag niet ingaat, of zo zij verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen. Zo zij verklaart dat zij er gebruik wil van maken, wordt er zonder verwijl verslag over uitgebracht bij de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is. Wanneer deze oordeelt dat het van valsheid beticht stuk geen invloed heeft op haar eindbeslissing, wordt er geen rekening mede gehouden. Zo zij, integendeel, oordeelt dat het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, dan schorst zij het geding tot het bevoegd rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan”.
  8. Met een schrijven van 11 december 2008 heeft de auditeur- verslaggever, in overeenkomstige toepassing van artikel 51, eerste lid, van het algemeen procedurereglement, aan verwerende partij gevraagd om zonder verwijl mee te delen of de Universiteit Gent volhardt in haar bedoeling om van de stukken die door verzoeker van valsheid zijn beticht, gebruik te maken. Met brief van 2 januari 2009 heeft de raadsman van de verwerende partij te kennen gegeven “deze stukken wel degelijk in de procedure te willen houden” en ze “waar nodig te gebruiken ter ondersteuning van het verweer”. Verwerende partij heeft daarmee op ondubbelzinnige wijze te kennen gegeven te volharden in haar bedoeling om van de door verzoeker van valsheid betichte stukken verder gebruik te willen blijven maken.
  9. Te dezen rijst dan ook, onder overeenkomstige gelding van artikel 51, vierde en vijfde lid, van het algemeen procedurereglement, de vraag of de van valsheid betichte stukken wel of niet van wezenlijk belang zijn voor de oplossing van de geschillen die verzoeker bij de Raad van State heeft aanhangig gemaakt. Deze vraag dient bevestigend beantwoord te worden. XII-5460-3/5 De Raad van State is alleszins niet bevoegd om zich over het bestaan van de valsheid zelf uit te spreken. Het onderzoek en oordeel over de betichting van valsheid behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de gewone rechter, te dezen de strafrechter. Zo de klacht met burgerlijke partijstelling van verzoeker leidt tot een procedure voor een strafgerecht en zo dat strafgerecht tot een oordeel komt dat de kwestieuze stukken inderdaad vals zijn, zoals verzoeker beweert, dan heeft dat een weerslag op de cassatieprocedure die wordt gevoerd voor de Raad van State. Valse stukken hebben geen bewijskracht. De Raad van State kan met dergelijke niet-bewijskrachtige stukken geen rekening houden, ze niet betrekken bij de oplossing van het geschil. Eén van de stukken die van valsheid wordt beticht, is de aan de zaak onderliggende beslissing van de Universiteit Gent van 13 maart 2008, die bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen werd aangevochten. Zo die administratieve rechtshandeling vals zou blijken, had dit ook voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen een reden moeten zijn om ze niet te betrekken in zijn oordeel, oordeel dat thans met een cassatieberoep bij de Raad van State is aangevochten.
  10. Het stuk dat verzoeker middels een klacht met burgerlijke partijstelling van valsheid beticht, is dus van wezenlijk belang voor de oplossing van het geschil. Er bestaat derhalve reden om, in overeenkomstige toepassing van artikel 51, vijfde lid, van het algemeen procedurereglement, het geding te schorsen totdat het bevoegde rechtscollege over de strafklacht van verzoeker uitspraak heeft gedaan. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  11. De debatten worden heropend. XII-5460-4/5 Artikel
  12. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt er mee belast, na afloop van het strafgeding, het onderzoek van de zaak voort te zetten. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5460-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.810 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.003 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.