← België

Arrest 193811 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 04/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.811 Rolnummer: A. 168689/XII-4615 Zaak: Arrest 193811 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 04/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-16 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Fiche Arrest nr 193.811 van 4 juni 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.811 van 4 juni 2009 in de zaak A. 168.689/XII-

  1. In zake : Geert SMET, wonende te Aarschot, Rillaarsebaan 180 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 12 Adite, dat woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Geert Smet op 16 december 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de raad van bestuur van de scholengroep 12 van het Gemeenschapsonderwijs van 25 oktober 2005 waarbij zijn proeftijd wordt verlengd met zes maanden; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Fransen, die loco advocaat M. Stommels verschijnt voor verwerende partij; XII-4615-1/6 Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  3. Verzoeker is sinds 1 januari 2005 benoemd als leraar AV voor een deeltijdse opdracht van 5/20 in het CVO Aarschot. Bij beslissing van 24 juni 2004 wordt hij met ingang van 1 september 2004 tot de proeftijd toegelaten voor een deeltijdse opdracht in het ambt van adjunct-directeur (8/20) aan het CVO Aarschot. 1.
  4. Op 25 augustus 2005 brengt de directeur van het CVO Aarschot met betrekking tot de proeftijd van verzoeker een omstandig advies uit, en hij besluit : “Wij hebben het binnen CVO Aarschot over het algemeen getroffen met de adjunct. Hij weet heel goed waar zijn sterke en waar zijn zwakke punten liggen. Met nog wat meer ervaring, uiteindelijk alleen binnen de job te krijgen, wordt Geert een zeer goed lid van het directieteam, klaar om uit te groeien tot zijn volgend niveau”. 1.
  5. Op 25 oktober 2005 beslist de raad van bestuur met de thans bestreden beslissing om de proeftijd van verzoeker met zes maanden te verlengen, om “meer duidelijkheid en inzicht te verwerven in de taakomschrijving, de resultaatsgebieden en de competenties van [verzoeker]”. 1.
  6. Eveneens op 25 oktober 2005 wordt aan verzoeker een uitbreiding van zijn vaste benoeming toegekend, met ingang van 1 januari 2006, in het ambt leraar SO-OSP voor een volume van 7,5/
  7. XII-4615-2/6 De ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  8. Verzoeker bestempelt de bestreden beslissing in het inleidend verzoekschrift als een weigering om hem te benoemen, waardoor hij terugvalt op zijn deeltijdse benoeming van 5/20 leraar AV. De motivering van de bestreden beslissing trekt ook zijn professioneel functioneren in twijfel.
  9. In haar memorie van antwoord wijst verwerende partij er op dat de vaste benoeming van verzoeker niet zonder meer is geweigerd, maar dat enkel is beslist om de proeftijd te verlengen met zes maanden. Na het einde van de verlenging van de proeftijd kan hij nog steeds vast benoemd worden. Zijn proeftijd betreft ook enkel een deeltijdse opdracht en daarnaast blijft verzoeker vast benoemd in de deeltijdse opdracht als leraar AV. Slechts indien verzoeker toegelaten zou zijn geweest tot de proeftijd in een voltijdse betrekking, zou hij kunnen stellen bij een niet-benoeming terug te vallen op een vorige vaste benoeming. Zelfs in geval van vaste benoeming in de deeltijdse opdracht van adjunct-directeur blijft verzoeker vast benoemd in de deeltijdse opdracht 5/20 leraar. De verlenging van de proeftijd veroorzaakt ook geen financieel nadeel, want tijdens de verlenging van de proeftijd blijft hij betaald als adjunct-directeur.
  10. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord dat hij wel financieel nadeel leidt, aangezien de betaling van de wedde tijdens de vakantie, de eindejaarstoelage en de regeling van de RSZ-afhoudingen verschillend is.
  11. In de laatste memorie deelt verwerende partij mee dat verzoekers verlengde proeftijd normaal zou eindigen op 28 februari 2006, dat hij echter werkzaam is gebleven als adjunct-directeur tot 30 augustus 2006 en dat hem vanaf 1 september 2006 een tijdelijk andere opdracht is toegekend. Verzoeker heeft niet meer aangedrongen op een nieuwe beslissing van de raad van bestuur. Vanaf 1 september 2006 heeft hij een voltijdse opdracht als leraar. Op 15 december 2006 heeft de raad van bestuur alle vacante en niet-vacante uren adjunct-directeur in het CVO Diest -waarmee ondertussen het CVO Aarschot is gefuseerd- gepubliceerd in een oproep tot kandidaten. Verzoeker heeft daartegen niet geprotesteerd noch gereageerd ; evenmin deed hij dat toen de raad van bestuur op 27 februari 2007 de aanstellingen heeft bekendgemaakt. Op 1 maart 2007 is B.N. toegelaten tot de XII-4615-3/6 proeftijd in 10/20 adjunct-directeur SOSP en op 1 maart 2008 werd B.N. in deze opdracht vast benoemd. Verzoeker was hiervan op de hoogte, omdat dit gebeurt in hetzelfde CVO en de beslissingen worden bekendgemaakt via een map in de leraarskamer en een ad valvas bericht. Verzoeker heeft geen enkel rechtsmiddel tegen deze beslissingen aangewend en heeft in die omstandigheden dan ook zijn belang verloren.
  12. Verzoeker dupliceert nog op deze laatste memorie, daartoe uitdrukkelijk uitgenodigd door de staatsraad-verslaggever. In een uitvoerige nota herhaalt hij dat de bestreden beslissing zijn professioneel functioneren in twijfel trekt, dat hij minder inspraak in het beleid heeft en terug gewoon voor de klas staat, dat hij een financieel belang heeft omdat hij slechts als leraar vast benoemd is en niet als adjunct-directeur. Hij spreekt tegen nooit aangedrongen te hebben op een evaluatie en verwijst naar een voorbereidend document dat hijzelf daartoe aan de raad van bestuur heeft voorgelegd. Hij betoogt zich wel verplicht gezien te hebben om de aangeboden opdracht te aanvaarden, ten einde niet gedeeltelijk werkeloos te worden en de uitbreiding van vaste benoeming als leraar ook nog te mislopen. Over de benoeming van B.N. stelt verzoeker : “Wat de vernoemde benoeming van iemand anders in mijn functie betreft, ging ik ervan uit dat mijn nog steeds lopende klacht bij de Raad van State meer dan voldoende mijn ongenoegen met deze gang van zaken beklemtoonde”. Verzoeker besluit dat de directeur van het vroegere CVO Aarschot altijd de bedoeling heeft gehad hem te benoemen en hij wenst dat er gevolg gegeven wordt aan die bedoeling en aan zijn “verzoek tot uitvoering van de overeenkomst”. Beoordeling
  13. Het belang, waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en hij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren maar de verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde vernietiging haar nog een concreet voordeel oplevert. Dit voordeel moet in beginsel meer zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing. XII-4615-4/6 Wanneer er twijfel rijst omtrent verzoekers actueel belang, valt het hem toe aan de Raad van State alle nuttige gegevens ter beoordeling voor te leggen, die kunnen aantonen dat hij in de concrete omstandigheden van de zaak nog steeds een persoonlijk en rechtstreeks belang bij de nietigverklaring behoudt.
  14. In de voorliggende zaak vordert verzoeker de nietigverklaring van een beslissing waarbij zijn proeftijd als deeltijds adjunct-directeur wordt verlengd met zes maanden. Het voordeel dat verzoeker met het voorliggend beroep oorspronkelijk nastreefde bestond er dan essentieel in, door de nietigverklaring, een nieuwe kans te verwerven om op het normale einde van de proeftijd een vaste benoeming te krijgen als adjunct-directeur. Na afloop van de verlengde proeftijd evenwel blijkt verwerende partij geen uitdrukkelijke beslissing meer genomen te hebben met betrekking tot de al dan niet benoeming van verzoeker als adjunct-directeur. Waar begrepen kan worden dat verzoeker veiligheidshalve heeft aanvaard om met ingang van 1 september 2006 andere opdrachten te aanvaarden en dat hij zich ook niet heeft verzet tegen de uitbreiding van zijn vaste benoeming als leraar vanaf 1 januari 2006, dan valt het daarentegen niet te begrijpen dat hij tegelijk in rechte geen actie heeft ondernomen tegen de (impliciete) beslissing om hem ook na afloop van de verlengde proefperiode niet vast te benoemen, of minstens tegen het uitblijven van een beslissing om hem wél vast te benoemen. Meer nog, verzoeker spreekt niet tegen dat ondertussen iemand anders is benoemd geworden in hetzelfde ambt en dat hij van die benoeming al geruime tijd kennis heeft. Door die benoeming niet te bestrijden is ze voor hem definitief en onaanvechtbaar geworden. Het is dus voor verzoeker zelfs niet meer mogelijk om ingevolge de gevraagde nietigverklaring alsnog vast benoemd te worden in het ambt van adjunct-directeur. Het belang dat hij initieel zeker bezat bij het gevorderde is aldus door zijn eigen houding teloor gegaan. Wat de morele genoegdoening betreft, heeft verzoeker er problemen mee dat de bestreden beslissing volgens hem een miskenning is van zijn professionele kwaliteiten. Wat verzoeker evenwel op dat vlak nog kan nastreven bestaat, gelet op wat hiervoor is vastgesteld, uit niet méér dan het voordeel om derden te overtuigen van zijn initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Immers is dat beoogde XII-4615-5/6 voordeel niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren van de door hem aangevoerde middelen.
  15. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat verzoeker niet langer beschikt over het vereiste actueel belang. De exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4615-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.811 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.