← België

Arrest 193815 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 04/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.815 Rolnummer: A. 190451/IX-6128 Zaak: Arrest 193815 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 04/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-08 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Fiche Arrest nr 193.815 van 4 juni 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.815 van 4 juni 2009 in de zaak A. 190.451/IX-

  1. In zake : Frederik DE LAET, die woonplaats kiest bij advocaten D. LINDEMANS en T. EYSKENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Frederik DE LAET op 21 november 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van: “het besluit d.d. 22 september 2008 van de beroepscommissie, houdende de bevestiging van de uitspraak van de deliberatiecommissie KMS van 27 augustus 2008 waarbij is besloten dat de heer Frederik DE LAET, Adjt. KBO, definitief is mislukt, en de daarin impliciet doch zeker besloten weigering om verzoekende partij één van de maatregelen voorzien in 23/ tot 27/ van art. 2 van het koninklijk besluit d.d. 11 augustus 1994 betreffende de vorming van de kandidaat- militairen van het actief kader, toe te kennen.”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 januari 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 9 februari 2009, om 11.30 uur; IX-6128-1/13 Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. HONNAY die, loco advocaat D. LINDEMANS, verschijnt voor de verzoeker, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
  2. De verzoeker wordt op 25 augustus 2003 aanvaard als student aan de Voorbereidende Divisie van de Koninklijke Militaire School (KMS). Op het einde van het academiejaar 2003-2004 bedraagt zijn “algemeen gemiddelde” 9,64 op 20 punten (9,64/20). 1.
  3. Op 17 augustus 2004 wordt de verzoeker aanvaard als student van de 144/ promotie Sociale en Militaire Wetenschappen aan de KMS. Hij verkrijgt dan de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier. 1.
  4. Op 30 juni 2005, het einde van het eerste jaar van zijn academische vorming, moet de verzoeker voor de deliberatiecommissie verschijnen omwille van een onvoldoende score voor drie vakken. Hij behaalde 6,83/20 voor micro-economie, 8,17/20 voor methodologie van het onderzoek en 9,56/20 voor mechanica en mobiliteit. De deliberatiecommissie beslist dat de verzoeker voor één van de genoemde vakken een herexamen moet afleggen, namelijk voor micro- economie. Hij slaagt voor dit herexamen, waarna hij het tweede jaar van zijn academische vorming aanvat. IX-6128-2/13 1.
  5. Op 21 juni 2006, het einde van het tweede jaar van zijn academische vorming, moet de verzoeker voor de deliberatiecommissie verschijnen omwille van een onvoldoende score voor zeven vakken. Hij behaalde 8,11/20 voor vuurkracht, 9,25/20 voor humanitair recht, 8,05/20 voor burgerzin, 9,67/20 voor informatiesystemen, 7/20 voor arbeidssociologie, 8,50/20 voor beschrijvende statistiek en waarschijnlijkheidsrekenen en 7,75/20 voor statistische afleiding. De deliberatiecommissie beslist dat de verzoeker voor vier van de genoemde vakken herexamens moet afleggen, namelijk voor vuurkracht, burgerzin, arbeidssociologie en statistische afleiding. De verzoeker slaagt niet voor twee van de vier herexamens, waarna de deliberatiecommissie beslist om hem aan de 145/ promotie te hechten, zodat hij het tweede jaar van zijn academische vorming opnieuw kan volgen. 1.
  6. Op 28 juni 2007, het einde van het herbegonnen tweede jaar van zijn academische vorming, moet de verzoeker voor de deliberatiecommissie verschijnen omwille van een onvoldoende score voor vier vakken. Hij behaalde 9,58/20 voor administratief recht, 8/20 voor elektrotechniek, 9,67/20 voor burgerzin en 9,83/20 voor militaire sociologie II. De deliberatiecommissie beslist dat de verzoeker voor één van de genoemde vakken een herexamen moet afleggen, namelijk voor elektrotechniek. De verzoeker dient tegen deze beslissing beroep in bij de beroepscommissie, die dat beroep afwijst. De verzoeker slaagt voor het herexamen, waarna hij het derde jaar van zijn academische vorming aanvat. 1.
  7. Op 25 juni 2008, het einde van het derde jaar van zijn academische vorming, verschijnt de verzoeker voor de deliberatiecommissie omwille van een onvoldoende score voor vijf vakken. Hij behaalde 9,37/20 voor internationale relaties, 9,83/20 voor arbeidssociologie, 8,25/20 voor managementmethoden en -technieken, 7,50/20 voor inleiding tot afstandsdetectie en 7,67/20 voor militaire afstandsdetectie. De deliberatiecommissie beslist dat de verzoeker voor drie van de genoemde vakken herexamens moet afleggen, namelijk voor managementmethoden en -technieken, inleiding tot afstandsdetectie en militaire afstandsdetectie. IX-6128-3/13 1.
  8. Op 27 augustus 2008, na de tweede zittijd, verschijnt de verzoeker voor de deliberatiecommissie omdat hij niet geslaagd is voor het herexamen dat hij heeft afgelegd voor het vak managementmethoden en -technieken (MG007). Hij behaalde op dat herexamen 5/
  9. De deliberatiecommissie beslist met unanimiteit van stemmen dat de verzoeker niet geslaagd is, dat hij niet kan worden aangehecht aan een volgende promotie omdat hij reeds heeft gedubbeld en dat hij definitief mislukt is. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “Motivering in rechte: A16/K1, Art. 20quater, § 3, 4/ Motivering in feite: De KBO heeft een tekort voor het herexamen MG007 (5/20). De titularis van dit vak verklaart dat het herexamen niet moeilijk was. Er was een theoretisch gedeelte en een praktisch gedeelte. Op beide delen is betrokkene gebuisd en hij is de enige die niet geslaagd is voor het theoretische gedeelte.” 1.
  10. De verzoeker dient tegen deze beslissing beroep in bij de beroepscommissie. In zijn beroepschrift van 5 september 2008 stelt de verzoeker: “[...] Tijdens mijn voorbereiding op de deliberatiecommissie van 27 augustus 2008 nam ik contact met Kolonel [L.] (titularis van de cursus MG007). Ik vernam, evenwel zonder inzage in mijn examen, dat ik niet geslaagd was voor de cursus MG007 (TQM). Concreet behaalde ik een 4,5/12 op het theoretische gedeelte en 0,5/8 op het praktisch gedeelte. Kolonel [L.] vertelde mij dat de verbeteraar na het vinden van een telfout in het praktische gedeelte de verbetering had stopgezet. Kolonel [L.] deelde mijn mening dat dit feit zwaar doorwoog en de verbeteraar ook een 4/8 i.p.v. een 0,5/8 had kunnen geven. In bijlage A kan u een exemplaar vinden van dit praktisch gedeelte. Indien ik een 4/8 had behaald zou de deliberatiecommissie zich moeten uitspreken over een 8,5/20 i.p.v. een 5/
  11. Dit verschil is significant en stelt mijn dossier in een ander daglicht. Kolonel [L.] verzekerde mij dat hij mij niet zou steunen op de deliberatiecommissie. Ik werd ook geadviseerd mij niet te verdedigen met het argument van de ‘significante’ verbetering. Indien ik dit wel zou doen zou dit wel tegen mij kunnen keren. Aangezien Kolonel [L.] niet alleen titularis voor de cursus MG007 was en ook voorzitter van de deliberatiecommissie, leek het mij verstandig het element van de significantie inderdaad niet te vermelden tijdens mijn mondelinge verdediging op de deliberatiecommissie van 27 augustus
  12. IX-6128-4/13 Deze nieuwe elementen, in combinatie met de reeds aangehaalde elementen tijdens de deliberatiecommissie van 27 augustus 2008, plaatsen mijn dossier in een heel ander daglicht en zijn bepalend voor mijn carrière als gemotiveerde officier in de schoot van Defensie.” 1.
  13. Op 22 september 2008 wordt de verzoeker door de beroepscommissie gehoord. De beroepscommissie beslist op dezelfde datum om de uitspraak van 27 augustus 2008 van de deliberatiecommissie te bevestigen. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “a. Motivering in rechte:

(1)Wet van 21 Dec 90 (reg A16-K1), Art 20decies, 1e lid
(2)Wet van 21 Dec 90 (Reg A16-K1), Art 20quater, § 3, 4/ (Mislukt) b. Motivering in feite: Er werden geen nieuwe feiten aan de beroepscommissie overgemaakt buiten hetgeen aan de deliberatiecommissie werd gemeld.” Deze beslissing maakt het eerste voorwerp uit van de voorliggende vordering tot schorsing. De verzoeker onderkent in deze beslissing de impliciete weigering om ten aanzien van hem één van de maatregelen te nemen bedoeld in artikel 2, 23/ tot 27/, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader. Deze impliciete weigering maakt het tweede voorwerp uit van de voorliggende vordering tot schorsing. 1.
  1. Met een brief van 2 oktober 2008 legt de verzoeker zijn zaak voor aan de minister van Landsverdediging. Daarin beklaagt hij zich over de gang van zaken en voert hij de schending aan van zijn rechten van verdediging en het gelijkheidsbeginsel. Hij vraagt aan de minister “[zijn] dossier naar eer en geweten opnieuw, en zo vlug mogelijk [te laten] evalueren. Volgens de verzoeker blijft deze brief onbeantwoord. IX-6128-5/13 1.
  2. Op 26 november 2008 neemt de verzoeker kennis van de beslissing van de Algemene Directie Human Ressources waarbij hem de toestemming wordt gegeven om te worden gereclasseerd als kandidaat- aanvullingsvrijwilliger bij de landmacht, in het korps van de infanterie. Ontvankelijkheid van de vordering 2.
  3. De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie op van onontvankelijkheid van de vordering, wat het tweede genoemde voorwerp betreft. Zij laat gelden dat uit geen enkele wettelijke bepaling blijkt dat de overheid verplicht zou zijn geweest om ten aanzien van de verzoeker één van de maatregelen te nemen bedoeld in artikel 2, 23/ tot 27/, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader. 2.
  4. Artikel 2, 23/ tot 27/, van het genoemde koninklijk besluit van 11 augustus 1994, luidt als volgt: “Artikel
  5. Voor de toepassing van dit besluit moet verstaan worden onder : [...] 23/ de verderzetting van de vorming: de maatregel waarbij de niet geslaagde kandidaat de toelating bekomt om zijn vorming verder te zetten in dezelfde hoedanigheid en met dezelfde promotie; 24/ het afleggen van een herkansingsexamen: de maatregel waarbij de niet geslaagde kandidaat wegens onvoldoende professionele hoedanigheden tijdens een periode van opleiding of van schoolvorming of een gedeelte van die periodes, de toelating bekomt om een herkansingsexamen af te leggen; 25/ de latere aflegging van de proeven van fysieke conditie: de maatregel waarbij de kandidaat een uitstel bekomt voor het afleggen van de proeven van fysieke conditie; 26/ de verlenging van de vormingsperiode: de maatregel waarbij een vormingsperiode van de kandidaat wordt verlengd; 27/ de aanhechting aan een latere promotie: de maatregel waarbij, naar- gelang het geval, hetzij de niet geslaagde kandidaat de toelating bekomt, hetzij de kandidaat ten gevolge van een beslissing tot uitstel de toelating bekomt, om zijn vorming of een vormingsgedeelte te herbeginnen in dezelfde hoedanigheid met een latere promotie of vormingssessie, waarin hij het lot volgt van de kandidaten van de nieuwe promotie;”. De beroepscommissie heeft op 22 september 2008 de beslissing van de deliberatiecommissie van 27 augustus 2008 bevestigd, luidens dewelke de verzoeker niet geslaagd is, niet kan worden aangehecht aan een volgende promotie en definitief mislukt is. Deze bevestiging van de beslissing van de IX-6128-6/13 deliberatiecommissie impliceert dat de beroepscommissie ten aanzien van de verzoeker niet één van de maatregelen heeft genomen bedoeld in artikel 2, 23/ tot 27/, van het genoemde koninklijk besluit van 11 augustus
  6. De vordering gericht tegen de impliciete weigering van de beroepscommissie om één van de bedoelde maatregelen ten aanzien van de verzoeker te nemen, kan echter slechts ontvankelijk zijn indien te dezen een gebonden bevoegdheid in hoofde van de beroepscommissie zou bestaan. De verzoeker wijst echter geen enkele rechtsregel aan die de beroepscommissie ertoe zou verplichten een dergelijke maatregel ten aanzien van hem te nemen. In de huidige stand van de rechtspleging wordt dan ook aangenomen dat de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid met betrekking tot het tweede voorwerp van de vordering gegrond is. Grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing
  7. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernstig middel 4.
  8. De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 20decies van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook van het materieel motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. IX-6128-7/13 De verzoeker laat vooreerst gelden dat de bestreden beslissing overweegt dat, buiten hetgeen hij reeds voor de deliberatiecommissie heeft aangebracht, hij aan de beroepscommissie geen nieuwe feiten heeft voorgelegd en dat daarom wordt beslist de beslissing van de deliberatiecommissie zonder meer te bevestigen. Volgens de verzoeker houdt de devolutieve werking van zijn beroep echter in dat de beroepscommissie de zaak in haar geheel moet onderzoeken, zelfs al zouden geen nieuwe elementen zijn aangebracht, wat te dezen wél het geval is. Voorts betoogt de verzoeker dat hij in zijn gemotiveerd beroepschrift van 5 september 2008 wel degelijk nieuwe elementen heeft aangebracht, in het bijzonder zijn standpunt met betrekking tot de verbetering en de quotering van de praktische proef van het examen en het feit dat kolonel L. hem had verzekerd hem niet te zullen steunen tijdens de vergadering van de deliberatiecommissie. Tevens heeft hij met een faxbericht van 8 september 2008 onder meer een steuntoezegging van professor S. overgemaakt. Volgens de verzoeker had de beroepscommissie die nieuwe argumenten zorgvuldig moeten onderzoeken en in haar besluitvorming betrekken, wat uitdrukkelijk had moeten blijken uit de bestreden beslissing. Zelfs indien de beroepscommissie van oordeel was dat geen nieuwe argumenten werden voorgelegd, dan had zij moeten verantwoorden waarom zij de beoordeling van die argumenten door de deliberatiecommissie bijviel. Ten slotte stelt de verzoeker dat de beroepscommissie zonder meer heeft beslist om de uitspraak van de deliberatiecommissie te bevestigen, terwijl de beroepscommissie de motivering van haar besluitvorming in de beslissing zelf had moeten opnemen en, voor zover dit al kon gebeuren door een verwijzing naar de motieven van de deliberatiecommissie, zij de motieven van de beslissing van de deliberatiecommissie uitdrukkelijk had moeten bijvallen. 4.
  9. De verwerende partij repliceert in haar nota dat uit het verslag van de hoorzitting van de beroepscommissie blijkt dat verzoekers verweerschrift wel degelijk aan bod is gekomen. De verzoeker heeft tijdens de hoorzitting de tussenkomst van kolonel L. kunnen vermelden, evenals de steuntoezegging van professor S. Ondanks verzoekers betoog heeft de beroepscommissie beslist de uitspraak van de deliberatiecommissie te bevestigen. Volgens de verwerende partij IX-6128-8/13 blijkt daaruit dat de beroepscommissie van mening was dat de door de verzoeker aangebrachte feiten niet van aard waren een hervorming van de beslissing van de deliberatiecommissie te verantwoorden. 4.3.
  10. Artikel 20decies van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader bepaalt: “De kandidaat kan een gemotiveerd beroep aantekenen bij de beroepscommissie, naargelang het geval, tegen de beslissing van de deliberatiecommissie of van de evaluatiecommissie. De beroepscommissie kan de beslissing van de deliberatie- of evaluatie- commissie bevestigen of, een nieuwe beslissing nemen. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de deliberatie-, evaluatie- en beroepscommissies.” Deze wetsbepaling voorziet in een georganiseerd administratief beroep tegen de beslissingen van de deliberatiecommissies betreffende de beoordeling van de professionele hoedanigheden van de kandidaten onder meer tijdens de academische vorming. De behandeling van een zaak in het kader van een dergelijk beroep impliceert dat degene die het beroep heeft ingediend aanspraak erop kan maken dat aan zijn zaak een nieuw onderzoek wordt gewijd, dat moet resulteren in een al dan niet bevestigende eindbeslissing die in haar motivering ervan moet doen blijken dat de betrokken zaak de aandacht heeft gekregen die ze verdiende, dit wil zeggen dat van de bezwaren van de betrokkene tegen de in “eerste aanleg” genomen beslissing kennis werd genomen, dat ze werden onderzocht en beoordeeld en dat ze, minstens wat hun essentie betreft, een antwoord hebben gekregen. Krachtens de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet die motivering in de beslissing zelf zijn opgenomen en moet ze afdoende zijn. 4.3.
  11. Te dezen bevestigt de bestreden beslissing van 22 september 2008 van de beroepscommissie de beslissing van 27 augustus 2008 van de deliberatiecommissie dat de verzoeker niet geslaagd is, dat hij niet kan worden aangehecht aan een volgende promotie en dat hij definitief mislukt is. IX-6128-9/13 Naast de “motivering in rechte” die verwijst naar de artikelen 20quater en 20decies van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, vermeldt de bestreden beslissing als “motivering in feite” slechts dat “er [...] geen nieuwe feiten aan de beroepscommissie [werden] overgemaakt buiten hetgeen aan de deliberatiecommissie werd gemeld”. Ten onrechte echter lijkt de beroepscommissie ervan uit te gaan dat de verzoeker aan haar geen nieuwe elementen heeft voorgelegd. Nochtans wordt in het beroepschrift van de verzoeker van 5 september 2008 voor het eerst melding gemaakt van zijn bezwaar met betrekking tot de verbetering van de praktische proef van het herexamen die door de verbeteraar zou zijn stopgezet na het vinden van een telfout, evenals van zijn standpunt dat dit zwaar doorwoog en dat hij voor die proef evengoed 4 op 8 punten had kunnen verkrijgen, wat zijn dossier in een gans ander daglicht zou hebben gesteld. De verzoeker verwijst ook naar het gesprek dat hij daarover heeft gehad met kolonel L. en naar diens standpunt daarover. Hij voegt ten slotte een steunbetuiging bij van professor S. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt niet of de beroepscommissie die argumentatie van de verzoeker tegen de beslissing van de deliberatiecommissie bij haar beoordeling heeft betrokken, laat staan op welke gronden zij verzoekers argumenten ontoereikend heeft geacht om afbreuk te doen aan de beslissing van de deliberatiecommissie. De omstandigheid dat, zoals de verwerende partij stelt, het verweerschrift van de verzoeker tijdens de hoorzitting van de beroepscommissie aan bod is gekomen, kan daaraan niet verhelpen. Het eerste middel is dan ook ernstig in zoverre de verzoeker de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 5.
  12. Ter staving van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing meent te kunnen lijden, voert de verzoeker vooreerst aan dat de onzekerheid die hij dient te IX-6128-10/13 ondergaan in afwachting van de beslissing van de overheid waarbij hem de hoedanigheid van kandidaat wordt ontnomen, dan wel waarbij hij wordt gereclasseerd, moreel en psychisch bijzonder lastig te dragen is. Voorts laat hij gelden dat hij gelet op de actuele periode van economische recessie een verzoek tot reclassering heeft ingediend, maar dat zelfs indien dit verzoek wordt ingewilligd, zijn situatie uiterst denigrerend zal zijn, omdat hem slechts een reclassering kan worden toegestaan “om een nieuwe vorming aan te vatten in de hoedanigheid van kandidaat-beroeps- of aanvullingsofficier in een lagere personeelscategorie”. Hij zal dus hoe dan ook een degradatie moeten ondergaan, wat in militaire kringen niet past. De verzoeker wijst erop dat hij door de bestreden beslissing “definitief ongeschikt” wordt verklaard. Weliswaar is hij slechts niet geslaagd voor één vak, maar door die definitieve ongeschiktverklaring worden al zijn verdiensten geheel tenietgedaan. De verzoeker beklemtoont ten slotte dat de doorheen zijn studies opgebouwde kennis teloor dreigt te gaan, indien hij ze niet spoedig kan voortzetten. Hij betoogt dienaangaande: “Verzoekende partij beoogt tevens om de kennis die zij tijdens de afgelopen studiejaren heeft opgebouwd, te kunnen bewaren. Zelfs indien verzoekende partij effectief wordt gereclasseerd, zal zij de opgebouwde kennis bij de uitoefening in haar gereclasseerde functie niet op peil kunnen houden, zodat deze verloren dreigt te gaan. Het behoeft geen toelichting dat de cesuur die de duurtijd van de procedure tot vernietiging brengt in de studieloopbaan van verzoekende partij geen deugdelijk antwoord geeft op de vaststelling dat verzoekende partij de parate kennis waarover zij vandaag beschikt onmiddellijk dient te kunnen aanwenden in het kader van een herkansing om haar studies voort te zetten. In die zin lijdt verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.” 5.
  13. De verzoeker ziet na vijf jaar academische studies aan de KMS zijn studieloopbaan als student sociale en militaire wetenschappen door de bestreden beslissing definitief beëindigd, aangezien hij “definitief mislukt” wordt verklaard. Het lijkt vanzelfsprekend dat de kennis die hij tijdens die studieloopbaan heeft verworven, teloor dreigt te gaan en een maat voor niets dreigt te worden indien die loopbaan niet op relatief korte tijd kan worden voortgezet. Ook komt een IX-6128-11/13 succesvolle voortzetting van de studieloopbaan na een eventueel vernietigingsarrest daardoor in het gedrang of wordt ze minstens ernstig bemoeilijkt. Dit gegeven volstaat op zich om aan te nemen dat de verzoeker ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een ernstig nadeel ondergaat dat nog moeilijk zal kunnen worden hersteld na een vernietigingsarrest.
  14. Uit wat voorafgaat blijkt dat de beide in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalde voorwaarden voor het bevelen van de schorsing vervuld zijn. OM DIE REDENEN BESLIST de Wnd. VOORZITTER : Artikel
  15. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 22 september 2008 van de beroepscommissie, houdende de bevestiging van de beslissing van de deliberatiecommissie van de KMS van 27 augustus 2008, luidens dewelke Frederik DE LAET niet geslaagd is, niet kan worden aangehecht aan een volgende promotie en definitief mislukt is. Artikel
  16. De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. Artikel
  17. De uitspraak over de bijdrage in de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-6128-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 4 juni 2009, door : de HH. B. THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-6128-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.815 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.185 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.