← België

Arrest 193841 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 04/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.841 Rolnummer: A. 191760/IX-6260 Zaak: Arrest 193841 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 04/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Fiche Arrest nr 193.841 van 4 juni 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.841 van 4 juni 2009 in de zaak A. 191.760/IX-

  1. In zake : Tessa VAN DER PERRE, die woonplaats kiest te DILBEEK, Koolwitje 27 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Tessa VAN DER PERRE op 11 maart 2009 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van de beslissing van de stafdienst P&O, dienst Examens van de FOD Financiën van 15 januari 2009 waarbij zij niet geslaagd wordt verklaard in het examen voor het brevet “Beginselen van het Gerechtelijk Wetboek”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 28 april 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 25 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekster, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; IX-6260-1/7 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  2. Feiten 1.
  3. In de loop van de maand mei 2008 wordt meegedeeld dat er proeven worden georganiseerd voor het behalen van het brevet 2 “beginselen van het Gerechtelijk Wetboek”, in het kader van de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de betrekkingen waaraan de titel van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur is verbonden. Deze proef bestaat uit een schriftelijke test waarop minimum 60% moet worden behaald. Verzoekster, die reeds houdster is van de brevetten 1 (burgerlijk wetboek, wetten op de handelsvennootschappen) en 4 (wetboek van koophandel, burgerlijk wetboek) schrijft zich in voor de proef. Er zijn twee correctoren, assessoren genoemd. De eerste quoteert verzoeksters proef met 10,90 /20, de tweede eveneens met 10,90/
  4. Beiden geven zij een schriftelijke verantwoording voor hun beoordeling. Verzoekster behaalt aldus geen 12/20 en is niet geslaagd. Dit wordt geformaliseerd in de beslissing van de directeur van de stafdienst P&O genomen op 19 december
  5. 1.
  6. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt met een brief van 15 januari 2009 aan verzoekster meegedeeld. 1.
  7. Op 30 januari 2009 wordt op haar aanvraag een kopie over- gemaakt van haar examen en van de beoordelingsfiches van de correctoren. 1.
  8. Op 11 februari 2009 vraagt verzoekster mededeling van de puntenverdeling voor elk onderdeel van iedere vraag en van de punten die haar voor elke vraag en vraagonderdeel werden toegekend. Er wordt haar geantwoord dat er door de correctoren slechts een globaal cijfer voor het examen werd toegekend en dat het dus onmogelijk is om een puntenscore per vraag mee te delen. IX-6260-2/7
  9. Rechtspleging Op 20 mei 2009 legt verzoekster een nota met opmerkingen neer ter griffie. Dit stuk, dat niet is voorzien in het procedurereglement, wordt uit de debatten geweerd.
  10. Schorsingsvoorwaarden en onderzoek van de vordering. 3.
  11. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.1.
  12. Wat de eerste voorwaarde betreft, voert verzoekster in een eerste middel de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het zorgvuldigheidsbeginsel en het fairplay-beginsel en van de redelijkheidsnorm, alsook van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Verzoekster onderzoekt in dit middel de geschreven evaluatie van de correctoren per vraag, en per vraagonderdeel en besluit dat “duidelijk is dat het resultaat van verzoekster onjuist en onterecht is (...) en (dat) verzoekende partij onterecht als niet geslaagd wordt beschouwd.” 3.1.
  13. Uit het administratief dossier blijkt dat het schriftelijk examen betreffende de beginselen van het Gerechtelijk Wetboek in essentie een kennis- examen is, waarbij de examinandi moeten doen blijken van de kennis die zij verwierven door studie van een gedoceerde cursus. Het examen bevat ook enkele vragen die kunnen worden gekwalificeerd als vrij elementaire inzichtsvragen. Het gaat in totaliteit om vijf vragen, met per vraag een aantal onderdelen. Uit voornoemd dossier blijkt dat de twee examencorrectoren per onderdeel een schriftelijke evaluatie en verantwoording formuleren die praktisch IX-6260-3/7 eensluidend is en die gedetailleerd ingaat op de schriftelijke antwoorden en antwoordonderdelen van verzoekster. Bijgevolg is het eerste onderdeel van het middel afgeleid uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel niet ernstig. In hetzelfde onderdeel voert verzoekster de schending aan van het fairplay-beginsel. Op het eerste gezicht mist dit onderdeel feitelijke grondslag, nu verzoekster niet aannemelijk maakt dat dit beginsel zou zijn geschonden. Wat het tweede onderdeel betreft, waarin verzoekster de schending inroept van het redelijkheidsbeginsel, kan op het eerste gezicht niet worden ingezien hoe dit beginsel zou zijn geschonden, vermits niet blijkt dat een andere overheid in redelijkheid tot een andere beoordeling en conclusie zou kunnen komen, gelet op de inhoud en de draagwijdte van de antwoorden van verzoekster, op de gestelde vragen. Bijgevolg is de evaluatiemethode van de correctoren en de inhoud van hun evaluaties gelet op de gestelde vragen, op het eerste gezicht niet kennelijk onredelijk. In dit onderdeel voert verzoekster tevens de schending aan van de materiële motiveringsplicht. Dit onderdeel mist op het eerste gezicht feitelijke grondslag, gelet op de gedetailleerde commentaar per vraagonderdeel geformuleerd door de twee correctoren. De correctoren verantwoorden inderdaad hun evaluatie per gestelde vraag en per vraagonderdeel. Het eerste middel is niet ernstig. 3.2.
  14. In een tweede middel roept verzoekster de schending in van de wet betreffende de openbaarheid van bestuur van 11 april 1994 en van dezelfde beginselen als in het eerste middel. Zij voegt daaraan toe dat ook artikel 32 van de Grondwet werd geschonden. 3.2.
  15. In de huidige stand van de procedure stelt de Raad van State op het eerste gezicht vast, gelet op de stukken van het administratief dossier, dat verzoekster kennis kreeg van de bestaande documenten betreffende het schriftelijk examen, “Beginselen van het Gerechtelijk Wetboek”. Verzoekster toont niet aan dat IX-6260-4/7 het resultaat van haar schriftelijk examen zou zijn bepaald op basis van documenten die haar niet werden meegedeeld. Bijgevolg werd de wet betreffende de openbaarheid van bestuur op het eerste gezicht nageleefd en is het eerste onderdeel van het tweede middel niet ernstig. Wat het tweede onderdeel betreft, met name de aangevoerde schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, kan op het eerste gezicht worden aangenomen dat het volstaat dat de assessoren bij de verbetering van het schriftelijk examen voor elke vraag afzonderlijk hun beoordeling van elk gegeven antwoord motiveren om het globaal aantal toegekende punten te verantwoorden, zonder dat vereist is dat zij per vraag en per vraagonderdeel afzonderlijk punten toekennen. Of in de toekomst misschien zou kunnen worden overwogen dat de punten per vraag en per vraagonderdeel zouden worden genoteerd door de assessoren, is een opportuniteitsvraag die enkel door het bestuur kan worden beantwoord. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet ernstig. Bijgevolg werd artikel 32 van de Grondwet niet geschonden. Het tweede middel is niet ernstig. 3.3.
  16. In een derde middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet : “Doordat de bestreden beslissing verzoekende partij een resultaat toekent van 10,9/20; Terwijl na nazicht van het afschrift van haar examenschrift en de beoordelingsfiches van de verbeteraars een slechte beoordeling werd(en) toe- gekend voor correct beantwoorde vragen, waardoor verzoekster de voorop- gestelde score van 12/20 niet haalde en dus onterecht als niet geslaagd wordt beschouwd; Zodat verzoekster nog vóór het afleggen van haar (in principe) laatste brevet van de mondelinge proef is uitgesloten.”. 3.3.
  17. Met de verwerende partij wordt op het eerste gezicht aangenomen dat dit middel uitgaat van een verkeerde lezing van de regelgeving die terzake toepasselijk is. Dit blijkt uit wat volgt : “Artikel 16quater van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van de federale overheidsdienst IX-6260-5/7 Financiën, en van de bijzondere bepalingen die het statuut van het Rijkspersoneel uitvoeren, bepalen dat aan de proef over de beroeps- bekwaamheid die toegang verleent tot de betrekkingen waaraan de titel van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur is verbonden, enkel de ambtenaren kunnen deelnemen die slagen voor vier technische brevetten. Deze vier brevetten zijn de volgende : brevet 1 - Burgerlijk Wetboek, wetten op de handelsvennootschappen, brevet 2 - Beginselen van het Gerechtelijk Wetboek, brevet 3 - Grondige kennis van het B.T.W.-wetboek, brevet 4 - Wetboek van Koophandel, Burgerlijk Wetboek”. Verzoekster behaalde op het tijdstip van de uitspraak van huidig arrest de brevetten 1 en
  18. Zij behaalde het brevet 3 nog niet. Op dit ogenblik mag zij bijgevolg niet deelnemen aan de mondelinge proef over de beroepsbekwaamheid, omdat enkel de kandidaten die de vier brevetten hebben behaald mogen deelnemen aan de mondelinge proef. Iedere kandidaat die niet slaagt in, of niet deelneemt aan een proef met het oog op het behalen van eender welk van de vier voornoemde brevetten is uitgesloten voor deelname aan de mondelinge proef inzake de beroeps- bekwaamheid. Indien verzoekster de vier voormelde brevetten behaalt, wat niet het geval is, kan en mag zij deelnemen aan de mondelinge proef. Bijgevolg worden alle kandidaten op gelijke voet behandeld en kan op het eerste gezicht niet worden ingezien, hoe de terzake toepasselijke reglementering het gelijkheidsbeginsel zou schenden. Bovendien bepaalt artikel 16quater van het voornoemd koninklijk besluit van 29 oktober 1971 dat de ambtenaar die slaagt en een brevet behaalt, het voordeel van het slagen definitief heeft verworven en dus de proef voor het behalen van dat brevet in de toekomst niet moet overdoen. Het derde middel is niet ernstig.
  19. Bijgevolg is niet voldaan aan de eerste voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te verwerpen. IX-6260-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  20. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  21. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 4 juni 2009, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-6260-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.841 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.744 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.