← België

Arrest 193845 - Natuurbehoud - Vergunningen - 04/06/2009

Obsah (4)§ 1§ 3§ 3b§ 4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:A

§ 1BSD.

(...) Gebrek aan overleg met eigenaars - onjuiste aannames en foutieve uitgangspunten Cliënten wijzen de overheden er uitdrukkelijk op dat er m.b.t. het ingediende project geen voorafgaand overleg of bevraging heeft plaatsgevonden tussen de saneringplichtige, diens deskundige en de eigenaars of hun raadgevers. Klaarblijkelijk achtte de indiener het niet nuttig of raadzaam om vooraf te overleggen met de eigenaars (de gemeente Olen daargelaten). Dat leidt tot de ongeloofwaardige stelling dat 'het gebruik van de terreinen nà de werken (...) momenteel niet gekend (is)' (BSP, p. 3). Dat is alleen zo omdat de sanering- plichtige verzuimd heeft met cliënten in contact te treden over dat gebruik. Door dit gebrek aan overleg of bevraging gaat het BSP, zoals ingediend, uit van foutieve aannames, onder meer betreffende het behoud of de wederopbouw van gebouwen en de aanwending van de terreinen. Bijgevolg vertrekt BVL in de beschrijving en de weging van de saneringsvarianten van foutieve uitgangs- punten en komt zodanig geenszins tot een correcte oplijsting, vergelijking, of evaluatie van de alternatieven. Variant A - die voorziet in de wederopbouw van een magazijn en een bureel (BSP, p. 13 en bijlage 7) - is strijdig met de bestemming van de betrokken terreinen tot woongebied (BSP, p. 3). In saneringsvariant A gaat de indiener uit van de afbraak én wederopbouw van het magazijngebouw en het bureelgebouw, voor een kostprijs van in totaal 80.000 EUR. Noch Mevrouw Moereels, noch de Heer Van Lierde streven voor dit terreindeel -van 'nature' het tuingedeelte van de woning - een industriële bestemming na; aan een wederopbouw van een magazijn is er dan ook geen nood. Variant A verwordt op die wijze tot een totaal irrealistische variant, zowel qua uitvoering als qua kostprijzen. VII-36.359-7/50 Een overleg met de eigenaars had de indiener geleerd dat er vanwege de eigenaars geen dwingende eis is of zou zijn tot wederopbouw van de betrokken gebouwen en dat, mits de exploitant een aantal maatregelen (o.m. inzake nutsvoorzieningen en beperkte aanpassingen aan het bureelgebouw) zou treffen, die variant (of een andere realistische variant) kon vertrekken van de afbraak van deze gebouwen zonder wederopbouw. Ook de kasseibestrating achter de toegangspoort dient niet heraangelegd; de eigenaars hebben geen exploitatie van het depot voor. Dergelijke informatie had de indiener toegelaten om correctere en preciezer prijszettingen te maken dan thans geschied is en om een situatie-gebonden variant voor te stellen die maximaal milieurendement kon koppelen aan behoud van die gebouwen die diende behouden te worden (met name de woning van mevrouw Moereels). Die variant ontbreekt op heden in het BSP. (...) OPPOMPEN EN LOZEN VAN GRONDWATER De door de indiener voorgestelde saneringsvariant C gaat uit van een massale grondwateronttrekking tijdens de ontgraving (120 m³ per uur, BSP, p. 18), ten einde de grondwatertafel met 3 tot 4 meter te doen dalen. Bovendien plant de indiener het lozen van dezelfde bijzonder omvangrijke debieten opgepompt 'dieper' en ondiep grondwater in de grachten in de onmiddellijke omgeving van de terreinen (ibidem). (...) Gebrek aan inschatting van de gevolgen van de onttrekking op de omgeving De indiener voorziet een omvangrijke grondwatertafelverlaging over een groot gebied. Nochtans ontbreekt in het BSP elke studie of inschatting van de impact van die massale onttrekking op de stabiliteit van de ondergrond in de omgeving. Noch de impact op de woning van Mevrouw Moereels, noch de impact op de achtergelegen, aan de Hoefsmidstraat gelegen verkaveling werd onderzocht, laat staan aangegeven. De invloedstraal van de onttrekking wordt niet aangegeven. Over de eventueel versterkende invloed van simultane onttrekking in twee grondwater lagen tasten de overheid en de omwonenden in het duister. De N.V. Brandstoffen Van Lierde stelt enkel dat dit 'verder' zal worden 'nagegaan in een stabiliteitsonderzoek' (BSP, p. 25). Waar gesproken wordt van stabiliteitsmaatregelen, hebben die uitsluitend betrekking op de ontgraving, niet op de daarmee gepaard gaande onttrekking van grondwater. De verlaging van de grondwatertafel is een essentieel onderdeel van sanering zoals N.V. BVL die voorstaat. Het totale gebrek aan studie en inschatting van de haalbaarheid van die verlaging ten aanzien van de noodzakelijke stabiliteit van de ondergrond is een vitaal manco in het BSP. Het BSP kan niet goedgekeurd worden zonder voorafgaande sluitende studie van die impact, met een technisch bewijs dat de grondwaterverlaging geen aanleiding zal geven tot zettingen, verzakkingen of instorting, noch ter hoogte van het woonhuis op perceel 47 R. (...) Lozing van opgepompt grondwater in open grachten De indiener voorziet een massale lozing van opgepompt grondwater in open baangrachten in de buurt van de te saneren gronden (BSP, p. 10, 13 en 21). NV BVL gaat er zelf van uit dat het opgepompte water andere gevaarlijke stoffen kan bevatten (BSP, p. 21), maar zal niettemin in de open grachten lozen. Dit doet tal van vragen rijzen. De capaciteit van de geviseerde baangrachten is niet in rekening gebracht. De indiener twijfelt zelf in het BSP of de grachten dergelijke hoeveelheden wel kunnen slikken (BSP, p. 10). Een buffertank of bufferbekken - bij vb bij zware regenval - wordt niet voorgesteld. Gelet op de verwachte gevaarlijke compo- nenten en tegen de gevraagde lozingsnormen resulteert overstroming van de grachten in een uitspreiden van de verontreiniging over een groter territorium. VII-36.359-8/50 De Gemeente zal dienen te oordelen of dergelijke debieten toelaatbaar zijn, dan wel of er in een buffer dient te worden voorzien voor opvang en dosering aan een lager debiet. Thans voorziet de indiener alleen in een mogelijke lozing op de openbare riolering langs de Hoefsmidstraat 'indien de grachten het debiet niet kunnen slikken' (BSP, p. 10). De lozing betreft grondwater met gevaarlijke componenten, in open grachten. Deze grachten hebben geen afscherming tegen contact met aanpalen- de percelen of niet onderliggend grondwater. Vermoedelijk zal het geloosde water - zeker bij stagnatie met hoge volumes - vrij snel de bodem indringen en doorsijpelen naar het grondwater. Op die wijze dreigt de 'sanering' te resulteren in een potentieel veel grotere verontreiniging, zowel van de aan de grachten palende percelen als van het grondwater in de omgeving van die grachten. Als minimale eisen dient opgelegd: • dat BVL de opvangcapaciteit van de grachten dient in te schatten (en in maatregelen dient te voorzien om overstroming te vermijden); • dat BVL de kwaliteit van het opgepompte grondwater dient te verifiëren; • én dat de lozing dient te geschieden aan hooguit de geldende normen voor grondwaterkwaliteit of de achtergrondwaarden voor grondwaterkwaliteit uit het VLAREBO. De thans voorgestelde lozingsnormen (BSP, tabel 5) voldoen daar geenszins aan: • BVL draagt een lozingsnorm voor benzeen voor van 100 :g per liter of tienvoud de geldende bodemsaneringsnorm (dat is tweehonderd maal de achtergrondwaarde); • voor MTBE zou BVL lozen aan maximaal 100 :g per liter, of honderdvoud de achtergrondwaarde voor die parameter (waarom BVL MTBE verwacht, na jarenlang beweerd te hebben nooit benzines te hebben opgeslagen in het depot, is niet duidelijk); • voor minerale olie zou BVL lozen aan de bodemsaneringsnorm voor minerale olie in grondwater (500 :g/I). Tegen die waarden is de gevraagde lozingsvergunning m.a.w. een vergun- ning om de omgeving in grote mate te verontreinigen: dergelijke lozingen dreigen een verdere verontreiniging van het grondwater in de omgeving te veroorzaken. Een casus moge illustreren: BVL loost in de gracht langs de Hoefsmidstraat, tegen 60 m³ per uur, aan een norm van 80 :g benzeen per liter; de gracht loopt over, het lozingswater loopt over de verkaveling langs de Hoefsmidstraat. Deze nieuwe kavels worden nu geconfronteerd met een potentiële benzeencontamina- tie, hetzij in de grond, hetzij in het grondwater. Cliënten verzetten zich met klem tegen dergelijke handelwijze; ze getuigen van een gebrek aan eerbied voor het leefmilieu en de omgeving en doen blijken van een louter versassen van het probleem naar derden. (...) MINIMALISERING EN VERZWIJGING VAN DE EFFECTEN OP DE BEWONING EN DE BELENDENDE PERCELEN Het BSP blinkt uit door een bijzonder beknopte en minimalistische beschrijving van de impakt van de werken op de belendende percelen (hoofdstuk 11). Aan de hinder voor Mevrouw Moereels, bewoner van het woonhuis (perceel 47R), wordt geen aandacht besteed, al verlaagt BVL de grondwatertafel drastisch en verwacht de indiener geluidsemissies boven 85 dBA en zware geurhinder bij de aanpak van de kern van de verontreiniging (BSP, p. 24). Er wordt zelfs niet gepreciseerd of het huis tijdens de werkzaamheden redelijker- wijze nog bewoonbaar zal zijn. Volgens figuur 5 dient de Hoefsmidstraat over de volledige breedte van het perceel 47 S opengebroken en opengelegd te worden; vreemd genoeg is daarvan in het beschrijvende deel van het BSP nergens een spoor, zie BSP, p. VII-36.359-9/50 13, onder variant C. Aan de impact van de werken in de Hoefsmidstraat besteden de indiener en zijn deskundige evenmin aandacht. Hoe de toegang tot de Hoefsmidstraat geregeld zal worden tijdens die werken, is evenmin duidelijk. De overige impact wordt geminimaliseerd of verzwegen: vrachtwagenver- keer, opstapeling van uitgegraven gronden of aangevoerde aanvulgrond, overmatige modder- of stofvorming, daarvan wordt omzeggens geen melding gemaakt. Ook het feit dat de grond van de erven Claes en de heer Horemans gedurende maanden onbeschikbaar zal zijn, laat de indiener onvermeld. Het mangelt het BSP dus aan een volledig en correct overzicht van de impact van de voorgenomen werken op de omgeving. Ten dele is dat een gevolg van een initieel foutieve vermelding van de percelen waarop de sanering betrekking heeft (zie nagezonden fax van Haskoning aan OVAM van 14 december 2005, met een 'aangepaste tabel' met de percelen of openbare domeinen waarop het BSP betrekking heeft)". 1.4. Op 25 januari 2006 geeft de Vlaamse Milieumaatschappij een gunstig advies voor de in het bodemsaneringsproject voorgestelde lozing van het bedrijfsafvalwater. Dit advies luidt als volgt : "De VMM adviseert gunstig voor de voorgestelde bodemsanering en voor de lozing van bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen (rubriek 3.6.3.1/ - Vlarem I) en een maximum debiet van 120 m³/uur via zuiveringsinstallatie in oppervlaktewater zijnde de baangrachten (zuiveringszone OW) voor een maximum termijn van ± 3,5 maanden voor zover voldaan wordt aan de algemene voorwaarden voor lozing in oppervlaktewater en volgende bijzondere voorwaarden : Water - minerale olie : 500 :g/l - BTEX totaal : 20 :g/l - BTEX individueel :10 :g/l - MTBE :l00 :g/l Lucht - tolueen en ethylbenzeen :100 mg/N m³ bij een vracht van meer dan 2000 g/u - benzeen : 5 mg/N m³ bij een vracht van meer dan 25 g/u Deze parameters zijn ogenblikkelijk en maximaal. Tijdens de sanering dienen regelmatig analyses te worden uitgevoerd en ter beschikking gehouden van de controlerende overheden. De nazorg dient uitgevoerd zoals voorgesteld. Desgevallend dient verlenging van de sanering te worden aangevraagd. De zuiveringsinstallatie mag niet worden stil gelegd, zelfs al worden de normen tijdelijk gehaald. Het bedrijf dient te beschikken over een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het geloosde afvalwater te controleren en die inzonder toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde afvalwater". Op 6 februari 2006 geeft de afdeling Milieuvergunningen een gelijkaardig gunstig advies. Op 16 februari 2006 oordeelt de gemeente Olen, aan wie verzoekster een identiek bezwaarschrift heeft overgemaakt, dat de aangehaalde VII-36.359-10/50 bezwaren niet van aard zijn om het bodemsaneringsproject ongunstig te adviseren, dat de aanvrager zich moet houden aan de wettelijke normen en dat de kostenverde- ling geen onderwerp is van de aanvraag. Zij is van mening dat er als voorwaarden moet worden opgelegd dat : "- het geloosde water moet voldoen aan de normen voor lozing van huishoude- lijk afvalwater in oppervlaktewater of baangrachten; - er dient te allen tijde vermeden te worden dat de capaciteit van de ontvangen- de baangrachten overschreden wordt. Er mag geen wateroverlast ontstaan ten gevolge van de saneringswerken". 1.5. Op 27 februari 2006 maakt de bodemsaneringsdeskundige een technische toelichting over aan OVAM. Deze toelichting, die door OVAM was gevraagd, bevat : "- De berekening van mogelijke zettingen in de omgeving ten gevolge van een grondwaterverlaging tot een diepte van 5,5m-mv in het centrum van de ontgravingszone; - De berekening van de zettingen in de omgeving ten gevolge van de uitgraving tot circa 5,0 m-mv, rekening houdend met de voorziene stabiliteitsmaatregelen; - De beoordeling van de invloed van de bemaling en de uitgraving op de omliggende gebouwen en de beoordeling voor de noodzaak voor verder nazicht van de differentiële zettingen op basis van een grondwatermodellering; - Een raming van de debieten van het bemalingswater die geloosd kunnen worden op de grachten". De toelichting besluit dat het technisch haalbaar is om de ontgraving zoals voorzien in het bodemsaneringsproject te realiseren met een verankerde stabiliteitswand en dat uit van de gemeente Olen verkregen informatie blijkt dat zowel de gracht langs de Geelseweg als deze langs de Hoefsmidstraat zelfs het maximaal voorziene lozingsdebiet kunnen verwerken. 1.6. Op 3 maart 2006 verklaart OVAM het bodemsaneringsproject, zoals aangevuld door de stabiliteitsstudie, conform maar legt onder meer op dat, zoals geadviseerd door de Vlaamse Milieumaatschappij en door de afdeling Milieuvergunningen, het effluent van de grondwaterzuiveringsinstallatie dat wordt geloosd op het oppervlaktewater moet voldoen aan de volgende lozingsnormen: "- minerale olie : 500 :g/l - BTEX (totaal) : 20 :g/l - benzeen : 10 :g/l - tolueen : 10 :g/l - ethylbenzeen : 10 :g/l - xyleen : 10 :g/l - MTBE : 100 :g/l". VII-36.359-11/50 Verder stelt zij, in antwoord op de opmerkingen van verzoekster, dat : - de opmerking over de foutieve opsplitsing van de verontreiniging tussen het depot en de benzinepomp en de foutieve ligging van de ondergrondse tanks irrelevant is nu het bodemsaneringsproject de sanering van het volledige perceel omvat; - de beschrijving van de verontreinigingssituatie is opgenomen in het conform verklaarde beschrijvend bodemonderzoek waartegen de eigenaars geen beroep hebben aangetekend; - op basis van het BATNEEC-principe en na afweging van de verschillende saneringsvarianten OVAM van oordeel is dat variant C de meest haalbare techniek is om de verontreiniging te saneren, maar dat deze is onderworpen aan de in de conformverklaring opgenomen randvoorwaarden en dat er dient te worden gestreefd naar 80% van de bodemsaneringsnorm bestemmingstype II (hierna : BSN type II) als terugsaneerwaarde; - er voor de start van de werken een startvergadering moet worden belegd met de eigenaars en/of gebruikers van de te saneren percelen en de hinderpercelen en er ook voor de start van de werken een plan moet worden opgesteld waarin de impact ervan wordt beschreven en wordt aangegeven welke maatregelen er zullen worden genomen om de hinder en de effecten op de bewoning en de belendende percelen zo min mogelijk te houden. 1.7. Op 24 maart 2006 tekenen verzoekster en haar zoon op grond van artikel 18 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet) tegen deze conformverklaring een administratief beroep aan. In dit beroep voeren zij het volgende aan : "(...) ONVOLLEDIGHEID VAN HET INGEDIENDE BODEMSANERINGS- PROJECT Volgens de bestreden beslissing ontving de OVAM het bodemsaneringspro- ject op 6 december 2005. Op grond van

, § 3 BSD beschikte de OVAM dan over 14 dagen om te oordelen over de ontvankelijkheid en volledigheid van het BSP, afgemeten tegen de voorwaarden van artikel 15 en 16, § 1 tot 3 BSD. Het ingediende bodemsaneringsproject voldeed geenszins aan de vereisten van artikel 15 en 16 BSD. OVAM had het onvolledig moeten verklaren. Zelfs zo de OVAM in de eerste, snelle appreciatie o.g.v.

§ 3

BSD de lacunes niet zou hebben opgemerkt, dan nog had de OVAM de indiener na de grondige evaluatie moeten vragen om wijziging en/of aanvulling van het ingediende bodemsaneringsplicht, in overeenstemming met artikel 17 § 2 BSD. (...) Gebrek aan de resultaten van het beschrijvend onderzoek VII-36.359-12/50

, § 1 BSD omschrijft de minimale inhoud ('minstens') van een bodemsaneringsproject. Het dient de resultaten van het beschrijvend onderzoek te bevatten. Dat was niet het geval. Op uitdrukkelijke vraag van de OVAM heeft bodemdeskundige OVAM het beschrijvend onderzoeksverslag van 16 maart 2005 tot tweemaal, hangende de beoordelingsperiode door OVAM, aangevuld: op 21 april 2005 en op 28 april

  1. Die laatste aanvulling (28 april 2005) betrof een (beweerd) in oktober 2004 uitgevoerd controle-onderzoek op een in 2001 vastgestelde drijflaag. Welnu, het bodemsaneringsproject van 5 december 2005 bevat de resultaten van dat drijflaagonderzoek niet (zie BSP, p. 7 onderaan). Het gaat niet om een futiliteit, maar om een essentiële vraag: is er een drijflaag aanwezig of niet? Dat 'resultaat' van het beschrijvend onderzoek zit niet vervat in het ingediende project (zie Sectie 4.3 en figuur 3 van het BSP: er is geen spoor van een resultaat van een - aanvullend en door OVAM bij herhaling geëist - onderzoek naar de drijflaag). Cliënten hadden dat reeds opgemerkt in hun bezwaarschrift van 18 januari 2006 (zie aangevochten beslissing, p. 10). In de motieven van OVAM geeft OVAM zelf, minstens indirect, toe dat het BSP niet alle vereiste resultaten bevatte, want in antwoord op dit bezwaar 'verwijst (de OVAM) naar het beschrijvend bodemonderzoek dat conform werd verklaard op 10.05.2005' (bestreden beslissing, p. 10). Ook de beschrijving van de verontreinigingssituatie in het BSP (BSP, p. 5 - 7) was onvolledig, minstens foutief. De erven Van Lierde verwijzen terzake integraal naar hun bezwaarschrift van 18 januari 2006, delen 2 en 3.
  2. (...) Geen overzicht van de verschillende relevante technisch(e) mogelijkheden

, § 1 BSD vereist minstens de beschrijving van 'de verschillende technische mogelijkheden om de bodemverontreiniging te behandelen' in het bodemsaneringsproject. Het BSP van 5 december 2005 voldeed en voldoet daar patent niet aan. Haskoning heeft allerminst alle relevante technische mogelijkheden opgenomen in het BSP. Een eenvoudige logische controle van de varianten en de daarvoor aan- gebrachte criteria bracht dat aan het licht (zie bezwaarschrift van de erven Van Lierde van 18 januari 2006, sectie 4; bestreden beslissing p. 7 en 8). Op grond van de aangevoerde parameters (10 gebouwen en constructies: sloop dan wel behoud; 2/ voorgenomen terugsaneerwaarde: achtergrondwaarde; 80% BSN type II, 80% BSN type III) waren een reeks varianten (i.e. verschil- lende relevante technische mogelijkheden) voorhanden voor nader onderzoek en bespreking door de bodemdeskundige. Haskoning bracht slechts drie

(3)varianten aan: A. totale sloop van de bestaande gebouwen en ontgraving tot achtergrond- waarde; B. behoud van de gebouwen, afgraving tot 80% BSN type III, afgraving onder vrij talud; C. behoud van de gebouwen, afgraving tot 80% BSN type III, afgraving met stabiliteitsmaatregelen. Veel technische mogelijkheden tot aanpak van de bodemverontreiniging zijn dus niet opgenomen of onderzocht in het BSP van december 2005. Sloop van de gebouwen met afgraving tot 80% BSN van type II (variant A2) komt niet voor. Haskoning deed evenmin onderzoek naar een variant B1 of C2: behoud van de ruimtelijke structuur, met afgraving tot achtergrondwaarde met stabiliteitsmaatregelen. Ook een realistische variant - uit te werken na overleg met de eigenaars -, bestaande uit gedeeltelijke sloop van de constructies en afgraving tot achter- grondwaarde, met stabiliteitsmaatregelen voor het bewoonde woonhuis van VII-36.359-13/50 mevrouw Moereels werd niet onderzocht in het BSP (zie ook hierna, deel 5). Het ingediende BSP oogt helemaal niet als een project dat vertrekt vanuit de plaatselijke verontreinigingssituatie, rekening houdt met de locale gegevenhe- den (woongebied, nabestemming, behoud woonomgeving, nabijgelegen bouwpercelen en openbare wegen) en na afweging van alle mogelijke technieken een geëigende en op maat gemaakte techniek naar voor schuift. Op dit punt is er sprake van een patente ontoereikendheid ten aanzien van de decretale voorschriften: het decretaal voorgeschreven spectrum aan technische mogelijkheden is helemaal niet opgenomen of beschreven in het BSP. Op het bezwaar van cliënten (opgenomen in hun bezwaarschrift van 18 januari 2006, zie bestreden beslissing, p. 7- 8) geeft de OVAM in de bestreden beslissing een antwoord dat naast de kwestie is: OVAM is het eens met de deskundige, 'na afweging van de verschillende saneringsvarianten' (bestreden beslissing, p. 10), maar dit BSP bevat niet alle verschillende saneringsvarianten. In de bestreden beslissing erkent de OVAM, tenminste op indirecte wijze, dat het BSP haar niet alle relevante saneringsvarianten had voorgelegd. OVAM zelf wijzigt onderdelen uit de zogeheten goedgekeurde variant C, onder het mom van een 'randvoorwaarde': wat de terugsaneerwaarde betreft, dient er bij voorbeeld voor de grond te worden gestreefd naar 80% BSN voor type II (bestreden beslissing, p. 10 onderaan en artikel 2, p 16). Dat was een afzonder- lijke relevante technische mogelijkheid; OVAM bevestigt op die wijze m.a.w. de initiële onvolledigheid. Het instemmend oordeel van de OVAM (met variant C, onder randvoor- waarden) is aan de basis aangetast door een gebrek aan totaaloverzicht van de verschillende saneringsvarianten. Deze grief betreft zowel een schending van

BSD als een inbreuk op het zorgvuldigheidsbeginsel (de plicht om bij de besluitvorming een toereikende feitenwending te organiseren en te vertrekken van een totaalbeeld), als een gebrek aan deugdelijke en afdoende motivering voor de eindbeslissing (OVAM antwoordde niet op het initiële bezwaar). (...) Geen maatregelen om te voldoen aan de voorschriften van artikel 7 en 8 BSD Conform

moet het BSP minstens de maatregelen bevatten die de voorsteller 'voorstelt (om) te nemen overeenkomstig artikel 7 en artikel 8' BSD en moet het BSP rekening houden 'met de bepalingen van artikel 7 en artikel 8' BSD. Artikel 8 BSD stelt als leidinggevend beginsel dat bodemsanering erop gericht is om 'de achtergrondwaarden voor de bodemkwaliteit te realiseren'. (...) Initiële schending van artikel 8 BSD In het BSP van december 2005 gingen zowel de saneringsplichtige als diens deskundige voorbij aan dat voorschrift. Op pagina 10 van het BSP verleende de saneringsplichtige weliswaar lippendienst aan de sanering tot achtergrondwaarde ('In eerste instantie wordt getracht om te saneren tot de achtergrondwaarden'), doch in de daadwerkelijke bespreking van de varianten werd dat streefdoel terstond verlaten. Slechts in één (extreme) variant - nl. de totale sloop van alle gebouwen en constructies - kwam de sanering tot achtergrondwaarde voor de grond aan bod (BSP, p. 13). Varianten B en C hanteerden voor de grond terstond 80% van de BSN voor type III als terugsaneerwaarde. Voor het grondwater werd de achtergrondwaarde nooit in ogenschouw genomen. Op die wijze belette de deskundige dat een betekenisvolle vergelijking o.g.v. het voorschrift uit artikel 8 BSD zou plaatsvinden. VII-36.359-14/50 De zogeheten BATNEEC-studie (BSP, p. 14) - waarnaar OVAM in de bestreden beslissing verwijst (besteden beslissing, p. 10) - is met hetzelfde gebrek behept en is slechts een studie van een partieel spectrum, zonder rekening te houden met het voorschrift van artikel 8 BSD. Het ingediende bodemsaneringsgebied hield geen rekening met de bepa- lingen van artikel 7 en van artikel 8 BSD en had dus eerst gewijzigd en aangevuld moeten worden, alvorens de OVAM zich een beredeneerd oordeel kon vormen. (...) Gebrek aan motivering o.g.v. artikel 8 BSD (BATNEEC) - schending Wet van 29 juli 1991 Zowel de deskundige (in het BSP) als de OVAM (in de bestreden beslissing) verlaten quasi onmiddellijk het beginsel van de sanering tot achtergrondwaarde, zowel voor de grond als voor het grondwater, zonder daarvoor enig motief aan te brengen. Nergens geven de bodemdeskundige of de OVAM aan waarom het niet mogelijk zou zijn om de achtergrondwaarden voor de bodemkwaliteit te realiseren. Dat is strijdig met artikel 8 § 2 BSD, zowel formeel als inhoudelijk. De partiële BATNEEC-studie (alléén voor grondsanering en slechts één variant met afgraving tot achtergrondwaarde) voldoet niet. Voor het grondwater gaat de deskundige in de drie varianten onmiddellijk en zonder enige argumen- tatie uit van een terugsanering tot 80% BSN (BSP, p. 14). OVAM - nochtans de hoeder van de eerbiediging van artikel 8 BSD - liet die niet gemotiveerde keuze ongemoeid en nam ze zonder verpinken over (bestreden beslissing, artikel 2, p. 16). Elke inhoudelijke motivering o.g.v. het BATNEEC-beginsel ontbreekt, zowel in het BSP zelf als in de bestreden beslissing. De passage onderaan p. 10 van de bestreden beslissing, over de BATNEEC-afweging, is allerminst een deugdelijke of afdoende inhoudelijke argumentatie; het gaat om een passe-partout formule, die OVAM in eender welke conformverklaring kan opnemen: op basis van het BATNEEC-principe en na afweging van de verschillende saneringsvarianten is de OVAM van oordeel dat variant X de meest haalbare techniek is om de verontreiniging te saneren. Daarmee schendt de beslissing naast het Bodemsaneringsdecreet ook de wettelijke bepalingen m.b.t. de motivering van bestuurshandelingen (Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen). (...) Geen of onvoldoende beschrijving van de maatregelen m.b.t. de milieu- veiligheid Krachtens

BSD moet het bodemsaneringsproject de maatregelen beschrijven die zullen worden genomen tot verzekering van zowel de milieuveiligheid als de arbeidsveiligheid. (...) Het ingediende project Het BSP gaat in de gekozen variant uit van een massale ontgraving van gronden in de onmiddellijke nabijheid van een bewoond pand, bestaande constructies en openbare wegen (zie BSP, p. 16-18 en Figuur 5). Afgraving wordt voorgenomen tot 4 à 5 m. onder het maaiveld en dient voorafgegaan en begeleid door een verregaande grondwaterbemaling (in twee watervoerende pakketten). Het opgepompte verontreinigde grondwater wordt volgens het BSP geloosd in open grachten langsheen de openbare wegen (Geelse Weg en Hoefsmidstraat), zogeheten 'baangrachten' (BSP, p. 18). Het lozingsdebiet ingevolge grondwaterbemaling kan oplopen tot 120m³ per uur (ibidem). De lozing van grondwater geschiedt volgens het BSP aan concentraties, die een veelvoud zijn van de achtergrondwaarden of kwaliteitsnormen, die de bodemsaneringnormen benaderen (minerale olie) of deze zelfs overstijgen (benzeen: tienvoud van de bodemsaneringnorm). VII-36.359-15/50 Sectie 10 van het BSP beschrijft naar verluid de maatregelen i.v.m. veiligheid, gezondheid en milieu. (...) Geen antwoord op vragen inzake milieuveiligheid of -impact Welke impact heeft de massale grondwateronttrekking op de plaatselijke grondwaterhuishouding? Daarover rept sectie 10 van het BSP met geen woord. Over de invloed van de onttrekking van tot 80m³ per uur aan het tweede watervoerende pakket, zowel op de ondergrond als op het grondwater, zegt het BSP niets. Hoeveel debiet kunnen de betrokken baangrachten aan en welke impact heeft de voorgenomen lozing (aan max. 120m³ per uur) op die baangrachten en hun ondergrond ? Daarover rept sectie 10 van het BSP met geen woord. Achteraf stellen zowel de OVAM als het College van Burgemeester en Schepenen dat 'de capaciteit' van de ontvangende baangrachten niet mag worden overschreden (bestreden beslissing, p. 3, 12 en artikel 2), maar het BSP bevatte geen opgaaf van inschatting van die capaciteit, noch bij droog weer, noch bij regenweer. Welke impact heeft de lozing van opgepompt water aan hoge verontreini- gingsconcentraties op deze baangrachten (met een beperkt verhang en zonder voortdurend aanwezig oppervlaktewater)? Daarover rept sectie 10 van het BSP met geen woord. Cliënten hebben zelf een bodemdeskundige geraadpleegd. Deze wijst erop dat de betrokken baangrachten geen oppervlaktewater zijn of bevatten en een beperkt verhang hebben. Volgens Soresma zal het geloosde water dus zeer snel in de onverza- digde grachtbodem terechtkomen. Tegen de aangehaalde en de door de OVAM goedgekeurde concentraties (500 :g/l. minerale olie; 100 :g/l. MTBE; 20 :g/l. BTEX totaal) leidt dat tot een nieuwe bodemverontreiniging in en rond de betrokken grachten. Die milieuverontreinigende impact komt in het ingediende BSP helemaal niet aan bod. (...) Manifeste schending van

BSD In sectie 10 van het BSP ontbreekt elke overweging in dat verband: de impact van de voorgenomen werken op het leefmilieu (en de versassing van verontreinigende componenten naar de baangrachten en de aanpalende percelen en terreinen) wordt verzwegen. Het BSP voldeed dus niet aan het voorschrift omtrent de minimale inhoud (art. 16 BSD). (...) OVAM bevestigt ontoereikendheid en schendt de procedurevoorschriften OVAM zelf bevestigde deze leemte onomwonden: 'De OVAM heeft eveneens opgemerkt dat de invloed van de grondwaterbemaling (...) en de lozing van dit water op de straatgrachten onvoldoende werd onderzocht' (bestreden beslissing, p. 11, ...). Die vaststelling/bevestiging had onder een correcte toepassing van het BSD moeten leiden, - hetzij naar een initiële bevinding van onvolledigheid (art. 16 § 3bis BSD); - hetzij naar een eindbesluit van noodzaak aan aanvullingen of wijzigingen op het ingediende BSP (art. 17 § 2 BSD). OVAM koos geen van deze twee decreetconforme oplossingen. Hangende de beoordelingsprocedure zouden allerhande toezeggingen gemaakt zijn aan of door de gemeentelijke overheid (bestreden beslissing, p. 11). Op die wijze werden essentiële onderdelen in private kamers geregeld én onttrokken aan de decretaal voorgeschreven weg van openbaar onderzoek, bezwaren, adviesverle- ning en eindbeoordeling. De bestreden beslissing schendt m.a.w. zowel de substantiële voorschriften uit het BSD als de door het decreet vastgelegde procedurevoorschriften. (...) Geen of ontoereikende beschrijving van de weerslag op de belendende percelen, inzonderheid het woonhuisperceel. VII-36.359-16/50 Naar luid van

BSD moet een bodemsaneringsproject minimaal de beschrijving van de weerslag van de werken op de belendende percelen bevatten. (...) Het ingediende project Sectie 11 van het BSP verwijst naar geluidshinder, stofhinder en geurhinder, in vijf korte alinea's. Bij nadere lezing gaat het om het aanhalen van maatrege- len inzake arbeidsveiligheid (oorbeschermers, emissiemetingen, grondbe- sproeiing). Het BSP ambieert een massale grondwateronttrekking, gevolgd door een enorme ontgraving, tot 4 à 5m. onder het maaiveld, in de onmiddellijke omgeving van het woonhuis dat Mevrouw Moereels, één van de eigenaars, bewoont en van een bouwkavel, toebehorend aan de erven Claes (de heer Horemans en kinderen). (...) Totaal gebrek aan beschrijving van de weerslag op de woonkwaliteit Het BSP vermeldt de weerslag van de werken op de woonkwaliteit van Mevrouw Moereels - qua toegankelijkheid, geluidshinder, trillingen, stofhinder, luchtemissies, water- en elektriciteitstoevoer - niet. De sanerings- plichtige plant en beschrijft alsof het woonhuis en de bewoning niet bestaan... In welke mate de bouwkavel van de erven Claes zal lijden onder de massale grondwaterbemaling en de diepe ontgraving, is voer voor speculatie. De indiener doet alsof die kavel niet bestaat. Op dit vlak beantwoordde het BSP dus niet aan de eisen uit het Bodemsane- ringsdecreet. OVAM had het met een 'manifest onvoldoende' score moeten terugzenden aan de indiener. Ook op dit vlak tracht OVAM een evidente lacune in de basis (het ontbreken van beschrijving en maatregelen tot beperking van hinder aan omwonenden en belendende percelen) aan te pakken door een verplichting om na conformver- klaring alsnog een 'hinderplan' op te stellen, 'waarin de impact van de werken wordt beschreven en welke maatregelen er zullen genomen worden om de hinder en de effecten op de bewoning en de belendende percelen zo min mogelijk te houden' (bestreden beslissing, onderaan p. 11). Cliënten juichen de verplichte opstelling van een hinderplan toe, maar deze verplichting bevestigt dat het ingediende bodemsaneringsproject an sich helemaal niet toereikend was en eerst aangevuld diende te worden. De conformverklaring met verplichting om pas achteraf 'de impact van de werken' te beschrijven is onverenigbaar met de decretale regels over de inhoud en de omvang van een bodemsaneringsproject. Het is alsof het milieu-effectenrapport voor een industrieel project pas gevraagd zou worden na de verlening van een vergunning voor de werken en exploitatie. (...) Totale onwetendheid van de impact van de grondwateronttrekking en ontgraving op de stabiliteit van de ondergrond Bij werken van een dergelijke ingrijpende aard (massale grondwateronttrek- king, in twee watervoerende pakketten en een enorme ontgraving) in een woongebied, rijst bij eenieder onmiddellijk de vraag naar de weerslag op de stabiliteit van de ondergrond. Kan de ondergrond dat aan ? Dreigen er geen verzakkingen ? Hoeveel zettingen worden verwacht ? Hoe belastend zijn de verwachte trillingen, zettingen of verzakkingen voor de gebouwen (inz. het woonhuis van Mevrouw Moereels) en de omliggende kavels? Voor de ontgraving zwijgt het BSP in alle talen over die weerslag. Voor het oppompen van grondwater stelt het BSP enigszins laconiek dat de invloed van de voorziene grondwaterbemaling (en een eventuele grondwatersa- nering) 'verder (wordt) nagegaan in een stabiliteitsonderzoek' (sic, BSP, sectie 11.4, p. 25). De grondwaterbemaling, tegen de voorgenomen debieten, is een essentieel onderdeel van de gekozen saneringstechniek. Zonder die massale grondwater- VII-36.359-17/50 onttrekking kan de grondverontreiniging niet afgegraven worden. De indiener weet niet of de grondwaterbemaling technisch haalbaar is en heeft geen zicht op de impact van de ontgraving op de omliggende gebouwen. De OVAM velt een oordeel zonder over essentieel geacht(e) gegevens te beschikken. Dergelijk stabiliteits- en impactonderzoek is onderdeel van de technische mogelijkheid, d.w.z. van de haalbaarheid van de voorgestelde saneringsvariant. Op dat vlak is er totale onwetendheid, zowel over de haalbaarheid van de sanering zelf als over de weerslag op de stabiliteit van het woonhuis (en het magazijn en bureel) en de naastgelegen bouwkavel. De OVAM is en was het met die vaststelling van patent gebrek aan basiselementen naar luid van de bestreden beslissing onomwonden eens: 'De OVAM heeft eveneens opgemerkt dat de invloed van de grondwaterbemaling op de plaatselijke stabiliteit en de lozing van dit water op de straatgrachten onvoldoende werd onderzocht' (bestreden beslissing, p. 11; ...). (...) Laattijdige aanvulling - schendingen van het BSD, de vormvoorschriften m.b.t. het openbaar onderzoek en adviesverlening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur OVAM zelf bevestigt de lacune formeel: er was in het BSP onvoldoende onderzoek naar de invloed van de grondwaterbemaling op de stabiliteit van de ondergrond. De vaststelling had moeten leiden tot een initiële bevinding van onvolledigheid van het BSP (

§ 3b

is BSD) of een eindbeslissing van noodzaak aan aanvullingen of wijzigingen (artikel 17 § 2 BSD). In casu koos de OVAM voor een privaat paradecretaal manoeuver: 'de OVAM heeft aan de deskundige gevraagd om de studie van de impact op de stabiliteit en de lozing op de straatgrachten alsnog te bezorgen' (letterlijk citaat uit de bestreden beslissing, p. 11). Dergelijke stap is paradecretaal: het Bodemsaneringsdecreet kent geen aanvullingen hangende adviesverlening, openbaar onderzoek of eindoordeel; is er onvolledigheid - zoals in casu -, dan leidt dat tot een stap onder

§ 3bis BSD.

De OVAM ontving volgens haar overwegingen m.b.t. de impact op de stabiliteit van de ondergrond een verslag, op 28 februari 2006. Drie dagen later, op vrijdag 3 maart 2006, neemt de OVAM de bestreden beslissing tot conformverklaring, mede steunende op een aanvulling van het ingediende project, drie dagen eerder. OVAM gooide derhalve in de bestreden beslissing de geldende procedure- voorschriften en regels van behoorlijk bestuur overboord: - het stabiliteitsverslag maakte geen deel uit van het in december 2005 ingediende bodemsaneringsproject, hoewel de OVAM zelf het als een vitaal onderdeel beschouwt (en mee betrekt in het eindoordeel); - het verslag was niet beschikbaar aan de personen, organisaties en instanties die o.g.v.

BSD opmerkingen, bezwaren en advies (kunnen) maken, resp. verlenen; - het onderzoeksverslag werd na het verstrijken van de termijnen voor opmerkingen of advies toegevoegd aan het saneringsdossier (28 februari 2006); - een vitaal onderdeel van het bodemsaneringsproject werd op die wijze aan openbaar onderzoek, adviesverlening en tegenspraak onttrokken, in strijd met de voorschriften inzake openbaar onderzoek en adviesverlening m.b.t. een bodemsaneringsproject; - de grondigheid van de beoordeling door de beslissingnemer van een stuk dat pas enkele dagen vóór de eindbeslissing wordt voorgelegd aan de OVAM, kan ernstig in twijfel getrokken worden; - de eigen opvraging is het bewijs bij uitstek dat er aanleiding was, in een decreetconforme behandeling, tot toepassing van artikel 17 § 2 BSD tot voorstel van aanvulling van het patent ontoereikende project. VII-36.359-18/50 In een dossier met antecedenten als dit (met een moedwillig dilatoire saneringsplichtige, met laakbare verdraaiing van de feiten en foutieve tekeningen in ongehoorde pogingen om zich te onttrekken aan een evidente en meermaals bevestigde saneringsverplichting) wekt dergelijk manoeuver van de OVAM grote verwondering; het kan niet door de beugel. Uit de eigen overwegingen van de OVAM blijkt dat het stabiliteitsverslag een noodzakelijk stuk was om het project volledig te bevinden en te kunnen beoordelen. De gevolgde procedure van laatste minuut private voorlegging (die de OVAM ook toepaste n.a.v. het beschrijvend bodemonderzoek, dat op 24 en 28 april 2005 snel werd aangevuld met ontbrekende gegevens om het op 10 mei 2005 conform te verklaren) schendt de procedurevoorschriften uit het Bodemsaneringsdecreet en staat haaks op de beginselen van behoorlijk bestuur, waarin een overheid normconform en transparant ageert en wier besluitvorming steunt op voorafgaande tegenspraak en adviesverlening, en grondige evaluatie van ingediende gegevens. (...) Algemeen besluit t.a.v. het ingediende bodemsaneringsproject Op grond van het in december 2005 ingediende en nadien openbaar gemaakte bodemsaneringsproject konden noch de adviesverleners, noch de bezwaarindieners, noch de OVAM zich een correct en volledig beeld vormen van de 'wijze waarop de bodemsanering wordt uitgevoerd' (parafrasering van artikel 15 § 1 BSD). Het ingediende project was om de hogervermelde redenen (zowel elk op zich bekeken als allen tezamen bekeken) manifest onvolledig en ontoereikend: tal van wezenlijke gegevens, stukken en beschrijvingen ontbraken in het inge- diende project. Er was geen totaaloverzicht van alle mogelijke saneringsvarianten. Tal van mogelijkheden werden weggelaten. Varianten A en B leken geselecteerd in functie van de beslissing voor variant C (het lijkt veeleer te gaan om een standaardproject dat voor tal van sites aangewend kan worden en helemaal niet site-specifiek is getest, aangepast of uitgewerkt). Sanering tot achtergrondwaar- den werd terstond afgewezen, zonder enig motief. Basisgegevens inzake de technische haalbaarheid van de voorgestelde techniek ontbraken. De impact op de woonomgeving, de woonkwaliteit en de nabijgelegen bouwkavels kwam nooit aan bod. In de beslissing beaamt de OVAM zelf dat het ingediende project op verschillende onderdelen onaanvaardbare lacunes vertoonde. De binnenskamers aanvulling van bepaalde leemtes vermag daaraan niet te verhelpen, maar brengt op zich een schending mee van de procedurevoorschrif- ten inzake evaluatie van een bodemsaneringsproject onder het BSD. Ook de omzetting van patente onvolkomenheden tot voorwaarden tot of bij conform- verklaring (zoals het hinderplan) kunnen de initiële onvolledigheid niet verhullen of toedekken. De bestreden beslissing kwam tot stand met flagrante schending van de artikelen 8, 15 en 16 BSD) en in strijd met de algemene beginselen inzake behoorlijk bestuur (zorgvuldigheid, feitenvinding en transparantie). De Regering dient dat recht te zetten, door de conformverklaring ongedaan te maken en te komen tot een beslissing waarin de indiener van het project gevraagd wordt om aanvulling en/of wijziging van het project, ten einde de aangehaalde leemtes op te vullen. (...) GEBREKKIGE, MINSTENS NIET AFDOENDE MOTIVERING (...) Geen of geen afdoende antwoord op grieven en opmerkingen Cliënten hebben vele van de hoger vermelde grieven (tegen het ingediende BSP) aan de OVAM en het College van Burgemeester en Schepenen meege- deeld in de loop van de bezwaarprocedure (aangetekende brief aan de OVAM van 18 januari 2006 en memo aan het Gemeentebestuur van 20 januari 2006). In de bestreden beslissing heeft de OVAM op de aangebrachte bezwaren of grieven niet of niet afdoende geantwoord. Ik som bij wijze van overzicht op. VII-36.359-19/50 Het antwoord van de OVAM m.b.t. de ontbrekende saneringsvarianten is naast de kwestie: OVAM weegt naar eigen schrijven 'de verschillende saneringsvarianten' af, maar laat zich daarbij (mis)leiden door een patent ontoereikend en met artikel 8 BSD strijdig overzicht van varianten. In de eindbeslissing wijzigt de OVAM eigenhandig de parameters van de voorgestel- de variant, door de wijziging van de terugsaneerwaarde voor de grond. De repliek op de ontoereikende en foutieve beschrijving van de verontreini- gingssituatie mist evenzeer doel: OVAM verwijst gemakshalve naar het conform verklaarde beschrijvend onderzoek, maar het Bodemsaneringdecreet eist een beschrijving als onderdeel van het bodemsaneringsproject zelf (art. 16 § 1, eerste streepje BSD). OVAM brengt geen motieven aan om voor grond en grondwater af te wijken van het beginsel uit artikel 8 BSD (terugsaneren tot achtergrondwaarden). Waar de OVAM, tot tweemaal toe, formeel beaamt dat het ingediende bodemsaneringsproject onvolledig was (1/ haalbaarheid van de onttrekking en ontgraving en hun impact op de belendende percelen en de stabiliteit, en 2/ haalbaarheid van de voorgenomen lozingen t.o.v. de capaciteit van de ontvangende baangrachten) volgt niet de decreetconforme handelswijze (onvolledigheid van het BSP of nood aan aanvulling), maar een binnenskamers overleg met de nalatige deskundige, om enkele dagen vóór de beslissing stukken te ontvangen die geen deel (meer kunnen) uitmaken van het ter advies en bezwaar voorgelegde bodemsaneringsproject. De expliciete eis, per 3 maart 2006, om tijdens de werken rekening te houden met de resultaten van de stabiliteitsstudie (bestreden beslissing, p. 12 en artikel 2) staat haaks op de afwezigheid van die studie bij de indiening in december 2005. Cliënten wezen de OVAM erop dat de voorgestelde saneringsvarianten wegens gebrek aan overleg met de eigenaars vertrokken van foutieve aannames en onjuiste uitgangspunten. In antwoord wees de OVAM op de procedure onder

§ 4

BSD, doch dit is een repliek naast de kern: door het gebrek aan overleg of bevraging legde de indiener van het project niet-verwezenlijkbare varianten voor én liet de indiener evidente varianten (die de nood aan vrije toegang tot de ondergrond konden verzoenen met de nabestemming van de terreinen (zie hierna, deel 5)) achterwege. Aldus werden aan de beslissingnemer varianten onthouden die veel nauwer aansloten bij artikel 7 en 8 BSD en de vereiste verwijdering van de grondverontreiniging. (...) Intern contradictorische en dus ondeugdelijke motieven De bestreden beslissing bevat bovendien intern tegenstrijdige motieven. De OVAM bevestigt dat 'de voorgestelde lozingsnormen veel hoger zijn dan de geldende normen voor grondwaterkwaliteit of de achtergrondwaarden voor grondwater uit het VLAREBO' (bestreden beslissing, p. 12), maar legt voor minerale olie en voor MTBE net die lozingsnormen op, die de saneringsplichti- ge in Tabel 5 van het bodemsaneringsproject zelf had voorgesteld (minerale olie: 500 :g/l. of vijfvoud de achtergrondwaarde, MTBE: 100 :g/l. of honderdvoud de achtergrondwaarde uit Bijlage 6 aan het VLAREBO)! Alleen de lozingsnormen voor BTEX individueel en BTEX totaal heeft de OVAM aangescherpt, maar ze blijven daarmee nog steeds 'veel hoger dan de (...) achtergrondwaarden voor grondwater uit het VLAREBO' (voor BTEX individueel bedraagt de lozingsnorm het twintigvoud van de achtergrondwaarde uit Bijlage 6 aan het VLAREBO). Op het feitelijk onderbouwde bezwaar dat dit neerkomt op een vergunning tot verspreiding van de verontreiniging met minerale olie, BTEX en MTBE in de onmiddellijke omgeving (meer bepaald de doorgaans droog staande baangrachten en de daaraan palende terreinen) antwoordt OVAM niet. De toelating tot lozing aan een maximaal debiet van 120m³ per uur in de baangrachten, gekoppeld aan de eis om 'ten alle tijde (te vermijden dat) er VII-36.359-20/50 wateroverlast zou ontstaan ten gevolge van de saneringswerken' zijn intern tegenstrijdig: - ofwel is het debiet van 120m³ per uur aanvaardbaar in het licht van de capaciteit van de baangrachten (de overwegingen op p. 11 van de bestreden beslissing over de bevestiging van de Gemeente Olen gaan in die zin) en dan is er geen bijkomende eis inzake wateroverlast (noch alternatieve lozing op de openbare riolen) vereist; - ofwel is het debiet van 120m³ per uur onaanvaardbaar hoog voor de baangrachten en dan kan het niet vergund worden. De contradictie lijkt te beamen dat OVAM niet over alle vereiste gegevens (m.n. inzake de capaciteit van de grachten) beschikte bij de beoordeling van het bodemsaneringsproject. Ook de passages waarin OVAM bevestigt dat essentiële elementen in het project onvoldoende onderzocht werden (bestreden beslissing, p. 11) maar vervolgens stelt dat de evaluatie van de opmerkingen geen aanleiding geven tot voorstellen tot aanvulling of wijziging (bestreden beslissing, p. 13) zijn onderling incompatibel. (...) Andere motiveringsgebreken Hoger wezen cliënten al op het gebruik van een passe partout motivering inzake de toepassing van het BATNEEC-beginsel (bestreden beslissing, p. 10; zie hierboven, deel 3.3.2). (...) Besluit Om deze redenen (ieder voor zich of tezamen genomen) schendt de bestreden beslissing de bepalingen van de Wet van 29 juli 1991 betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Uw Regering dient de conformverklaring wegens die motiveringsgebreken te herroepen en te hervormen, door correcte afweging van de ingediende opmerkingen en door een eindbeslissing die steunt op en conform is aan de bevindingen van onvolledig- heid, van gebrek aan basisgegevens en van veel te hoge gevraagde lozingsnor- men. (...) AFWEZIGHEID VAN EEN REALISTISCHE VARIANT Tegen alle logica in, stelde de saneringsplichtige saneringstechnieken en -varianten voor zonder enig voorafgaande bevraging van of voorafgaand overleg met cliënten, eigenaars van de betrokken percelen en gebouwen. Dat leidde en leidt tot voorstellen die niet overeenstemmen met de realiteit of die uitgaan van tal van foutieve premissen. Zo vertrekt variant A van de totale sloop én wederopbouw van het bureel, het magazijn en het woonhuis. De percelen liggen in een woongebied. De heropbouw van een magazijn voor opslag van smeerolieën, petroleum en gasolie, met bijhorend bureelge- bouw (zie BSP, Bijlage 7 onder 'Allerhande werken', rubrieken 4.3 en 4.4) is dan niet aan de orde, wegens onverenigbaarheid met de bestemming tot woongebied. Op die wijze worden de kosten van deze variant wel opgedreven met enkele tientallen duizenden EUR (de kosten voor afbraak en opbouw van magazijn en bureau raamt Haskoning op 80.000 EUR). Anderzijds is de afbraak van het woonhuis van Mevrouw Moereels evenmin een realistische optie: de woning strekt haar al decennia tot hoofdverblijfplaats. Niettemin wordt in variant A een kostprijs van 130.000 EUR in rekening gebracht voor de afbraak én wederopbouw van het woonhuis! In variant B zou de saneringplichtige gaan afgraven, tot 4 à 5 meter onder het maaiveld onder een vrij talud. Hoeveel constructies er dan in de loop van de werken nog zullen rechtstaan of niet gescheurd zijn, is een reële vraag. Ook die variant is in de praktijk niet haalbaar. Het ingediende bodemsaneringsproject is dus in de letterlijke zin wereld-vreemd: het is geen project dat vertrekt van de verontreinigingssituatie én de plaatselijke omstandigheden om dan in functie van de decretale voorschriften de verschillende mogelijke technieken af te wegen. Het vertrekt VII-36.359-21/50 van irrealistische en op het terrein onverwezenlijkbare opties. De bodemdes- kundige geeft op bepaalde plaatsen zelf aan niet op de hoogte te zijn van de situatie (zoals de nabestemming). Cliënten kunnen zich niet van de indruk ontdoen dat één of andere blauwdruk (model- of standaard project) is gebruikt om als project te dienen. Cliënten wezen de OVAM op deze vaststellingen en gegevens in hun bezwaren van 18 en 20 januari 2006 (zie bezwaarschrift, deel 3.2; bestreden beslissing, p. 11). Normaal zou dit moeten leiden tot een vraag naar aanvulling van het BSP, met bijkomende, op de concrete situatie toegespitste varianten. OVAM verklaarde de enige variant die niet als totaal irrealistisch en wereld- vreemd overkwam (sloop van boven- en ondergrondse tanks, maar behoud van het woonhuis, het magazijn en het bureel) conform aan het Bodemsaneringsde- creet, maar liet na te vragen naar tal van andere varianten die terdege rekening hielden met de plaatselijke omstandigheden. Noch de indiener, noch de OVAM hanteerden een scala van realistische en verwezenlijkbare varianten. Nochtans zijn de ideeën van cliënten m.b.t. de nabestemming (die de indiener, bij gebrek aan bevraging van of overleg met de eigenaars, als 'momenteel niet gekend' bestempelde; BSP p. 3) niet alleen verenigbaar met, maar zelfs bevorderlijk én kostenreducerend voor de uit te voeren saneringswerken. De bodemdeskundige van cliënten raamt de afbraak van het magazijn en het bureau op ongeveer 15.000 EUR. Heropbouw is niet nodig (en zelfs strijdig met de planologische bestemming); zo het bureel kan behouden worden, verdient die optie de voorkeur (maar die opties zijn nooit onderzocht!). Op die wijze kunnen de saneringswerken op dat terreindeel zonder constructiebeperkingen of bijzondere stabiliteitseisen verlopen en kan een groter deel van de grondver- ontreiniging efficiënter aangepakt worden. Een deel van de kosten voor de stabiliteitswand (volgens Bijlage 2 aan het BSP, rubriek 4.4:30.000 EUR) en de HDPE-folie rond het magazijn (BSP, Bijlage 2, rubriek 4.2) valt dan weg. De prijsraming wordt beïnvloed. In de extreme variant A stonden de kosten van afbraak en heropbouw in van 214.000 EUR; 80.000 EUR daarvan betroffen het magazijn en het bureau. De sloop van het magazijn en, in mindere mate, het bureau is voor cliënten onder voorwaarden aanvaardbaar, het zou de saneringsplichtige eveneens tot voordeel strekken én kan een beter milieurendement waarborgen bij gelijke prijs. Aan de beslissingnemer blijft en bleef aldus een of enkele realistische varianten onthouden die eisen inzake vrije ontgraving verzoenen met nabestem- ming en desiderata van de eigenaars. De bepalingen in de conformverklaring omtrent een hinderplan en startvergaderingen lossen dat euvel niet op: het euvel betreft de uitgangspositie voor een aangepast saneringsproject, niet de wijze van uitvoering na keuze van het project. Die variant of varianten kunnen vertrekken van de afbraak van magazijn en - in zover vereist - bureau, waardoor in die zones vrije ontgraving (tot achtergrondwaarde zelfs) mogelijk is en de dure damwand of stabiliteitswand voorbehouden wordt voor het te behouden woonhuis. De vrije ontgraving ter hoogte van magazijn (en desgevallend bureau) maakt ook een eventuele grondwatersanering makkelijker. Eén en ander tast de bestreden conformverklaring in haar wezen en kern aan. De beslissingnemer heeft geenszins met kennis van alle elementen beslist; mogelijk doorslaggevende alternatieven kwamen niet aan bod. Het verwijt aan de indiener werkt thans door naar de beslissingnemer, de OVAM. Deze beschikt over de mogelijkheid om het ingediende. bodemsaneringsproject te laten aanvullen met andere varianten, i.h.b. met realistische varianten met minder of gelijkblijvende kosten én hoger milieurendement, in overeenstem- ming met het voorschrift uit artikel 8 BSD. VII-36.359-22/50 OVAM had n.a.v. de opmerkingen van cliënten de indiener moeten wijzen op de nood aan (onderzoek van) andere, realistische varianten inzake sanering (in overleg met cliënten) en moeten uitnodigen tot aanvulling van het ingediende project, o.g.v. art. 16 § 3bis BSD, dan wel art 17 § 2 BSD. Cliënten vragen uw Regering middels dit beroepschrift dan ook de bestreden beslissing te hervormen en de indiener eerst te vragen naar aanvullingen op het ingediende bodemsaneringsproject, ten einde de overheid toe te laten om een beslissing te steunen op een totaal, correct en realistisch overzicht van saneringsvarianten. (...) BEVRAGING VAN VARIANT C OVAM heeft in de bestreden beslissing Variant C uit het bodemsanerings- project voor de N.V. Brandstoffen Van Lierde aanvaard als gepaste techniek voor de aanpak van de aangetroffen verontreiniging van de grond en het grondwater. Zelfs zo uw Regering, per impossibile, van oordeel zou zijn dat het ingediende bodemsaneringproject en de conformverklaring voldeden aan de eisen van het Bodemsaneringdecreet - quod certisseme non -, dan leggen zij de volgende vragen voor bij de aanvaarde variant. Variant C gaat uit van een behoud van de bestaande constructies, bij een massale grondwateronttrekking (in twee verschillende watervoerende lagen) en een ontgraving van de ontgravingsvakken tot 4 à 5 meter onder het maaiveld. Door de massale grondwateronttrekking ontstaat een groot debiet aan te lozen water (tot 120 m³ per uur). Die zou geloosd worden op baangrachten langsheen de openbare wegen (Hoefsmidstraat en Geelse weg), aan concentraties die een veelvoud zijn van de achtergrondwaardes uit het VLAREBO of de waterkwali- teitsnormen uit het VLAREM. Er is een damwand vereist om de stabiliteit en integriteit van de bestaande en behouden gebouwen (woonhuis, magazijn en bureau) te vrijwaren. Cliënten zijn eigenaars van de (

  1. te)behouden gebouwen. maar hebben geen enkele zekerheid dat de stabiliteitsvragen met de nodige ernst en wetenschappe- lijke onderbouw onderzocht zijn. Integendeel, bij de indiening van het project en de keuze voor Variant C was die vraag zelfs niet aan de orde geweest, er zou pas einde februari - dus na de keuze voor Variant C - een stuk in die zin zijn toegevoegd aan het dossier. Ook de stabiliteit van de omliggende bouwkavels is geenszins geborgd. Over de impact van de werken op de aanpalende openbare wegen (Geelse weg, met fietspad, en Hoefsmidstraat) tast de overheid, bij gebrek aan gegevens in het BSP, in het duister. Blijven zij toegankelijk? Hoe ernstig is het risico op wegverzakkingen ingevolge de voorgenomen grondwateronttrekking? De lozing van het opgepompte water op deze baangrachten is milieu- hygiënisch onverantwoord. Het gaat niet om een oppervlaktewater (met verdunningseffect en stroming), zoals de OVAM lijkt aan te nemen, maar om open afvoergrachten voor stormwater. Er is geen zekerheid of wetenschappelijk onderbouwde studie dat deze grachten de te lozen capaciteiten aankunnen. De gevraagde (en grotendeels toegestane) concentraties aan verontreinigende componenten veroorzaken in de doorgaans droog staande afvoergrachten verontreiniging door bezinking in de onverzadigde bodem; bij overstroming wordt de verontreiniging met minerale olie, BTEX en MTBE zonder meer naar aanpalende percelen verspreid. Dat is onverenigbaar met milieuzorg en het vermijden van verplaatsing van verontrei- niging. Variant C voorziet ook in de uitbraak en verwijdering van (
  2. de)vier ondergrondse tanks, OT1 tot OT4. Op dit vlak dekt de uittredende exploitant zijn strafrechtelijk beteugelde inbreuken op de milieuvergunnings- en sectorale voorwaarden uit VLAREM II en de daaruit ontstane delictuele toestand toe: de termijn van 36 maanden voor verwijdering van deze ondergrondse tanks (vanaf VII-36.359-23/50 buitengebruikstelling) is, al naargelang de versie die de exploitant aankleeft over het tijdstip van buitengebruikstelling, al in 1994, 1995, 2002 of ten allerlaatste, ingevolge de melding van augustus 2002 - augustus 2005 verstreken. Er rijzen ook ernstige vragen bij de kostenraming die voor Variant C is opgemaakt (BSP, bijlage 2). OVAM blijkt één en ander niet met de nodige precisie te hebben bekeken. Haskoning raamt de kosten voor de stabiliteitswand uit Variant C op 30.000 EUR (rubriek 4.4 van Bijlage 2 aan het BSP). Soresma, de deskundige die cliënten advies verleent, maakte op grond van de ontgravingsplannen van Haskoning (Figuur 5 van het BSP) een naberekening: ter vrijwaring van de gebouwen zou, gelet op de aangegeven lengte, ongeveer 1900 m² damwand vereist zijn. Een kostprijs van 30.000 EUR voor de stabiliteitswand lijkt dan manifest onderschat; Soresma komt tot zes à acht maal dat bedrag, afhankelijk van de diepte en de beoogde stabiliteit. Indien een degelijke stabiliteitswand in realiteit ongeveer 200.000 EUR kost (i.p.v.de opgegeven 30.000 EUR), dan • is de BATNEEC studie van bij de aanvang foutief (verkeerde begroting voor Variant C; onderschat met 170.000 EUR); • is Variant C tegen de door Haskoning geraamde kost een variant met een veel te beperkte stabiliteitswand en kan nooit tot 4 à 5 meter onder het maaiveld ontgraven worden (zonder structurele schade aan de gebouwen). Cliënten benadrukken, zoals in hun bezwaarschriften, dat zij bereid zijn tot overleg met de saneringplichtige, diens deskundige en de OVAM, maar daartoe is vereist dat deze zelf dergelijk overleg ambiëren en organiseren (quod non, in het geval van de OVAM, zie de bestreden beslissing, p. 11: OVAM doet alleen uitspraak over de technieken). Cliënten dringen bij uw Regering hoe dan ook aan op een grondige evaluatie van de aangebrachte variant en al zijn onderdelen en implicaties. Noch de indiener, noch de OVAM (wellicht door tijdsdruk, vermits het laatste stuk pas drie dagen voor de eindbeslissing ontvangen werd) hebben een redelijke en grondige evaluatie gemaakt van Variant C. Die past geenszins op de lokale omstandigheden en lijkt nu al voorbestemd tot een catastrofe bij uitvoering (scheuren of verzakken van de wegen en gebouwen, verspreiding van verontreiniging naar aanpalende percelen, overstroming van afvoergrach- ten). Het gaat wellicht om een standaard BSP dat de deskundige hier en daar 'in- of aangevuld' heeft met gegevens, zonder enige reële toetsing qua haalbaarheid en concordantie met de plaatselijke gegevenheden. Als eigenaars en eerste slachtoffers van de lichtzinnigheid van de indiener en diens deskundige achten cliënte het hun taak en plicht om op bovenstaande elementen te wijzen. Zij vertrouwen op uw Regering om de indiener en de OVAM tot de orde te roepen en een reële toetsing van de aangebrachte Variant C door te voeren, voor zover uw Regering zou oordelen dat het initieel ingediende BSP voldeed aan de decretale eisen en standaarden. Dergelijke toetsing zal aantonen dat Variant C geenszins de preferentiële technische mogelijkheid is om de aangetroffen verontreiniging aan te pakken". Ten slotte vragen de beroepers om te worden gehoord door de Vlaamse regering of door de adviescommissie Bodemsanering. 1.8. Het beroep wordt ontvankelijk bevonden en zowel OVAM als de saneringsplichtige, de NV BRANDSTOFFEN VAN LIERDE, dienen een verweernota in. VII-36.359-24/50 De saneringsplichtige merkt op dat, rekening houdend met de hoeveelheid en de aard van de verontreiniging, het meteen duidelijk was dat ontgraving en off-site verwerking de best beschikbare saneringstechniek is, dat voor de gegeven verontreiniging sanering tot de achtergrondwaarde meestal niet BATNEEC is, dat in elk geval met deze terugsaneerwaarden alle potentiële risico's voor de volksgezondheid en het risico voor verspreiding worden weggenomen, dat bijkomende saneringsinspanningen vanuit het oogpunt van de kostprijs niet te verantwoorden zijn, dat het onmogelijk is om alle denkbare saneringsvarianten op te lijsten, dat het belangrijkste is inzicht te krijgen in de meest relevante saneringsva- rianten, dat zelfs indien er in het kader van de stabiliteit moet worden gewerkt met damplanken met de daaraan verbonden meerkost dit niet tot gevolg heeft dat de variant C niet BATNEEC zou blijven, dat gelet op de relatief kortstondige bemaling tijdens de ontgravingswerken de impact van de grondwateronttrekking beperkt tot verwaarloosbaar zal zijn op de waterhuishouding van het tweede bekken, dat het opgepompte en geloosde water geen overstroming zal veroorzaken, dat de gemeente Olen heeft bevestigd dat de capaciteit van de grachten groot genoeg is, dat het opgepompte water wordt gezuiverd zodat het minimaal voldoet aan de lozingsnor- men die in het bodemsaneringsproject zijn opgenomen, dat die normen algemeen geldend zijn voor bodemsaneringsprojecten en voldoende conservatief zijn , dat ze lager of gelijk aan de bodemsaneringsnormen zijn zodat het irreëel is dat de lozing op het oppervlaktewater een nieuwe verontreiniging zou teweegbrengen, dat het geloosde water zich immers zal vermengen met het in de grachten aanwezige oppervlaktewater of het grondwater, dat de aanwezigheid van een drijflaag niet ter zake doet vermits het gelijkgesteld kan worden met grondverontreiniging en dus zal worden afgegraven. Naast deze technische opmerkingen ontwikkelt de saneringsplich- tige nog een aantal juridische opmerkingen. Zij luiden als volgt : "B.1 Het bodemsaneringsproject is volledig Beroeper stelt dat het ingediende bodemsaneringsproject 'geenszins (voldeed) aan de vereisten van artikel 15 en 16 BSD'. Wat de opgeworpen niet conformiteit met artikel 15 BSD betreft, kan enkel vastgesteld worden dat beroeper na de hierboven geciteerde zin met geen woord meer rept over deze zogezegde schending. Een lezing van het ingediende bodemsaneringsproject toont verder aan dat dit project wel degelijk voldeed aan de bepalingen van

BSD. Voor alle duidelijkheid wordt de volledige tekst van

§1

BSD hierna opgenomen met telkens een verwijzing naar de relevante passages in het ingediende bodemsaneringsproject. 'Een bodemsaneringsproject bevat minstens de volgende gegevens : de resultaten van het beschrijvend bodemonderzoek; (zie hoofdstuk 4 BSP) VII-36.359-25/50 de verschillende relevante technische mogelijkheden om de bodemveront- reiniging te behandelen; (zie hoofdstuk 5 BSP) een raming van hun kostprijs; (zie bijlage 4 en 7 BSP) een aanduiding van hun impact op het leefmilieu en van de resultaten waartoe zij zullen leiden, rekening houdend met de bepalingen van artikel 7 en artikel 8 en met de eventuele beperkingen die zij zullen meebrengen bij het toekomstig gebruik van de verontreinigde gronden; (zie pagina 2 BSP en Achilles zorgsysteem) de maatregelen die de opsteller van het project voorstelt te nemen overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 en artikel 8; (zie hoofdstuk 8 BSP) de termijnen waarbinnen die maatregelen zullen worden genomen; (zie hoofdstuk 7 BSP) de identificatie van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die nodig zijn om de bodemsanering uit te voeren, met vermelding van de identiteit van hun eigenaar en gebruiker; (zie hoofdstuk 2 BSP) de nabestemming die aan de verontreinigde gronden kan worden gegeven na uitvoering van de bodemsanering en de overeenstemming hiervan met de bindende stedebouwkundige voorschriften; (zie hoofdstukken 2 en 12 BSP) De Beperkingen die na de uitvoering van de bodemsanering zullen gelden voor het gebruik van de verontreinigde gronden en de overeen- stemming van de mogelijke nabestemming met de plannen van aanleg; (zie pagina 25 BSP) de wijze waarop de tijdelijk of definitief weggenomen verontreinigde stoffen of delen van de bodem of opstallen zullen worden behandeld of verwerkt; (zie pagina's. 16 - 17 BSP) de beschrijving van de maatregelen die zullen worden genomen om zowel de milieuveiligheid als de arbeidsveiligheid te verzekeren bij de uitvoe- ring van de bodemsaneringswerken; (zie hoofdstuk 10 BSP) de maatregelen tot controle en bewaking van de verontreinigde gronden die zullen genomen worden na de uitvoering van de bodemsanering en de termijn gedurende dewelke deze maatregelen van kracht zijn; (zie pagina's 18 - 20 en 25 BSP) een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde gegevens; (zie pagina 2 BSP) de weerslag van de uitvoering van de bodemsaneringswerken op de belendende percelen. (zie hoofdstuk 11 BSP)' In tegenstelling tot hetgeen in het beroepschrift wordt beweerd, voldeed het ingediende bodemsaneringsproject dus wel aan de minimum vereisten van

BSD. Op pagina 4 stellen de consoorten Van Lierde dat 'veel technische mogelijk- heden tot aanpak van de bodemverontreiniging zijn dus niet opgenomen of onderzocht in het BSP van december 2005'. Dergelijk bezwaar en het besluit tot onvolledigheid valt natuurlijk niet serieus te nemen. In theorie blijven er uiteraard altijd andere technische mogelijkheden voorhanden. Evenwel dient het bodemsaneringsproject de saneringstechnieken te vermelden die relevant zijn voor de aangetroffen verontreiniging en rekening houdende met de in concreto omstandigheden en BATNEEC principes (zie tevens punten 1 en 3 van de technische opmerking- en). Terzake stelde het bodemsaneringsproject terecht dat 'theoretisch bestaan er meerdere mogelijkheden om de grondverontreiniging te saneren. Van deze technieken is slechts een beperkt aantal operationeel. De relevante sanerings- technieken zijn hieronder opgesomd'. (pagina 11 bodemsaneringsproject). Het Bodemsaneringsdecreet vereist overigens niet dat alle technische mogelijkheden worden opgesplitst. De Memorie van Toelichting bij het VII-36.359-26/50 Bodemsaneringsdecreet stelt dienaangaande dat : 'Het saneringsproject is gericht op het onderzoeken en vergelijken van mogelijke saneringstechnieken' (zie Parl. St. 587, 1993-1994, nr. 1, 22). De opmerking van de consoorten Van Lierde dat 'dit BSP bevat niet alle verschillende saneringsvarianten' (zie pagina 5 beroepschrift) moet dan ook worden afgewezen. Overigens vraagt cliënte zich af waar in het Bodemsaneringsdecreet de consoorten Van Lierde 'het decretaal voorgeschreven spectrum aan technische mogelijkheden' lezen. Verder is het natuurlijk ook zo dat enkel de geselecteerde saneringsvariant moet worden uitgewerkt. Ook nu halen de consoorten Van Lierde aspecten aan die hoegenaamd geen uitstaans hebben met de conformverklaring van het bodemsaneringsproject. Zo stellen ze op pagina 4 bijvoorbeeld dat 'ook de beschrijving van de verontreini- gingssituatie in het BSP (BSP, p. 5 -7) was onvolledig, minstens foutief'. Op pagina's 5 tem 7 van het BSP wordt een beschrijving gegeven van de verontrei- nigingssituatie op basis van de analyseresultaten van het oriënterend en het beschrijvend onderzoek. Wij kunnen enkel vaststellen dat elke kritiek door de consoorten Van Lierde op deze analyseresultaten buiten het kader valt van de conformverklaring van het bodemsaneringsproject. De consoorten Van Lierde hadden de kans om bezwaar aan te tekenen tegen deze analyseresultaten volgens de voorziene procedures in het bodemsaneringsdecreet. Zoals de OVAM eveneens terecht opmerkt, hebben de consoorten nagelaten om een beroep aan te tekenen tegen de conformverklaring door de OVAM van het beschrijvende bodemonderzoek van 10 mei 2005. Het huidige bezwaar van de consoorten kan niet in overeenstemming worden gebracht met haar gedraging in het verleden (of beter : nalaten om een beroep aan te tekenen). Zij hebben derhalve hun recht verwerkt om alsnog bezwaar te maken tegen de uitslag van bodemonderzoeken. De opmerking dat 'in de bestreden beslissing erkent de OVAM tenminste op indirecte wijze, dat het BDSP haar niet alle relevante saneringsvarianten had voorgelegd' (zie pagina 5 beroepschrift) toont aan dat de consoorten Van Lierde zich werkelijk in alle mogelijke bochten wringen om een bezwaar tegen de conformverklaring van het bodemsaneringsproject te kunnen maken. De consoorten Van Lierde lezen blijkbaar hetgeen zij wensen te lezen in de conformverklaring. Zodoende kritiek uiten is natuurlijk niet moeilijk. De consoorten Van Lierde werpen op dat in het initieel ingediende bodemsaneringsproject er 'onvoldoende onderzoek naar de invloed van de grondwaterbemaling op de stabiliteit van de ondergrond' was. Dergelijke vaststelling had (aldus consoorten Van Lierde) moeten leiden tot 'een initiële bevinding van onvolledigheid van het BSP (

§3

bis BSD) of een eindbeslissing van noodzaak aan aanvullingen of wijzigingen (artikel 17 §2 BSD)'.

§3

bis BSD luidt als volgt : 'Indien het ingediende bodemsane- ringsproject niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 15 of van

, §§ 1 tot 3, deelt OVAM binnen veertien dagen na ontvangst en bij aangetekend schrijven aan de indiener de niet-ontvankelijkheid of de onvolledigheid van het bodemsaneringsproject mee. In dat geval worden de bestuurshandelingen voorgeschreven door

, § 4 en volgende, en artikel 17 gestuit tot op het ogenblik waarop de indiener een ontvankelijk en volledig bodemsaneringspro- ject heeft ingediend'. Aangezien de OVAM een louter verzoek aan de deskundige van mijn cliënte heeft gericht om de studie van de impact op de stabiliteit en de lozing op de straatgrachten alsnog te bezorgen en geen beslissing in de zin van

§3

bis of 17 § 2 BSD heeft genomen, besluiten de consoorten Van Lierde dat hierdoor de geldende procedurevoorschriften en regels van behoorlijk bestuur werden geschonden. VII-36.359-27/50 Evenwel moet allereerst worden opgemerkt dat cliënte zich niet in een situatie van

§3

bis of artikel 17 BSD bevond aangezien het ingedien- de bodemsaneringsproject aan de vereisten van artikel 15 en 16 §1 voldeed (zie hierboven). Dergelijke stabiliteitsstudie wordt niet vereist door het Bodemsane- ringsdecreet. VII-36.359-28/50 De consoorten Van Lierde werpen verder op dat de OVAM een beslissing nam 'met onthouding van deze nieuwe stukken en gegevens aan de adviesverle- ners en bezwaarindieners'. Op pagina 10 luidt het dat 'op die wijze werden essentiële onderdelen in private kamers geregeld én onttrokken aan de decretaal voorgeschreven weg van openbaar onderzoek, bezwaren, adviesverlening en eindbeoordeling'. Hierdoor zou de OVAM de door het decreet vastgelegde procedurevoorschriften hebben geschonden. In de memorie van toelichting bij het Bodemsaneringsdecreet valt aangaande artikel 17 BSD het volgende te lezen : '(...) Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het project moet OVAM zich uitspreken over de conformiteit ervan met de bepalingen van het decreet (art. 17, §1). Indien OVAM zich niet binnen deze termijn van zestig dagen uitspreekt, wordt het project geacht stilzwijgend conform verklaard te zijn (art. 17, §1). OVAM kan binnen een termijn van zestig dagen ook wijzigingen of aanvullingen van het project opleggen. In dit geval moet een gewijzigd of aangepast project worden ingediend en beschikt OVAM na ontvangst hiervan over een nieuwe termijn van 60 dagen, om zich hierover uit te spreken (artikel 17, §2). De inspraak en adviesprocedures van art. 16, §§ 4-6, moeten echter niet opnieuw doorlopen worden'. Cliënte vraag zich dan ook af welk belang de consoorten willen putten uit de zogezegde schendingen van

§3

bis BSD ('een initiële bevinding van onvolledigheid van het BSP') of van artikel 17 §2 BSD ('of een eindbeslis- sing van noodzaak aan aanvullingen of wijzigingen'). Immers zelfs al had de OVAM deze artikelen moeten volgen - quod non, dan nog hadden de consoorten Van Lierde geen inspraak meer gehad over de stabiliteitsstudie. Per analogie kan tevens verwezen worden naar het feit dat de erven Van Lierde ook geen kennis hebben van de adviezen die door de AHROM, VMM, gemeente, AMINAL werden verleend in het kader van de conformverklaring van het bodemsaneringsproject. De redenering van de erven Van Lierde doortrekken, zou ertoe leiden dat de bestreden beslissing in strijd met de 'geldende procedurevoorschriften en regels van behoorlijk bestuur' werd genomen. Dergelijke gevolgtrekking houdt uiteraard geen steek. Dit geldt des te meer nu vele bezwaren slechts een zeer ondergeschikt argument vormen in het geheel van de motivering van de conformverklaring. De nadruk bij een conformverklaring van een bodemsaneringsproject ligt namelijk nog steeds op argumenten van milieuhygiënische aard. De mogelijk- heid om bezwaren te maken is immers ingegeven vanuit de finaliteit om de verontreinigde bodem te saneren. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat de OVAM wel degelijk deze studie ontvangen en beoordeeld heeft binnen de vastgestelde termijn om tot een conformverklaring te kunnen overgaan. Van een schending van artikelen 7 en 8 is evenmin sprake. Zoals te lezen valt onder punt 2 van de technische opmerkingen werd op basis van de BATNEEC studie de afweging gemaakt om voor de gegeven verontreiniging het niveau van 80 % BSN type III als BATNEEC te beschouwen (in de conformverklaring stelt de OVAM dat type II BATNEEC is). Dergelijke afweging wordt expliciet toegelaten in artikel 8 § 2 BSD dat stelt: 'Indien het wegens de kenmerken van de bodemverontreiniging of van de verontreinigde gronden niet mogelijk is de achtergrondwaarden voor de bodemkwaliteit te realiseren door maatregelen die overeenstemmen met de stand van de techniek en die geen onredelijk hoge kosten meebrengen, wordt de bodemsanering er minstens op gericht een betere bodemkwaliteit te verwezenlijken dan bepaald door de toepasselijke bodemsaneringsnormen, of als ook dat niet mogelijk is, te vermijden dat de bodemkwaliteit een ernstige bedreiging vormt'. Welnu, in het bodemsaneringsproject alsook in de conformverklaring werd op basis van de specificiteit van de verontreiniging en omwille van BATNEEC VII-36.359-29/50 overwegingen, niet geopteerd voor een sanering tot de achtergrondwaarde. Dit is volledig in conformiteit met artikel 8 BSD. De stelling dat 'zowel de deskundige (in het BSP) als de OVAM (in de bestreden beslissing) verlaten quasi onmiddellijk het beginsel van de sanering tot achtergrondwaarde, zowel voor de grond als voor het grondwater, zonder daarvoor enig motief aan te brengen' moet dan ook integraal worden afgewezen. Volledigheidshalve weze nog verwezen naar pagina 13 van het bodemsaneringsproject waarin te lezen valt dat : 'op basis van een BATNEEC afweging wordt uit deze 3 vooropgestel- de saneringsvarianten de uiteindelijke voorkeursvariant bepaald. De gegevens waarop de BATNEEC-afweging is gebaseerd, zijn weergegeven in onder- staande tabel'. De keuze om niet te saneren tot de achtergrondwaarde, was dan ook afdoende gemotiveerd zowel in het bodemsaneringsproject als in de conformverklaring. De zogezegde schending van artikel 7 BSD wordt door de consoorten Van Lierde niet uitgewerkt. Cliënte vraag zich trouwens af in wat de schending van artikel 7 BSD kan bestaan aangezien dit artikel de vaststelling van bodemsane- ringsnormen door de Vlaamse Regering betreft. Cliënte kan zich niet van de indruk ontdoen dat dergelijke moedwillige verwijzingen naar zogeheten schendingen van het Bodemsaneringsdecreet enkel tot stemmingmakerij dienen. Een andere reden om tot onvolledigheid van het bodemsaneringsproject te besluiten volgens de consoorten Van Lierde, is de afwezigheid van enige overwegingen aangaande de impact van de voorgenomen werken op het leefmilieu. De consoorten Van Lierde verliezen evenwel uit het oog dat het bodemsane- ringsproject stelde dat de bouwheer 'eist dat de aannemer werkt conform het Achilles protocol opgesteld door de OVAM'. Welnu, het Achilles Veiligheid, gezondheid en milieu preventiesysteem/zorgsysteem voor on-site bodemsane- ringswerken werd door de OVAM opgesteld omdat 'Bij de uitvoering van bodemsaneringswerken speelt de zorg voor veiligheid, gezondheid en milieu een belangrijke rol. De uitvoering van bodemsaneringswerken, vaak met behulp van zwaar materiaal, kan immers aanleiding geven tot allerlei gevaren. De werknemers kunnen bijvoorbeeld blootgesteld worden aan gevaarlijke stoffen, er kunnen ongewenste emissies veroorzaakt worden, gebouwen kunnen verzakken of ondergronds leidingwerk kon doorgesneden worden. Om een beheersing van de hinder van on-site bodemsaneringswerken te garanderen werd een Achilles preventiesysteem uitgewerkt. Dit preventiesysteem werd ontwikkeld op basis van een grondige studie van de beschikbare technieken en de noodzakelijke preventiemaatregelen. In essentie is het preventiesysteem een handleiding om te werken conform de verschillende geldende wetgevingen (ARAB, AREI, Bodemsaneringsdecreet,...) met oog voor milieu-, veiligheids- en gezondheidsaspecten'. (website OVAM). Wat de lozing in de grachten en riolering betreft, heeft de OVAM terecht in haar conformverklaring aangehaald dat er geen melding moet worden gemaakt van wettelijke lozingsnormen in het bodemsaneringsproject. Cliënt stelt vast dat de consoorten Van Lierde hierop blijven terugkomen in hun beroepschrift. Blijkbaar achten zij zich terzake meer bekwaam dan de bevoegde instellingen, in het bijzonder de gemeente en de VMM. Verder houdt het bodemsaneringsproject wel degelijk rekening met de situatie van de omwonenden. Bij wijze van illustratie kan verwezen worden naar pagina 10 waar te lezen valt dat: 'tijdens de sanering dient hinder (o.a. geur-, stof-, en geluidshinder) voor de omwonenden tot een minimum te worden beperkt'. Ook bij de keuze van de saneringstechniek valt te lezen dat : '(...) Bovendien leent de ligging van het terrein in een woonomgeving en langs een drukke gewestweg, zich niet tot de aanleg van een landfarmbed' (pagina 11 BSD). Hoofdstuk 11 is ten slotte volledig gewijd aan de impact van de sanering op de belendende percelen. VII-36.359-30/50 De in het beroepschrift aangehaalde bezwaar inzake de drijflaag is ten slotte een overtollig motief (zie hierboven, punt 8 van de technische opmerkingen). B.2 De conformverklaring is deugdelijk gemotiveerd en er is geen sprake van enige schending van de beginselen van behoorlijk bestuur De consoorten Van Lierde stellen op pagina 2 van hun beroepschrift dat 'de conformverklaring doorstaat de toetsing (sic) aan de wettelijke eisen inzake uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen niet. OVAM gaf geen of geen afdoende antwoord op de opmerkingen van cliënten van januari 2006'. Eerst en vooral willen wij benadrukken dat de OVAM in haar conformver- klaring niet moet ingaan op elke veronderstelling en kritiek die de consoorten Van Lierde in hun bezwaarschriften van januari 2006 hebben geleverd. Het is vaststaande rechtspraak van de Raad van State dat de overheid niet verplicht is om alle door de rechtzoekende aangehaalde feitelijke en juridische argumenten te beantwoorden. Het volstaat met andere woorden dat de motivering draagkrachtig is, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen, wat in casu het geval is, zoals blijkt uit het bestreden besluit dat in maar liefst 23 pagina's tellend gedeelte uiteenzet waarom het bodemsaneringsproject kan worden conform verklaard met de bepalingen van het Bodemsaneringsdecreet. Mutatis mutandis kan verwezen worden naar een arrest van de Raad van State van 12 maart 2002 (met nummer 104.571) aangaande de schorsing van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonnebeke tot verlening van een vergunning voor de regularisering en herstructurering van een kleiontginning en aanleg van een openbaar, sportief en educatief bos met bijhorende voorzieningen. De verzoeker in deze zaak uitte kritiek op het feit dat de beslissende overheid (i.e. gemeente Zonnebeke) geen afdoende noch ter zake dienende tegenargumentatie heeft geformuleerd op twee in zijn bezwaarschrift geformu- leerde grieven. Evenwel oordeelde de Raad van State dat de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet vereist dat in de akte waarin over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning wordt beslist, de redenen voor het niet bijtreden van de bezwaren worden hernomen. Het is verder vaststaande rechtspraak van de Raad van State dat de motiveringsplicht niet vereist dat er stelselmatig en punt na punt wordt geantwoord op alle bezwaren die in de loop van het openbaar onderzoek voorafgaand aan het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning werden ingediend tegen het afleveren van deze vergunning (R.v.St., Poucet, nr. 45.757, 26 januari 1994; R.v.St., Talmas arrest, nr. 64.753, 25 februari 1997). In het Talmas arrest had een buurtbewoner talrijke bezwaren ingediend tegen het afleveren van een bouwvergunning met het oog op de oprichting van een paardenclub. Deze buurtbewoner vroeg de schorsing van de afgeleverde bouwvergunning omdat het college van burgemeester en schepenen niet aangaf waarom zij de bezwaren heeft verworpen en enkel stelde dat over deze talrijke bezwaren 'beraadslaagd' is. De Raad van State verwierp dit middel omdat 'een administratieve overheid die uitspraak doet over een aanvraag om bouwvergun- ning geen rechterlijke functie uitoefent en geen antwoord hoeft te geven op alle bezwaren die tijdens de procedure zijn geformuleerd; dat in casu de vermel- dingen die in het advies zijn overgenomen en die in de vergunning zijn ingevoegd aan de bezwaren van de buren tegemoetkomen, al is het summier; dat het middel niet ernstig is'. In tegenstelling met de bewering van de consoorten Van Lierde, omvat het bestreden besluit (van 23 pagina'

  1. s)zelfs een omstandige motivering en respons op de bezwaren van de consoorten Van Lierde. Deze motivering kan de bestreden beslissing in elk geval dragen. De grief van de consoorten Van Lierde aangaande het zogezegde 'gebrek aan deugdelijke en afdoende motivering voor VII-36.359-31/50 de eindbeslissing (OVAM antwoordde niet op het initiële bezwaar)' moet dan ook worden afgewezen. Overigens wil cliënte nog bemerken dat aangaande het initiële bezwaar van de consoorten Van Lierde omtrent de beweerde foutieve beschrijving van de verontreinigingssituatie, de OVAM expliciet hierop is ingegaan in haar conformverklaring (zonder dat hiertoe enige verplichting bestond; zie immers bovenstaande rechtspraak van de Raad van State). De consoorten Van Lierde zwijgen echter in alle talen over deze repliek van de OVAM (zie pagina 10 conformverklaring) en herhalen eenvoudigweg hun initiële bezwaar nogmaals in het beroepschrift (zie pagina 4). Zo is het natuurlijk niet moeilijk om een overheid in een kwaad daglicht te stellen. Bovendien houdt de motiveringsver- plichting niet in dat de overheid die een besluit neemt er toe kan worden verplicht de motieven van de motieven van haar besluit te geven (R.v.St. (10e
  2. k)nr. 117.945, 4 april 2003). De beslissing van de OVAM vermeldt en bespreekt zowel de ingewonnen adviezen als de ingediende bezwaren. Talrijke bezwaren van de consoorten Van Lierde hebben evenwel niet de minste betrekking op de criteria waaraan het bodemsaneringsproject van mijn cliënte diende te voldoen (zie hierboven). De OVAM kan dan ook niet verweten worden om niet op deze bezwaren in te gaan. In elk geval geeft de opsomming van irrelevante bezwaren in het beroepschrift zeer goed de stemmingmakerij door de consoorten Van Lierde weer. Wij stellen verder vast dat het bezwaarschrift van de erven Van Lierde dd. 24 maart 2006 grotendeels overeenkomt met hun bezwaarschrift dd. 18 en 23 januari 2006 in het kader van het openbaar onderzoek over het ingediende bodemsaneringsproject. De erven Van Lierde geven dit ook zelf aan op pagina 14 van hun bezwaarschrift. In de bezwaarschriften van 18 en 23 januari 2006 van de erven Van Lierde valt te lezen dat 'een stabiliteitsstudie - inzake de haalbaarheid van dergelijke grondwateronttrekking en de impact naar de omgeving (grondwaterhuishou- ding, zettingen, verzakkingen) - ontbreekt'. De erven Van Lierde kunnen niet ontkennen dat de OVAM met deze opmerking rekening heeft gehouden. Immers heeft de OVAM de technische raadsman van mijn cliënte verzocht, om dergelijke stabiliteitsstudie bij het bodemsaneringsproject te voegen. Zelfs al vereist het Bodemsaneringsdecreet niet dat een stabiliteitsstudie zou zijn gevoegd bij het bodemsaneringsproject, dan nog heeft de OVAM besloten om als een zorgvuldige overheid op te treden door een dergelijke studie bij mijn cliënte op te vragen. Het is dan ook een raadsel hoe de erven Van Lierde thans nog pogen vol te houden dat de OVAM niet als een behoorlijk bestuur is opgetreden en voorbij zou gaan aan elk van haar bezwaren. Ten slotte heeft cliënte geen kennis van de door consoorten Van Lierde opgeworpen beginselen inzake behoorlijk bestuur van 'feitenvinding en transparantie'. B.3 De voorgestelde saneringstechniek is realistisch en een bevraging van de consoorten Van Lierde is niet vereist De consoorten Van Lierde lijken het standpunt in te nemen dat mijn cliënte ter opmaak van haar bodemsaneringssproject (in het bijzonder de keuze van de weerhouden saneringstechniek) overleg met hen had moeten plegen. De afwezigheid van dergelijk overleg leidde aldus de consoorten Van Lierde tot 'voorstellen die niet overeenstemmen met de realiteit of die uitgaan van tal van foutieve premissen'. Uiteraard bestaat er geen wettelijke verplichting die dergelijk overleg zou verplicht stellen. VII-36.359-32/50 Cliënte kan enkel vaststellen dat de consoorten Van Lierde hun eigen saneringstechniek willen doorvoeren (zie uiteenzetting op pagina's 15 - 19 van het beroepschrift). Evenwel is het mijn cliënte die een bodemsaneringsproject dient op te stellen (zonder dat zij daartoe overleg moet plegen met de consoorten Van Lierde) en is het uiteindelijk de OVAM die dit project aan de bepalingen van het Bodemsaneringsdecreet dient te toetsen. Daarbij hebben de consoorten Van Lierde alle mogelijkheid gehad om kennis te nemen van de bodemsaneringsprocedure en om inspraak te hebben bij de beslissing van de OVAM door het indienen van opmerkingen en bezwaren, mogelijkheid waarvan de consoorten Van Lierde ook daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt. Dat de OVAM uiteindelijk bepaalde opmerkingen en bezwaren van de consoorten Van Lierde niet heeft gevolgd, betekent dus geenszins dat er geen inspraak vanwege de consoorten Van Lierde is geweest". OVAM merkt daarbij op dat de variant C de meest haalbare is, rekening houdend met artikel 8 van het bodemsaneringsdecreet, en argumenteert verder dat het vanzelfsprekend is dat er nog meer nevenvarianten uitgewerkt kunnen worden, maar dat het niet de bedoeling is om in een bodemsaneringsproject alle mogelijke varianten in detail uit te werken. De sanering tot de achtergrondwaarden zal zware kosten met zich meebrengen en dit zeker in verhouding tot het rendement van de sanering. In het conformiteitsattest wordt vermeld dat moet worden gestreefd naar 80 % BSN type II. Het bodemsaneringsdecreet kan niet worden gebruikt om te allen koste het magazijn af te breken alhoewel er zich slechts een beperkte vuilvracht onder bevindt. In verband met de bijkomende toelichting inzake de stabiliteit en de lozingen merkt OVAM op dat zij deze heeft gevraagd en ontvangen binnen de termijn van conformverklaring teneinde het saneringsdossier niet nodeloos te laten aanslepen. Het beoordelen ervan is op een degelijke wijze gebeurd en in het beroepschrift wordt er trouwens geen enkele inhoudelijke opmerking over gemaakt. Wat de lozingen in de grachten betreft verwijst OVAM naar de in het conformiteitsattest daarover opgenomen voorwaarden en normen die deze zijn die door de Vlaamse Milieumaatschappij werden geadviseerd. Wat de hinder betreft wijst OVAM er op dat zij in het conformiteitsattest daarover heeft bepaald dat er een hinderplan moet worden opgesteld. Zij merkt hierbij op dat het aan de bodemsane- ringsdeskundige en niet aan de eigenaars is om te bepalen welke saneringstechniek moet worden toegepast. Ten slotte stelt OVAM nog dat de resultaten van het beschrijvend bodemonderzoek wel degelijk in het bodemsaneringsproject zijn opgenomen, dat in het conformiteitsattest wordt vermeld dat de wettelijke en reglementaire maatregelen in verband met milieu- en arbeidsveiligheid moeten worden nageleefd en dat de tanks OT1 tot OT4 worden verwijderd omdat ze in de ontgravingszone zijn gelegen. VII-36.359-33/50 1.9. Op 14 april 2006 vragen verzoekster en haar zoon aan OVAM een afschrift van de stabiliteitsstudie en van het hinderplan. Op 19 april 2006 maakt OVAM een kopie van de stabiliteitsstudie over en laat zij weten nog niet te beschikken over een hinderplan. 1.10. Op 18 mei 2006 brengt de adviescommissie Bodemsanering een omstandig advies uit dat door de afdeling Juridische Dienstverlening als volgt wordt samengevat : "Het beroep is ongegrond. Het bodemsaneringsproject werd kennelijk behoorlijk uitgewerkt en de OVAM heeft haar beslissing op een afdoende wijze gemotiveerd. Er werden voldoende saneringsvarianten in overweging genomen. De uiteindelijk weerhouden saneringsvariant voldoet aan het BATNEEC-principe. Er is een dergelijke verontreiniging dat sanering tot de achtergrondwaarden niet mogelijk is. Er werd bevestigd dat de baangrachten het vooropgestelde debiet aan bemalingswater aankunnen. Bovendien heeft de OVAM in het conformiteitsattest de door de adviesverlenende instanties vooropgestelde lozingsnormen overgenomen. Uit de stabiliteitsstudie is gebleken dat de weerhouden saneringsvariant technisch haalbaar is. Aangezien de adviesverlenende instanties milieutechnische adviezen geleverd hebben en de stabiliteitsstudie slechts een uitvoeringswijze betreft die milieutechnisch niet bepalend is, zou deze studie niet tot een andersluidend advies hebben geleid. Het is dan ook niet kennelijk onredelijk dat de OVAM prioriteit heeft gegeven aan het saneren en het ingediende bodemsaneringsproject conform heeft verklaard". 1.11. Op 24 mei 2006 volgt de verwerende partij het advies. Zij neemt het advies van de adviescommissie Bodemsanering integraal over. Dit is het bestreden besluit; 2. Ten gronde 2.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 7, 8, 15, 16 en 17 van het bodemsaneringsdecreet; dat het eerste middel bestaat uit een opsomming van een aantal inhoudelijke tekortkoming- en waaraan, volgens verzoekster, het bodemsaneringsproject lijdt; dat het middel uiteenvalt in vijf onderdelen die evenzoveel kritieken op het bodemsaneringsproject uitmaken; 2.1.1.1. Overwegende dat zij in een eerste onderdeel aanvoert dat het bodemsaneringsproject in overtreding van

, § 1, van het bodemsanerings- decreet niet de resultaten van het beschrijvend bodemonderzoek bevat, meer bepaald niet in verband met de drijflaag, dat de verontreinigingscontouren in bijlage aan het VII-36.359-34/50 bodemsaneringsproject niet verwijzen naar een beweerd drijflaagonderzoek maar te kennen geven dat er een drijflaag van puur product aanwezig is, dat in de tekst van het bodemsaneringsproject die conclusie evenwel werd bestreden; 2.1.1.

  1. Overwegende dat zij in een tweede onderdeel stelt dat het bodemsaneringsproject niet de verschillende technische mogelijkheden om de bodemverontreiniging te behandelen bevat, dat alle relevante mogelijkheden niet werden opgenomen, dat, integendeel, evidente varianten ontbreken, dat noch subvariant A2 : sloop van de gebouwen met een afgraving tot 80 % BSN type II noch variant B1 : behoud van de gebouwen met afgraving tot de achtergrondwaarde, voorkomen, dat de eigenaars ook niet vragen dat de bedrijfsgebouwen na sloop zouden worden heropgebouwd, dat zij een realisatie in conformiteit met de bestemming woongebied wensen, dat dit een realistische variant is die eveneens ontbreekt; 2.1.1.
  2. Overwegende dat verzoekster in een derde onderdeel aanvoert dat er niet voldoende rekening werd gehouden met de voorschriften van de artikelen 7 en 8 van het bodemsaneringsdecreet en meer bepaald met het beginsel dat er bij sanering moet worden gestreefd naar het realiseren van de achtergrondwaarden, dat daaraan te weinig aandacht werd besteed en er te vlug werd gekozen voor een sanering tot slechts 80 % BSN type III of II, dat de uiteindelijke keuze voor 80 % BSN type III evenmin wordt verantwoord of onderbouwd, dat indien men toch kiest voor massaal afgraven, waarom dan niet meteen tot aan de achtergrondwaarden, conform artikel 8 van het bodemsaneringsdecreet; dat verzoekster er op aandringt dat er dermate zou worden gesaneerd dat hun terreinen na sanering niet langer als verontreinigd beschouwd zouden worden, wat minimaal een terugsaneerwaarde van 80 % BSN type II vereist; 2.1.1.
  3. Overwegende dat zij in een vierde onderdeel stelt dat het bodemsaneringsproject manifest tekortschiet in de vermelding van de maatregel voor zowel de milieuveiligheid als de arbeidsveiligheid, dat er meer bepaald niet wordt vermeld welke impact de massale onttrekking van het grondwater op de plaatselijke grondwaterhuishouding heeft, dat een stabiliteitsstudie ontbreekt, dat eveneens afdoende gegevens ontbreken over de capaciteit van de grachten waarin het opgepompte water zal worden geloosd, dat deze methode zeer discutabel is en het risico inhoudt van overstroming van de omgeving met een verspreiding van de verontreiniging tot gevolg, dat de lozingsnormen voor het water veel stringenter moeten zijn; dat zij voorts van mening is dat OVAM wegens het ontbreken van deze VII-36.359-35/50 informatie, het bodemsaneringsproject onvolledig had moeten verklaren in toepassing van

, § 3bis, van het bodemsaneringsdecreet of de conformver- klaring had moeten weigeren en aanvullingen had moeten vragen op grond van artikel 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, dat OVAM evenwel geen van deze twee procedures koos maar essentiële zaken binnenskamers regelde waardoor de voorgeschreven weg van openbaar onderzoek, bezwaren, adviesverlening en eindbeoordeling niet werd gevolgd; 2.1.1.

  1. Overwegende dat zij in een vijfde onderdeel aanvoert dat het bodemsaneringsproject onvolledig was omdat het geen afdoende beschrijving bevat van de impact van de werken op de belendende percelen, dat het niet vermeldt wat de weerslag is van de werken op de woonkwaliteit van verzoekster, qua toegank- elijkheid, geluidshinder, trillingen, stofhinder, luchtemissies, water- en elektriciteits- toevoer, dat evenmin wordt vermeld in welke mate de bouwkavel van verzoekster zal lijden onder de massale grondwaterbemaling en de diepe ontgraving, dat de verwerende partij dit nog proberen op te vangen heeft door in de conformverklaring het opmaken van een hinderplan op te leggen, dat dit alleen bevestigt dat het ontbrak in het bodemsaneringsproject; 2.1.2.
  2. Overwegende dat de verwerende partij op het eerste onderdeel van het eerste middel antwoordt dat het bodemsaneringsproject wel degelijk de resultaten van het beschrijvend bodemonderzoek bevat; dat volgens haar, de figuur 3 van het bodemsaneringsproject dezelfde is als de figuur 5 van het beschrijvend bodemonderzoek; dat OVAM het beschrijvend bodemonderzoek en het aanvullend onderzoek conform heeft verklaard, dat na beroep verzoekster zich niet meer heeft verzet tegen de resultaten van dat beschrijvend bodemonderzoek, dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat bij het bodemonderzoek geen puur product werd waargenomen in peilbuis 3 zodat het bodemsaneringsproject terecht stelt dat er geen drijflaag aanwezig is; 2.1.2.
  3. Overwegende dat de verwerende partij op het tweede onderdeel antwoordt dat er in theorie altijd andere technische mogelijkheden overblijven en dat het niet aan verzoekster is om technieken naar voor te schuiven, dat het bodemsaneringsproject deze technieken moet vermelden die relevant zijn voor de aangetroffen verontreiniging rekening houdend met de concrete omstandigheden en de BATNEEC-principes, dat het bodemsaneringdecreet niet vereist dat alle mogelijke technieken worden opgesomd, dat in de memorie van toelichting bij het bodemsaneringdecreet wordt gesteld dat het bodemsaneringsproject gericht is op het VII-36.359-36/50 onderzoeken en vergelijken van mogelijke saneringstechnieken, dat daar geen sprake is van het voorleggen van een spectrum aan technische mogelijkheden, dat te dezen verscheidene varianten afdoende door de aanvrager werden uitgewerkt, dat OVAM terecht van mening was dat variant C de meest haalbare techniek was, gelet op de hoeveelheid en aard van de verontreiniging, dat een maximale ontgraving zonder volledige verwijdering van de grondverontreiniging wegens het behoud van de gebouwen goed uitvoerbaar wordt geacht en dat de restconcentraties geen verder gevaar vormen, dat deze variant C terecht door OVAM kon worden bijgestuurd overeenkomstig artikel 20, § 1, van het bodemsaneringsdecreet door de verplichting op te leggen te saneren tot 80 % BSN type II, wat toelaat de percelen te verwijderen uit het register van de verontreinigde gronden; 2.1.2.
  4. Overwegende dat zij met betrekking tot het derde onderdeel stelt dat de bepalingen van de artikelen 7 en 8 van het bodemsaneringsdecreet niet werden geschonden, dat er een afweging is gemaakt om voor de gegeven verontrei- niging het niveau van 80 % BSN type III als BATNEEC te beschouwen, wat expliciet wordt toegelaten in artikel 8, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, dat voor de gegeven verontreiniging een sanering tot op het niveau van de achtergrondwaar- de, onder andere gelet op de hoge externe kosten meestal niet BATNEEC is, dat met de gehanteerde terugsaneerwaarde, zeker nu deze door de conformverklaring werd gebracht op 80 % BSN type II, alle risico’s voor mens en milieu worden weggeno- men; 2.1.2.
  5. Overwegende dat zij op het vierde onderdeel antwoordt dat een stabiliteitsstudie door het bodemsaneringdecreet niet wordt vereist, zodat dit geen criterium is om tot onvolledigheid van het bodemsaneringsproject te besluiten, dat de stabiliteitsproblematiek immers deel uitmaakt van de technische uitvoering maar geen invloed heeft op het milieutechnische aspect, dat het bodemsaneringsproject desalniettemin door de saneringsplichtige werd aangevuld met een stabiliteitsstudie die voldoende informatie bevat om de impact van de grondwaterbemaling te beoordelen, dat verzoekster het tegendeel niet aantoont, dat in het bodemsanerings- project verder wordt vermeld dat de aannemer moet werken volgens het "Achilles protocol" dat door OVAM werd opgesteld, dat wat de lozing in de grachten betreft, OVAM terecht stelt dat er in het bodemsaneringsproject geen melding moet worden gemaakt van wettelijke lozingsnormen, dat de gemeente Olen bevestigde dat de grachten het geloosde debiet aankunnen, dat noch het college van burgemeester en schepenen, noch de Vlaamse Milieumaatschappij enig bezwaar hebben geuit over het voorgestelde lozingsdebiet zodat de grachten worden geacht dit aan te kunnen, VII-36.359-37/50 dat er aldus geen gevaar is voor overstroming of verdere verspreiding van de verontreiniging, dat daarbij werd opgelegd dat wateroverlast moet worden vermeden; dat de verwerende partij voorts opmerkt dat de stabiliteitsstudie werd toegevoegd binnen de decretale termijn voor conformverklaring, dat deze bijkomende informatie op degelijke wijze werd onderzocht, dat het vragen van verduidelijkingen frequent wordt toegepast om de sanering niet te lang te laten aanslepen, wat een prioriteit kan worden genoemd, dat de gevolgde handelwijze dus niet onwettelijk is, dat er geen sprake is van een onredelijke beslissing, dat aangezien uit het verslag bleek dat de bemaling en de ontgraving met een stabiliteits- wand technisch haalbaar zouden zijn, er geen noodzaak bestond om alsnog aanvullingen te vragen op het bodemsaneringsproject, dat het bodemsaneringsde- creet geen stabiliteitsstudie vereist, dat het bodemsaneringsproject bijgevolg voldeed aan de vereisten van

, § 1, van het bodemsaneringsdecreet, zodat de bepalingen van

, § 3bis, en 17, § 2, van het bodemsaneringsdecreet niet moesten worden toegepast, dat in de memorie van toelichting bij artikel 17 van het bodemsaneringsdecreet wordt gesteld : "(...) OVAM kan binnen een termijn van zestig dagen ook wijzigingen of aanvullingen van het project opleggen. In dit geval moet ee

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.