← België

Arrest 193862 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.862 Rolnummer: A. 189547/XIV-30542 Zaak: Arrest 193862 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-19 Raadplegingen: 215 - laatst gezien 2026-07-01 23:42 Fiche Arrest nr 193.862 van 4 juni 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.862 van 4 juni 2009 in de zaak A. 189.547/XIV-30.

  1. In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie-en asielbeleid, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59B tegen : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DE KUYPER, kantoor houdende te 9041 GENT (OOSTAKKER), Leon Spilliaertstraat 45, bus 1 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie-en asielbeleid, op 3 september 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 14.760 van 31 juli 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3373 van 22 september 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 27 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 april 2009; XIV-30.542-1/11 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, die verklaart van onbepaalde nationaliteit te zijn, heeft op 20 november 2007 een aanvraag om machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. 1.
  4. Op 3 december 2007 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag om waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk verklaard. 1.
  5. Verzoeker dient op 3 maart 2008 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  6. Bij arrest nr. 14.760 van 31 juli 2008 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 december 2007 vernietigd. XIV-30.542-2/11 Dit is het bestreden arrest: “(...) Gezien het verzoekschrift dat XXX, die verklaart van onbepaalde nationaliteit te zijn, op 3 maart 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken, thans de minister van Migratie- en asielbeleid, van 3 december 2007 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk verklaard werd, met kennisgeving op 2 februari
  7. Gezien titel I bis, hoofdstuk 2, afdeling IV, onderafdeling 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Gezien de regelmatig gewisselde memories. Gelet op de beschikking van 14 april 2008, waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 21 mei
  8. Gehoord het verslag van rechter in vreemdelingenzaken M. MILOJKOWIC. Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEKUYPER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. DECORDIER, die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij. WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
  9. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak. Op 20 november 2007 dient verzoeker een aanvraag om machtiging tot verblijf in op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Op 3 december 2007 beslist de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag van verzoeker onontvankelijk te verklaren. Dit is de bestreden beslissing, die luidt als volgt: “De aanvraag ging niet vergezeld van volgende documenten en inlichtingen: Een afschrift van het nationaal pasport of van de identiteitskaart hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel 9ter, §1, derde lid van de wet (K.B. van 17 mei 2007 artikel 7, §1, eerste lid), m.n.: dat net zoals in de voorgaande aanvraag op basis van artikel 9bis, ook in huidig verzoek op basis van artikel 9ter geen afschrift voorligt van een identiteitskaart, noch van een internationaal paspoort. Dat als nieuw gegeven het gemotiveerd schrijven aanhaalt dat de Armeense in België ‘voor hem geen paspoort (kan) afleveren’. Dat de betrokkene evenmin naar Armenië kan reizen gezien zijn medische toestand. Dat het bewuste attest een afschrift is van een document met referentie 306/408 van 26 oktober 2007 uitgaande van de Armeense Ambassade in België. Dat dit attest stelt dat voor Dhr. XXX niet kan worden bevestigd dat hij de Armeense nationaliteit bezit. Dat dit enkel kan gebeuren ‘on the basis of the original Photo ID (passport, military document etc.)’. Dat ten eerste de nuance dient te worden aangebracht dat de Ambassade geen paspoort kan afleveren, doch dat het correcter is te stellen dat de Ambassade niet in staat is betrokkene te bevestigen als Armeens staatsburger. Dat betrokkene m.a.w. een pasport dient aan te vragen. Dat eten tweede het kan worden aanvaard dat een nationale staat of de vertegenwoordiging van die staat in het buitenland een onderzoek wil voeren of iemand inderdaad een staatsburger is en dit niet aanvaardt enkel en alleen op basis van verklaringen van een persoon. Dat het bovendien verbaast dat wel een geboorteakte toegevoegd wordt voor Mv. XXX, voor wie de aanvraag ook wordt ingediend, terwijl voor haar blijkbaar bij de Armeense Ambassade geen stappen worden ondernomen, hetzij om een paspoort/identiteitskaart aan te vragen hetzij de nationaliteit te bevestigen’. Dat overigens, zoals blijkt uit de regelgeving betreffende artikel 9ter, een geboorteakte niet als een voldoende bewijs van identiteit en nationaliteit kan worden aanvaard om een ontvankelijke aanvraag in te dienen. XIV-30.542-3/11 Dat het niet overtuigt dat de betrokkenen inderdaad geen identiteitskaart of paspoort kunnen voorleggen dan wel dergelijke documenten in België niet kunnen verkrijgen. Dat ten eerste Dhr. XXX een paspoort ‘identiteitskaart) dient aan te vragen, geen ‘nationaliteitsattest’ van de Ambassade. Dat dit ook geldt voor Mv. XXX, voor wie blijkbaar geen enkele stap ondernomen werd via de Ambassade. Dat ten tweede het opvalt dat betrokkenen na hun aankomst in België blijkbaar wel degelijk contacten bezitten in Armenië om administratieve stukken naar hen over te laten maken, zoals juist de geboorteakte van Mv. XXX, waarop toevoegingen van een notaris staan van 19 november 2007, dus duidelijk aan hen overgemaakt nadat de betrokkenen in België arriveerden. Dat zij derhalve niet op een voldoende overtuigende wijze aantonen in België geen identiteitskaart of paspoort te kunnen verwerven. Bijgevolg dienen betrokkenen gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend op 24 oktober 2006, en dienen zij dringend het grondgebied van de Schengen-Lidstaten te verlaten.”
  10. Onderzoek van het beroep. 2.
  11. In een eerste en tweede middel werpt verzoeker de schending op van de artikelen 9ter, §1 en 62 van de Vreemdelingenwet, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Verzoeker betoogt dat, overeenkomstig artikel 9ter, §1 van de Vreemdelingenwet, de voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument niet van toepassing is op de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont. Verzoeker heeft noch de Turkse, noch de Armeense nationaliteit. Als bewijs dat hij niet de Armeense nationaliteit heeft, heeft hij bij zijn aanvraag een attest voorgelegd van de ambassade van Armenië in België, dat bevestigt dat de Armeense ambassade niet in staat is betrokkene te bevestigen als Armeens staatsburger. Verzoeker lijdt aan een hartziekte waardoor hij voorlopig niet kan reizen. Hij heeft op geldige wijze aangetoond dat hij in de onmogelijkheid is om een paspoort te bekomen. Verzoeker betoogt verder dat hij de nationaliteit van Armenië niet heeft, dat hij een attest van de ambassade van Armenië voorlegt, dat deze ambassade niet in staat is zijn staatsburgerschap te bevestigen, en dat het logisch is dat als men het burgerschap van een staat niet heeft men ook geen paspoort van de autoriteiten van deze staat kan bekomen. Mevrouw XXX heeft het staatsburgerschap van Armenië wel, en kan haar geboorteakte voorleggen. Zij doet thans pogingen om een Armeens paspoort te bekomen. Dit is voor verzoeker echter onmogelijk aangezien hij de Armeense nationaliteit niet heeft. De bestreden beslissing bevat een onjuiste motivering. Verzoeker vraagt de bestreden beslissing te vernietigen en hem de machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet toe te kennen. 2.
  12. De verwerende partij betoogt in de nota met opmerkingen dat aan de voornaamste doelstelling van de formele motiveringsplicht is voldaan. De brief van de Armeense ambassade betreffende verzoeker en de geboorteakte van zijn echtgenote zijn geen identiteitsdocumenten in de zin van de wet. Verzoeker toont ook niet op overtuigende wijze aan dat hij geen identiteitsdocumenten kan bekomen. De bestreden beslissing werd uitvoerig gemotiveerd. 2.
  13. Verzoeker betoogt in zijn repliekmemorie dat hij zijn de middelen uit zijn initieel verzoekschrift integraal handhaaft. 2.
  14. In het kader van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet wordt duidelijk bepaald dat een identiteitsdocument, zijnde een paspoort of daarmee gelijkgestelde reistitel, onontbeerlijk is: behoudens uitzondering kan de aanvraag van de machtiging tot verblijf niet anders dan onontvankelijk verklaard worden indien iemands identiteit onzeker is; wel is het zo dat een vreemdeling die geen identiteitsdocument overmaakt en evenmin aantoont dat hij in de onmogelijkheid vertoeft om het vereiste identiteitsdocument in België over te maken, niet verwijderd zal worden indien zijn medische situatie dermate ernstig is dat een verwijdering een schending zou uitmaken van artikel 3 EVRM (Ontwerp van wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de XIV-30.542-4/11 toegang tot grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, Parl. St. Kamer 2006-2007, nr. 2478/001, p. 35). Het komt toe aan verzoeker om in zijn aanvraag aan te tonen dat hij valt onder de voorwaarden zoals bepaald in artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. De bestreden beslissing bevat, naast het feit dat expliciet wordt gesteld dat “(betrokkenen) bijgevolg dienen gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten … en zij dringend het grondgebied van de Schengen-Lidstaten (dienen) te verlaten”, onder meer het volgende motief: “Dat als nieuw gegeven het gemotiveerd schrijven aanhaalt dat de Armeense (ambassade) in België ‘voor hem geen paspoort (kan) afleveren’. Dat de betrokkene evenmin naar Armenië kan reizen gezien zijn medische toestand. Dat het bewuste attest een afschrift is van een document met referentie 306/408 van 26 oktober 2007 uitgaande van de Armeense Ambassade in België. Dat dit attest stelt dat voor Dhr. XXX niet kan worden bevestigd dat hij de Armeense nationaliteit bezit. Dat dit enkel kan gebeuren ‘on the basis of the original Photo ID (passport, military document etd.)’. Dat ten eerste de nuance dient te worden aangebracht dat de Ambassade geen paspoort kan afleveren, doch dat het correcter is te stellen dat de Ambassade niet in staat is betrokkene te bevestigen als Armeens staatsburger. Dat betrokkene m.a.w. een paspoort dient aan te vragen”. Verzoeker betoogt in zijn aanvraag van 20 november 2007 als volgt: “De heer XXX lijdt aan een hartziekte waardoor hij voorlopig niet kan terugreizen naar zijn land van herkomst (zie bijgevoegd medisch getuigschrift). Hij heeft bij de Ambassade van Armenië in België stappen ondernomen om een Armeens paspoort te verkrijgen maar de consulaire dienst van de Ambassade van Armenië kan voor hem geen paspoort afleveren (zie stuk 3). Gelet op de medische overmacht kan de heer XXX zich niet begeven naar Armenië om daar een paspoort aan te vragen.” Het ‘stuk 3’ dat verzoeker bij zijn verzoekschrift bijbrengt vermeldt het volgende: “The consular section of the Embassy of the Republic of Armenia in the Benelux countries hereby informs that the identification of the citizenschip of any person or certification of non-Armenian citizenship is carried on the basis of the original Photo ID (passport, military document etc.). No certification of the nationality/citizenship of a person can be carried without one of the above-mentioned documents or only on the basis birth certificate. The person(s), who presented (them) himself (ves) as
  15. XXX, Born on 12.07.1968”. Hieruit blijkt duidelijk dat voor de bevestiging dat verzoeker al dan niet Armeens staatsburger is, een originele “Photo ID” nodig is. De verwerende partij stelt in de bestreden beslissing letterlijk dat “ten eerste de nuance dient te worden aangebracht dat de Ambassade geen paspoort kan afleveren”. Verzoeker maakt met zijn betoog dat hij “de nationaliteit van Armenië niet heeft; dat hij een attest van de ambassade van Armenië voorlegt dat deze ambassade niet in staat is zijn staatsburgerschap te bevestigen; dat het logisch is dat als men het burgerschap van een staat niet heeft ook geen paspoort van de autoriteiten van deze staat kan bekomen” aannemelijk dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag van verzoeker onontvankelijk te verklaren. Het eerste en tweede middel zijn in de besproken mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWISTINGEN: Enig artikel. Vernietigd wordt de beslissing genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken op 3 december 2007 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk verklaard werd, met kennisgeving op 2 februari
  16. (...).”. XIV-30.542-5/11
  17. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel aanvoert: “• Betreffende een eerste middel van verzoeker ; Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van: - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: o art. 149 van de gecoördineerde Grondwet ; o art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; o en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld: "2.
  19. In het kader van artikel Ster van de Vreemdelingenwet wordt duidelijk bepaald dat een identiteitsdocument, zijnde een paspoort of daarmee gelijkgestelde reistitel, onontbeerlijk is: behoudens uitzondering kan de aanvraag van de machtiging tot verblijf niet anders dan onontvankelijk verklaard worden indien iemands identiteit onzeker is,. wel is het zo dat een vreemdeling die geen identiteitsdocument overmaakt en evenmin aantoont dat hij in de onmogelijkheid vertoeft om het vereiste identiteitsdocument in België over te maken, niet verwijderd zal worden indien zijn medische situatie dermate ernstig is dat een verwijdering een schending zou uitmaken van artikel 3 EVRM (Ontwerp van wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot grondgebied, het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, Parl. St. Kamer 2006-2007, nr. 2478/001, p. 35). Het komt toe aan verzoeker om in zijn aanvraag aan te tonen dat hij valt onder de voorwaarden zoals bepaald in artikel Ster van de Vreemdelingenwet. De bestreden beslissing bevat, naast het feit dat expliciet wordt gesteld dat "(betrokkenen) bijgevolg dienen gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten ... en zij dringend het grondgebied van de Schengen-Lidstaten (dienen) te verlaten", onder meer het volgende motief "Dat als nieuw gegeven het gemotiveerd schrijven aanhaalt dat de Armeense (ambassade) in België 'voor hem geen paspoort (kan) afleveren'. Dat de betrokkene evenmin naar Armenië kan reizen gezien zijn medische toestand. Dat het bewuste attest een afschrift is van een document met referentie 306/408 van 26 oktober 2007 uitgaande van de Armeense Ambassade in België. Dat dit attest stelt dat voor Dhr. XXX niet kan worden bevestigd dat hij de Armeense nationaliteit bezit. Dat dit enkel kan gebeuren on the basis of the original Photo ID (passport, military document etd.)'. Dat ten eerste de nuance dient te worden aangebracht dat de Ambassade geen paspoort kan afleveren, doch dat het correcter is te steunen dat de Ambassade niet in staat is betrokkene te bevestigen als Armeens staatsburger. Dat betrokkene m. a. w. een paspoort dient aan te vragen". Verzoeker betoogt in zijn aanvraag van 20 november 2007 als volgt: "De heer XXX lijdt aan een hartziekte waardoor hij voorlopig niet kan terugreizen naar zijn land van herkomst (zie bijgevoegd medisch getuigschrift). Hij heeft bij de Ambassade van Armenië in België stappen ondernomen om een Armeens paspoort te verkrijgen maar de consulaire dienst van de Ambassade van Armenië kan voor hem geen paspoort afleveren (zie stuk 3). Gelet op de medische overmacht kan de heer XXX zich niet begeven naar Armenië om daar een paspoort aan te vragen." XIV-30.542-6/11 Het 'stuk 3' dat verzoeker bij zijn verzoekschrift bijbrengt vermeldt het volgende: "The consular section of the Embassy of the Republic of Armenia in the Benelux countries hereby informs that the identification of the citizenschip of any person or certification of non- Armenian citizenship is carried on the basis of the original Photo ID (passport, military document etc.). No certification of the nationality/ citizenship of a person can be carried without one of the above-mentioned documents or only on the basis birth certificate. The person(s), who presented (them) himself (yes) as
  20. XXX, Born on 12.07.1968" Hieruit blijkt duidelijk dat voor de bevestiging dat verzoeker al dan niet Armeens staatsburger is, een originele "Photo ID" nodig is. De verwerende partij stelt in de bestreden beslissing letterlijk dat "ten eerste de nuance dient te worden aangebracht dat de Ambassade geen paspoort kan afleveren". Verzoeker maakt met zijn betoog dat hij 'de nationaliteit van Armenië niet heeft; dat hij een attest van de ambassade van Armenië voorlegt dat deze ambassade niet in staat is zijn staatsburgerschap te bevestigen; dat het logisch is dat als men het burgerschap van een staat niet heeft ook geen paspoort van de autoriteiten van deze staat kan bekomen" aannemelijk dat de minister van Binnenlands Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag van verzoeker onontvankelijk te verklaren. Het eerste en tweede middel zijn in de besproken mate gegrond". Verzoekende partij stelt vast dat de rechter in vreemdelingenzaken in de motieven van zijn arrest, onder de hoofding "
  21. Onderzoek van het beroep", zich ertoe beperkt: - onder 2.1 te verwijzen naar de uiteenzetting door verweerder (oorspronkelijk verzoeker) gedaan in haar inleidend verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zoals de rechter in vreemdelingenzaken althans meent deze te kunnen opvatten, - vervolgens kort verwijst naar het betoog van verzoeker (oorspronkelijk verweerder), eveneens zoals de rechter in vreemdelingenzaken althans meent deze te kunnen opvatten; - nadien te verwijzen naar slechts één der motieven van de oorspronkelijk bestreden beslissing, en tevens andermaal een onderdeel van de uiteenzetting van verweerder (oorspronkelijk verzoeker) herhaalt en stuk 3 letterlijk doch slechts deels (hierbij het belangrijkste deel onvermeld latend) citeert, - om tot slot, onmiddellijk volgend op het voorgaande en zeer summier gesteld, te oordelen dat 'verzoeker (thans verweerder) met zijn betoog aannemelijk maakt dat de Minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag van verzoeker ontvankelijk te verklaren'. Verzoeker acht de motivering van het aangevochten arrest manifest onvoldoende, nu er op geen enkele wijze uit blijkt om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken tot het besluit komt dat "verzoeker (...) met zijn betoog aannemelijk (maakt) dat (...) de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag (...) onontvankelijk te verklaren." De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient als administratief rechtscollege te voldoen aan de motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet, alsook van art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.) Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er verwezen worden naar ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermiddelen van de partijen te beantwoorden." XIV-30.542-7/11 De motivering van vonnissen is een wezenlijke waarborg tegen willekeur en geldt als bewijs dat de rechter de hem voorgelegde middelen zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak beredeneerd heeft (Cass., 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166). De verplichting tot motiveren is een vormvereiste. Aan deze verplichting wordt evenwel niet voldaan, indien zij het Hof van Cassatie niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (Cass., 19 oktober 2000). Uit de zeer summiere motieven van het aangevochten arrest blijkt allerminst om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken de beslissing dd. 03.12.2007 heeft vernietigd. De gemachtigde van de Minister is tot het besluit gekomen dat er door de betrokken vreemdelingen, zijnde verweerder (oorspronkelijk verzoeker) en zijn echtgenote, niet werd voldaan aan de voorwaarde van art. 9 ter van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met name (de voorlegging van een afschrift van een nationaal paspoort of van een identiteitskaart, hetzij) de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel 9ter, § 1, derde lid, van de wet. In deze beslissing dd. 03.12.2007 werd door de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken heel uitvoerig uiteengezet op basis van welke motieven de gemachtigde tot de beslissing is gekomen dat verweerder (oorspronkelijk verzoeker) en zijn echtgenote niet op voldoende overtuigende wijze hebben aangetoond in België geen identiteitsdocument of paspoort te kunnen verwerven. Nopens de door verweerder (oorspronkelijk verzoeker) voorgelegde attest van de ambassade, werd in de bestreden beslissing uitvoerig gemotiveerd om welke redenen dit attest niet kon volstaan ten einde verweerder vrij te stellen van de voorwaarde tot voorlegging van een identiteitsdocument, nu verweerder niet op voldoende overtuigende wijze had aangetoond in België geen identiteitskaart of paspoort te kunnen verwerven. Evenwel heeft de rechter in vreemdelingenzaken zich in het bestreden arrest er daarentegen toe beperkt de kritiek van verweerder (oorspronkelijk verzoeker) te herhalen, maar motiveert hij geenszins om welke concrete redenen hij de oorspronkelijk bestreden beslissing kennelijk onredelijk acht. Verzoeker kan uit de motivering van het bestreden arrest niet afleiden welke de motieven zijn die er toe hebben geleid dat de rechter in vreemdelingenzaken de oorspronkelijk bestreden beslissing heeft vernietigd. Het gebrek aan vermelding op afdoende en gedegen wijze van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het aangevochten arrest is gekomen, maakt het voor de verzoekende partij in cassatie onmogelijk om een deugdelijk verweer te voeren op het arrest en maakt het voor de Raad van State, als Cassatierechter, eveneens onmogelijk om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vaststelling die op zich al volstaat om administratieve tot cassatie te besluiten. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Er werd niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn beslissing steunt. Geenszins blijkt dat het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken niet op willekeurige wijze is tot stand gekomen. Er mag van een administratieve jurisdictie uiteraard verwacht worden dat er niet op een vage en algemene wijze gemotiveerd wordt. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Door zich te beperken tot de enkele vaststelling dat "verzoeker (...) met zijn betoog aannemelijk (maakt) dat (...) de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag (...) onontvankelijk te verklaren", schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. XIV-30.542-8/11 Het eerste middel is gegrond.”; 2.1.
  22. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het middel zoals uiteengezet in haar inleidend verzoekschrift herneemt; 2.2.
  23. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht beheersen, namelijk van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 39/65, eerste lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van het grondgebied, en van het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging; dat de verzoekende partij de motivering van het aangevochten arrest manifest onvoldoende acht, nu er op geen enkele wijze uit blijkt om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken tot het besluit komt dat “verzoeker (...) met zijn betoog aannemelijk (maakt) dat (...) de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag (...) onontvankelijk te verklaren”; dat zij stelt dat de rechter in vreemdelingenzaken er zich in het bestreden arrest toe heeft beperkt de kritiek van verweerder (oorspronkelijk verzoeker) te herhalen, maar geenszins motiveert om welke concrete redenen hij de oorspronkelijk bestreden beslissing kennelijk onredelijk acht; 2.2.
  24. Overwegende dat de oorspronkelijke verzoekende partij, thans verwerende partij, een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet heeft ingediend; dat deze bepaling in de eerste paragraaf voorziet dat de in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocument en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of een vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, een machtiging tot verblijf in het Rijk kan aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde; dat in het derde lid van deze paragraaf, ondermeer,wordt bepaald dat de voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument niet van toepassing is op de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont; dat de oorspronkelijke verzoekende partij in haar aanvraag haar onmogelijkheid om een identiteitsdocument voor te leggen heeft trachten aan te tonen aan de hand van een document van de Armeense ambassade in België; dat in dit document de ambassade stelt dat voor XXX niet kan worden bevestigd dat hij de Armeense nationaliteit bezit aangezien dit enkel kan gebeuren “on the basis of the original Photo ID (passport, military document etc)”; dat betrokkene betoogde dat het hem bijgevolg XIV-30.542-9/11 onmogelijk is een paspoort neer te leggen gezien de ambassade van Armenië hem dit niet kan afleveren; dat in haar annulatieberoep de oorspronkelijke verzoekende partij deze argumenten nogmaals heeft aangehaald; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn arrest heeft overwogen dat “verzoeker met zijn betoog dat hij “ de nationaliteit van Armenië niet heeft; dat hij een attest van de ambassade van Armenië voorlegt dat deze ambassade niet in staat is zijn staatsburgerschap te vestigen; dat het logisch is dat als men het staatsburgerschap van een staat niet heeft ook geen paspoort van deze staat kan bekomen” (aannemelijk) maakt dat de Minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag van verzoeker onontvankelijk te verklaren”; dat de huidige verzoekende partij gelijk heeft waar zij stelt dat uit deze zinsnede niet blijkt waarom de rechter in vreemdelingenzaken tot het besluit komt dat de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag op kennelijk onredelijke wijze onontvankelijk heeft verklaard; dat de minister van Binnenlandse Zaken de argumenten van de vreemdeling heeft weerlegd en in zijn beslissing heeft overwogen: “Dat ten eerste de nuance dient te worden aangebracht dat de Ambassade geen paspoort kan afleveren, doch dat het correcter is te stellen dat de Ambassade niet in staat is betrokkene te bevestigen als Armeens staatsburger. Dat betrokkene m.a.w. een pasport dient aan te vragen. Dat ten tweede het kan worden aanvaard dat een nationale staat of de vertegenwoordiging van die staat in het buitenland een onderzoek wil voeren of iemand inderdaad een staatsburger is en dit niet aanvaardt enkel en alleen op basis van verklaringen van een persoon. Dat het bovendien verbaast dat wel een geboorteakte toegevoegd wordt voor Mv. XXX, voor wie de aanvraag ook wordt ingediend, terwijl voor haar blijkbaar bij de Armeense Ambassade geen stappen worden ondernomen, hetzij om een paspoort/identiteitskaart aan te vragen hetzij de nationaliteit te bevestigen’. Dat overigens, zoals blijkt uit de regelgeving betreffende artikel 9ter, een geboorteakte niet als een voldoende bewijs van identiteit en nationaliteit kan worden aanvaard om een ontvankelijke aanvraag in te dienen. Dat het niet overtuigt dat de betrokkenen inderdaad geen identiteitskaart of paspoort kunnen voorleggen dan wel dergelijke documenten in België niet kunnen verkrijgen. Dat ten eerste Dhr.XXX een paspoort ‘identiteitskaart) dient aan te vragen, geen ‘nationaliteitsattest’ van de Ambassade. Dat dit ook geldt voor Mv. XXX, voor wie blijkbaar geen enkele stap ondernomen werd via de Ambassade. Dat ten tweede het opvalt dat betrokkenen na hun aankomst in België blijkbaar wel degelijk contacten bezitten in Armenië om administratieve stukken naar hen over te laten maken, zoals juist de geboorteakte van Mv. XXX, waarop toevoegingen van een notaris staan van 19 november 2007, dus duidelijk aan hen overgemaakt nadat de betrokkenen in België arriveerden.”; dat uit het bestreden arrest niet blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken deze motieven heeft onderzocht; dat minstens dient vastgesteld dat de rechter niet heeft gemotiveerd waarom deze niet kunnen worden aangenomen; dat de schending van de motiveringsplicht dient aangenomen; dat het eerste middel gegrond is, XIV-30.542-10/11 BESLUIT: Artikel
  25. Vernietigd wordt het arrest nr. 14.760 van 31 juli 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  26. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  27. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  28. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.542-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.862 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.