id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.903 Rolnummer: A. 77509/V-1538 Zaak: Arrêt / Arrest 193903 - Protection de l'environnement - Règlements / Milieu bescherming - Reglementen - 05/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-10 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 193.903 van 5 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieu bescherming - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.903 van 5 juni 2009 A. 77.509/V-1538 In zake:
- VANHERCK Rudy,
- PALMANS-CASIER Anne-Marie,
- HERTOGHS Paul,
- MIESEN Ivo,
- CLAESSENS Johannes,
- de Gemeente Riemst,
- de stichting naar Nederlands recht "STICHTING EIJSDEN GIFVRIJ",
- de stichting naar Nederlands recht "STICHTING MILIEUFEDERATIE LIMBURG",
- de vereniging zonder winstoogmerk "GREENPEACE BELGIUM", die alle woonplaats hebben gekozen bij Mr. Jacques SAMBON, advocaat, Wijnheuvelenstraat 227 1030 Brussel, tegen: het Waals Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering, dat woonplaats heeft gekozen bij Mr. Etienne ORBAN de XIVRY, advocaat, Route de Beausaint 29 6980 La-Roche-en-Ardenne. Tussenkomende partij: de naamloze vennootschap CEMENTBEDRIJVEN CBR, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. F. HAUMONT, advocaat, Rue du Stocquoy 1-3 1300 Waver. ------------------------------------------------------------------------------------------------------- V - 1538 - 1/6 DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het op 12 februari 1998 ingediende verzoekschrift, waarbij Rudy VANHERCK, Anne-Marie PALMANS-CASIER, Paul HERTOGHS, Ivo MIESEN, Johannes CLAESSENS, de gemeente Riemst, de stichting naar Nederlands recht "STICHTING EIJSDEN GIFVRIJ", de stichting naar Nederlands recht "STICHTING MILIEUFEDERATIE LIMBURG" en de vereniging zonder winstoogmerk "GREENPEACE BELGIUM" de nietigverklaring vorderen van het besluit d.d. 28 november 1997 van de Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw van het Waals Gewest, waarbij uitspraak wordt gedaan over de beroepen tegen het besluit d.d. 25 november 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Wezet, waarbij aan de NV CEMENTBEDRIJVEN CBR een winningsvergunning voor aanhorigheden is verleend om ook toxisch en gevaarlijk afval te verbranden en gietzand te gebruiken in oven E van het cementbedrijf in LIXHE en, voor zover nodig, de nietigverklaring van het besluit d.d. 25 november 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Wezet; Gezien het op 14 september 1998 ingediende verzoekschrift, waarbij de NV CEMENTBEDRIJVEN CBR vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 12 november 1998, waarbij die tussenkomst wordt toegestaan; Gezien de regelmatig uitgewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van tussenkomst; Gelet op de beschikking van 12 november 1998, waarbij de zaak naar de rol van de Ve kamer wordt verwezen; Gezien het verslag van mevr. VOGEL, eerste auditeur bij de Raad van State, opgemaakt op grond van artikel 93 van de algemene procedureregeling; Gelet op de beschikking van 20 februari 2009 waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 17 maart 2009 om 10.30 uur; Gelet op de kennisgeving, aan de partijen, van het verslag en van de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag; V - 1538 - 2/6 Gehoord het verslag van de heer JAUMOTTE, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van Mr. S. WATTHEE, loco Mr. J. SAMBON, advocaat, die voor de verzoekende partijen verschijnt, van Mr. S. GRUBER, loco Mr. E. ORBAN de XIVRY, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt, en van Mr. St. ORIANNE, loco Mr. Fr. HAUMONT, advocaat, die voor de tussenkomende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van mevr. VOGEL, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de volgende feiten dienstig zijn voor het onderzoek van het beroep:
- De bestreden handeling is een besluit d.d. 28 november 1997 van de Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw van het Waals Gewest houdende bevestiging van het besluit d.d. 25 november 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Wezet waarbij aan de tussenkomende partij een winningsvergunning voor aanhorigheden is verleend om ook toxisch en gevaarlijk afval te verbranden en gietzand te gebruiken in oven E van het cementbedrijf in LIXHE, voor zover evenwel de norm voor de emissie van dioxines en furanen, die in artikel 2 van de bestreden handeling is vastgesteld, in acht wordt genomen.
- Bij een brief van 14 november 2008 heeft de tussenkomende partij laten weten dat ze de vergunning waarop het onderhavige beroep betrekking heeft, niet meer benut, dat de werkzaamheid op het terrein van CBR-LIXHE wordt voortgezet en behouden met een exploitatievergunning van de stad Wezet die is toegekend op 11 december 2001 en dat tegen die nieuwe vergunning, die ook de activiteiten dekt voor het gebruik van gevaarlijk en niet-gevaarlijk afval als vervangingsbrandstof, te gelegener tijd geen enkel beroep is ingesteld; dat ze dan ook van oordeel is dat de verzoekende partijen geen dadelijk belang meer hebben bij het beroep tegen de eerste winningsvergunning.
- Een kopie van die brief, alsook van de winningsvergunning van 11 december 2001, is aan de raadsman van de verzoekende partijen toegezonden bij een brief van 18 november 2008 van mevrouw VOGEL, eerste auditeur; in die brief voert deze laatste aan dat het zich laat aanzien dat het beroep doelloos is geworden, doordat de nieuwe vergunning van 11 december 2001, gelet op de artikelen 157 en volgende V - 1538 - 3/6 ervan, in de plaats is gekomen van de vergunning van 28 november 1997 die één van de bestreden handelingen is.
- Bij brief van 25 november 2008 heeft de raadsman van de verzoekende partijen geoordeeld dat de winningsvergunning van 11 december 2001 werkelijk in de plaats lijkt te zijn gekomen van de winningsvergunning van 28 november 1997 en dat het beroep tegen laatstgenoemde vergunning doelloos was geworden "in het geval dat de NV Cementbedrijven CBR er afstand van zou doen zich ooit nog op de vergunning van 28 november 1997 te beroepen".
- Bij brief van 4 december 2008 heeft de raadsman van de verwerende partij ook geoordeeld dat het beroep doelloos was geworden.
- Bij brief van 18 december 2008 heeft de raadsman van de tussenkomende partij een brief overgezonden die één van de vertegenwoordigers van die partij op 11 december 2008 heeft geschreven en waarin deze verklaart officieel afstand te doen van de winningsvergunning van 28 november 1987 (lees: "1997"); Overwegende dat het belang bij het beroep volgens vaste rechtspraak moet bestaan vanaf het ogenblik dat het beroep wordt ingesteld en totdat het arrest wordt gewezen; dat uit bovenvermelde briefwisseling van alle partijen in deze zaak blijkt dat ze geen belang meer hebben bij het voortzetten van de procedure; dat de verzoekende partijen in de brief d.d. 25 november 2008 van hun raadsman immers erkennen dat ze er geen enkel belang bij hebben om de nietigverklaring te vorderen van de winningsvergunning van 28 november 1997 op voorwaarde dat de tussenkomende partij ervan afziet zich in de toekomst op die vergunning te beroepen; dat de verzoekende partijen daadwerkelijk van de tussenkomende partij hebben verkregen wat ze vroegen, namelijk een uitdrukkelijke afstand, vervat in de brief d.d. 18 december 2008 van de raadsman van die partij, van het recht om zich in de toekomst te beroepen op deze winningsvergunning; dat dientengevolge, in navolging van de partijen in de zaak, moet worden geconcludeerd dat de verzoekende partijen geen belang meer hebben bij het beroep; Overwegende dat voor het overige uit het administratief dossier blijkt dat de tussenkomende partij, naar aanleiding van een aanvraag in die zin die ze op 8 juli 1999 had ingediend, op 11 december 2001 een nieuwe winningsvergunning van de stad Wezet heeft gekregen die de huidige exploitatie van oven E van het cementbedrijf in LIXHE dekt; dat de tussenkomende partij in dat verband een aanvraag heeft ingediend voor "een winningsvergunning voor de verlenging van de vergunning van het volledige cementbedrijf in LIXHE door de capaciteit van oven E via droge weg V - 1538 - 4/6 te verhogen met 1.100.000 ton/jaar met gebruik van brandstof en vervangingsbrandstof en door oven D via natte weg, rue des Trois Fermes te 4600 LIXHE, stil te leggen"; dat de aldus bedoelde werkzaamheid dezelfde is als die welke het voorwerp uitmaakte van de vorige vergunningsaanvraag die de tussenkomende partij op 22 november 1994 had ingediend en die aanleiding had gegeven tot de afgifte van de winningsvergunning van 28 november 1997 waartegen het onderhavige beroep tot nietigverklaring gericht is; dat de bijzondere voorwaarden in de nieuwe winningsvergunning die aan de tussenkomende partij is afgegeven precies bepalen in welke omstandigheden conventionele brandstoffen en andere vervangingsbrandstoffen, met inbegrip van al dan niet gevaarlijk afval, in de zin van artikel 1, 3/ en 4/, van die voorwaarden, voortaan in oven E van het cementbedrijf in LIXHE mogen worden verbrand; dat artikel 322 van die bijzondere voorwaarden bepaalt dat de exploitatie alleen mag worden aangevat of voortgezet als de voorschriften en voorwaarden die in de nieuwe winningsvergunning worden opgesomd, strikt worden nageleefd, terwijl artikel 2 van die nieuwe vergunning bepaalt dat de vergunning voor dertig jaar wordt verleend; dat daaruit volgt dat het benutten van de nieuwe winningsvergunning door de tussenkomende partij impliciet maar zeker tot de opheffing van de thans bestreden winningsvergunning heeft geleid; dat de vroegere winningsvergunning met toepassing van artikel 5 van het voormelde besluit d.d. 25 november 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Wezet bovendien maar tot 22 april 2006 was verleend; dat dus ook moet worden vastgesteld dat het onderhavige beroep tot nietigverklaring, afgezien van de kwestie van het verlies van belang, doelloos is geworden zodra de nieuwe winningsvergunning die op 11 december 2001 is afgegeven, is benut, en in elk geval met ingang van 22 april 2006, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- V - 1538 - 5/6 De kosten, bepaald op 1685,72 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen ten belope van elk 173,53 euro en ten laste van de tussenkomende partij ten belope van 123,95 euro. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op vijf juni tweeduizend negen door : de HH. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, JAUMOTTE, staatsraad, BREWAEYS, staatsraad, Mevr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Eerste Voorzitter van de Raad van State, M.-Chr. MALCORPS. R. ANDERSEN. V - 1538 - 6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.903 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div