← België

Arrest 193905 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.905 Rolnummer: A. 74597/X-7500 Zaak: Arrest 193905 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Fiche Arrest nr 193.905 van 5 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.905 van 5 juni 2009 in de zaak A. 74.597/X-

  1. In zake :
  2. Roger GOEDHUYS,
  3. Rita EVERAERTS (in de vordering tot schorsing), wonende te 3202 RILLAAR, Marktweg 68 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
  4. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roger GOEDHUYS en Rita EVERAERTS op 7 juni 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 maart 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, houdende, eensdeels, inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 6 augustus 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij aan verzoekers de vergunning wordt verleend tot wijziging van de verkavelingsvergunning welke op 15 maart 1974 werd afgegeven onder nummer 251/FL/160, voor het perceel gelegen aan de Marktweg nr. 68 te Aarschot (kavel 1), “om zodoende de oprichting van een zwembad ondergebracht in een serre te regulariseren”, anderdeels, de vernietiging van dit besluit; Gelet op het arrest nr. 71.913 van 18 februari 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting op 24 maart 1998 ingediend door Roger GOEDHUYS; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-7500-1/4 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 21 augustus 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen, en gezien de laatste memorie van de eerste verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 6 februari 2009 waarbij wordt bepaald dat de zaak met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, door één lid van de kamer wordt behandeld; Gelet op de beschikking van 6 februari 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 13 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord adjunct-auditeur A. VAN DEN BROECK, daartoe gemachtigd bij beslissing van de adjunct-auditeur-generaal van 31 oktober 2008, in haar eensluidend advies; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. Ten aanzien van de tweede verzoekende partij De hoofdgriffier heeft bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, aan de verzoekende partijen melding gemaakt van artikel 17, § 4ter van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, X-7500-2/4 en van artikel 15ter, § 1 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter geldt ten aanzien van de verzoekende partijen een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen. In een brief van 31 maart 1998 laat de eerste verzoekende partij weten dat “het de bedoeling (is) deze zaak enkel verder te zetten op naam van de eerste verzoeker Roger GOEDHUYS”. Dit wordt door de tweede verzoekende partij niet betwist. Te haren aanzien geldt een vermoeden van afstand van het geding.
  6. Ten aanzien van de eerste verzoekende partij De eerste verzoekende partij heeft geen antwoord gegeven op de vraag naar haar belang die haar namens de kamervoorzitter is gesteld bij brief van 16 oktober
  7. Door deze brief onbeantwoord te laten en aldus de rechter haar medewerking te onthouden, geeft de eerste verzoekende partij blijk van een gebrek aan belangstelling voor en belang bij het door haar ingediende beroep. Er dient ambtshalve te worden vastgesteld dat de eerste verzoekende partij niet doet blijken van het door de wet vereiste actueel belang en dat het beroep niet ontvankelijk is.
  8. De kosten Op het verzoek tot voortzetting van de procedure waren zegels ter waarde van 173,53 euro gekleefd. Op het verzoekschrift tot nietigverklaring waren reeds zegels ter waarde van 173,53 euro gekleefd, zodat op het verzoek tot voortzetting van de procedure geen zegels dienden te worden gekleefd in hoofde van de eerste verzoekende partij. Er bestaat aanleiding toe om het ten onrechte betaalde bedrag van 173,53 euro terug te betalen. X-7500-3/4 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  9. De afstand van het geding wordt vastgesteld ten aanzien van de tweede verzoekende partij. Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de eerste verzoekende partij. Het door de eerste verzoekende partij op het verzoek tot voortzetting van de procedure onverschuldigd gekweten recht, ten belope van 173,53 euro, dient te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juni 2009, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-7500-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.905 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.71.913 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.