← België

Arrest 193917 - Reglementen (economische zaken) - 08/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.917 Rolnummer: A. 124686/IX-3440 Zaak: Arrest 193917 - Reglementen (economische zaken) - 08/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-22 Raadplegingen: 245 - laatst gezien 2026-07-02 21:53 Fiche Arrest nr 193.917 van 8 juni 2009 Economische zaken - Reglementen (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.917 van 8 juni 2009 in de zaak A. 124.686/IX-3440. In zake : de NV FORTIS AG, thans de NV FORTIS INSURANCE BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat C. CAUWE, kantoor houdende te GENT-SINT-DENIJS-WESTREM, Kerkwegel 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Mobiliteit, die woonplaats kiest bij advocaat K. RONSE, kantoor houdende te BRUSSEL, G. Macaulaan 33. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV FORTIS AG, thans de NV FORTIS INSURANCE BELGIUM op 29 juli 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de artikelen 14 tot en met 20 “en voor zover als nodig” van artikel 70 van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg; Gelet op het arrest nr. 129.238 van 15 maart 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 23 april 2004 door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-3440-1/21 Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. CAUWE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat K. RONSE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten en het wetgevend kader 1.1. De verzoekende partij is een Belgische verzekeringsmaatschappij die overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen erkend is. Zij kan zich borg stellen, onder meer ten opzichte van de federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, in het kader van de wetgeving op het vervoer over de weg. 1.2. Artikel 7 van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg (hierna: de wet van 3 mei 1999) luidt als volgt : “Elke onderneming die het beroep van ondernemer van vervoer van zaken over de weg wenst uit te oefenen of dat beroep uitoefent, moet voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorwaarden inzake betrouwbaarheid, vakbekwaamheid en financiële draagkracht.” IX-3440-2/21 De artikelen 13 en 14 van die wet luiden als volgt: “Art. 13. Een onderneming voldoet aan de voorwaarde van financiële draagkracht wanneer zij aantoont een hoofdelijke borgtocht te hebben gesteld waarvan het bedrag afhankelijk is van het aantal voertuigen waarvoor door de minister of zijn gemachtigde eensluidend verklaard afschrift van vergunningen nationaal vervoer of vergunningen communautair vervoer werden gevraagd of afgegeven. Art. 14. § 1. De Koning bepaalt: 1/ het bedrag van de vereiste borgtocht; 2/ de aard van de borgen die deze borgtocht mogen stellen; 3/ het model van de bewijzen van borgtocht; 4/ de bestemming van de borgtocht; 5/ de regels inzake de aanspraak op de borgtocht; 6/ de verplichtingen van de betrokken partijen in geval van afneming op de borgtocht en in geval van vermindering of opzegging van de borgtocht; 7/ de voorschriften inzake de bevrijding van de borg. § 2. De Koning kan de hem bij § 1, 3/ verleende bevoegdheid overdragen aan de minister.” 1.3. Ter uitvoering van de voormelde wetsbepalingen bevat het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg in zijn titel II “Ondernemingen gevestigd in België - Toegang tot het beroep en uitoefening van het beroep” een hoofdstuk III “Financiële draagkracht”, dat luidt als volgt: “Afdeling 1. - Principe Art. 14. Het bedrag van de hoofdelijke borgtocht, bedoeld in artikel 13 van de wet, wordt vastgesteld op 9.000 euro voor de eerste kopie en op 5.000 euro voor elke bijkomende kopie van de vergunning nationaal vervoer of van de vergunning communautair vervoer. Onder 'kopie' wordt verstaan het in artikel 17, 2/ van de wet bedoelde document. Afdeling 2. - Bewijs Art. 15. De financiële draagkracht wordt aangetoond met het bewijs van één of van meer van de volgende instellingen, waaruit blijkt dat de betrokken instelling zich hoofdelijk borg heeft gesteld voor de onderneming voor het bedrag vastgesteld in artikel 14 : 1/ een kredietinstelling naar Belgisch recht, erkend overeenkomstig titel II van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de krediet- instellingen, of een bijkantoor van een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een andere Lid-Staat van de Europese Unie, geregistreerd overeenkomstig artikel 65 van de voornoemde wet van 22 maart 1993, of een niet in België gevestigde kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een andere Lid-Staat van de Europese Unie en in België haar werkzaamheid verricht in het kader van het vrij verrichten van diensten, overeenkomstig artikel 66 van de voornoemde wet van 22 maart 1993; IX-3440-3/21 2/ een verzekeringsonderneming, erkend overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen; 3/ een vennootschap van gezamenlijke borgstelling, aangenomen door de Minister van Financiën voor de borgtochten van ondernemers, vergunning- houders en aannemers van werken van algemeen nut. Art. 16. De Minister bepaalt de modellen van de bewijzen van borgtocht zowel wat het oorspronkelijke bedrag van de hoofdelijke borgtocht als wat de verhogingen en de verminderingen van dit bedrag betreft. Afdeling 3. - Aanwending van de borgtocht Art. 17. § 1. De borgtocht bedoeld in artikel 14 dient in zijn geheel om de schulden van de onderneming te waarborgen voorzover zij opeisbaar werden tijdens de periodes bedoeld in § 2 en voorzover zij voortvloeien uit : 1/ de levering aan de onderneming van de volgende materiële goederen en diensten, voorzover zij dienen voor de uitvoering van de in artikel 3, 1/ en 2/ van de wet bedoelde werkzaamheden :

  1. a)de banden alsook de andere onderdelen en de verplichte toebehoren van de voertuigen;
  2. b)de herstelling en het onderhoud van deze voertuigen;
  3. c)de prestaties van het rijdend personeel; 2/ de vervoerovereenkomsten, zowel de hoofdovereenkomsten als de overeen- komsten van onderaanneming, gesloten door de onderneming; 3/ de niet-betaling van de retributies en zegelrechten door de onderneming verschuldigd krachtens artikel 33. De borgtocht strekt zich uit tot al hetgeen bij de hoofdschuld en haar invordering komt. De borgtocht dient evenwel niet tot waarborg van de schulden die voortvloeien uit elke operatie inzake financiering, huur en financieringshuur. § 2. Op de borgtocht kan slechts aanspraak worden gemaakt voorzover de schulden opeisbaar werden in de periode van 365 dagen die aan de datum van aanspraak op de borgtocht voorafgaat. Indien een schuldeiser tegen de onderneming een rechtsvordering instelt en de hoofdelijke borg daarvan in kennis stelt, bij ter post aangetekende zending van een kopie van de akte van rechtsingang, is de in het eerste lid bedoelde periode van 365 dagen, die welke voorafgaat aan de datum van die aangetekende zending. Indien, in geval van faillissement van de onderneming, een schuldeiser een aangifte van schuldvordering indient, en de hoofdelijke borg daarvan in kennis stelt bij ter post aangetekende brief, is de in het eerste lid bedoelde periode van 365 dagen die welke voorafgaat aan de datum van die aangetekende brief. Op de borgtocht kan evenwel nooit aanspraak worden gemaakt voor schulden : 1/ die reeds opeisbaar waren vóór de datum waarop het in artikel 16 bedoelde bewijs werd opgesteld; 2/ die ontstaan zijn na het faillissement van de onderneming, behalve als de rechtbank van koophandel toestemming heeft gegeven voor de voorlopige voortzetting van de handelswerkzaamheden van de gefailleerde. IX-3440-4/21 Art. 18. § 1. Op de borgtocht kan alleen aanspraak worden gemaakt door de houders van schuldvorderingen bedoeld in artikel 17, door overlegging, bij ter post aangetekende brief gericht aan de hoofdelijke borg bedoeld in artikel 15: 1/ ofwel van een ten laste van deze onderneming in België genomen, zelfs niet- uitvoerbare, rechterlijke beslissing; 2/ ofwel, in geval van faillissement van de onderneming, van het bewijs van aanvaarding van de schuldvordering in het passief van dit faillissement door de curator of de rechtbank van koophandel. § 2. Behalve in geval van faillissement, zullen de aanspraken op de borgtocht worden afgehandeld volgens de datum van afgifte van de aange- tekende zending gericht aan de hoofdelijke borg; de postdatum geldt hierbij als bewijs. Indien verscheidene aanspraken op dezelfde datum op de post werden afgegeven en het bedrag van de borgtocht onvoldoende is, zal tot een even- redige verdeling tussen de betrokken schuldeisers worden overgegaan. De hoofdelijke borg die een aanspraak op de borgtocht niet betwist, moet de schuldeiser betalen binnen de zestig dagen na ontvangst van deze aanspraak. § 3. In geval van faillissement, zal tot een evenredige verdeling worden overgegaan tussen de schuldeisers die, binnen de maand na de datum waarop de schuldvorderingen in het passief van het faillissement werden aanvaard, aanspraak hebben gemaakt op de borgtocht overeenkomstig § 1, 2/. Nochtans zal voorrang worden gegeven aan de schuldeisers die aanspraak zullen hebben gemaakt op de borgtocht overeenkomstig § 1, 1/, uiterlijk bij het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn. De hoofdelijke borg die een aanspraak op de borgtocht niet betwist, moet de schuldeiser betalen binnen de zestig dagen na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn. Art. 19. § 1. In geval van volledige of gedeeltelijke afneming op de borgtocht: 1/ geeft de hoofdelijke borg, bij ter post aangetekende brief, onverwijld kennis aan de Minister of zijn gemachtigde van het bedrag van de verrichte afneming, alsook van de naam en het adres van de betrokken schuldeiser; 2/ deelt de hoofdelijke borg onverwijld de verrichte afneming mee aan alle schuldeisers die zich schriftelijk tot hem hebben gewend; 3/ zendt de Minister of zijn gemachtigde een kopie van de in 1/ bedoelde kennisgeving naar de betrokken schuldeiser; 4/ deelt de Minister of zijn gemachtigde de afneming mee aan de onderneming, bij ter post aangetekende brief; 5/ is de onderneming verplicht de borgtocht te herstellen of aan te vullen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de in 4/ bedoelde mededeling. § 2. In geval de hoofdelijke borg, op eigen initiatief of op verzoek van de onderneming, beslist zich geheel of gedeeltelijk te ontdoen van zijn verplichtingen : 1/ geeft de hoofdelijke borg kennis van zijn beslissing aan de Minister of zijn gemachtigde; 2/ deelt de hoofdelijke borg onverwijld zijn beslissing mee aan alle schuldeisers die zich schriftelijk tot hem hebben gewend; 3/ deelt de Minister of zijn gemachtigde de beslissing van de hoofdelijke borg mee aan de onderneming; IX-3440-5/21 4/ is de onderneming verplicht de borgtocht te herstellen of aan te vullen binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van verzending van de in 3/ bedoelde mededeling. § 3. In geval de hoofdelijke borg zou beslissen de verplichtingen over te nemen van een andere hoofdelijke borg die zich vooraf van zijn verplichtingen heeft ontdaan : 1/ geeft de hoofdelijke borg die de verplichtingen overneemt kennis van zijn beslissing aan de Minister of zijn gemachtigde; 2/ deelt de Minister of zijn gemachtigde deze overname van verplichtingen mee aan de borg die zich van zijn verplichtingen heeft ontdaan; 3/ deelt de hoofdelijke borg die zich van zijn verplichtingen heeft ontdaan vervolgens onverwijld de overname van de verplichtingen alsook de identiteit van de borg die zijn verplichtingen heeft overgenomen mee aan alle schuldeisers die zich na deze overname tot hem wenden. Art. 20. § 1. De hoofdelijke borg is, onverminderd het bepaalde in het tweede lid, bevrijd van zijn verplichtingen jegens de eventuele schuldeisers na het verstrijken van een termijn van negen maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de Minister of zijn gemachtigde van deze hoofdelijke borg de brief, houdende kennisgeving van zijn beslissing zich geheel of gedeeltelijk van zijn verplichtingen te ontdoen, heeft ontvangen. Nochtans kan gedurende de laatste zes maanden van de in het eerste lid bedoelde termijn, slechts op de borgtocht aanspraak worden gemaakt indien de schuldvordering vóór het begin van deze laatste zes maanden is ontstaan. § 2. Indien vóór het verstrijken van de termijn van negen maanden bedoeld in § 1, een schuldeiser tegen de onderneming een rechtsvordering instelt en de hoofdelijke borg daarvan in kennis stelt, bij ter post aangetekende zending van een kopie van de akte van rechtsingang, wordt deze termijn ten voordele van deze schuldeiser opgeschort; deze termijn begint pas opnieuw te lopen de dag waarop de rechterlijke eindbeslissing in kracht van gewijsde is gegaan. § 3. Indien bij faillissement van de onderneming een schuldeiser een aangifte van schuldvordering indient en daarvan de hoofdelijke borg, vóór het verstrijken van de termijn van negen maanden bedoeld in § 1, in kennis stelt, bij ter post aangetekende zending van een kopie van zijn aangifte van schuld- vordering, wordt deze termijn ten voordele van deze schuldeiser opgeschort; deze termijn begint pas opnieuw te lopen de dag van de aanvaarding of de afwijzing van de schuldvordering. § 4. In afwijking van §§ 1, 2 en 3, kan de borg die zich van zijn verplichtingen heeft ontdaan niet meer worden aangesproken vanaf de datum waarop, in voorkomend geval, de Minister of zijn gemachtigde een bewijs heeft ontvangen van een nieuwe hoofdelijke borg die verklaart de resterende verplichtingen van de vorige borg over te nemen.” Artikel 70 van dit besluit bevat de volgende overgangsbepaling: “De borgtochten gesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 38, § 2 van het koninklijk besluit van 5 september 1978 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg en deze gesteld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV van het koninklijk besluit van 18 maart 1991 IX-3440-6/21 tot vaststelling van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 april 1995, worden, wat hun bedrag en hun gevolgen betreft, gelijkgesteld met deze gesteld krachtens titel II, hoofdstuk III van dit besluit.” Dit besluit, dat bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 30 mei 2002, is het bestreden besluit. De gegrondheid van het beroep 2.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet “en het erin vervatte gelijkheidsbeginsel en het beginsel van niet-discriminatie” door artikel 17, § 1, van het bestreden besluit. In een eerste onderdeel stelt zij dat artikel 17, § 1, 1/, a, van het bestreden besluit op een ongelijke behandeling van objectief gelijke economische actoren steunt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. Met name waarborgt die bepaling de schulden aan schuldeisers die banden en andere onderdelen en verplichte toebehoren van de voertuigen aan de onderneming leveren, maar niet de schulden aan schuldeisers die aan de onderneming andere materiële goederen leveren die als onontbeerlijk worden beschouwd voor het vervoer over de weg, zoals onder meer de voertuigen en de brandstof. Alhoewel de verzoekende partij er niet voor pleit dat nog meer leveranciers van materiële goederen een beroep zouden kunnen doen op de borgtocht, merkt zij op dat de tweede categorie van schuldeisers deze discriminatie zal aanvoeren voor de rechtbanken teneinde aanspraak te kunnen maken op de borgtocht, wat zal leiden tot een cascade aan procedures. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat ook artikel 17, § 1, 1/, c, van het bestreden besluit op een ongelijke behandeling van objectief gelijke economische actoren steunt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. Met name waarborgt die bepaling de schulden van de onderneming die voortvloeien uit de prestaties van het rijdend personeel, maar niet de schulden van de onderneming die voortvloeien uit andere prestaties die onontbeerlijk zijn voor het vervoer over de weg, zoals deze van het begeleidend personeel en van het personeel dat verantwoordelijk is voor het laden en lossen van de voertuigen of voor de dispatching, de facturatie en de administratieve opvolging. Ook hier pleit de verzoekende partij niet voor de verdere uitbreiding van het IX-3440-7/21 voorwerp van de borgstelling, maar vreest zij hiermee te zullen worden geconfronteerd voor de rechtbanken. In een derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel 17, § 1, van het bestreden besluit ook in zijn geheel discriminatoir is. Met name bevoordeelt die bepaling de schuldeisers van de onderneming ten opzichte van andere schuldeisers die identieke schuldvorderingen hebben op ondernemingen die niet beantwoorden aan de definitie van artikel 3 van de wet van 3 mei 1999, zonder dat hiervoor een objectieve reden voorhanden is. De verzoekende partij illustreert dit aan de hand van een voorbeeld waaruit blijkt dat een onderneming die enkel eigen goederen vervoert niet onder de toepassing valt van de wet van 3 mei 1999, waardoor de leveranciers van die onderneming geen aanspraak kunnen maken op de borg, zelfs al is hun economische situatie dezelfde als die van de leveranciers van een vervoersonderneming die geen eigen goederen vervoert en dus wel onder de toepassing van die wet valt. 2.2. De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij veeleer beleidskeuzes betwist en dat het niet aan de Raad van State toekomt om over de opportuniteit van de door het bestuur gekozen opties uitspraak te doen. Uit het verslag aan de Koning blijkt volgens haar dat de overheid een keuze heeft gemaakt waarvoor zij een verantwoording geeft. De verwerende partij vindt het voorts bevreemdend dat de verzoekende partij een ongelijke behandeling in hoofde van de schuldeisers aanklaagt, terwijl de door haar verdedigde restrictieve stelling de ongelijkheid nog groter zou maken. Wat het derde onderdeel van het middel betreft, voegt de verwerende partij hieraan toe dat het bestreden besluit de wet van 3 mei 1999 niet vaststelt noch wijzigt, doch enkel uitvoert, en dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van betwistingen inzake de wet. 2.3. De verzoekende partij repliceert dat zij geen beleidskeuzes betwist, maar wel de ongelijke behandeling van economisch gelijke actoren. Zij ontkent dat door haar restrictieve zienswijze een nog grotere ongelijkheid zou ontstaan, vermits zij ook de ongelijke behandeling van ongelijke actoren verdedigt. Zij merkt op dat zij ertoe gehouden is om verzekeringstechnisch haar risico op een correcte wijze te begroten en dat dit belemmerd wordt door de gebrekkige juridische IX-3440-8/21 invulling van de beleidskeuzes die zijn gemaakt, waardoor zij niet weet welke schuldeisers haar met een redelijke kans op succes kunnen aanspreken. De verzoekende partij stelt dat de burgerlijke rechter ertoe gehouden is om overeenkomstig artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek de borgtocht te beperken tot hetgeen waartoe de borg zich heeft verbonden. Bij het vaststellen van de door de borgtocht gewaarborgde schuldvorderingen, dient de rechter volgens haar evenwel te verwijzen naar artikel 17, § 1, van het bestreden besluit, waardoor hij zou kunnen verplicht zijn om de beperkingen opgenomen in die bepaling niet toe te passen, wanneer een schuldeiser het discriminatoir karakter ervan zou inroepen. Zij is van mening dat hierdoor de rechtszekerheid geschonden wordt en dat het middel dan ook minstens ontvankelijk is. 2.4. In de drie onderdelen van het middel wordt de ongelijke behandeling aangeklaagd van verschillende schuldeisers van ondernemingen die zaken vervoeren over de weg. De verzoekende partij laat er geen twijfel over bestaan dat zij voorstander is van een restrictieve interpretatie van de verplichte borgtocht voor vervoersondernemingen. Zij heeft er dus belang bij dat de borgtocht beperkt blijft tot de in artikel 17, § 1, van het bestreden besluit bepaalde schulden van de vervoersonderneming en dat hij niet tot andere schulden wordt uitgebreid. De verzoekende partij heeft er dan ook veeleer belang bij dat het middel door de Raad van State wordt verworpen dan dat het middel gegrond wordt bevonden. Indien voormeld artikel 17, § 1, op grond van het middel volledig of deels zou worden vernietigd, zou de verplichte borgtocht immers door de Koning moeten worden uitgebreid tot schuldvorderingen die, zoals in het middel gesteld wordt, door de bestreden bepaling op discriminerende wijze uitgesloten worden. De verzoekende partij merkt op dat zij het risico loopt om via de burgerlijke rechter te worden aangesproken door schuldeisers die menen dat zij op grond van het gelijkheidsbeginsel eveneens op de borgtocht een beroep kunnen doen. Daaruit volgt evenwel niet dat de verzoekende partij een rechtstreeks persoonlijk belang heeft bij het middel. Het gaat slechts om een onrechtstreeks belang, aangezien het wordt afgeleid uit het belang van eventuele potentiële schuldeisers. Bovendien gaat het argument voorbij aan de bepaling van artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek dat de borgtocht uitdrukkelijk moet zijn aangegaan en IX-3440-9/21 zich niet verder mag uitstrekken dan de perken waarbinnen hij is aangegaan. De omstandigheid dat het bestreden besluit sommige schuldvorderingen op discriminerende wijze van de verplichte borgtocht zou uitsluiten, kan derhalve niet tot gevolg hebben dat de verzoekende partij op grond van de borgtocht die zij heeft aangegaan, ook tot betaling van die schuldvorderingen zou zijn gehouden. Het middel is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. 3.1. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, van de redelijkheidsnorm, van de rechtszekerheidsnorm, van artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek, van artikel 99 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en van artikel 8 van de hypotheekwet. In een eerste onderdeel voert zij aan dat, in strijd met wat in het verslag aan de Koning wordt gesteld, artikel 17, § 1, eerste lid, 1/, a, van het bestreden besluit geen limitatieve opsomming bevat van het voorwerp van de borgtocht. Met name kunnen tal van leveranciers zich tot de rechtbank wenden teneinde het begrip “de andere onderdelen en de verplichte toebehoren van de voertuigen” te zien invullen waardoor de borg het risico loopt om aangesproken te worden voor meer dan hetgeen waartoe hij zich in een limitatief systeem had verbonden. Volgens de verzoekende partij is dit strijdig met de rechtszekerheidsnorm en met artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek dat uitdrukkelijk bepaalt dat de borgtocht zich niet verder mag uitstrekken dan de perken waarbinnen hij is aangegaan. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel 17, § 1, eerste lid, 1/, c, van het bestreden besluit evenmin verduidelijkt welke schulden precies door de borgtocht worden gegarandeerd. Met name blijkt niet of “de prestaties van het rijdend personeel” enkel slaat op het nettoloon uit te betalen aan de werknemer, dan wel of het ook slaat op de bijdragen aan de RSZ, de bedrijfsvoorheffing en de premies inzake de verplichte verzekering tegen arbeidsongevallen. Volgens de verzoekende partij is dit in strijd met artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek en met het rechtszekerheidsbeginsel. In een derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat luidens artikel 17, § 2, van het bestreden besluit op de borgtocht slechts aanspraak kan worden gemaakt voor zover de schulden opeisbaar werden in de periode van 365 IX-3440-10/21 dagen die aan de datum van aanspraak op de borgtocht voorafgaat, hetgeen logischerwijs betekent dat de factuur moet vervallen zijn in de periode van 365 dagen die voorafgaat aan de aanspraak. Die bepaling houdt volgens de verzoekende partij echter geen rekening met de eventuele betwisting van een factuur. Een betwiste factuur kan immers niet als opeisbaar worden beschouwd. Door niet te bepalen of de borg kan worden aangesproken indien de factuur wordt betwist, tast het bestreden besluit de rechtszekerheid aan. In een vierde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat overeenkomstig artikel 20, § 1, van het bestreden besluit de borg na opzegging van de borgtocht nog negen maanden hiertoe gehouden blijft, met als beperking dat gedurende de laatste zes maanden van die termijn op de borgtocht slechts aanspraak kan worden gemaakt indien de schuldvordering vóór het begin van deze laatste zes maanden is ontstaan. Zij stelt dat die bepaling het “ontstaan” betreft van een schuldvordering, terwijl andere bepalingen verwijzen naar het “opeisbaar” zijn van schuldvorderingen. Volgens haar kan een schuldvordering ontstaan zijn, maar nog niet opeisbaar zijn, zodat niet met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer de borg bevrijd is. Voorts betoogt zij dat de term “aanspraak worden gemaakt” gehanteerd wordt in de zin van het richten van een aangetekende brief, terwijl volgens vaste rechtspraak het niet volstaat dat de aanspraak wordt geformuleerd, doch er ook dient gedagvaard te worden binnen deze termijn, die als een vervaltermijn moet worden beschouwd. Met betrekking tot artikel 20, § 2, van het bestreden besluit, voert de verzoekende partij aan dat overeenkomstig die bepaling de termijn wordt opgeschort voor de schuldeiser die een rechtsvordering heeft ingesteld en de hoofdelijke borg daarvan bij aangetekende brief in kennis stelt met een kopie van de akte van rechtsingang, en dat de termijn in dat geval pas opnieuw begint te lopen de dag waarop de rechterlijke eindbeslissing “in kracht van gewijsde” is gegaan. De verzoekende partij is van mening dat de vereiste van een in kracht van gewijsde gegane beslissing strijdig is met het feit dat voor de “gewone aanspraak” een niet- uitvoerbare rechterlijke beslissing voldoende is. Wat artikel 20, § 3, van het bestreden besluit betreft, voert de verzoekende partij aan dat bij faillissement de termijn opnieuw begint te lopen de dag van aanvaarding of afwijzing van de schuldvordering. Zij merkt hierbij op dat van hoger beroep ter zake geen sprake is en dat een definitieve afwijzing of IX-3440-11/21 aanvaarding niet vereist is. De bepalingen wijken volgens haar af van artikel 20, § 2, en artikel 17, § 2, van het bestreden besluit. Met betrekking tot artikel 20, § 4, van het bestreden besluit, merkt de verzoekende partij op dat indien de nieuwe borg, die de oude borg opvolgt, niet meedeelt dat hij de verbintenissen van de oude borg overneemt, op hetzelfde ogenblik twee borgen zullen kunnen worden aangesproken. Zij wijst erop dat het bestreden besluit niet bepaalt op welke wijze de aanspraken over deze twee borgen moeten worden verdeeld. In een vijfde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat artikel 70 van het bestreden besluit inhoudt dat alle lopende contracten onder de nieuwe wetgeving vallen, waardoor de draagwijdte van de oude borgtochten zonder de uitdrukkelijke toestemming van de borg wordt uitgebreid. Dit strookt volgens haar niet met het feit dat de burger erop mag rekenen dat de normen zullen worden toegepast en dat zij niet met terugwerkende kracht zullen inwerken op voor hem verworven toestanden, in het bijzonder nu het aangevochten besluit de positie van de borg op meerdere punten verzwaart. Bijgevolg zouden de rechtszekerheidsnorm en artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek zijn geschonden. In een zesde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat overeenkomstig artikel 18, §§ 2 en 3, van het bestreden besluit in geval van faillissement de schuldeisers die zich vóór het faillissement op rechtsgeldige wijze hebben aangemeld prioritair moeten worden uitbetaald. Daarna dient het saldo te worden uitbetaald bij wijze van evenredige verdeling aan de schuldeisers die binnen de maand na de datum waarop de schuldvorderingen in het passief van het faillissement werden aanvaard, aanspraak hebben gemaakt op de borgtocht door het bewijs van aanvaarding van de schuldvordering in het passief van het faillissement door de curator of de rechtbank van koophandel per aangetekende brief aan de borg over te maken. De verzoekende partij stelt dat, aangezien vorderingen in het faillissement kunnen worden aanvaard door de curator of, na betwisting, door de rechtbank en niet alle betwistingen op hetzelfde ogenblik worden beslecht, het onmogelijk is om vast te leggen welke datum moet worden weerhouden voor de toepassing van die evenredige verdeling. Aangezien de borg die de vordering niet betwist, dient te betalen binnen zestig dagen, is het volgens de verzoekende partij voor de borg onmogelijk om te weten aan wie hij rechtsgeldig zal moeten betalen. Bovendien zal de borg volgens haar rekening moeten houden met de voorrang die IX-3440-12/21 hij moet geven aan de schuldeisers die binnen dezelfde termijn aanspraak hebben gemaakt op de borgtocht overeenkomstig artikel 18, § 1, 1/, van het bestreden besluit, te weten schuldeisers die vóór het faillissement een vonnis hadden verkregen, zelfs niet uitvoerbaar, en het bij ter post aangetekende brief aan de borg hadden gericht. De verzoekende partij is van mening dat door deze bepalingen de gelijkheid van de schuldeisers binnen het faillissement ernstig in het gedrang komt en dat aldus artikel 99 van de faillissementswet, artikel 8 van de hypotheekwet, de rechtszekerheidsnorm, verstrengeld met de zorgvuldigheidsnorm en de redelijkheidsnorm, geschonden zijn. De belangen van de borg worden volgens haar miskend en de verwerende partij zou, door het opleggen van dergelijke bepalingen, blijk geven van een onredelijk beleid. 3.2. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, antwoordt de verwerende partij dat het niet duidelijk is hoe dat onderdeel tot de vernietiging van de bestreden bepaling zou kunnen leiden. Een juridische betwisting omtrent het begrip “de andere onderdelen en de verplichte toebehoren van de voertuigen” heeft volgens haar niets te maken met artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek. De verzoekende partij betwist immers niet dat de borgtocht betrekking heeft op de schulden voor die toebehoren en onderdelen. Wat het tweede onderdeel betreft, stelt de verwerende partij dat de rechter bij een geschil uiteraard de burgerrechtelijke regels in verband met de borgtocht moet toepassen. Stellen dat deze extensief zouden worden geïnterpreteerd, is volgens haar hypothetisch. Bovendien zouden de verwijten van de verzoekende partij niet aan de bestreden bepalingen kunnen worden toegeschreven. Met betrekking tot het derde onderdeel antwoordt de verwerende partij dat het feit dat een factuur opeisbaar is, niet inhoudt dat daarover geen betwisting kan bestaan. De verzoekende partij verwart volgens haar de begrippen “opeisbaar” en “zeker en vaststaand”. De verwerende partij verduidelijkt dat schulden niet opeisbaar zijn wanneer zij bijvoorbeeld voorwaardelijk zijn of wanneer uitstel van betaling werd toegestaan, en dat het de zekerheid is van een schuld die aanleiding kan geven tot discussie. Zij verwijst naar het beslagrecht waar beslag wordt toegestaan wanneer een vordering zeker is, wat betekent, wanneer de aanspraken een voldoende schijn van gegrondheid hebben of niet voor redelijke betwisting vatbaar zijn. Het bestreden besluit dient volgens haar uiteraard geen definitie te geven van opeisbaarheid of de gevolgen aan te geven van een eventuele IX-3440-13/21 betwisting, daartoe dienen de algemene rechtsregels van het burgerlijk en gerechtelijk recht. Wat het vierde onderdeel betreft, antwoordt de verwerende partij dat de verzoekende partij uit haar overwegingen geen juridisch gevolg afleidt en het dus niet mogelijk is om op dat onderdeel te antwoorden. De aangevoerde grieven zijn volgens de verwerende partij niet voldoende precies, zodat zij onontvankelijk moeten worden verklaard. Met betrekking tot het vijfde onderdeel wijst de verwerende partij erop dat de afdeling wetgeving van de Raad van State bij artikel 70 van het bestreden besluit geen opmerkingen heeft gemaakt. In verband met de aangevoerde retroactiviteit van artikel 70 merkt de verwerende partij op dat het bestreden besluit slechts gevolgen heeft vanaf 1 januari 2003. Bovendien zou retroactiviteit in sommige gevallen aanvaard worden. Voordien bestond een onduidelijke rechts- toestand en door een duidelijke situatie te creëren wordt de rechtszekerheid gediend. Wat het zesde onderdeel betreft, antwoordt de verwerende partij dat niet valt in te zien hoe de beweerde ongelijkheid een probleem kan zijn voor de borg. De betwisting tussen de rechthebbenden is volgens haar niet het probleem van de borg die in voorkomend geval aan zijn verplichtingen kan voldoen door het verschuldigde bedrag te consigneren. Zij stelt dat elk geval van samenloop van schuldeisers moeilijkheden kan veroorzaken en dat dergelijke situaties zich dagelijks voordoen en hun normaal verloop moeten kennen overeenkomstig het gemeen recht. 3.3. De verzoekende partij repliceert dat het tot de bevoegdheid en de taak van de Raad van State behoort om de bekritiseerde rechtsregel te toetsen aan de rechtszekerheid. Zij stelt dat zij door de aangeklaagde onduidelijkheden en interne tegenstellingen niet met zekerheid kan weten waartoe zij zich verbindt bij het onderschrijven van een borgtocht. Dat eventuele betwistingen aan de burgerlijke rechter kunnen worden voorgelegd, neemt volgens haar niet weg dat de Raad van State dergelijke tekortkomingen kan sanctioneren. Dit geldt volgens haar des te meer daar blijkens de voorbereidende werken de verwerende partij de keuze wilde maken om “voortaan elke betwisting te voorkomen”. IX-3440-14/21 De verzoekende partij betoogt dat de aangeklaagde onduidelijkheden en tegenstellingen tevens strijdig zijn met artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat de borgtocht niet wordt vermoed, uitdrukkelijk moet zijn aangegaan en niet verder kan worden uitgestrekt dan de perken waarbinnen hij is aangegaan. Volgens de verzoekende partij toont haar kritiek in het vierde onderdeel aan hoezeer de onduidelijkheden, tegenstellingen en leemten in het aangevochten besluit de rechtszekerheid aantasten. De verzoekende partij verwijst naar het auditoraatsverslag over de vordering tot schorsing, waarin de strijdigheid met artikel 2015 van Burgerlijk Wetboek gekaderd werd in de burgerrechtelijke regels aangaande het contract van borgtocht en de contractuele vrijheid en het ontbreken van een duidelijke bevoegdheidoverdracht aan de Koning om in te grijpen in die vrijheid. Met betrekking tot het vijfde onderdeel beklemtoont de verzoekende partij dat het niet tot de bevoegdheid van de Koning behoort om, door alle lopende contracten te onderwerpen aan de nieuwe wetgeving wat hun bedrag en hun gevolgen betreft, in te grijpen in oude borgtochten zonder de uitdrukkelijke toestemming van de borg. Aan de borgtochten die gesteld werden vóór de inwerkingtreding van het bestreden besluit worden volgens haar op die wijze immers zwaardere gevolgen verbonden dan die waartoe de borg zich had verbonden. Wat het zesde onderdeel betreft, stelt de verzoekende partij dat de burgerlijke rechter er toe gehouden is om overeenkomstig artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek de borgtocht te beperken tot hetgeen waartoe de borg zich heeft verbonden. Bij het vaststellen van de door de borgtocht gewaarborgde schuldvorderingen, dient de rechter volgens haar evenwel te verwijzen naar artikel 17, § 1, van het bestreden besluit, waardoor hij zou kunnen verplicht zijn om de beperkingen opgenomen in die bepaling niet toe te passen, wanneer een schuldeiser het discriminatoir karakter ervan zou inroepen. Zij is van mening dat hierdoor de rechtszekerheid geschonden wordt en dat het onderdeel dan ook minstens ontvankelijk is. 3.4.1. Wat het eerste en tweede onderdeel van het middel betreft, vereist het beginsel van de rechtszekerheid dat de burger zijn rechten en de op hem rustende verplichtingen met de vereiste precisie kan kennen en dat hij de gevolgen van zijn IX-3440-15/21 handelingen kan voorzien. Het rechtszekerheidsbeginsel omvat derhalve de vereiste van voorzienbaarheid en toegankelijkheid van het recht waardoor het voor de rechtzoekende in redelijke mate mogelijk moet zijn de gevolgen van een bepaalde handeling te voorzien. In het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het ontwerp dat geleid heeft tot het bestreden koninklijk besluit is met betrekking tot artikel 17 het volgende gesteld : “Met betrekking tot paragraaf 1, 1/, vraagt de Raad van State zich af of de begrippen materiële goederen en diensten ‘die specifiek dienen voor de organisatie en de uitvoering van de in artikel 3, 1/ en 2/ van de wet van 3 mei 1999 (...) bedoelde werkzaamheden’ voldoende duidelijk zijn en geen aanleiding zullen geven tot geschillen. Zij dienen verduidelijkt te worden.” Ingevolge die opmerking werd in artikel 17 van het bestreden besluit nader omschreven welke schuldvorderingen door de borgtocht gedekt worden. In het verslag aan de Koning wordt aangaande die bepaling onder meer het volgende gesteld : “Art. 17 bepaalt de bestemming van de borgtocht : het waarborgen van welbepaalde schulden van de vervoeronderneming. De bestemming van de borgtocht werd in het verleden dikwijls op verschillende wijzen geïnterpreteerd. Teneinde voortaan elke betwisting te voorkomen, preciseert onderhavig ontwerp voor welke schuldvorderingen aanspraak kan worden gemaakt op de borgtocht. (...) De voorgestelde lijst, die noodzakelijkerwijs arbitrair is door haar beperkt karakter, moet echter wel als volledig worden beschouwd.” De verzoekende partij stelt in essentie dat het beginsel van de rechtszekerheid geschonden wordt omdat betwisting kan bestaan over de bepaling dat de borgtocht schulden waarborgt die voortvloeien uit de levering aan de vervoersonderneming van “de andere onderdelen en de verplichte toebehoren van de voertuigen” en van “de prestaties van het rijdend personeel”. Het beginsel van de rechtszekerheid sluit evenwel niet uit dat over de interpretatie van een wettelijke of verordenende bepaling betwisting kan bestaan. De bewoordingen van artikel 17, § 1, eerste lid, 1/, a en c, zijn niet dermate vaag en algemeen dat de verzoekende partij niet in staat zou zijn in redelijke mate te voorzien waartoe zij zich verbonden heeft. IX-3440-16/21 Om dezelfde reden kan evenmin gesteld worden dat het voorwerp van de borgtocht onbepaald zou zijn en de verzoekende partij in strijd met artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek zou moeten instaan voor andere schulden dan deze waarvoor de borgtocht werd aangegaan. Het eerste en het tweede onderdeel zijn niet gegrond. 3.4.2. In het derde onderdeel wordt aangevoerd dat geen rekening wordt gehouden met het geval dat de factuur betwist wordt, aangezien artikel 17, § 2, van het bestreden besluit bepaalt dat op de borgtocht slechts aanspraak kan worden gemaakt voor zover de schulden opeisbaar werden in de periode van 365 dagen die aan de datum van de aanspraak op de borgtocht voorafgaat. Een schuldvordering is opeisbaar wanneer de schuldeiser gerechtigd is de nakoming van de schuldvordering te vorderen. Die vereiste houdt niet in dat de schuld niet kan worden betwist. De omstandigheid dat een specifieke regeling in verband met betwiste schuldvorderingen ontbreekt, tast de wettigheid van de in het onderdeel bestreden bepaling niet aan. Het derde onderdeel kan niet worden aangenomen. 3.4.3. In het vierde onderdeel formuleert de verzoekende partij een aantal opmerkingen bij artikel 20 van het bestreden besluit. Die opmerkingen bevatten echter geen wettigheidsbezwaar dat voldoende duidelijk en nauwkeurig geformuleerd is om een tegensprekelijk debat mogelijk te maken. Het onderdeel is derhalve niet ontvankelijk. 3.4.4. In het vijfde onderdeel wordt aangevoerd dat de overgangsbepaling van artikel 70 van het bestreden besluit aan de bestaande contractuele situaties raakt, doordat de borgtochten die gesteld werden overeenkomstig de voorheen geldende regelgeving wat hun bedrag en gevolgen betreft worden gelijkgesteld met deze gesteld krachtens het thans bestreden besluit. Artikel 70 van het bestreden besluit bevat een overgangsbepaling in verband met borgtochten die reeds gesteld zijn op de datum van inwerkingtreding van dat besluit. Overeenkomstig artikel 76 van het bestreden besluit treedt artikel IX-3440-17/21 70 echter slechts in werking, zoals de overige bestreden bepalingen, op 1 januari 2003. Van enige terugwerkende kracht is geen sprake. Voor het overige is het juist, zoals onder meer door het Hof van Cassatie in herinnering is gebracht in verband met onder meer het bestreden artikel 70 van het koninklijk besluit van 7 mei 2002, dat een nieuwe wet in beginsel van toepassing is, niet alleen op de toestanden die na haar inwerkingtreden zijn ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestand, die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, met dien verstande dat de toepassing van de nieuwe wet geen afbreuk vermag te doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (Cass., 27 april 2007, nr. C.06.0363.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.4; Cass., 24 april 2008, nr. C.06.0353.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.11). Zoals het Hof van Cassatie voorts heeft overwogen, blijft inzake overeenkomsten de oude wet van toepassing, tenzij de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk de toepassing ervan voorschrijft op de lopende overeenkomsten. Noch artikel 17, § 1, noch artikel 70 van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 raakt de openbare orde, en die bepalingen schrijven ook niet voor dat zij van toepassing zijn op reeds bij de inwerkingtreding van dat besluit ingetreden toestanden (Cass., 24 april 2008, vermeld). Uit artikel 70 kan dan ook niet afgeleid worden dat aan de partijen bij lopende of beëindigde overeenkomsten zwaardere verplichtingen zouden worden opgelegd. Het onderdeel, dat uitgaat van een verkeerde interpretatie van het bestreden artikel 70, faalt naar recht. 3.4.5. In het zesde onderdeel wordt de ongelijke behandeling van de schuldeisers in geval van faillissement aangeklaagd. Zoals bij de bespreking van het eerste middel is gesteld, heeft de verzoekende partij er geen persoonlijk belang bij om de ongelijke behandeling van de schuldeisers als annulatiemiddel aan te voeren. Het onderdeel is niet ontvankelijk. 4.1. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, van de rechtszekerheidsnorm, van de artikelen 2013, eerste lid, en 2028 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 1386, 1388 en 1397 van het Gerechtelijk Wetboek. IX-3440-18/21 Zij betoogt dat uit artikel 18, § 1, 1/, van het bestreden besluit volgt dat een schuldeiser die geen betaling kan eisen van de hoofddebiteur, toch betaling kan eisen van de hoofdelijke borg en dit ondanks het feit dat de borg niet gehouden is tot meer dan de hoofddebiteur. Dit is volgens haar het geval wanneer de vordering van de schuldeiser in rechte vastgesteld is maar nog vatbaar is voor gewone rechtsmiddelen, zonder dat de rechtbank de voorlopige tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing heeft toegestaan. De verzoekende partij is van mening dat de genoemde bepaling aldus het subsidiair karakter van de borgtocht miskent en van de hoofdelijke borgtocht een afzonderlijke garantverklaring maakt. Bovendien ontneemt die bepaling volgens haar de mogelijkheid van verhaal van de borg op de hoofdschuldenaar, nu de vordering ten opzichte van de hoofdschuldenaar niet definitief is vastgesteld. Hierdoor zou artikel 2028 van het Burgerlijk Wetboek zijn geschonden. De verzoekende partij stelt dat de bestreden bepaling voorts vonnissen uitvoerbaar maakt zonder overlegging van de minuut voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging (schending van artikel 1386 van het Gerechtelijk Wetboek), de verplichting tot betaling oplegt aan een derde zonder een verklaring van de griffier dat er geen tijdig verzet noch hoger beroep tegen de beslissing is ingesteld (schending van artikel 1388 van het Gerechtelijk Wetboek) en, de voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis mogelijk maakt, ondanks verzet en hoger beroep, zonder dat de rechter zulks heeft toegestaan (schending van artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek). 4.2. De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij de uitvoerbaarheid bij voorraad en de “aanspraak” bedoeld in artikel 18 verwart. Artikel 18 bepaalt volgens de verwerende partij geenszins dat wie geen uitvoerbare titel heeft, toch mag uitvoeren, maar wel dat men “aanspraak” kan maken op de borg, zonder over een uitvoerbare titel te beschikken. De verwerende partij merkt voorts op dat nergens uit die bepaling blijkt dat de borg geen verweermiddelen of excepties zou kunnen aanvoeren. Integendeel wijst zij erop dat artikel 18 twee keer uitdrukkelijk stelt: “De hoofdelijke borg die een aanspraak op de borgtocht niet betwist (...)”. IX-3440-19/21 De verwerende partij stelt dat de verschillende juridische begrippen geplaatst moeten worden in het ruimer kader van het gemeen recht en dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat bij betwisting de regels van het burgerlijk en het gerechtelijk recht geen toepassing zouden vinden. 4.3. De verzoekende partij repliceert dat artikel 18, § 1, van het bestreden besluit tot gevolg heeft dat van de borg meer kan worden gevorderd dan hetgeen de hoofddebiteur verschuldigd is of minstens dat van de borg onder meer bezwarende omstandigheden kan worden gevorderd, hetgeen strijdig is met artikel 2013, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Zij merkt op dat de verwerende partij suggereert dat de borg de aanspraken maar moet betwisten. Volgens de verzoekende partij bedoelt de verwerende partij hiermee dat door haar bij de regelgeving begane onregelmatigheden en slordigheden die getuigen van onbehoorlijk bestuur en leiden tot rechtsonzekerheid dan maar dienen te worden opgevangen door een rechtsgang naar de burgerlijke rechtbanken. 4.4. Luidens artikel 18, § 1, 1/, van het bestreden besluit kan op de borgtocht alleen aanspraak worden gemaakt door overlegging, bij ter post aangetekende brief gericht aan de hoofdelijke borg, “van een ten laste van deze onderneming in België genomen, zelfs niet-uitvoerbare, rechterlijke beslissing”. Dat de schuldeiser, onder de voorwaarden bepaald in artikel 18, § 1, van het bestreden besluit, op de borgtocht “aanspraak” kan maken, betekent niet dat die formaliteiten zouden volstaan om zonder uitvoerbare titel tot gedwongen uitvoering te kunnen overgaan. De bestreden bepaling doet dan ook geen afbreuk aan de artikelen 1386, 1388 en 1397 van het Gerechtelijk Wetboek. Uit die bepaling volgt evenmin dat de borg kan worden aangesproken voor meer dan de hoofdschuldenaar verschuldigd is of onder meer bezwarende omstandigheden. Er wordt evenmin geraakt aan het recht van de borg die betaald heeft om verhaal uit te oefenen op de hoofdschuldenaar. De hoofdelijke borg kan de aanspraak op de borgtocht bovendien betwisten. De artikelen 2013, eerste lid, en 2028 van het Burgerlijk Wetboek zijn derhalve niet geschonden. Het middel is niet gegrond. IX-3440-20/21 5. In haar laatste memorie betoogt de verzoekende partij “m.b.t. de drie aangevoerde middelen” dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met de termen van het Burgerlijk Wetboek. Met name stelt zij dat de wetgever aan de Koning geenszins de bevoegdheid heeft verleend om met betrekking tot de omvang van de verplichtingen van de borg in te grijpen in de wilsvrijheid van de partijen. De verzoekende partij kan echter niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in haar laatste memorie een middel aanvoeren dat niet van openbare orde is. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 8 juni 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3440-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.917 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.129.238 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.