← België

Arrest 193918 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.918 Rolnummer: A. 128443/IX-3550 Zaak: Arrest 193918 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-23 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Fiche Arrest nr 193.918 van 8 juni 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.918 van 8 juni 2009 in de zaak A. 128.443/IX-

  1. In zake : Jozef BUYSE, die woonplaats kiest bij advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE-LEUVEN, Industrieweg 4, bus
  2. tussenkomende partij : Koenraad DASSEN, die woonplaats kiest te ANTWERPEN (EKEREN), Hof van Delftlaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jozef BUYSE op 28 november 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 29 september 2002 waarbij Koenraad DASSEN wordt aangesteld tot administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat; Gelet op het arrest nr. 112.228 van 4 november 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 120.096 van 2 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 120.097 van 2 juni 2003 waarbij de zaak volgens de gewone procedure wordt voortgezet; IX-3550-1/8 Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 2 juli 2003 door de verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Koenraad DASSEN; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2003 die de tussenkomst van Koenraad DASSEN toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. ASSCHERICKX, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat H.-K. CARÊME die, loco advocaat P. LUYPAERS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, IX-3550-2/8 OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  4. Verzoeker is bij koninklijk besluit van 31 mei 2001 aangewezen als adjunct-administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat voor een termijn van vijf jaar. 1.
  5. Ingevolge het ontslag van de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat wordt die betrekking vacant vanaf 1 augustus
  6. Die betrekking wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 januari 1994 houdende het statuut van de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat verleend bij wege van een hernieuwbaar mandaat van vijf jaar. Onder meer verzoeker en de tussenkomende partij stellen zich kandidaat. 1.
  7. In een brief van 26 september 2002 laat de minister van Justitie aan de minister van Binnenlandse Zaken weten dat hij uit de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten heeft vastgesteld dat de tussenkomende partij het meest geschikt is om te worden aangewezen als administrateur-generaal en dat hij een ontwerp van koninklijk besluit in die zin heeft opgesteld. Hij herinnert eraan dat krachtens artikel 6, § 3, eerste lid, 2/, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst voor elk ontwerp van koninklijk besluit betreffende de benoeming en de aanwijzing van de ambtenaren- generaal van de Veiligheid van de Staat het eensluidend advies van de minister van Binnenlandse Zaken vereist is, en vraagt hem zijn advies te willen geven uiterlijk op 29 oktober
  8. Op 27 september 2002 brengt de minister van Binnenlandse Zaken de vermelding “voor akkoord” op die brief aan. 1.
  9. Bij koninklijk besluit van 29 september 2002 wordt de tussenkomende partij aangewezen in de hoedanigheid van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, voor een termijn van vijf jaar. Dit is het bestreden besluit. IX-3550-3/8 1.
  10. Bij koninklijk besluit van 15 januari 2003 wordt een einde gesteld aan verzoekers mandaat van adjunct-administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. Verzoekers vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van dat koninklijk besluit wordt bij ’s Raads arrest nr. 115.399 van 4 februari 2003 verworpen. Verzoeker heeft geen beroep tot nietigverklaring ingesteld. 1.
  11. Bij koninklijk besluit van 5 april 2006 wordt aan de tussenkomende partij eervol ontslag verleend uit haar functie van administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat. Dat ontslag gaat dezelfde dag in. 1.
  12. Bij koninklijk besluit van 27 oktober 2006 wordt Alain WINANTS aangewezen in de hoedanigheid van administrateur-generaal bij de Veiligheid van de Staat, voor een termijn van vijf jaar. Verzoeker bestrijdt dit besluit in de zaak nr. A. 179.720/IX-
  13. Ontvankelijkheid van het beroep 2.
  14. Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang moet bestaan, niet alleen op het ogenblik van het instellen van het beroep, maar ook bij de uitspraak daarover. 2.
  15. Met een brief van 4 februari 2009 heeft de staatsraad-verslaggever aan verzoeker gevraagd om zijn actueel belang bij de onderhavige zaak te verduidelijken. Met een brief van 18 februari 2009 heeft de raadsman van verzoeker onder meer geantwoord als volgt: “De schade die aan mijn cliënt werd aangericht door het bestreden besluit, en nog steeds wordt aangericht, mede door het feit dat zolang moet gewacht worden vooraleer het besluit wordt vernietigd, is immens groot: IX-3550-4/8 - Na het bestreden besluit werd een nieuw besluit genomen waarbij de functie van mijn cliënt als adjunct-administrateur-generaal van de staatsveiligheid ‘onbestaanbaar’ werd verklaard en hij van vandaag op morgen aan de deur werd gezet zonder enige vergoeding. - Mijn cliënt is er sindsdien nooit in geslaagd een min of meer gelijkwaardige functie of job te vinden. - Wanneer gebleken is dat de benoeming van de heer Dassen allesbehalve een succes was, en deze vroegtijdig aan zijn mandaat een einde moest stellen, heeft mijn cliënt zich opnieuw kandidaat gesteld : zijn kandidatuur werd niet weerhouden, voornamelijk op grond van de redenering dat hij door zijn afwezigheid inmiddels van enkele jaren geen voeling meer had met de ‘moderne en nieuwe’ wijze waarop de staatsveiligheid was geëvolueerd en moest evolueren. Zowel de financiële schade, als de morele schade en de schade door het feit dat mijn cliënt niet kan aantonen dat al deze maatregelen te zijnen opzichte ten onrechte werden genomen, blijft nog steeds voortduren en verder werken, en hieraan kan slechts een gedeeltelijk einde komen wanneer er nu uiteindelijk een vernietigingsarrest zal worden uitgesproken. Pas dan zal mijn cliënt kunnen aantonen dat het ten onrechte is dat hij sinds jaren volledig werd gebroodroofd, zal hij opnieuw kansen krijgen om op reële wijze een gelijkwaardige functie na te streven, en zal hij ook financieel herstel kunnen bekomen voor de geleden schade.” 2.
  16. De voornaamste betrachting van iemand die, zoals verzoeker, voor de Raad van State de rechtshandeling aanvecht waardoor hij niet wordt aangesteld in een betrekking waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld maar waarin integendeel iemand anders wordt aangesteld, is door de nietigverklaring ervan te verkrijgen dat die betrekking opnieuw open verklaard wordt en dat hij aldus de kans krijgt om zelf, in plaats van degene wiens benoeming nietig verklaard is, in die betrekking te worden aangesteld en om ze daadwerkelijk waar te nemen. Het wordt niet betwist dat bij koninklijk besluit van 5 april 2006 aan de tussenkomende partij eervol ontslag werd verleend uit de functie van administrateur-generaal. Door dit ontslag is de betrekking van administrateur-generaal opnieuw opengevallen. Bij de daaropvolgende vacantverklaring kon verzoeker zich opnieuw kandidaat stellen, wat hij trouwens gedaan heeft. Datgene wat verzoeker met zijn beroep beoogde, met name een nieuwe kans krijgen om benoemd te worden in de betrekking waarvoor hij samen met de tussenkomende partij kandidaat was, is aldus bereikt, zij het om een andere reden dan de vaststelling van de onwettigheid van het bestreden besluit. IX-3550-5/8 Het materieel belang, dat de verzoeker onmiskenbaar had bij het indienen van het beroep tegen het bestreden benoemingsbesluit, is dan ook in de loop van het geding teloorgegaan. 2.4.
  17. In zijn brief van 18 februari 2009 schrijft verzoeker dat het koninklijk besluit van 15 januari 2003 dat een einde stelt aan zijn mandaat van adjunct-administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat heeft meegebracht dat hij “van vandaag op morgen aan de deur werd gezet zonder enige vergoeding”. In voornoemde brief stelt verzoeker voorts dat hij er niet in geslaagd is om na zijn ontslag een min of meer gelijkwaardige functie of job te vinden. De aangehaalde nadelen vloeien voort, niet zozeer uit het feit dat de tussenkomende partij in 2002 is benoemd tot administrateur-generaal, maar veeleer uit het feit dat in 2003 een einde is gesteld aan verzoekers mandaat van adjunct-administrateur-generaal. Verzoeker heeft het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2003 echter niet bestreden met een annulatieberoep. In het kader van het voorliggende beroep moet er dan ook van uitgegaan worden dat zijn ontslag definitief is. In datzelfde kader kan de verzoeker zich bijgevolg niet beroepen op de nadelen voortvloeiend uit zijn ontslag, ter verantwoording van zijn volgehouden belang bij het bestrijden van het aan dat ontslag voorafgaand besluit tot aanwijzing van de tussenkomende partij. 2.4.
  18. Verzoeker voert nog aan dat hij zich opnieuw kandidaat gesteld heeft op het ogenblik dat de functie van administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat opnieuw vacant werd verklaard, ingevolge het vertrek van de tussenkomende partij. Zijn kandidatuur werd evenwel niet in aanmerking genomen, op grond dat hij door zijn afwezigheid geen voeling meer had met de staatsveiligheid. Verzoeker kan allicht een belang doen gelden in het kader van het beroep dat hij heeft ingediend tegen het koninklijk besluit van 27 oktober 2006 waarbij Alain Winants is aangewezen (zaak nr. A. 179.720/IX-5524). Dat belang kan echter niet ingeroepen worden in het kader van het voorliggende beroep, gericht tegen de aanwijzing van de tussenkomende partij. IX-3550-6/8 2.
  19. Voor zover in de bedoelde brief wordt aangevoerd dat verzoeker een moreel belang heeft bij het onderhavige beroep, dient te worden vastgesteld dat een niet-aanstelling in een hogere functie, die niet gesteund is op een afkeuring van het gedrag of het functioneren van de betrokkene, niet van die aard is dat de betrokkene zich, objectief gezien, op een moreel belang kan beroepen. 2.
  20. In de mate dat verzoeker de loutere genoegdoening beoogt verbonden met het onwettig horen verklaren van het bestreden besluit getuigt hij niet van een voldoende rechtstreeks belang. Het aldus beoogde voordeel is immers niet verbonden aan het verdwijnen van het bestreden besluit uit de rechtsorde, maar enkel aan het gegrond horen verklaren van een middel. Een dergelijk belang is een onrechtstreeks belang, dat niet volstaat voor de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep, in het kader van het objectief contentieux. 2.
  21. Verzoeker toont derhalve niet aan dat hij nog een actueel belang heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit. De ambtshalve opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid is gegrond. 2.
  22. Gelet op de omstandigheden van de zaak, komt het passend voor de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  23. Het beroep wordt verworpen. IX-3550-7/8 Artikel
  24. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst in het kort geding en in het annulatieberoep, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 8 juni 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3550-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.918 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.112.228 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.096 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.097 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.