← België

Arrest 193919 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.919 Rolnummer: A. 78515/X-8139 Zaak: Arrest 193919 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-19 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Fiche Arrest nr 193.919 van 8 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.919 van 8 juni 2009 in de zaak A. 78.515/X-8139. In zake : Oscar GOOSSENS, die woonplaats kiest bij advocaat J. GUNS, kantoor houdende te 1790 AFFLIGEM, Kasteelstraat 58 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. HEYVAERT, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Gentsesteenweg 2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Oscar GOOSSENS op 7 mei 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 februari 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen de beslissing van 28 juli 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor de “regularisatie voor het bouwen van een schuthok, afsluiting en toegangsweg” op een perceel gelegen te Erpe-Mere, Honegemstraat, kadastraal bekend sectie B nr. 574/a; Gelet op het arrest nr. 76.576 van 21 oktober 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 7 december 1998 ingediend door de verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; X-8139-1/7 Gelet op de beschikking van 26 november 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 15 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De verzoeker is eigenaar van een aantal percelen grond aan de Honegemstraat te Erpe-Mere. Deze terreinen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst-Ninove- Geraardsbergen-Zottegem gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De gronden liggen tevens binnen de omtrek van het bij ministerieel besluit van 2 juli 1990 beschermde landschap “Sint-Apollonia- Honegem-Solegem”. 1.2. De bestendige deputatie van de provincieraad Oost-Vlaanderen verleent met een besluit van 21 mei 1992 aan de verzoeker een bouwvergunning voor het oprichten van een “schuilplaats voor dieren” op de voormelde percelen mits de overweging dat de verzoeker bij vorige aanvragen telkens “op de aangevoerde suggesties van het college van burgemeester en schepenen is ingegaan” en het voormelde landschapsbeschermingsbesluit “nog niet aan appellant werd betekend”. X-8139-2/7 Met een ministerieel besluit van 28 september 1992 wordt het administratief beroep van de gemeente tegen deze vergunning verworpen. 1.3. Op 2 juli 1996 dient de verzoeker een aanvraag in, enerzijds, voor het regulariseren van een “afsluiting + oprit” en, anderzijds, als “heraanvraag goedgekeurde bouwaanvraag (21/05/92) bouwen schuilhok” op de voormelde percelen. 1.4. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek dat gehouden wordt van 12 november tot 3 december 1996, worden 8 bezwaarschriften ingediend. Het college van burgemeester en schepenen verklaart met een besluit van 17 december 1996 de bezwaren ontvankelijk en gegrond. 1.5. De afdeling Monumenten en Landschappen verleent op 5 december 1996 een ongunstig advies omdat “de aanvraag (...) de beschermingsdoelstellingen (...) niet ten goede” komt en de inplanting “niet verzoenbaar (

  1. is)met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied”. 1.6. De afdeling Land verleent op 6 februari 1997 volgend advies: “een schuthok is een gedoogzaamheid en kan of mag geen stal (berging) zijn. Speciaal verharde toegangen en dito hekkens zijn uit den boze: deze verstoren de homogeniteit van de open ruimte”. 1.7. De gemachtigde ambtenaar verleent op 19 maart 1997 ongunstig advies met verwijzing naar de voormelde adviezen. 1.8. Het college van burgemeester en schepenen weigert met een besluit van 25 maart 1997 de vergunning. 1.9. De bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verwerpt met een besluit van 10 juli 1997 het beroep van de verzoeker tegen dit weigeringsbesluit 1.10. Met het bestreden ministerieel besluit van 9 februari 1998 verwerpt de minister het beroep van de verzoeker tegen dit laatste besluit nadat werd vastgesteld dat de betrokken percelen volgens het gewestplan gelegen zijn in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, de bouwvergunning van 21 mei 1992 X-8139-3/7 voor een schuthok nimmer werd uitgevoerd, acht door het college van burgemeester en schepenen gegrond bevonden bezwaren werden ingediend, de afdeling Land en de afdeling Monumenten en Landschappen een ongunstig advies hebben verleend en dat laatste advies “een bindend karakter heeft” en werd overwogen “dat tevens dient vastgesteld dat de aanvraag door het materiaalgebruik en het onverzorgde architectonische karakter van het ontworpen schuthok, maar ook door de wederrechtelijk tot stand gekomen verharde toegangsweg en de bijhorende afsluiting de schoonheidswaarde van het landschap bedreigt”. 2. Ontvankelijkheid 2.1. De verwerende partij werpt de nietigheid van het verzoekschrift op omdat in het dispositief gevorderd wordt om de vordering tot schorsing in te willigen. 2.2. Uit het opschrift en de inhoud van het verzoekschrift blijkt dat de verzoeker onmiskenbaar de vernietiging vraagt van het ministerieel besluit zodat de bewoordingen in het dispositief op een materiële vergissing berusten. 2.3. De exceptie wordt verworpen. 3. Ten gronde 3.1. In een eerste middel voert de verzoeker de “schending van de formele motiveringsplicht” aan en betoogt hij in essentie dat de “minister ten onrechte geen rekening (heeft) gehouden” met de bouwvergunning die hem door de bestendige deputatie was verleend op 21 mei 1992 en met de motieven ervan, de afsluiting en de kasseistrook “de oprichting van het schuilhok toe(behoren)”, de “minister (...) met vage en onduidelijke motiveringen deze beslissing (heeft) genomen”, “het inroepen van het geklasseerd landschap ten onrechte (
  2. is)gezien de eerdere beslissing van de bestendige deputatie die terecht stelde dat deze klasseringen niet-tegenstelbaar was aan verzoeker gezien het niet betekend was”, de “minister evenmin (motiveert) waarom een schuilhok aldaar niet zou kunnen geplaatst worden”, en geen “rekening (wordt) gehouden met het gunstig advies, zij het onder voorwaarden van de gemachtigde ambtenaar”. De verzoeker voert in een tweede middel machtsafwending, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de “afwezigheid van de rechtens X-8139-4/7 vereiste feitelijke grondslag” aan en betoogt in essentie dat de minister “geen rekening (heeft) gehouden met het eerste advies (...) van de gemachtigde ambtenaar”, “evenmin met de vaststelling van de bestendige deputatie bij beslissing van 1992 dat het erkennen als geklasseerd landschap niet kon in hoofde van verzoeker” en “evenmin (...) met het feit dat de funderingen reeds aangebracht zijn”. In een derde middel werpt de verzoeker de schending op van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel en betoogt hij dat de “minister (...) geen (...) rekening (heeft) willen houden met de beslissing van de bestendige deputatie dd. 21 mei 1992” en “evenmin (...) met het gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar” en dat hij “enkel de oprichting bedoeld (heeft) van een schuilhok voor zijn dieren (...) ter vervanging van een reeds jaren bestaande boogloods”. 3.2. In zoverre de schending van de formele motiveringsplicht wordt aangevoerd is het eerste middel ongegrond. Er moet immers worden vastgesteld dat het bestreden besluit uitdrukkelijk en omstandig gemotiveerd werd. 3.3. Het tweede middel is onontvankelijk in zoverre machtsafwending wordt aangevoerd. De verzoeker laat immers na de machtsafwending uiteen te zetten. 3.4. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de voormelde bouwvergunning van 21 mei 1992 voor een schuilplaats voor dieren enerzijds niet de inmiddels verwezenlijkte oprit (een 120 m lange kasseistrook), de afsluiting in betonpalen en het inrijhek met aan weerszijden pilasters in baksteen tot voorwerp had en anderzijds niet werd uitgevoerd door de verzoeker en derhalve vervallen is hetgeen de verzoeker ertoe gebracht heeft om een “heraanvraag” voor het schuilhok in te dienen die tevens een regularisatieaanvraag voor de bedoelde oprit en afsluiting inhield. 3.5. Uit de samenlezing van artikel 11, 4.1 en artikel 15, 4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen volgt dat de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst : 1) een planologisch, hetwelk veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en 2) een esthetisch, hetwelk inhoudt dat X-8139-5/7 bedoelde werken moeten kunnen worden overeengebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap. De verzoeker betwist niet het weigeringsmotief, gesteund op dat tweede criterium, in het bestreden besluit dat de aanvraag in zijn geheel “de schoonheidswaarde van het landschap bedreigt”. 3.6. De verzoeker brengt verder geen concrete gegevens aan om te besluiten dat de verwerende partij niet met de nodige zorgvuldigheid te werk is gegaan. Uit het voorgaande volgt dat de verwerende partij is uitgegaan van gegevens die zowel in rechte als in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. 3.7. Het derde en, voor het overige, het tweede middel zijn ongegrond. 3.8. In zoverre de verzoeker in de memorie van wederantwoord de inhoud van de voormelde adviezen van afdeling Land en afdeling Monumenten en Landschappen op de korrel neemt, stelt dat de oprit “bestemmingsongevoelig” is en dat in het bestreden besluit een vermoeden ligt besloten dat de verzoeker “niet de oprichting van een schuilhok, maar een andere constructie voor ogen heeft”, voert hij op onontvankelijke wijze nieuwe middelen aan. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoeker. X-8139-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8139-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.919 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.76.576 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.