← België

Arrest 193920 - Handelsvestigingen - 08/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.920 Rolnummer: A. 90131/X-12842 Zaak: Arrest 193920 - Handelsvestigingen - 08/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Fiche Arrest nr 193.920 van 8 juni 2009 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.920 van 8 juni 2009 in de zaak A. 90.131/X-12.842. In zake : de b.v.b.a. VAN UYTSEL TUINCENTER, die woonplaats kiest bij advocaat L. VERMEULEN, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Antwerpsesteenweg 26 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door: 1. de minister voor Ondernemen, 2. de minister van Landbouw en Middenstand, die woonplaats kiest bij advocaat J. FRANSEN, kantoor houdende te 3900 OVERPELT, Burgemeester Van Lindtstraat 61, 3. het Interministerieel Comité voor de Distributie. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. VAN UYTSEL TUINCENTER op 11 maart 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van het Interministerieel Comité voor de Distributie (V 2001/99-1/99MV/af/065) dd 9/11/1999, zoals ter kennis gesteld aan verzoekster op 11/01/2000 en zoals gewijzigd, ter kennis gebracht aan verzoekster op 28/01/2000”, waarbij het beroep van de verzoekende partij tegen de op 6 september 1999 door het college van burgemeester en schepenen van Kontich verleende socio- economische machtiging tot inplanting (regularisatie) van een handelszaak gespecialiseerd in tuin- en huisdecoratie te Kontich, Pierstraat 276, op voorwaarde dat de netto verkoopoppervlakte beperkt blijft tot 10.000m², kassa’s en front-end inbegrepen, voor wat betreft tuinartikelen en direct complementaire artikelen, en op voorwaarde dat het assortiment huisdecoratie niet wordt aangeboden, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de machtiging wordt verleend op een bruto gebouwde oppervlakte van 13.753m² op voorwaarde dat de netto handelsoppervlakte beperkt blijft tot 10.000m² alles inbegrepen, inclusief een oppervlakte van maximaal 600m² voor het assortiment huisdecoratie; X-12.842-1/18 Gelet op het arrest nr. 88.656 van 6 juli 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 12 augustus 2000 ingediend door de b.v.b.a. VAN UYTSEL TUINCENTER; Gezien de memories van antwoord van de minister van Economie en de minister van Landbouw en Middenstand en de memorie van wederantwoord; Gezien de toelichtende memorie ten aanzien van het Interministerieel Comité voor de Distributie; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 2 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. BORGERS, die loco advocaat L. VERMEULEN verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat D. HEGMANS, die loco advocaat E. VERVAECKE verschijnt voor de minister voor Ondernemen, en van advocaat J. FRANSEN, die verschijnt voor de minister van Landbouw en Middenstand; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-12.842-2/18 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 19 oktober 1998 dient de verzoekende partij met toepassing van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen een aanvraag in voor het verkrijgen van een machtiging voor de inplanting, in feite regularisatie, van een kleinhandelszaak gespecialiseerd in tuin- en huisdecoratie, gelegen aan de Pierstraat 276 te Kontich. Uit de aanvraag zelf blijkt dat het tuincentrum VAN UYTSEL, oorspronkelijk ontstaan als tomatenkwekerij, gedurende de laatste 20 jaar geëvolueerd is naar een detailhandelszaak in bloemen, planten en huisdecoratieartikelen, waarbij de bebouwde oppervlakte is toegenomen van 500m² tot ca. 14.000m². In 1993 werd de oorspronkelijke b.v.b.a. Bloemen- en Plantenkwekerij VAN UYTSEL opgesplitst in de b.v.b.a. Bloemen- en Plantenkwekerij VAN UYTSEL, waarin hoofdzakelijk de bloemen- en plantenteelt is ingebracht, en in de b.v.b.a. Tuincentrum VAN UYTSEL, waarin hoofdzakelijk het tuincentrum is ingebracht. 1.2. Blijkens de socio-economische aanvraag gaat het in feite om de regularisatie van de ingebruikname van een bestaand gebouw dat voorheen niet voor kleinhandel werd aangewend (kweekserres) voor een kleinhandel, volgens pt. E.2 van de aanvraag, in huishoudartikelen, land- en tuinbouwproducten. De terreinoppervlakte bedraagt 25.983m², de bebouwde oppervlakte en de bruto-oppervlakte aangewend voor handelsdoeleinden (verkoop, reserve, technische en sociale lokalen, bureaus en andere handelsruimte) bedraagt 13.752,8m²; de netto oppervlakte bestemd voor de verkoop en toegankelijk voor het publiek bedraagt 13.077,5m² met daarnaast een verkoopoppervlakte in open lucht van 527m²; verder is er een parking met 325 plaatsen. De verkoopswijze is begeleide zelfbediening en de prijzenpolitiek wordt omschreven als “middelmatige prijzen”. In de handelsvestiging werken 2 uitbaters en 67 loontrekkenden waarvan 21 voltijds en 46 deeltijds. X-12.842-3/18 1.3. Met een brief van 12 december 1998, volgens de stempel van ontvangst ontvangen op 5 januari 1999, zendt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich de aanvraag door naar het ministerie van Economische Zaken. Met een brief van 11 januari 1999 verklaart de secretaris van het Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie (hierna: SECD) het dossier volledig. Op 6 april 1999 verleent het SECD een gunstig advies voor de inplanting (regularisatie) van een kleinhandelszaak te Kontich, Pierstraat 276, met een bruto bebouwde oppervlakte van 13.753m², op voorwaarde dat de nettoverkoopoppervlakte beperkt blijft tot 10.000m², kassa’s en front-end inbegrepen, voor wat betreft tuinartikelen en direct complementaire artikelen en op voorwaarde dat het assortiment huisdecoratie niet wordt aangeboden. Uit dit advies blijkt dat huisdecoratie wordt uitgesloten omdat dit assortiment in principe thuishoort in een handelscentrum waar het kan bijdragen tot de animatie van het centrum en waar een vergelijking van de prijs en de kwaliteit mogelijk is, dat deze afdeling met een oppervlakte van bijna 1200m² een verstorend effect heeft op het centrum en op de centraal gelegen huisdecoratiezaken, en dat de nettoverkoopoppervlakte wordt beperkt, gelet op de belangrijke weerslag van een tuincenter met een verkoopoppervlakte van ruim 13.000m² op de bestaande handel. 1.4. Op 8 april 1999 onderschrijft de Provinciale Commissie voor de Distributie van de provincie Antwerpen de analyse van het SECD en geeft zij een gunstig advies onder dezelfde voorwaarden. Nadat de secretaris van het SECD het college van burgemeester en schepenen, met een brief van 8 juli 1999, erop wijst dat de in artikel 11, § 4 van de voormelde wet van 29 juni 1975 bedoelde termijn van 165 dagen was verstreken zonder beslissing van het college, zodat de aanvrager het SECD kan vragen te beslissen, verleent het college op 6 september 1999 de gevraagde vergunning onder de voorwaarden opgelegd door het SECD en met verwijzing naar de adviezen van het SECD en de Provinciale Commissie. Dit wordt dezelfde dag meegedeeld aan de secretaris van het SECD. Met een brief van 13 september 1999 deelt deze laatste de beslissing van het college en het advies van de Provinciale Commissie mee aan de leden van de Nationale Commissie voor de Distributie, met melding dat de leden binnen dertig dagen na de notificatie aan de aanvrager tegen deze beslissing beroep X-12.842-4/18 kunnen indienen, gefundeerd op de belangen die zij in de Nationale Commissie vertegenwoordigen. Er blijkt niet dat dergelijk beroep werd ingesteld. Met een aangetekende brief van 1 oktober 1999, gericht aan de secretaris van het SECD, stelt de verzoekende partij beroep in tegen de voormelde beslissing van 6 september 1999 van het college, in essentie omdat zij van mening is dat ten onrechte werd gesteld dat het assortiment huisdecoratie thuishoort in het centrum aangezien zij niet ten onrechte dit assortiment aanbiedt, aangezien de klanten hierop aandrongen en het marktgebeuren de verzoekende partij daartoe dwong en de klanten thans zo mobiel zijn dat de afstand van het centrum naar een 2km verder gelegen bedrijf geen probleem is, en omdat ten onrechte werd gemotiveerd dat geen rekening werd gehouden met de concurrenten in huisdecoratie, aangezien er in de directe klantenzones in de meeste gemeenten weinig of geen handelszaken met een gelijkaardig assortiment huishoudartikelen zijn, leveranciers van deze producten bevestigden dat de verkoop bij collega’s evengoed stijgt en het SECD zelf erop wijst dat het assortiment tegen middelmatige prijzen wordt aangeboden, hetgeen weinig of geen invloed heeft op het prijsniveau van andere verkooppunten met een gelijkaardig assortiment. Verder wordt gewezen op de tewerkstelling van 8 personen. Op 18 oktober 1999 hoort de Nationale Commissie voor de Distributie de verzoekende partij, die bevestigt dat haar beroep gericht is tegen de beperking van de nettoverkoopoppervlakte tot 10.000m² en tegen de uitsluiting van huisdecoratie-artikelen, waarna een gunstig advies wordt uitgebracht. 1.5. Nadat op verzoek van de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer aanvullende inlichtingen over de bereikbaarheid van het Tuincentrum werden verstrekt, beslist het Interministerieel Comité voor de Distributie, omzeggens met dezelfde motivering als het SECD, het beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond te verklaren, waarbij de gevraagde machtiging wordt verleend maar beperkt tot een nettoverkoopoppervlakte van 10.000m² alles inbegrepen, inclusief een oppervlakte van maximaal 600m² voor huisdecoratie. Dit is het eerste bestreden besluit, dat luidt als volgt : “BESLISSING VAN HET INTERMINISTERIEEL COMITE VOOR DE DISTRIBUTIE Betreft : V 2001/99 - 1/99 MV/af/065 Aanvrager : VAN UYTSEL TUINCENTER B.V.B.A. Pierstraat, 276 2550 KONTICH Plaats van vestiging : Pierstraat, 276 X-12.842-5/18 2550 KONTICH Ontwerp : Inplanting (regularisatie) van een handelszaak gespecialiseerd in tuin- en huisdecoratie. Beroep ingediend door de B.V.B.A. VAN UYTSEL TUINCENTER, aanvrager, tegen de gunstige beslissing met voorwaarde van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Kontich genomen op 6 september 1999. De Vice-eerste Minister, Minister van Economie, Telecommunicatie en Buitenlandse Handel; de Vice-eerste Minister, Minister van Begroting en Minister belast met de Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen; de Minister van Vervoer, en de Minister-President van de Vlaamse Regering, Vlaamse Minister van Financiën, Begroting, Buitenlands Beleid en Europese Aangelegenheden; Gelet op de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsinplantingen, inzonderheid op artikel 12; Gelet op het Koninklijk Besluit van 9 september 1975 tot vaststelling van de samenstelling van het Interministerieel Comité, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 28 januari 1976; Gelet op het gunstig advies met voorwaarde van het Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie dat werd uitgebracht op 6 april 1999; Gelet op het unaniem gunstig advies met voorwaarde van de Provinciale Commissie voor de Distributie van de Provincie Antwerpen uitgebracht op 6 mei 1999; Gelet op de gunstige beslissing met voorwaarde van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Kontich genomen in zijn zitting van 6 september 1999; Gelet op de aanvraag van de B.V.B.A. VAN UYTSEL TUINCENTER be- treffende de inplanting (regularisatie) van een handelszaak, gespecialiseerd in tuin- en huisdecoratie te Kontich; Rekening houdend met het unaniem gunstig advies van de Nationale Commissie voor de Distributie dat werd uitgebracht op 18 oktober 1999; In het kader van het beroep, heeft het Interministerieel Comité voor de Distributie de handelsvestiging (regularisatie) beoordeeld aan de hand van de wettelijke criteria zoals ze worden opgesomd door het Koninklijk Besluit van 8 augustus 1975 : KRITERIUM I : RUIMTELIJKE LOKALISATIE VAN HET HANDELSAPPARAAT

  1. a)Verband tussen het betrokken verkooppunt en de gemeente van vestiging Overwegende dat voorliggende aanvraag de inplanting (regularisatie) van een kleinhandelszaak betreft, gespecialiseerd in tuin- en huisdecoratie, langsheen de Pierstraat te Kontich, met een bruto bebouwde oppervlakte van 13 753m² en met een nettoverkoopoppervlakte van 13 078m² (gedeeltelijk op 2 niveaus); Overwegende dat Kontich samen met Waarloos 19 450 inwoners telt en voor de aankoop van courante goederen kan worden omschreven als een zelfverzorgende gemeente; Overwegende dat het winkelapparaat van Kontich geconcentreerd is in de kern van de gemeente en meer bepaald rond de Molenstraat, de Mechelsesteenweg en de Antwerpsesteenweg; Overwegende dat buiten het centrum langsheen de Mechelsesteenweg er nog een aantal semi-autonome tot autonome handelszaken gevestigd zijn; Overwegende dat betrokken familiezaak laatste twintig jaar geëvolueerd is van een kleine tomatenkwekerij tot een tuincenter, met een ruim assortiment tuin- en huisdecoratie; X-12.842-6/18 Overwegende dat de site zich in de Pierstraat bevindt, in de buurt van de expressweg naar afrit nr 7 van de E19 Antwerpen-Brussel en op de grens met het grondgebied Duffel; Overwegende dat het assortiment huisdecoratie in principe thuishoort in een handelscentrum, waar het kan bijdragen tot de animatie van het centrum en waar een vergelijking van de prijs en de kwaliteit mogelijk is; Overwegende dat, voor zover de nadruk op de kweek en de verkoop van bloemen en planten ligt, een tuincenter vanuit distributie-planologisch oogpunt op bovengeschreven locatie nog kan aanvaard worden;
  2. b)Evenwicht tussen centrum en periferie Overwegende dat de inplanting van een tuincenter langs de Pierstraat in Kontich, voor wat het semi-autonoom assortiment betreft, weinig of geen invloed kan hebben op het evenwicht tussen centrum en periferie; Overwegende daarente(...)gen dat de afdeling huisdecoratie een verstorend effect op het centrum heeft, zeker op een oppervlakte van bijna 1 200m²; KRITERIUM II : DE VERBRUIKERS
  3. a)Behoeften en koopgewoonten van de betrokken verbruikers Overwegende dat de aanvrager een direkte klantenzone vermeldt die ongeveer zo’n 150 800 inwoners telt; Overwegende dat betrokken tuincenter als tomatenkwekerij startte en geleidelijk overschakelde naar bloemen, planten en potten; Overwegende dat tuindecoratie en -meubelen, tuingereedschap, meststoffen, potgrond, enz. hier ook aangeboden worden; Overwegende dat op de mezzanine, op een oppervlakte van 1.180m², allerhande artikelen aangeboden worden voor de in- en uitrusting van de woning, zoals huishoudlinnen, keukengerief, serviezen, kleine meubelen, toiletartikelen enz...; Overwegende dat deze assortimenten niet aansluiten bij deze van het tuincenter en zeker niet op een dergelijke oppervlakte; Overwegende dat er tevens een speelhoek en een ruime cafetaria ter beschikking van de klant is; Overwegende dat te Kontich geen gelijkaardige handelszaak gevestigd is, die bloemen en planten combineert met tuindecoratie en huishoudgerief; Overwegende dat er zich hier wel een zestal meer centraal gelegen kleine bloemenzaken bevinden; Overwegende dat op korte afstand, in Edegem en verder in het indirect marktgebied, nl. te Lier en te Rumst, enkele tuincentra terug te vinden zijn met een aanvullende keuze voor tuindecoratie; Overwegende dat buiten het opgegeven marktgebied zich nog tuincentra bevinden, die volledig of gedeeltelijk gelijklopend assortiment aanbieden; Overwegende dat in de rechtvaardiging van het project geen rekening gehouden werd met de concurrenten in huisdecoratie terwijl de aanvrager voor dat assortiment over een oppervlakte beschikt die, vergeleken met deze van gespecialiseerde zaken, niet te verwaarlozen is; Overwegende dat deze assortimenten reeds aangeboden worden in het centrum, in de traditionele speciaalzaken en supermarkten; Overwegende dat betrokken tuincenter sinds de oprichting reeds een zekere naambekendheid verworven heeft in het ruime marktgebied, ook voor wat betreft hui(s)decoratie; Overwegende dat de inplanting van betrokken tuincenter voor de consument een verruiming van de keuzemogelijkheden gebracht heeft;
  4. b)Bereikbaarheid van het verkooppunt Overwegende dat, gelet op de ligging langs de Pierstraat te Kontich, op korte afstand van de afrit van de E19, het verkooppunt vlot bereikbaar is zogoed met de wagen als met het openbaar vervoer en per fiets;
  5. c)Invloed van de handelsvestiging op het prijsniveau X-12.842-7/18 Overwegende dat het verkooppunt het bovenbeschreven assortiment aanbiedt tegen middelmatige prijzen, wat weinig of geen invloed heeft op het prijsniveau van andere verkooppunten met een gelijklopend assortiment;
  6. d)Het gevaar voor een monopoliepositie Overwegende dat op de gevraagde verkoopoppervlakte, betrokken tuincenter een dominante positie uitoefent in de streek; KRITERIUM III : DE TEWERKSTELLING
  7. a)Vooruitzichten inzake werkgelegen(...)heid Overwegende dat het verkooppunt werkgelegenheid biedt aan 2 uitbaters, 21 voltijdse en 46 deeltijdse loontrekkenden;
  8. b)Kwaliteit van de tewerkstelling Overwegende dat het verkooppersoneel onder de bevoeg(d)heid van het Paritair Comité voor de zelfstandige kleinhandel ressorteert (nr. 201) en het personeel van de cafetaria onder het paritair Comité voor de handel in voedingswaren (nr. 119); Overwegende dat betrokken CAO’s de kwaliteit van de tewerkstelling waarborgen en het weddeniveau bepalen;
  9. c)Kwaliteit van de arbeid Overwegende dat de arbeidsomstandigheden in dit verkooppunt kunnen worden geacht in overeenstemming te zijn met deze welke men gewoonlijk in gelijkaardige verkooppunten terugvindt; KRITERIUM IV : WEERSLAG OP DE BESTAANDE HANDEL
  10. a)Relatie met de bestaande handelsuitrusting Overwegende dat voorliggende aanvraag de inplanting (regularisatie) van een kleinhandelszaak betreft, gespecialiseerd in tuin- en huisdecoratie, langsheen de Pierstraat te Kontich, met een bruto bebouwde grondoppervlakte van 13 753m² en met een nettoverkoopoppervlakte van 13 078m²; Overwegende dat te Kontich geen gelijkaardige handelszaak gevestigd is, waar zowel bloemen en planten als tuin- en binnenhuisdecoratie-artikelen worden verkocht; Overwegende dat de inplanting van een tuincenter met een verkoopoppervlakte van ruim 13 000m² een belangrijke weerslag uitoefent op de bestaande handel; Overwegende dat, ook voor wat de assortimenten huisdecoratie betreft, de weerslag niet te verwaarlozen is;
  11. b)Evenwicht tussen centrum en periferie Overwegende dat de inplanting van een tuincenter langs de Pierstraat te Kontich, gelet op het semi-autonoom assortiment, weinig of geen invloed kan uitoefenen op het evenwicht tussen centrum en periferie; Overwegende dat de afdeling huisdecoratie met een oppervlakte van bijna 1 200m² een verstorend effect op de centraal gelegen huisdecoratiezaken heeft; BESLUIT: Rekening houdend met het onderzoek van het beroep volgens de kriteria voorzien in het K.B. van 8 augustus 1975, zoals hierboven weergegeven, neemt het Interministerieel Comité voor de Distributie, na afweging van de verschillende aspekten van het dossier, de volgende beslissing : Artikel 1 : Het beroep ingediend door de B.V.B.A. VAN UYTSEL TUINCENTER, aanvrager, tegen de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Kontich genomen op 6 september 1999 wordt ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. Artikel 2 : De machtiging voor de inplanting (regularisatie) van een kleinhandelszaak gespecialiseerd in tuin- en huisdecoratie te Kontich, Pierstraat, 276 wordt aanvaard op een bruto gebouwde oppervlakte van 13.753m² en op voorwaarde dat de netto-handelsoppervlakte beperkt blijft tot 10 000m² alles X-12.842-8/18 inbegrepen, inclusief een oppervlakte van maximaal 600m² voor het assortiment huisdecoratie. Artikel 3 : Volgens de beschikkingen van artikel 12 van de wet van 29 juni 1975 wordt deze beslissing ter kennis gebracht van de aanvrager, alsook van het College van Burgemeester en Schepenen van en te Kontich”. 1.6. Met een gewone brief van 28 januari 2000 deelt de secretaris van het Interministerieel Comité aan de verzoekende partij mee dat een fout is geslopen in de eerste pagina van de beslissing met een verbeterde pagina 1 ter vervanging. Het betreft een verbetering in de titulatuur van de minister van Economie : “BESLISSING VAN HET INTERMINISTERIEEL COMITE VOOR DE DISTRIBUTIE Betreft : V 2001/99 - 1/99 MV/af/065 Aanvrager : VAN UYTSEL TUINCENTER B.V.B.A. Pierstraat, 276 2550 KONTICH Plaats van vestiging : Pierstraat, 276 2550 KONTICH Ontwerp : Inplanting (regularisatie) van een handelszaak gespecialiseerd in tuin- en huisdecoratie. Beroep ingediend door de B.V.B.A. VAN UYTSEL TUINCENTER, aanvrager, tegen de gunstige beslissing met voorwaarde van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Kontich genomen op 6 september 1999. De Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, de Minister van Landbouw en Middenstand, de Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer, en de Minister-President van de Vlaamse Regering, Vlaamse Minister van Financiën, Begroting, Buitenlands Beleid en Europese Aangelegenheden; Gelet op de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsinplantingen, inzonderheid op artikel 12; Gelet op het Koninklijk Besluit van 9 september 1975 tot vaststelling van de samenstelling van het Interministerieel Comité, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 28 januari 1976; Gelet op het gunstig advies met voorwaarde van het Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie dat werd uitgebracht op 6 april 1999; Gelet op het unaniem gunstig advies met voorwaarde van de Provinciale Commissie voor de Distributie van de Provincie Antwerpen uitgebracht op 6 mei 1999; Gelet op de gunstige beslissing met voorwaarde van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Kontich genomen in zijn zitting van 6 september 1999”. Dit is de tweede bestreden beslissing. X-12.842-9/18 2. Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.1. De onontvankelijkheid van het beroep wat de tweede bestreden beslissing betreft De tweede bestreden beslissing betreft de aan de verzoekende partij met een brief van 28 januari 2000 ter kennis gebrachte verbeterde eerste pagina van de eerste bestreden beslissing met betrekking tot de titulatuur van de ministers die het Interministerieel Comité vormen. Zij maakt geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling uit, te weten een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat deze tot stand komen. Het beroep is enkel ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen het eerste bestreden besluit. Onder “het bestreden besluit” wordt hierna derhalve enkel het voormelde besluit begrepen. 2.2. De eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gemis aan belang 2.2.1. De aangevoerde eerste exceptie De verwerende partij stelt dat het door de verzoekende partij ingeroepen belang samenvalt met het door de Raad van State in zijn tussenarrest nr. 88.656 van 6 juli 2000 als volgt onrechtmatig bevonden nadeel : “Overwegende dat het nadeel dat de verzoekende partij aanvoert aldus in essentie neerkomt op het verlies van een deel van de bestaande onrechtmatige exploitatie en de daaruit voortvloeiende verminderde verkoopsmogelijkheden die op hun beurt een negatieve weerslag zouden hebben op haar financiële situatie, haar clienteelbestand en de tewerkstelling van personeel; dat dienvolgens het nadeel niets anders is dan het verlies van een onrechtmatig verworven voordeel, meer bepaald van een gedeelte van een wederrechtelijke exploitatie die de verzoekende partij zonder de daartoe vereiste vergunning heeft aangevat en instandhoudt; dat een dergelijk nadeel niet het rechtens vereiste nadeel is”. Er zou volgens de verwerende partij bijgevolg geen wettig belang zijn. 2.2.2. Beoordeling De verzoekende partij aan wie de gevraagde socio-economische vergunning slechts voor een deel van haar bedrijvigheid wordt toegestaan, doet X-12.842-10/18 blijken van het rechtens vereiste belang bij een annulatieberoep tegen deze beslissing. Het feit dat de handelsvestiging reeds zonder de vereiste machtiging wordt uitgebaat, houdt niet in dat dit belang onwettig is, aangezien niet het behoud van die onwettige toestand maar het alsnog bekomen van een socio-economische vergunning wordt beoogd. De overweging in het arrest nr. 88.656 dat het door de verzoekende partij ingeroepen nadeel “niet het rechtens vereiste nadeel is”, betreft de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en wettigt geen andersluidende conclusie. De exceptie is niet gegrond. 2.3. De tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gemis aan belang 2.3.1. De aangevoerde tweede exceptie De verwerende partij werpt op dat het beroep niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang nu de verzoekende partij de laattijdige kennisgeving van de bestreden beslissing inroept. De nietigverklaring op grond van dit middel zou enkel een nuttig effect hebben indien in dat geval moet worden aangenomen dat het administratief beroep geacht moet worden te zijn ingewilligd, quod non, aangezien de nietigverklaring op grond van dit middel enkel inhoudt dat het beroep zonder gevolg wordt, dat het Interministerieel Comité niet meer kan beslissen en dat de eerste beslissing van het college van burgemeester en schepenen herleeft. De tweede verwerende partij betoogt dat de verzoekende partij prima facie geen belang heeft bij een nietigverklaring op grond van dit middel aangezien zij dan het voordeel verliest van de bestreden beslissing, die ruimer is dan de voorwaardelijke vergunning verleend door het schepencollege, doordat de bestreden beslissing ook een beperkte oppervlakte huisdecoratie vergunt. Het komt aan de verzoekende partij toe om haar belang aan te tonen, nu daarover toch minstens een zeer ernstige twijfel bestaat. 2.3.2. Beoordeling De aangevoerde exceptie betreft de onontvankelijkheid van het eerste, het tweede en het derde middel en wordt bij de bespreking van deze middelen onderzocht. X-12.842-11/18 Aangezien de ontvankelijkheid van het vierde middel niet wordt betwist en om de reden vermeld onder randnummer 2.2.2. heeft de verzoekende partij een belang bij haar beroep. In zoverre gericht tegen het beroep, is de exceptie ongegrond. 3. Over de gegrondheid van het beroep 3.1. Het eerste, tweede en derde middel 3.1.1. Het aangevoerde eerste, tweede en derde middel 3.1.1.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij de “overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen” aan : “Aangezien overeenkomstig art. 12 lid 7 van de wet van 29/06/1975 betreffende de handelsvestigingen het Interministrieel Comité voor de Distributie in elk geval, zelfs bij ontstentenis van advies van de Nationale Commissie van de Distributie, binnen de 45 dagen na ontvangst van het beroep een beslissing dient te nemen en ze in kennis dient te brengen van de aanvrager en van het College van Burgemeester en Schepenen. Aangezien de termen ‘in elk geval’ in het art. 12, lid 7 van de wet van 29/06/1975 betreffende de handelsvestigingen, elk nut zouden verliezen wanneer de termijn van 45 dagen waarin het Interministrieel Comité voor de Distributie een beslissing moet nemen over een beroep geen bindende termijn zou zijn. Aangezien immers het Interministrieel Comité voor de Distributie na het verstrijken van die termijn van 45 dagen niet meer bevoegd is om een beslissing te nemen. (...) Aangezien de oorspronkelijke beslissing van het Interministrieel Comité voor de Distributie gedateerd werd op 9/11/1999, doch slechts ter kennis werd gebracht aan verzoekster op 11/01/2000. Aangezien de termen ‘in elk geval’ van het art. 12 , lid 7 van de wet van 29/06/1975 eveneens elk nut zouden verliezen indien ook de kennisgeving van de beslissing niet binnen de 45 dagen aan verzoekster zou toekomen. Aangezien in casu de beslissing gedateerd 9/11/1999, meer dan 2 maanden na de beslissing pas ter kennis werd gebracht aan verzoekster. Aangezien bovendien op 28/01/2000 een bericht van een rechtzetting volgde waarbij het Interministrieel Comité voor de Distributie haar beslissing van 9/11/1999 wijzigde, en waarbij de verbeterde versie aan verzoekster werd toegezonden. Aangezien dan ook enkel kan worden aangenomen dat de definitieve beslissing van het Interministrieel Comité voor de Distributie is tussengekomen op 28/01/2000, waarbij de termijn van 45 dagen zoals voorzien in art. 12 lid 7 van de wet van 29/06/1975 betreffende de handelsvestigingen ruim overschreden werd. Overwegende dat reeds om deze redenen de nietigverklaring van de beslissing gevorderd wordt, en er redenen tot schorsing aanwezig zijn”. X-12.842-12/18 3.1.1.2. In een tweede middel voert de verzoekende partij “machtsoverschrijding” aan : “Overwegende dat verzoekster tevens de nietigverklaring van de beslissing van het Interministrieel Comité voor de Distributie vordert wegens machtsoverschrijding. Aangezien immers zoals aangetoond het Interministrieel Comité in strijdigheid met art. 12 lid 7 van de wet van 29/06/1975 betreffende de handelsvestigingen niet binnen de 45 dagen een beslissing heeft genomen en ter kennis heeft gebracht aan de aanvrager en het College van Burgemeester en Schepenen. Overwegende dat de termen ‘in elk geval’ in het art. 12, lid 7 van de wet van 29/07/1975 betreffende de handelsvestigingen, elk nut zouden verliezen wanneer de termijn van 45 dagen waarbinnen het Interministrieel Comité voor de Distributie een beslissing moet nemen over een beroep geen bindende termijn zou zijn. Na het verstrijken van die termijn van 45 dagen is het Comité immers niet meer bevoegd om een beslissing te nemen. Aangezien het Interministrieel Comité voor de Distributie haar beslissing dan ook met machtsoverschrijding genomen heeft”. 3.1.1.3. Ook in een derde middel voert de verzoekende partij “machtsoverschrijding” aan : “Overwegende dat het Interministrieel Comité voor de Distributie gehandeld heeft in strijdigheid met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel. Aangezien de rechtszekerheid die art. 12, lid 7 van de wet betreffende de handelsvestigingen beoogt te geven, niet alleen vereist dat de beslissing door het Interministrieel Comité voor de Distributie tijdig wordt genomen, doch dat deze ook tijdig ter kennis van de aanvrager wordt gebracht. Aangezien in casu de wet een zeer strikte beslissingstermijn van 45 dagen oplegt, dewelke zoals reeds geargumenteerd, overschreden werd door het Interministrieel Comité voor de Distributie, doch het Interministrieel Comité bovendien strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld heeft door meer dan 2 maanden te wachten alvorens haar beslissing ter kennis van de aanvrager, in casu verzoekster en het College van Burgemeester en Schepenen te brengen. Aangezien de vergunningsaanvrager, er rechtmatig van kan uitgaan dat de vergunning stilzwijgend (verkregen) werd”. 3.1.2. Beoordeling 3.1.2.1. Het wordt niet betwist dat artikel 12 van de wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen in casu geldt. Daarin was toentertijd bepaald wat volgt: “Tegen de beslissingen bedoeld (...) in artikel 11, §§ 3 en 4, en tegen de ontstentenis van beslissing bedoeld bij artikel 11, § 5, kan door de aanvrager of door de leden van de Nationale Commissie voor de distributie, om redenen X-12.842-13/18 ingegeven door de belangen die zij in de schoot van deze commissie vertegenwoordigen, beroep worden ingesteld. De Koning richt een Interministerieel Comité op ermede belast over het beroep uitspraak te doen. Het beroep moet worden ingesteld binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissingen bedoeld in artikel 11, §§ 3 en 4, of dertig dagen na het tijdstip waarop het Sociaal-Economisch Comité overeenkomstig artikel 11, § 5, geacht wordt geen beslissing genomen te hebben. Het beroep wordt bij aangetekend schrijven, gericht aan de Minister van Economische Zaken, die het, binnen acht dagen na de ontvangst, overzendt naar de Nationale Commissie voor de distributie en aan het Interministerieel Comité. De Minister van Economische Zaken stelt de aanvrager hiervan in kennis. Het beroep is opschortend. De Nationale Commissie voor de distributie geeft een met redenen omkleed advies, dat rekening houdt met de criteria vermeld in artikel 9 en de verschillende standpunten weergeeft die door de aanwezige leden werden uiteengezet. Zij hoort, op hun verzoek, de aanvrager of zijn raadsman. Zij stuurt haar advies naar het Interministerieel Comité binnen vijfendertig dagen na de ontvangst van het beroep. Dit Interministerieel Comité neemt in elk geval, zelfs bij ontstentenis van advies van de Nationale Commissie voor de distributie, binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het beroep een beslissing en brengt ze in kennis van de aanvrager en van het college van burgemeester en schepenen. Een afschrift van de beslissing wordt gestuurd aan de secretaris van de Nationale Commissie voor de distributie die de leden van deze commissie hierover inlicht”. 3.1.2.2. In tegenstelling tot de beroepen beslissing van 6 september 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich, waarin de voorwaarde wordt gesteld dat het assortiment huisdecoratie niet wordt aangeboden, laat het bestreden besluit een oppervlakte van maximaal 600m² voor huisdecoratie toe. Indien het middel gegrond zou worden bevonden, impliceert dit dat de verwerende partij, op het ogenblik dat zij de bestreden beslissing nam, niet langer ratione temporis bevoegd was om die beslissing te nemen. De verzoekende partij heeft geen belang bij een middel dat, indien het gegrond wordt bevonden, ertoe leidt dat de voor haar minder gunstige beslissing van 6 september 1999 van het college definitief wordt. Het eerste en het tweede middel zijn derhalve bij gebrek aan belang onontvankelijk. 3.1.2.3. In zoverre de verzoekende partij in haar derde middel bijkomend aanvoert dat het bestreden besluit haar laattijdig werd betekend, toont zij niet aan welk belang zij heeft bij dit middel. Zij geeft niet aan en de Raad van State ziet ook niet in, op grond van welke wettelijke bepaling zij in voorkomend geval over een stilzwijgende vergunning zou beschikken. X-12.842-14/18 Het derde middel is eveneens onontvankelijk bij gebrek aan belang. 3.2. Het vierde middel 3.2.1. Het aangevoerde vierde middel In een vierde middel voert de verzoekende partij “machtsoverschrijding” aan : “Overwegende dat het Interministrieel Comité voor de Distributie zich in haar o(o)rdeel dient te houden aan de criteria zoals deze vastgesteld werden in het K.B. van 8 augustus 1975 tot vaststelling van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van de vragen tot handelsvestiging (B.S., 30/08/75) Overwegende dat het Interministrieel Comité voor de Distributie in haar beslissing dienaangaande tegen alle redelijkheid is ingegaan (...) Overwegende dat het Interministrieel Comité voor de Distributie oordeelde dat voor wat betreft de ruimtelijke localisatie van het handelsapparaat; dat het assortiment huisdecoratie in principe thuishoort in een handelscentrum, waar het kan bijdragen tot de animatie van het centrum en waar een vergelijking van de prijs en de kwaliteit mogelijk is. Het Interministrieel Comité voor de Distributie motiveert deze stellingname echter op geen enkele wijze. Overwegende dat het Interministrieel Comité voor de Distributie geen rekening heeft gehouden met het feit dat verzoekster reeds van in de beginperiode (nu reeds + /- 25 jaar geleden) dit assortiment aanbood, doch wel op een andere wijze gepresenteerd. De bestreden beslissing heeft zich evenmin uitgesproken m.b.t. de specifieke situatie van het h(a)ndelscentrum hetwelk zich situeert in het slecht gestructureerde en oude centrum van Kontich, hetwelk zich uit in smalle straten met dubbel verkeer en slechte mogelijkheid tot parkeren, waardoor hier eerder handelszaken verdwijnen dan bijkomen. Bovendien is de uitbatingszetel van verzoekster nauwelijks op 2 km van het centrum verwijderd zodat een verplaatsing, mede door de ontwikkelingen in de mobiliteit van de consument geen probleem is. Overwegende dat de bestreden beslissing voorts stelt dat de afdeling huisdecoratie een verstorend(...) effect heeft op het centrum. Opnieuw wordt dit standpunt op geen enkele wijze gemotiveerd. Bovendien spreekt het Interministrieel Comité voor de Distributie zich tegen door anderzijds te stellen dat het verkooppunt (...) het assortiment aan(biedt) tegen middelmatige prijzen, wat weinig of geen invloed heeft op het prijsniveau van andere verkooppunten met een gelijklopend assortiment. Overwegende dat verzoekster er eveneens op wees dat er in het marktgebied weinig of geen handelszaken zijn die een soortgelijk assortiment huishoudartikelen aanbieden, rekeninghoudende met het feit dat verzoekster het huishoudassortiment Alessi aanbiedt, hetwelk een specifiek designartikel uitmaakt. Overwegende dat het Interministrieel Comité voor de Distributie dan ook bij gebreke aan afdoende motivering, tegenspraak en het ontbreken van elke rede- lijkheid, haar beslissing met machtsoverschrijding genomen heeft”. X-12.842-15/18 3.2.2. Beoordeling 3.2.2.1. Een middel bestaat uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel naar het oordeel van de verzoekende partij door het bestreden besluit wordt geschonden. In zoverre de verzoekende partij poneert “dat het Interminist(e)rieel Comité voor de Distributie zich in haar o(o)rdeel dient te houden aan de criteria zoals deze vastgesteld werden in het K.B. van 8 augustus 1975 tot vaststelling van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van de vragen tot handelsvestiging” geeft zij geen voldoende en duidelijke omschrijving van de wijze waarop volgens haar dit besluit geschonden werd en is het middel niet ontvankelijk. 3.2.2.2. Met haar betoog dat het Interministerieel Comité voor de Distributie haar stellingname “dat het assortiment huisdecoratie in principe thuishoort in een handelscentrum, waar het kan bijdragen tot de animatie van het centrum en waar een vergelijking van de prijs en de kwaliteit mogelijk is” “op geen enkele wijze (motiveert)”, gaat de verzoekende partij er ten onrechte van uit dat het bestreden besluit de motieven van de motieven zou dienen te vermelden. 3.2.2.3. Het betoog van de verzoekende partij dat het Interministerieel Comité voor de Distributie geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij reeds van in de beginperiode het assortiment huisdecoratie aanbood, doch wel op een andere wijze gepresenteerd, toont de kennelijke onredelijkheid van het bestreden besluit niet aan en wordt bovendien niet aangetoond aangezien de inrichting, blijkens het dossier, oorspronkelijk een kleine tomatenkwekerij betrof. 3.2.2.4. Het betoog van de verzoekende partij dat het bestreden besluit “zich evenmin (heeft) uitgesproken m.b.t. de specifieke situatie van het h(a)ndelscentrum hetwelk zich situeert in het slecht gestructureerde en oude centrum van Kontich, hetwelk zich uit in smalle straten met dubbel verkeer en slechte mogelijkheid tot parkeren, waardoor hier eerder handelszaken verdwijnen dan bijkomen” en dat zij “er eveneens op wees dat er in het marktgebied weinig of geen handelszaken zijn die een soortgelijk assortiment huishoudartikelen aanbieden, rekening houdende met het feit dat verzoekster het huishoudassortiment Alessi aanbiedt, hetwelk een specifiek designartikel uitmaakt”, toont, voor zover dit alles al als bewezen aangenomen zou kunnen worden, de kennelijke onredelijkheid van X-12.842-16/18 het bestreden besluit nog niet aan. Dit laatste geldt onverminderd voor het betoog van de verzoekende partij dat “de uitbatingszetel van verzoekster nauwelijks op 2 km van het centrum verwijderd (
  12. is)zodat een verplaatsing, mede door de ontwikkelingen in de mobiliteit van de consument geen probleem is”, temeer daar het criterium “bereikbaarheid van het verkooppunt” in het bestreden besluit positief wordt beoordeeld. 3.2.2.5. De verzoekende partij stelt voorts ten onrechte dat de overweging in het bestreden besluit dat de afdeling huisdecoratie met een oppervlakte van bijna 1200m² een verstorend effect heeft op de centraal gelegen huisdecoratie-artikelen niet gemotiveerd is, aangezien in het bestreden besluit in dit verband overwogen wordt, na eerst de kenmerken van de gemeente van vestiging en van de vestiging zelf te hebben besproken, “dat het assortiment huisdecoratie in principe thuishoort in een handelscentrum, waar het kan bijdragen tot de animatie van het centrum en waar een vergelijking van de prijs en de kwaliteit mogelijk is”. Evenmin is het voorgaande tegenstrijdig met de vaststelling in het bestreden besluit dat de handelsvestiging haar “assortiment aanbiedt tegen middelmatige prijzen, wat weinig of geen invloed heeft op het prijsniveau van andere verkooppunten met een gelijklopend assortiment”, aangezien de impact op de bestaande handel niet uitsluitend door de prijs wordt bepaald. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-12.842-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-12.842-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.920 Gerelateerde publicatie(
  13. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.88.656 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.