← België

Arrest 193928 - Monumenten en Landschappen - 08/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.928 Rolnummer: A. 90648/X-9467 Zaak: Arrest 193928 - Monumenten en Landschappen - 08/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-23 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Fiche Arrest nr 193.928 van 8 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.928 van 8 juni 2009 in de zaak A. 90.648/X-

  1. In zake : Jean-Paul THANS, die woonplaats kiest bij advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46 bus
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Paul THANS op 31 maart 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
  3. het besluit van 8 december 1999 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport houdende bescherming als monument, stads- en dorpsgezicht van de hoeve “Blondeswinning” gelegen Sapstraat 25 en omgeving te Bilzen, (Grote-Spouwen), kadastraal bekend sectie A, nrs. 845/g, 846/t, 847/c, 848/g, 849/a en 849/b;
  4. het besluit van 10 juni 1999 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn houdende termijnverlenging van de geldigheidsduur van het besluit van 26 maart 1998 van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten voor de hoeve “Blondeswinning” gelegen Sapstraat 25 en omgeving te Bilzen (Grote-Spouwen) gelegen op de hiervoor vermelde percelen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; X-9467-1/15 Gelet op de beschikking van 3 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GEBRUERS, die loco advocaten M. BOES en W. MERTENS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat P.-J. STAELENS, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. Feiten 1.
  6. De verzoeker is mede-eigenaar van de hoeve “Blondeswinning” aan de Sapstraat 25 te Bilzen en aanpalende percelen, genaamd “Aen Paemen”. 1.
  7. Die percelen zijn volgens het bij koninklijk besluit van 5 april 1977 vastgestelde gewestplan Tongeren-Sint-Truiden, deels gelegen in woongebied met landelijk karakter en deels in woonuitbreidingsgebied. 1.
  8. Met een motiveringsnota van 23 september 1997 adviseert de afdeling Monumenten en Landschappen, na een beschrijving van de hoeve en omgeving, om de hoeve “Blondeswinning” wegens zijn historische en X-9467-2/15 socio-culturele waarde als monument en de omgeving van de hoeve wegens zijn historische waarde als dorpsgezicht te beschermen op grond van volgende motieven: “De historische waarde wordt als volgt omschreven: - de historische waarde als één van de gesloten hoevecomplexen in de dorpskern van Grote-Spouwen, die reeds voorkomt op de 18de eeuwse Ferrariskaart en op de 19de eeuwse Atlas der Buurtwegen - de historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde als gebouwencomplex uit de tweede helft van de 18de en eerste helft van de 19de eeuw met in verschillende elementen afleesbare kern uit de 17de eeuw; het geheel bestaat uit een poortgebouw met twee rondboogpoorten, een woonhuis, stallen en dwarsschuur geschikt rondom een gekasseide binnenkoer. De socio-culturele waarde wordt als volgt omschreven: - de socio-culturele waarde van de ‘Blondeswinning’ als karakteristiek voorbeeld van het vierkanthoevetype dat in hoge mate het dorpsbeeld van Grote-Spouwen bepaalt. Dit dorpsbeeld is typisch voor het overgangsbeleid tussen Droog- en Vochtig-Haspengouw. De omgeving van de hoeve dient als dorpsgezicht beschermd omwille van de historische waarde. De historische waarde wordt als volgt omschreven: - de historische waarde als integrerend deel van het historische landbouwbiotoop van de hoeve, dat in de 18de eeuw nog gedeeltelijk akkerland was en niet volledig door boomgaarden werd ingenomen; als illustratie van het gemengde bedrijf dat in de 18de eeuw nog primeert en in de 19de eeuw evolueert naar een veeteeltbedrijf, waarbij weiland, tevens benut als boomgaard, een groter areaal van de grond in beslag begint te nemen”. 1.
  9. Op 26 maart 1998 beslist de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, op grond van de voormelde motieven in de motiveringsnota, om de hoeve als monument en de omgeving van de hoeve als dorpsgezicht op een ontwerp van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te plaatsen. Een afschrift van dat besluit wordt bij aangetekende brief van 14 september 1998 aan onder meer de verzoeker verstuurd. 1.
  10. Tijdens het openbaar onderzoek dient de verzoeker op 13 oktober 1998 een bezwaarschrift in waarin hij aan de gewestplanbestemming van de kwestieuze hoeve en omgeving herinnert, verder opmerkt dat “de hoeve zelf (...) zeker een bepaalde waarde (heeft), maar (...) door de (...) omstandigheden in bedenkelijke staat (is)”, meer bepaald door de structurele schade die werd aangebracht door een bom die tijdens de tweede wereldoorlog is ingeslagen bij de hoeve, en het slechte onderhoud door de pachter zodat een voorafgaande “grondige studie (...) van de bouwfysische toestand van de gebouwen” aangewezen lijkt, en voorts stelt dat “de correcte oplossing zou zijn, om deze gronden, tot ongeveer 25 meter van de hoeve, van de bescherming uit te sluiten”. X-9467-3/15 1.
  11. De bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg brengt op 12 november 1998 gunstig advies uit. 1.
  12. Op 25 april 1999 dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bilzen een aanvraag in voor een verkavelingsvergunning tot “aanleg nieuw wegtracé (1 open bebouwing + 8 halfopen bebouwingen)” voor de percelen gelegen langs de Sapstraat. De afdeling Monumenten en Landschappen verleent op 5 oktober 1999 een ongunstig advies om volgende redenen: “
  13. De Blondeswinn(n)ing is te samen met de omgeving opgenomen op het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten omwille van het algemeen belang gevormd door de historische en architectuurhistorische waarde als een gesloten vierkantshoeve uit de tweede helft van de 18de eeuw met 17de eeuwse kern; de omgeving maakt een integrerend deel uit van het historische landbouwbiotoop van de hoeve dat in de 18de eeuw nog volledig akkerland was. Dit gemengd bedrijf is in de 19de eeuw geëvolueerd naar een veeteeltbedrijf, waarbij weiland, tevens benut als boomgaard, een groter areaal van de grond in beslag neemt. De bescherming van het dorpsgezicht heeft tot doel deze grondbestemming die een innige band heeft met de hoevegebouwen, te behouden en te bestendigen. Een verkaveling in functie van bewoning zou hiermee strijdig zijn.
  14. Elke bebouwing zou de intrinsieke waarde van deze historische site vernielen en de esthetische kwaliteiten in het gedrang brengen”. 1.
  15. Op 10 juni 1999 beslist de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn om de geldigheidsduur van het ministerieel besluit van 26 maart 1998 houdende ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten voor de hoeve “Blondeswinning” en omgeving, met 6 maanden te verlengen “teneinde het onderzoek van de bezwaarschriften te kunnen vervolledigen en afsluiten”. 1.
  16. Met een nota van 18 augustus 1999 weerlegt de afdeling Monumenten en Landschappen de bezwaren van de verzoeker als volgt: “De eigenaars betwisten geenszins de historische waarde van de site en haar gebouwen. De argumenten zijn van financiële (de kosten bij renovatie en het ontbreken van compensaties voor de gronden) en van functionele aard (de beperkingen die de bescherming oplegt naar bestemming van de gronden). Wat de functionele argumentatie betreft: X-9467-4/15
  17. De bescherming wijzigt de bestemming van het gewestplan niet; de bescherming impliceert enkel het behoud en de instandhouding van de historisch waardevolle gebouwen en site.
  18. De historische waarde van de omgeving van deze hoeve is gelegen in het feit dat deze gronden een deel zijn van het historisch landbouwbiotoop van de hoeve, dat in de 18de eeuw nog akkerland was en slechts gedeeltelijk door boomgaarden werd ingenomen. In de 19de eeuw is dit bedrijf geëvolueerd naar veeteelt waarbij het grondareaal evolueerde naar weiland en boomgaard. De bescherming van het dorpsgezicht heeft tot doel deze grondbestemming die een innige band heeft met de hoevegebouwen, te behouden en te bestendigen. Een verkaveling in functie van bewoning zou hiermee in strijd zijn. Ter hoogte van de Blondeswinning en de Bovenstraat bevond zich eertijds een tumulus. In het begin van de 19de eeuw werd de tumulus afgegraven en de grond verspreid over de omliggende velden. Er zouden geen funeralia of artefacten gevonden zijn (...).
  19. Het Structuurplan Vlaanderen stelt voorop dat de in het gewestplan voorziene woonuitbreidingsgebieden prioritair dienen aangesneden op basis van een woonbehoeftestudie die in opdracht van de gemeente wordt opgesteld. Uit deze woonbehoeftestudie moet blijken welke gebieden logisch en verantwoord dienen aangesneden. Welnu, uit de woon-behoeftestudie voor Bilzen blijkt, dat dit woonuitbreidingsgebied niet prioritair is.
  20. In verband met de aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2 dd. augustus 1996, verleende de gemeente Bilzen een gunstig advies voor het gedeelte (lot 1 tot 6) dat op het gewestplan voorzien is als landelijke woonzone (Sapstraat), onder voorwaarde dat een meer gesloten bebouwing voorzien werd. Voor de loten 7 tot en met 26 (woonuitbreidingsgebied) verleende de gemeente een voorlopig ongunstig advies, omdat de gronden gelegen waren in een ontwerp van BPA ‘Aen Paemen’, definitief aanvaard door de gemeenteraad van 19.12.1994, maar niet goedgekeurd bij MB. De ontwerp-verkaveling is strijdig met het BPA vermits deze gronden gelegen zijn in het agrarisch gebied (...). Monumenten en Landschappen stelt derhalve voor om de beschermings- procedure verder te zetten”. 1.
  21. Op 3 september 1999 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna: KCML) een gemotiveerd gunstig advies uit “na kennis te hebben genomen van de adviezen en bezwaren, waarbij ze de beoordeling ervan door de bestuursentiteit monumenten en landschappen tot de hare maakt”. De KCML neemt de motieven voor de bescherming in de voormelde motiveringsnota over. 1.
  22. Met het bestreden besluit van 8 december 1999 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport tot de bescherming van de hoeve “Blondeswinning” als monument en van de omgeving X-9467-5/15 van de hoeve als dorpsgezicht. De minister neemt ter verantwoording de motieven van de KCML over in de bestreden akte.
  23. Ontvankelijkheid 2.
  24. De verwerende partij werpt op dat het beroep tegen het tweede bestreden besluit van 10 juni 1999 laattijdig is ingesteld vermits het beroep werd ingesteld op 31 maart 2000 en dit ministerieel besluit aan de verzoeker werd betekend bij aangetekend schrijven van 1 september
  25. 2.
  26. De verzoeker repliceert dat de beslissing tot verlenging van de termijn een voorbereidende handeling is zodat de nietigverklaring samen met de daaropvolgende eindbeslissing gevorderd kan worden. Een afzonderlijk beroep tegen het besluit tot termijnverlenging zou voorbarig geweest zijn omdat op dat ogenblik de eindbeslissing nog niet vaststond. 2.
  27. Krachtens artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet) vervalt de inschrijving op de ontwerpen van lijst van rechtswege indien de besluiten niet zijn genomen binnen de in artikel 5, § 7 van hetzelfde decreet, bepaalde termijn die te dezen werd verlengd door het tweede bestreden besluit. Door het definitieve beschermingsbesluit (het eerste bestreden besluit) heeft het voorlopig beschermingsbesluit van 26 maart 1998 waarvan de duur van de voorlopige bescherming met een termijn van zes maanden werd verlengd door het tweede bestreden besluit, geen rechtsgevolgen meer. Zelfs indien het eerste bestreden besluit zou worden vernietigd, hetgeen, zoals hierna zal blijken, het geval is, kan het voorlopige beschermingsbesluit van 26 maart 1998 evenals het tweede bestreden besluit overeenkomstig artikel 5, § 7 van het monumentendecreet geen uitwerking meer hebben. De verzoeker heeft, ongeacht de tijdigheid van het ingestelde beroep tegen het tweede bestreden besluit, geen actueel belang meer bij de nietigverklaring van het tweede bestreden besluit. Het beroep tot nietigverklaring van het tweede bestreden besluit is onontvankelijk. X-9467-6/15
  28. Ten gronde 3.1.
  29. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en van het gewestplan Tongeren-Sint-Truiden. De verzoeker betoogt dat de gewestplanbestemming woongebied voor de drie percelen langs de Sapstraat en woonuitbreidingsgebied voor de andere percelen die onder het toepassingsgebied van het eerste bestreden besluit vallen, bindende kracht heeft voor de verwerende partij, het eerste bestreden besluit “zware beperkingen oplegt aan het gebruik dat verzoekende partij normaal kan maken van haar eigendom op basis van de huidige bestemming”, deze beperkingen in strijd zijn met de voormelde gewestplanbestemmingen, en dat door het eerste bestreden besluit “het oprichten van gebouwen en constructies verboden (wordt), en (...) de bestemming zoals voorzien in het gewestplan niet meer verwezenlijkt (kan) worden”. 3.1.
  30. Om wettig te zijn moet een beschermingsbesluit, zoals iedere individuele overheidsbeslissing, kunnen worden ingepast in bestaande wetten en in bestaande, regelmatig vastgestelde hogere rechtsnormen, zijnde niet alleen de normen die de tot beschermen bevoegde overheid zelf heeft vastgesteld, maar ook de verordenende bepalingen die andere administratieve overheden tot stand hebben gebracht, als met name de voorschriften van definitief vastgestelde plannen van aanleg. Uit wat voorafgaat volgt niet dat de bescherming van een monument of een dorpsgezicht ipso facto in strijd is met de bestemming woon- en/of woonuitbreidingsgebied en dat in een gebied dat volgens het gewestplan bestemd is voor bewoning geen bescherming als monument of als dorpsgezicht mogelijk is. Van een onwettigheid van het beschermingsbesluit wegens schending van het gewestplan kan slechts sprake zijn wanneer bepaalde voorschriften van het beschermingsbesluit de verwezenlijking van de plannen van aanleg verhinderen. Op zich is het niet onwettig dat met toepassing van het monumentendecreet bijkomende bepalingen en verplichtingen worden opgelegd. 3.1.
  31. Luidens artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit) zijn woongebieden bestemd voor wonen alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van X-9467-7/15 bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen en voor agrarische bedrijven, voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Artikel 6.1.2.
  32. van hetzelfde besluit bepaalt dat de woongebieden met een landelijk karakter bestemd zijn voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven. Luidens artikel 5.1.1 van het inrichtingsbesluit zijn de woonuit- breidingsgebieden uitsluitend bestemd voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel die overheid geen besluit tot vastlegging van de uitgaven voor de voorzieningen heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor. Daarnaast bepaalt artikel 19, derde lid van het inrichtingsbesluit dat een vergunning, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts wordt afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. 3.1.
  33. Het feit dat de percelen van de verzoeker sedert de vaststelling van het gewestplan deels zijn gelegen in woongebied en deels in woonuitbreidingsgebied heeft dus niet tot gevolg dat die percelen bestemd zijn voor de door de verzoeker gewenste functie en dat hij hoe dan ook deze werken kan doen of deze handelingen kan stellen. Te dezen omvat het bestreden beschermingsbesluit geen specifieke beperkingen of verbodsbepalingen. In artikel 2 worden zonder meer de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten van toepassing verklaard. De verzoeker toont niet aan dat deze beschikkingen de verwezenlijking van het gewestplan Tongeren-Sint-Truiden, meer bepaald de bestemming tot woon- en woonuit-breidingsgebied aldaar, zou verhinderen. 3.1.
  34. Het middel is niet gegrond. 3.2.
  35. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van het motiveringsbeginsel. De verzoeker betoogt dat in het eerste bestreden besluit “geen deugdelijke, afdoende en rechtens aanvaardbare motieven terug te vinden (zijn)” en X-9467-8/15 “niet (doet) blijken waarom het met het bezwaarschrift van verzoekende partij geen rekening heeft gehouden”, het niet volstaat “om te verwijzen naar een advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van 02 september 1999 dat niet eens aan verzoekende partij bekend is gemaakt en waarvan verzoeker de inhoud niet kent”, de in het eerste bestreden besluit omschreven historische en socio-culturele waarde “in feite onjuist zijn en zeker niet afdoende zijn om als wettige motivering te gelden” omdat de hoeve niet in een goede maar in een bedenkelijke staat is. 3.2.
  36. De verwerende partij repliceert dat het beschermingsbesluit formeel en afdoende is gemotiveerd nu de beschermingswaarde van de beschermde goederen uitdrukkelijk werd beschreven in het eerste bestreden besluit, “uit het verslag houdende beoordeling van de adviezen en bezwaren blijkt dat verwerende partij niet zonder meer is voorbijgegaan aan de belangen van de verzoekende partij”, de bezwaren van de verzoeker werden beoordeeld en gemotiveerd weerlegd, het beschermingsbesluit zelf moet niet het antwoord op de ingediende bezwaren bevatten, en “de hoevegebouwen vertonen gebreken die elk bouwsel van 200 jaar oud vertonen, maar ze zijn in geen geval in dergelijke staat dat enkel de sloophamer nog uitkomst zou bieden”. 3.2.
  37. De verzoeker dupliceert dat “op zijn minst (is) vereist dat wanneer een bezwaarschrift is ingediend waarin pertinente elementen naar voren worden gebracht, de bezwaarindiener in het definitieve beschermingsbesluit ten minste kan lezen op welke gronden de overheid heeft geoordeeld dat het bezwaar niet kon worden aanvaard” hetgeen te dezen niet het geval is, en de verwerende partij “zich klaarblijkelijk op geen enkel ogenblik zich ook maar enig idee (heeft) gevormd over de werkelijke bouwfysische staat van het gebouw”. 3.2.
  38. Wanneer de overheid een monument en een dorpsgezicht van algemeen belang beschermt, moet zij, om te voldoen aan het voormelde artikel 3 van de motiveringswet, in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen vermelden waarop het gesteund is. Deze formele motiveringseis verplicht de administratieve overheid er niet toe in de akte expliciet de opmerkingen en bezwaren te beantwoorden die tijdens de voorafgaande procedure tegen de bescherming zijn ingebracht. Het is voldoende, maar wel noodzakelijk dat het besluit opgeeft om welke artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde het bestuur van oordeel is dat het beschermde monument van algemeen belang is. X-9467-9/15 De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de motiveringswet is erin gelegen dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen vinden op grond waarvan de beslissing werd genomen. Het is noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden, of minstens toelaat na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij deze feiten correct heeft beoordeeld, of zij de geformuleerde bezwaren heeft onderzocht en, of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De gegeven motivering moet draagkrachtig zijn en de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen. 3.2.
  39. In artikel 2 van het eerste bestreden besluit wordt uitdrukkelijk gemotiveerd waarom de bescherming van de hoeve als monument en van de omgeving ervan als dorpsgezicht door de overheid van algemeen belang wordt geacht. Zoals hierboven werd weergegeven, worden de historische en socio-culturele waarde van de hoeve en de historische waarde van de omgeving ervan uitdrukkelijk omschreven in het beschermingsbesluit. De juridische en feitelijke overwegingen die aan het beschermingsbesluit ten grondslag lagen, worden uitdrukkelijk vermeld. De verzoeker toont niet aan dat de historische en/of socio-culturele gegevens onjuist zouden zijn. De staat van de gebouwen, zoals die blijkt uit het dossier, doet geen afbreuk aan de historische en socio-culturele waarde van de hoeve en de historische waarde van de omgeving. 3.2.
  40. Voorts blijkt uit de gegevens van de zaak dat aan de verzoeker het ontwerp van lijst van 26 maart 1998 bij brief van 14 september 1998 werd meegedeeld. Daaruit blijkt echter dat noch het “verslag bezwaren” van 18 augustus 1999 met de omstandige weerlegging van zijn bezwaren en het voorstel om de beschermingsprocedure verder te zetten, noch het advies van 2 september 1999 van de KCML dat de beoordeling van de bezwaren door de afdeling Monumenten en Landschappen tot de hare maakt, aan de verzoeker werden meegedeeld. Naar haar inhoud wordt de bescherming in het eerste bestreden besluit alleen formeel gemotiveerd door een overname van de motieven uit het advies van de KCML waarnaar het verwijst. Het besluit tot voorlopige bescherming van 26 maart 1998 werd weliswaar meegedeeld aan de verzoeker, maar bevat uiteraard zelf geen nuttige formele redengeving die toestaat te begrijpen waarom spijts de bezwaren van de X-9467-10/15 verzoeker, het monument en het dorpsgezicht van algemeen belang zijn en de beschermingsprocedure werd voortgezet. Aan het bestreden beschermingsbesluit is een brede raadpleging voorafgegaan, onder meer van de verzoeker. De verwerende partij is er toe gehouden de ingediende adviezen, opmerkingen en bezwaren te onderzoeken én bij haar beoordeling te betrekken. In de gegeven omstandigheden kan dan ook niet worden aangenomen dat de verzoeker voldoende op de hoogte is van de motieven van de eindbeslissing en derhalve in de mogelijkheid is om met kennis van zaken tegen het bestreden besluit op te komen. Het middel is in zoverre gegrond. 3.3.
  41. Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 2 van het monumentendecreet. De verzoeker betoogt dat de aangenomen waardebepalende elementen van de omgeving van de hoeve slechts aanleiding kunnen geven tot bescherming als landschap maar niet als dorpsgezicht. 3.3.
  42. De verwerende partij repliceert dat het beschermde dorpsgezicht de omgeving uitmaakt van de monumentale hoevegebouwen, blijkens het eerste bestreden besluit het dorpsgezicht integrerend deel uitmaakt van de landbouw- biotoop van de hoeve en een - in het beschermingsbesluit omschreven - intrinsieke waarde heeft. 3.3.
  43. De verzoeker dupliceert dat “geenszins is aangetoond o.w.v. de ligging van de gronden, dat het nodig was om het hele gebied op te nemen in het beschermd dorpsgezicht”, de beschermde omgeving van de hoeve geen intrinsieke waarde als dorpsgezicht heeft, en “op zijn minst (...) de perimeter van het beschermde dorpsgezicht veel te ruim is uitgevallen en nodeloos de eigendom van de verzoeker bezwaart”. 3.3.
  44. Uit het bestreden beschermingsbesluit blijkt dat de bescherming van de omgeving van de hoeve als dorpsgezicht berust op de intrinsieke historische waarde van algemeen belang van de omgeving van de als monument beschermde hoeve. Luidens artikel 2, 3/, eerste gedachtenstreepje, van het monumentendecreet is een dorpsgezicht een groepering van één of meer monumenten en/of onroerende goederen met omgevende bestanddelen, zoals onder meer beplantingen, omheiningen, waterlopen, bruggen, wegen, straten en pleinen, X-9467-11/15 die vanwege haar artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde van algemeen belang is. De omgeving van de als monument beschermde hoeve wordt in de motiveringsnota als volgt beschreven: “De omgeving naast en achter de hoeve wordt nu door een boomgaard ingenomen. Dit was in de tweede helft van de 18de eeuw (Ferrariskaart) alleen zo voor het perceel achter de hoeve; rechts naast de hoeve lag een omhaagde akker. Deze volledige open ruimte, ‘Aen Paemen’ genaamd en afgebakend door de Sapstraat, Grammestraat en Schoolsteeg, bleef in het huidige dorpsgezicht bewaard. Het is een golvend terrein, dat thans wordt ingenomen door een boomgaard, voornamelijk perelaars, maar ook kerselaars en notenbomen. Resten van de oorspronkelijke meidoornhaag bleven bewaard aan de zijde van de Grammestraat. Aan de zijde van de Schoolsteeg bleven de resten bewaard van de oorspronkelijke holle weg, met nog gedeeltelijke begroeiing van bramen en rozen. Het perceel 846 t is aan straatzijde en aan de linkerzijde ommuurd”. In het bestreden beschermingsbesluit wordt de niet betwiste historische waarde van de omgeving van de hoeve gesteund op het feit dat het een integrerend deel vormt van de historische landbouwbiotoop van de hoeve, dat in de 18de eeuw nog gedeeltelijk akkerland was en niet volledig door boomgaarden werd ingenomen, en het ook een illustratie is van het gemengde bedrijf dat in de 18de eeuw nog primeert en in de 19de eeuw evolueert naar een veeteeltbedrijf, waarbij weiland, tevens benut als boomgaard, een groter areaal van de grond in beslag begint te nemen. 3.3.
  45. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de als dorpsgezicht beschermde omgeving, die volgens de verzoeker zelf ongeveer 4 ha groot is, van de als monument beschermde hoeve in de dorpskern van Grote-Spouwen, beantwoordt aan de omschrijving van “omgevende bestanddelen” zoals bedoeld in het voormelde artikel 2, 3/, eerste gedachtenstreepje van het monumentendecreet, te dezen, naast en achter de hoeve, een boomgaard (perelaars, kerselaars, notenbomen), omhaagde akker, resten van de oorspronkelijke meidoornhaag aan de zijde van de Grammestraat, de resten van de oorspronkelijke holle weg aan de zijde van de Schoolsteeg met nog gedeeltelijke begroeiing van bramen en rozen, en de ommuring van het perceel 846 aan de straat- en linkerzijde. 3.3.
  46. Het middel is ongegrond. X-9467-12/15 3.4.
  47. Het vierde middel is genomen uit de schending van het onpartijdigheids- en fairplaybeginsel. De verzoeker betoogt dat het bestreden beschermingsbesluit werd genomen door minister Sauwens die in de beschermingsprocedure reeds als burgemeester was opgetreden en advies heeft verstrekt en dat hij “besprekingen (heeft) gehouden met de heer Sauwens waarin deze aan verzoekende partij heeft meegedeeld dat verzoekende partij nu wel gehouden zou zijn om de gronden te verkopen doch dat de stad Bilzen bereid was deze te kopen”, en het strijdig is met de aangevoerde beginselen “wanneer dezelfde persoon optreedt als adviesverlener, als belanghebbende en ook uiteindelijk het beschermingsbesluit ondertekent”. 3.4.
  48. Het middel mist feitelijke grondslag nu uit het dossier niet blijkt en de verzoeker niet aantoont dat de minister te dezen in de beschermingsprocedure is opgetreden als adviesverlener en/of als belanghebbende. 3.5.
  49. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en artikel 5, § 7 van het monumentendecreet. De verzoeker betoogt dat de motivering in het tweede bestreden besluit om de geldigheidsduur van het voorlopig beschermingsbesluit van 26 maart 1998 te verlengen met zes maanden, “een standaardformule” is, dat “de minister (...) minstens (had) moeten zeggen in welk opzicht het niet mogelijk was om de normale behandelingstermijnen van het beschermingsbesluit te eerbiedigen”, “uit het administratief dossier (niet) blijkt (...) dat er veel bezwaarschriften werden ingediend en dat er nog aanvullende adviezen of handelingen dienden gesteld te worden”, “uit het definitief beschermingsbesluit blijkt (...) dat helemaal geen rekening is gehouden met de bezwaarschriften”, te dezen “het onderzoek in september reeds voltooid (was)”. 3.5.
  50. De mogelijke onregelmatigheden waarmee het tweede bestreden besluit zou zijn aangetast, kunnen wel ontvankelijk worden aangevoerd in een beroep tot nietigverklaring tegen het eerste bestreden besluit. 3.5.
  51. Het ministerieel besluit van 10 juni 1998 houdende termijn- verlenging voor de geldigheidsduur van het voorlopig beschermingsbesluit wordt verantwoord door het onderzoek van de bezwaarschriften dat nog moest vervolledigd en afgesloten worden. Uit de gegevens van het dossier blijkt het “verslag bezwaren” werd opgemaakt na het voormelde ministerieel besluit op 18 augustus
  52. Het besluit tot verlenging van de geldigheidstermijn is aldus X-9467-13/15 gesteund op gegevens die in rechte en in feite juist zijn. Het aangehaalde motief is draagkrachtig en volstaat om de verlengingsbeslissing te schragen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  53. Vernietigd wordt het besluit van 8 december 1999 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport houdende bescherming als monument, stads- en dorpsgezicht van de hoeve “Blondeswinning” gelegen Sapstraat 25 en omgeving te Bilzen, (Grote-Spouwen), kadastraal bekend sectie A, nrs. 845/g, 846/t, 847/c, 848/g, 849/a en 849/b. Artikel
  54. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  55. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  56. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-9467-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-9467-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.928 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.