← België

Arrest 193929 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.929 Rolnummer: A. 130096/X-11204 Zaak: Arrest 193929 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-24 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Fiche Arrest nr 193.929 van 8 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.929 van 8 juni 2009 in de zaak A.130.096/X-11.204. In zake : Emmanuel DOX, die woonplaats kiest bij advocaten R. BECKERS en S. HOOYBERGHS, kantoor houdende te 2300 TURNHOUT, Kasteelstraat 6 tegen : het Vlaamse gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Emmanuel DOX op 3 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 1 oktober 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meerhout onontvankelijk wordt verklaard, het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd en het besluit van 29 november 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij aan de verzoeker de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het verbouwen van een woning te Meerhout, Genelaar, kadastraal bekend sectie C, nrs. 1409/b en c, wordt vernietigd; Gelet op het arrest nr. 119.321 van 13 mei 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 25 juni 2003 ingediend door Emmanuel DOX; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-11.204-1/10 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 8 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. GROUWELS, die loco advocaten R. BECKERS en S. HOOYBERGHS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat J. CLAES verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten. 1.1. Het betrokken perceel is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 vastgestelde gewestplan Herentals-Mol gelegen in agrarisch gebied. Het perceel is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een bijzonder plan van aanleg bestaat, noch binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. X-11.204-2/10 1.2. Op het perceel was een oude hoeve met bijgebouwen ingeplant. Alle gebouwen zijn inmiddels afgebroken, behalve het woonhuis annex stal en knechtenwoning. De verzoeker is sinds 1978 eigenaar van het hele complex. Hij bewoont zelf het woonhuis en verhuurt de knechtenwoning. 1.3. Overeenkomstig een stedenbouwkundig attest nr. 2 van 30 augustus 1984 mag de bestaande stalling, bij wijze van opvulling, omgevormd of vervangen worden door een woning. Een hotel-restaurant wordt niet aanvaardbaar geacht. 1.4. Op 11 juni 1998 wordt een proces-verbaal opgesteld waarin wordt gesteld dat “het vroegere gebouw (boerderij) (...) volledig (werd) afgebroken op uitzondering van de vroegere houten steunbalken en dakgebinten, die eveneens deels werden vervangen door nieuwe, na. De afgebroken buitenmuren werden opnieuw opgetrokken in grote blokken wit cellenbeton. Binnenmuren zijn niet meer in het gebouw aanwezig. Een nieuw dak (dakbedekking) werd geplaatst in zwarte golfplaten. Zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde van het zadeldak werden drie grote dakramen gemonteerd”. De verzoeker noemt deze werken in zijn verklaring aan de verbalisanten instandhoudings- en onderhoudswerken. 1.5. Op 15 november 2000 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meerhout een stedenbouwkundige vergunning voor het herbouwen van een woning. In de aanvraag wordt een volume opgegeven van 1408 m³, wordt de woning omschreven als een “woning (met) 6 slaapkamers” met acht woonvertrekken en wordt onder meer vermeld dat er zeven badkamers of stortbaden zijn voorzien. Tijdens het openbaar onderzoek worden geen bezwaren ingediend. 1.6. Op 12 december 2000 brengt de afdeling Land een ongunstig advies uit omdat er reeds een residentiële bewoning is, het zogenaamde knechtenhuis, en dat het bijcreëren van residentiële bebouwing de ruimtelijke draagkracht van het agrarisch gebied schaadt. 1.7. Op 19 maart 2001 brengt het college van burgemeester en schepen van de gemeente Meerhout een gunstig preadvies uit. X-11.204-3/10 1.8. Op 4 mei 2001 brengt de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies uit. Hij besluit het volgende: “ONGUNSTIG, de stedenbouwkundige vergunning moet worden geweigerd: de aanvraag is strijdig met de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, inzonderheid artikel 43 § 2, gewijzigd bij artikel 166 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (en dit enkel voor de periode van 18 juni 1999 tot 17 juni 2004) en gewijzigd bij het decreet van 26 april 2000, om volgende redenen: - de voorliggende weg is onvoldoende uitgerust, - het maximum toelaatbare volume wordt overschreden, - de ruimtelijke draagkracht van het gebied wordt overschreden”. 1.9. Op 14 mei 2001 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meerhout de stedenbouwkundige vergunning met verwijzing naar het advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.10. Op 28 juni 2001 stelt de verzoeker tegen deze weigeringsbeslissing administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 1.11. Op 29 november 2001 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen tot de voorwaardelijke afgifte van de stedenbouwkundige vergunning. De bestendige deputatie wijst op het decreet van 13 juli 2001 dat artikel 145 e.v. van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO) wijzigde en waarin bepaalde mogelijkheden opgenomen zijn voor vergunde woningen en gebouwen die gelegen zijn buiten de geëigende bestemmingszone. Ze wijst er verder op dat de woning reeds bestaat van voor 29 maart 1962 en de woning derhalve overeenkomstig artikel 191, §1 DRO als vergund moet worden beschouwd. De bestendige deputatie legt als voorwaarden voor de stedenbouwkundige vergunning op, het bepleisteren en aanbrengen van een dakbekleding die het historisch karakter van de hoeve weerspiegelt. 1.12. Op 19 februari 2002 stelt de gemachtigde ambtenaar administratief beroep in tegen het besluit van de bestendige deputatie. In zijn beroepschrift overweegt de gemachtigde ambtenaar het volgende: X-11.204-4/10 “Het betreft het ‘slopen en herbouwen’ van een residentiële woning in een agrarisch gebied. Allereerst moet worden opgemerkt dat het hier in feite gaat om een regularisatie. Op 11/06/1998 werd door de gemeentelijke politie van Meerhout een proces-verbaal opgesteld m.b.t. ‘de afbraak en heropbouw boerderij zonder vergunning.’ Derhalve dient voor het afleveren van de bouwvergunning eerst een certificaat te worden bekomen in het kader van art. 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd bij de decreten van 28 september 1999, 22 december 1999, 26 april 2000 en 13 juli 2001. De regularisatie en het certificaat als zodanig werden niet aangevraagd. Nergens wordt in het besluit van de bestendige deputatie hiervan melding gemaakt. Het perceel is gelegen aan een met boskiezel verharde weg. Art. 100 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd bij de decreten van 28 september 1999, 22 december 1999, 26 april 2000 en 13 juli 2001, bepaalt dat ‘op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, kan geen stedenbouwkundige vergunning worden verleend ... voor het bouwen van een woning ... . Ongeacht de plaatselijke toestand wordt als minimale uitrusting beschouwd een met duurzame materialen verharde weg voorzien van een electriciteitsnet.’. Vermits het hier niet het verbouwen van een bestaande woning betreft maar het bouwen van een nieuwe woning (weliswaar ter vervanging van een vroeger gebouw) is voormeld artikel van toepassing. Boskiezel kan niet als een duurzame wegverharding beschouwd worden. Reeds op 15/08/1989 werd een ongunstig attest afgegeven, waarin gesteld werd ‘Het eigendom komt niet in aanmerking voor de voorgestelde verbouwing. ... daar enerzijds de gebouwen teveel verkrot zijn en anderzijds er reeds een wederrechtelijke verbouwing heeft plaats gehad.’. Derhalve voldoet de aanvraag niet aan de bepalingen van art. 145 bis nl; • de woning is op het moment van de aanvraag verkrot (dat was ze althans voor de uitvoering van de wederrechtelijk uitgevoerde werken). • de woning die er nu staat kan niet als vergund beschouwd worden. De bestendige deputatie stelt m.b.t. het volume dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het woon- en het stalgedeelte. Gelet op de rechtstreekse verbinding tussen de keuken en de ‘stal’ gelijkvloers en de verbinding op de verdieping tussen het woongedeelte en enerzijds de trap, die uitkomt in de ‘stal’ en anderzijds de ‘schelft’, moet gesteld worden dat deze ruimte volledig geïntegreerd wordt in het woongedeelte, zodat dit ook mee verrekend moet worden. Derhalve bekomt men hier een herbouwd volume van 1.408 m³, wat een overschrijding betekent van het decretaal bepaalde maximum”. Ook het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meerhout stelt administratief beroep in tegen het besluit van de bestendige deputatie. 1.13. Op 1 oktober 2002 beslist de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening tot het onontvankelijk X-11.204-5/10 verklaren van het administratief beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meerhout. Het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd en de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd, onder meer op volgende gronden: “Overwegende dat de beoogde functie zuiver residentieel is en bijgevolg strijdig met de bestemmingsvoorschriften van het geldende gewestplan; dat de voorschriften van het gewestplan verordenende kracht bezitten en bindend zijn voor zowel de vergunningverlenende overheid als voor de particulier die vergunningsplichtige handelingen stelt; dat evenwel artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd, bepaalt dat voor zover voldaan is aan bepaalde voorwaarden de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond vormen bij de beoordeling, door de vergunningverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen; dat deze uitzonderingsbepaling slechts geldt indien de aanvraag betrekking heeft op: ‘1/ het verbouwen van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume; 2/ het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaande woning binnen het bestaande bouwvolume voor zover het karakter en de verschijningsvorm van de woning behouden blijven; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuwe woning die op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande woning, met in begrip van de woningbijgebouwen die er fysisch één geheel mee vormen, wordt opgericht; 3/ het herbouwen op een gewijzigde plaats van een bestaande woning, ...; 4/ het uitbreiden van een bestaand gebouw met uitzondering van woningbouw ...; 5/ aanpassingswerken aan of bij een gebouw bedoeld in 4/, zonder dat het overdekte volume wordt uitgebreid; 6/ het uitbreiden van een bestaande woning; De Vlaamse regering kan hiervoor de nadere regels vaststellen. De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, 1/ tot en met 6/, gelden enkel indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  1. a)de woning of gebouw is op het moment van de vergunningsaanvraag niet verkrot;
  2. b)de woning of gebouw is vergund of wordt geacht vergund te zijn;
  3. c)zo het bestaande bouwvolume meer bedraagt dan 1.000 m³, dient het volume van de herbouwde woning beperkt te blijven tot 1.000 m³;
  4. d)het aantal woongelegenheden moet beperkt blijven tot het bestaande aantal. Woningen of gebouwen worden beschouwd als verkrot indien ze niet voldoen aan de elementaire vereisten van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen. De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, 1/ tot en met 6/, gelden niet voor de recreatiegebieden en de ruimtelijk kwetsbare gebieden, behoudens de parkgebieden. ...’; Overwegende dat voorliggende aanvraag duidelijk valt onder punt 2/ van hogergeciteerd artikel 145bis; dat bijgevolg in eerste instantie dient nagegaan of voldaan is aan de genoemde voorwaarden; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar reeds op 13 september 1989 een ongunstig advies verleende voor een stedenbouwkundig attest, onder meer X-11.204-6/10 omdat de gebouwen te veel verkrot waren; dat het feit dat de eigenaar in het kader van een ‘groot onderhoud’ het nodig heeft gevonden de muren volledig te slopen en her op te bouwen deze vaststelling bevestigen; dat er geen bestaande toestand meer aanwezig is die het tegendeel kan bewijzen; dat bijgevolg niet voldaan is aan voorwaarde
  5. a)‘de woning is niet verkrot’; Overwegende dat bovendien evenmin voldaan is aan voorwaarde
  6. c)‘zo het bestaande bouwvolume meer bedraagt dan 1.000 m³, dient het volume van de herbouwde woning beperkt te blijven tot 1.000 m³’; dat immers de plannen en de berekening van de architect een totaal nieuw volume 1.408 m³ aantonen; dat de appellant aanvoert dat het woonvolume beperkt is tot 1.000 m³, en het overige gedeelte louter ‘stal’ en ‘schelft’ is; dat de aanvrager dit gedeelte wenst te bewaren om ‘de eigenheid van het gebouw, een 19de-eeuwse hoeve, te bewaren’; dat dit argument, gezien het feit dat de oude hoeve integraal werd gesloopt, niet kan worden bijgetreden; dat verder de nieuwe functie van de stal en de schelft onduidelijk blijft, temeer gezien de rechtstreekse toegang tot de stal vanuit de keuken en tot de schelft vanuit de gang op de verdieping; dat deze elementen er duidelijk op wijzen dat ook het genoemde ‘stalgedeelte’ deel zal uitmaken van de woning, en dus wel degelijk dient meegerekend in het volume; dat op de hoorzitting werd gesteld dat het stalgedeelte zal worden gebruikt voor het uitoefenen van het bijberoep van de aanvrager, namelijk wijnbouwer; dat deze functie enkel als ondergeschikt aan de woonbestemming kan gelden; dat bijgevolg het genoemde maximum van 1.000 m² met meer dan 40 % wordt overschreden; Overwegende dat verder de indeling van de woning, met 6 tweepersoonskamers die elk hun eigen, private badkamer met toilet hebben, niet rijmt met de opgegeven bestemming van ééngezinswoning; dat dit des te meer geldt daar zowel de eetkeuken als de zithoek maar plaats biedt aan 6 personen; dat deze indeling eerder past bij een klein hotelletje, waarbij de bedenking wordt gemaakt dat de stal, met haar rechtstreekse toegang tot de keuken, maar al te gemakkelijk als restaurant in gebruik kan worden genomen; dat de bestemming ‘hotel-restaurant’ reeds op 27 augustus 1984 het voorwerp uitmaakte van een ongunstig stedenbouwkundig attest; Overwegende dat tenslotte het gaat om het herbouwen van een woning; dat voor het nieuw bouwen van een woning altijd moet voldaan zijn aan de voorwaarde van artikel 100, §1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zoals later gewijzigd, met name ‘Op een stuk grond, gelegen aan een weg die gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, kan geen stedenbouwkundige vergunning worden verleend voor het bouwen van een commercieel, ambachtelijk of industrieel gebouw of voor het bouwen van een woning... Ongeacht de plaatselijke toestand, wordt als minimale uitrusting beschouwd een met duurzame materialen verharde weg, voorzien van een elektriciteitsnet’; dat de voorliggende weg slechts verhard is met dolomiet, wat bezwaarlijk als een duurzame wegverharding kan worden beschouwd”. 2. Ten gronde. 2.1.1. De verzoeker voert in een enig middel de schending aan van artikel 100 en 145bis DRO en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. X-11.204-7/10 Met betrekking tot artikel 145bis DRO stelt de verzoeker in de eerste plaats dat de aanvraag betrekking heeft op het herbouwen van een bestaand gebouw op dezelfde plaats overeenkomstig artikel 145bis, § 1, eerste lid, 2/ DRO, dat een uitzonderingsregime betreft en geen afwijkingsregime. In de tweede plaats argumenteert de verzoeker enerzijds dat het bestreden besluit de beoordeling van het al dan niet verkrot zijn van de woning baseert op een advies van de gemachtigde ambtenaar van 13 september 1989, zonder rekening te houden met het advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meerhout, waarin bevestigd wordt dat de woning niet verkrot is. De verzoeker wijst er ook op dat de hoeve niet werd opgenomen in de lijst van leegstaande of verwaarloosde gebouwen en dat hij in 1994 herstellingen heeft uitgevoerd aan de zijgevel en het dak heeft vervangen, waardoor het attest uit 1989 niet relevant is voor de beoordeling van de bestaande toestand. Anderzijds kan de woning niet als verkrot worden beschouwd op het ogenblik van de eerste aanvraag omdat het eerste stedenbouwkundig attest van 30 augustus 1984 geen melding maakt van een verkrotting. In de derde plaats stelt de verzoeker dat artikel 145bis DRO met betrekking tot het bouwvolume enkel betrekking heeft op de woning en niet op de stallingen. Hij voert aan dat de stal zijn functie behoudt en dat het bestreden besluit voorbij gaat aan het feit dat de rechtstreekse toegangen tot de stal en de schelf er vroeger ook al waren. Verder wijst hij er nog op dat hij zich bereid had verklaard af te zien van de doorgangen en in ondergeschikte orde het bouwvolume te beperken tot 1000 m³ door de stallingen te laten wegvallen. Tot slot stelt de verzoeker nog dat de veronderstelling dat hij het gebouw zou willen uitbaten als een hotel, louter hypothetisch is en niet kan leiden tot de weigering van de vergunning. Hij wijst er voorts nog op dat er in het woongedeelte vroeger diverse generaties met hun knechten bij elkaar woonden en dat hij het aantal woongelegenheden niet heeft verhoogd. Met betrekking tot artikel 100 DRO argumenteert de verzoeker dat deze bepaling niet van toepassing is voor het herbouwen van een bestaande woning omdat deze hypothese onder de uitzonderingsbepaling van artikel 145bis DRO valt. In ondergeschikte orde merkt hij op dat de woning wel degelijk gelegen is aan een voldoende uitgeruste weg. De woning is gelegen aan een deels met dolomiet en deels met beton verharde weg, waar ook andere woningen zijn gelegen en waar de nodige nutsvoorzieningen aanwezig zijn. Tot slot stelt de verzoeker dat het advies van de afdeling Land geen beoordelingsgrond kan vormen voor de toepassing van artikel 145bis DRO. X-11.204-8/10 Het advies is bovendien foutief, daar er geen bijkomende woongelegenheid wordt gecreëerd door de huidige aanvraag, zodat er niet kan gesteld worden dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied wordt overschreden. De verzoeker verwijst naar de situatie in het verleden waar verschillende generaties van de familie en hun knechten samenwoonden in de woning. 2.1.2. In zijn laatste memorie voegt de verzoeker daar nog aan toe dat er volgens artikel 145bis DRO enkel sprake kan zijn van verkrotting, wanneer een gebouw niet voldoet aan de elementaire vereisten van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag. Hij stelt dat de motivering in het bestreden besluit niet strookt met de inhoud van artikel 145bis DRO omdat niet werd onderzocht wat de toestand was op het ogenblik van de vergunningsaanvraag. Uit het stedenbouwkundig attest van 1989, waarop het weigeringsbesluit wordt gebaseerd, blijkt niet dat de aangevoerde verkrotting betrekking zou hebben op de elementaire vereisten van stabiliteit. De verzoeker argumenteert verder dat het oorspronkelijk gebouw nog bestaat aangezien de houten skeletstructuur van eiken balken en palen, het dakgebinte en de raam- en deuropeningen behouden zijn gebleven. 2.2. Uit het toentertijd geldende artikel 145bis, § 1, eerste lid, 2/ en derde lid,
  7. c)DRO blijkt dat de gevraagde vergunning voor het herbouwen van een bestaande woning, gelegen in agrarisch gebied en binnen het bestaande bouwvolume, enkel kan worden toegestaan indien het volume van de herbouwde woning beperkt blijft tot 1.000 m3, zo het bestaande volume 1.000 m3 reeds overschrijdt. In de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning wordt vermeld dat het volume voor en na de werken 1.489 m³ zal bedragen. Het bestreden besluit leidt uit de gegevens van de bouwaanvraag af dat het gedeelte van de woning dat als “stal” en “schelft” zou worden bestemd, bij de woning moet worden gerekend, gelet op de twee rechtstreekse toegangen tot dat gedeelte vanuit het woongedeelte en gelet op de onduidelijkheid omtrent de nieuwe functie van die stal en die schelft. In die omstandigheden komt het besluit terecht tot de conclusie dat de aanvraag strijdig was met de aangehaalde decretale bepaling en bijgevolg niet kon worden ingewilligd. Dat de verzoeker in zijn beroepsschrift voor de bestendige deputatie vermeldt dat hij bereid zou zijn het bouwvolume te beperken tot 1.000 m3, is ter zake niet relevant, nu de verzoeker zijn aanvraag niet op een dergelijk X-11.204-9/10 wezenlijk punt vermag te wijzigen zonder eerst een nieuwe aanvraag in te dienen bij het college van burgemeester en schepenen. De kritiek die de verzoeker nog uit op de overige motieven van het bestreden besluit, betreft overtollige motieven, zodat de eventuele onregelmatigheid ervan niet van die aard is om de bestreden beslissing aan te tasten. 2.3. Het enige middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.204-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.929 Gerelateerde publicatie(
  8. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.119.321 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.