id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.930 Rolnummer: A. 130917/X-11226 Zaak: Arrest 193930 - Monumenten en Landschappen - 08/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-23 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:13 Fiche Arrest nr 193.930 van 8 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.930 van 8 juni 2009 in de zaak A. 130.917/X-11.226. In zake : Georges OPSTAELE, die woonplaats kiest bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, J. Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus 1. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Georges OPSTAELE op 23 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 oktober 2002 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij als monument wordt beschermd wegens zijn industrieel-archeologische waarde, de voormalige garage “OMNIA AUTOMOBILE” op een perceel gelegen te Middelkerke, Leopoldlaan 41, kadastraal bekend sectie B, nr. 180/v/89; Gelet op het arrest nr. 119.646 van 21 mei 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 23 juni 2003 ingediend door Georges OPSTAELE; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; X-11.226-1/13 Gelet op de beschikking van 1 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. WINDERICKX, die loco advocaat P. JONGBLOET verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat P.-J. STAELENS, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De verzoeker is eigenaar van de voormalige garage Omnia Automobile aan de Leopoldlaan 41 te Middelkerke. 1.2. Met een motiveringsnota van 17 augustus 2001 adviseert de afdeling Monumenten en Landschappen, na een beschrijving en evaluatie van het gebouw, om de “voormalige Garage Omnia Automobile (Georges Opstaele)” wegens zijn industrieel-archeologische waarde als monument te beschermen op grond van volgende motieven: “Omwille van het algemeen belang gevormd door de industrieel-archeologische waarde als goed en zeldzaam vroeg voorbeeld van een garagegebouw van 1924 dat als dusdanig volgens de toen gangbare X-11.226-2/13 opvattingen inzake architectuur en werkplaatsinrichting (o.a. met elektrische drijfkracht) n.o.v. de plaatselijk actieve architect Eugène Deleye, op een strategische plaats, nl. de toenmalig voornaamste verkeersader, werd geconcipieerd en gebouwd. Bepalend is hier tevens de inrichting van een bovenliggend appartement ten behoeve van de uitbater, wat de nauwe relatie tussen wonen en werken (bediening van een pompstation) illustreert. De uitbreiding uit 1928 en archivalische gegevens uit 1928, 1929, 1936 en 1940 betreffende het plaatsen van steeds meer benzinepompen en ondergrondse brandstoftanken illustreren de snelle evolutie van het autogebruik en dit zeker aan de kust met zijn groeiende toeristenbevolking - te Middelkerke betrof het ten andere vrij begoede toeristen - en steeds betere verbindingswegen met het hinterland en andere belangrijke kustgemeenten zoals Oostende. Het betreft hier daarenboven een vroeg voorbeeld van een parkeergarage: de uitbreiding uit 1928 gebeurde o.a. met het oog op het verhuren van afzonderlijk parkeerboxen aan auto-eigenaren die niet over een privé-garage beschikten”. 1.3. Op 22 oktober 2001 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid, op grond van de voormelde motieven in de motiveringsnota, om de garage als monument op een ontwerp van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te plaatsen. Een afschrift van dat besluit wordt bij aangetekende brief van 6 december 2001 aan onder meer de verzoeker verstuurd. 1.4. Tijdens het openbaar onderzoek dient de verzoeker op 3 januari 2002 een bezwaarschrift in waarin hij stelt dat de industrieel-archeologische waarde van de garage onbestaand is en evenmin gemotiveerd wordt in het voorlopig beschermingsbesluit, het buitenaanzicht (voorgevel) dateert van na de oprichting van het gebouw, de betrokken architect een “totaal onbekende architect (is), van wie al evenmin bijzondere werken gekend zijn”, hij noch zijn ouders die de garage gebouwd hebben, ooit in het appartement hebben gewoond, de benzinepompen en ondergrondse brandstoftanken op grond van “de milieunormen diende(
- n)(...) te worden verwijderd”, het gebruik als parkeergarage pas na de stopzetting van de exploitatie als garage is ontstaan, er oorspronkelijk geen elektrische drijfkracht voorhanden was, er een complete wanverhouding is tussen de architecturale waarde van het gebouw en “het economisch nadeel dat erdoor wordt gerealiseerd”, de site na de heraanleg van de Leopoldlaan “uitsluitend nog (zal) opvallen als een lelijke vlek” en de gemeente Middelkerke reeds eerder heeft geargumenteerd tegen de bescherming. 1.5. De bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen brengt op 10 januari 2002 gunstig advies uit. X-11.226-3/13 1.6. De gemeenteraad van Middelkerke brengt op 1 februari 2002 een ongunstig advies uit in de volgende bewoordingen: “Gezien het pand compleet vervallen is; de karakteristieke beglaasde metalen luifel jaren geleden al verwijderd werd, waardoor de gevel verminkt werd; de gevelbekleding uitgevoerd in tegels zich in slechte staat bevindt en bovendien niet origineel is; het buitenschrijnwerk noch intact, noch volledig origineel is; Gezien bescherming slechts zinvol is wanneer voor het goed een bestemming kan gevonden worden; Gezien de gemeente het pand een bestemming wou geven als toerismebureau, maar de aankoop en renovatie budgettair niet haalbaar zijn; Gelet op de negatieve ervaringen met bescherming van gebouwen zonder herbestemming; Overwegende dat dit gewezen industrieel gebouw niet meer passend is in de omgeving en dat de herbestemming ervan na mogelijke bescherming problemen zal opleveren; Overwegende dat de restauratie van garage Omnia na bescherming een dure zaak is en de gemeentelijke begroting zal belasten; Gezien in de omgeving van het pand alleen nieuwbouw staat; Gelet op de inspanningen die de gemeente in het verleden heeft geleverd om de bescherming te bekomen van gebouwen (cf. de lopende procedure die wellicht zal resulteren in de bescherming van een twintigtal panden)”. 1.7. De provinciale commissie voor monumenten en landschappen brengt op 27 februari 2002 gunstig advies uit. 1.8. Met een niet-gedagtekende nota weerlegt de afdeling Monumenten en Landschappen het ongunstig advies van de gemeente Middelkerke en de bezwaren van de verzoeker in de volgende bewoordingen: “Advies Gemeentebestuur De bewering als zou het pand compleet vervallen zou zijn, is schromelijk overdreven: er zijn namelijk geen structurele defecten zoals ingestorte daken of barsten vast te stellen. Het schrijnwerk (dat grotendeels wel zijn originele typologie behouden heeft en dit volgens het originele gevelplan van 1924) geeft wel een verwaarloosde indruk maar dit doet uiteraard niets af aan de intrinsieke waarde van het gebouw. De luifel is inderdaad verdwenen maar dit belet niet dat de nog bestaande karakteristieken van het gebouw voldoende doorwegen als basis voor een voorstel tot bescherming. In gelijkaardige gevallen vormde de afwezigheid van de oorspronkelijke luifel geen bezwaar voor het afronden van de beschermingsprocedures ter zake. De herbestemming van een gebouw vormt op termijn inderdaad een voorwaarde voor een efficiënte instandhouding. Dit mag echter niet het enige doorslaggevende element zijn om al dan niet tot de bescherming over te gaan. Uit de praktijk blijkt ten andere dat de wettelijke bescherming als monument in veel gevallen eerder een stimulans dan wel een rem kan zijn voor het realiseren van een degelijk herbestemmingsinitiatief. X-11.226-4/13 Dat de restauratie een dure zaak zou zijn wordt in het advies niet door enig gegeven (zoals een raming op basis van een degelijke diagnose) gestaafd. Het is treffend dat hier enkel van de kosten en niet van de mogelijke baten wordt gewag gemaakt. Bezwaarschrift Opstaele 1. Met de bewering dat de industrieelarcheologische waarde onbestaand is, wordt vooruitgelopen op de volgende punten. Steller begint dus met wat eigenlijk zijn conclusie zou kunnen zijn. Dat de garage Omnia zou beschermd worden omdat er in het verleden een aantal waardevolle gebouwen te Middelkerke zouden zijn verloren gegaan, is uit de lucht gegrepen en is niet ter zake. 2. Steller ontkent dat het concept van 1924 dateert. Deze poging tot weerlegging is ongegrond. De garage werd geconcipieerd in 1924 en werd volgens plan opgetrokken. Op het gevelplan van het gebouw staat inderdaad de datum 1924. Dat de faiencetegel meteen of later zou aangebracht zijn, is in se geen argument tegen de bescherming aangezien het waarschijnlijk is dat de gevel tenminste meteen met een dergelijke bekleding geconcipieerd werd. Dit soort gevelbekleding is immers volledig in overeenstemming met de architecturale opvattingen van de jaren ‘20 en dit als vereenvoudigde uitvoering van een praktijk die reeds vóór W.O. I, o.a. in de kustgemeenten, courant was (zie nog te Blankenberge). Het betreft het hier hoe dan ook een voorbeeld van een typisch materiaalgebruik voor gevels uit het vroege interbellum. Ook het schrijnwerk (mede essentieel voor het specifieke uitzicht van de gevel) heeft de typische vormgeving van de periode van oprichting. De gevelbekleding staat ten andere niet uitdrukkelijk als argument in de motivering vermeld. 3. In het gemotiveerd advies wordt van architect Deleye , ontwerper van de garage, gewoon vermeld dat hij plaatselijk actief was. Dit blijkt uit het feit dat hij de ontwerper was van verschillende gebouwen te Middelkerke (7 gebouwen van zijn hand opgenomen in de inventaris M&L voor Middelkerke). Hij was dus ten minste plaatselijk een bekend ontwerper. In se illustreert dit dat dergelijke opdrachten aan een plaatselijk architect werden verleend, een vaststelling met documentaire waarde voor de industriële archeologie in het algemeen. Deze vaststelling wordt in de motivering opgenomen met het oog op de volledigheid en niet om aan te tonen dat de bescherming op de (architectuur)historische waarde berust in de veronderstelling dat er van de ontwerper bijzondere werken zouden gekend zijn. De architectuurhistorische waarde wordt dan ook niet in de motivering opgenomen zoals men kan vaststellen. 4. Wanneer het besluit stelt dat de inrichting van een bovenliggend appartement ten behoeve van de uitbater de nauwe relatie tussen wonen en werken illustreert, berust dit op de archiefstukken ter zake. Zo kan uit de opeenvolgende officiële stukken (1925, 1926, 1928, 1929, 1936 en 1940) afgeleid worden dat dhr Georges Opstaele en familie op het adres woont (toen op Leopoldlaan 51, later opgesplitst: nr 51 (garage), nr 53 (woning boven garage)) waar ook zijn garage gevestigd is. Hetzelfde kan worden afgeleid uit de bevolkingsregisters. Uit deze laatste blijkt dat de Leopoldlaan nr 53 steeds door de familie Opstaele is bezet geweest: 1) Lecot Leonie Rosalie, winkelierster 2) Opstaele Georges Frans, zoon van 1 3) Opstaele Adrienne Mathilde, dochter van 1 4) Bulté Virginie, echtgenote van 2 5) Roussel Camille Georges, echtgenoot van 3, elektrieker 6) Opstaele Georges Henri, zoon van 2 en 4 (inlichtingen schriftelijk overgemaakt door de Gemeente op 10 april 2002) X-11.226-5/13 Ook uit het bouwplan is af te leiden dat boven de garage een woning was ingericht. 5. Steller vergeet te melden dat er in de motivering op de eerste plaats melding wordt gemaakt van de uitbreiding van 1928 (nog wel aanwezig) die samen met de archivalische gegevens uit 1928, 1929, 1936 en 1940 betreffende het plaatsen van steeds meer benzinepompen en ondergrondse brandstoftanken de snelle evolutie van het autogebruik illustreren. M.a.w. de uitbreiding van 1928 kan niet los worden gezien van de vermelde archivalische gegevens die volledigheidshalve eveneens in de motivering worden opgenomen. 6. Dat het een vroeg voorbeeld betreft van een parkeergarage blijkt uit het archivalisch document van 1928 (machtiging van 24 februari 1928 van de Bestendige Deputatie - zie motivering). Hierin staat letterlijk vermeld: ‘ ...gemachtigd tot het vergrooten van zijn reeds vergunde autoloods derwijze dat ongeveer 150 rijtuigen, in afgezonderde boxen en in de gemeenschappelijke garage kunnen geplaatst worden, alsook het oprichten van een tweeden onderaardschen naphtehouder van 2000 liters met 2 bestelpompen’. 7. Wat de aanwezigheid van elektrische drijfkracht betreft (In Van Dale staat ‘drijfkracht’ omschreven als: ‘kracht die iets doet bewegen (vooral van werktuigen)’), blijkt uit de vergunning dd. 11 juni 1926 m.b.t. gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke gestichten dat er inderdaad in een vroeg stadium een elektrische motor met lage spanning wordt geplaatst en dit ondanks de bewering van de eigenaar. 8. M.b.t. de verwijzing naar het advies van het gemeentebestuur: zie aldaar. 9. ‘Zware restauratiekosten: niets is nog deugdelijk’: zie bespreking advies gemeentebestuur. Daarenboven wordt dit argument door niets gestaafd (geen diagnosenota en raming), is het zeer relatief en kan het in zijn onredelijkheid niet tegen de bescherming gebruikt worden. 10. Nogmaals: het gaat hier om de ‘industrieelarcheologische’ waarde zoals in de motivering van het M.B. vermeld staat en niet om de architecturale waarde (hoewel deze niet per se moet betwist worden). De aangehaalde zogenaamde wanverhouding wordt hier niet gestaafd. Daarenboven is steller niet bevoegd om vast te stellen wat op het niveau van het Vlaamse gewest voor de monumentenzorg al dan niet waardevol is. Het advies van de PCML luidt ten andere gunstig. 11. Dat de bescherming aanleiding zou geven tot het behoud van een lelijke plek langs alle zijden omringd door nieuwbouw is betwistbaar en is geheel voor rekening van steller. 12. Dat het besluit totaal ongemotiveerd zou zijn, wordt weerlegd in de voorgaande punten van onderhavige bespreking”. De verzoeker stelt dat het verslag dateert van 15 april 2002 en dat het hem, op zijn verzoek, werd ter kennis gebracht op 17 december 2002. 1.9. Op 2 mei 2002 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna: KCML) eenparig een gemotiveerd gunstig advies uit na kennis te hebben genomen van het verslag van inspecteur J. De Schepper en na daarover te hebben beraadslaagd. De KCML neemt de motieven voor de bescherming in de voormelde motiveringsnota over. X-11.226-6/13 1.10. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2002 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken tot de bescherming van de voormalige garage Omnia Automobile (Georges Opstaele) als monument. De minister neemt ter verantwoording de motieven van de KCML over in de bestreden akte. 2. Ten gronde 2.1.1. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 4 , § 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 april 1994 betreffende de samenstelling, de organisatie, de bevoegdheden en de werking van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest in samenlezing met de artikelen 2, 2/ en 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van Monumenten en Stads- en Dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet) en met de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet). De verzoeker betoogt dat het advies van de KCML “niets meer is dan een letterlijke overname van het advies van de provinciale dienst voor Monumenten en Landschappen van de administratie ROHM West-Vlaanderen dd. 17 augustus 2001”, de KCML nochtans “alle bezwaren en opmerkingen moet onderzoeken en bij het formuleren van haar eindadvies in aanmerking moet nemen of weerleggen”, uit het advies van de KCML “op geen enkele wijze blijkt dat dit adviesorgaan kennis heeft genomen van de ingediende bezwaren, deze onderzocht heeft en vervolgens weerlegd heeft”, dit verzuim van de KCML een schending is van een substantiële vormvereiste “waardoor het bestreden besluit door absolute nietigheid is aangetast”, “het een beginsel van behoorlijk bestuur is dat, wanneer de mogelijkheid wordt geboden een bezwaar in te dienen, dit bezwaar op gemotiveerde wijze wordt beantwoord en dit gemotiveerd antwoord ook ter kennis wordt gebracht aan de bezwaardoende partij, en dit ten laatste samen met de eindbeslissing opdat de bezwaardoende partij zich ervan kan vergewissen of deze beslissing voldoet aan de formele en inhoudelijke motiveringsplicht”. 2.1.2. Uit artikel 3 van het monumentendecreet volgt dat de Koninklijke Commissie tot taak heeft de minister van advies te dienen inzake monumenten en stads- en dorpsgezichten. De Koninklijke Commissie is aldus een adviesorgaan (Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, Verslag van de Commissie, 1975-76, 15/10, 11). X-11.226-7/13 De Koninklijke Commissie wordt gehoord onder meer wanneer de Vlaamse regering het voornemen heeft om een monument van het ontwerp van lijst te schrappen (artikel 5, § 8 van het monumentendecreet), een besluit tot definitieve bescherming van de op het ontwerp van lijst voorkomende monument vast te stellen (artikel 7 van het monumentendecreet) en een (koninklijk) besluit tot bescherming van een monument op te heffen of te wijzigen (artikel 9, tweede lid van het monumentendecreet). De decreetgever heeft zodoende in de verplichte raadpleging van de Koninklijke Commissie voorzien “in elke belangrijke fase van de procedure” (Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, Memorie van toelichting, 1973-74, 122/1, 5). Het horen van de Koninklijke Commissie door de Vlaamse regering in de voormelde gevallen is een substantieel vormvoorschrift. De Koninklijke Commissie dient immers telkens een met redenen omkleed, weliswaar niet bindend, advies op te maken over het voornemen van de Vlaamse regering. 2.1.3. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de Koninklijke Commissie een eenparig en gemotiveerd advies heeft verleend na kennis te hebben genomen van het verslag van inspecteur J. De Schepper waarin onder meer de bezwaren van de verzoeker werden weergegeven en op uitvoerige wijze werden weerlegd en na ook daarover te hebben beraadslaagd. Het feit dat de Koninklijke Commissie in haar advies de motieven met betrekking tot de in het voorlopig beschermingsbesluit aangenomen industrieel-archeologische waarde van het betrokken garagegebouw tot de hare heeft gemaakt, doet hieraan geen afbreuk. Het bevestigt integendeel dat de Koninklijke Commissie de weerlegging van de bezwaren door het bestuur en zijn motieven tot bescherming van het garagegebouw tot de hare heeft gemaakt in haar advies. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 2.1.4. Wanneer de overheid een monument van algemeen belang beschermt, moet zij, om te voldoen aan artikel 3 van de motiveringswet, in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen vermelden waarop het gesteund is. Deze formele motiveringseis verplicht de administratieve overheid er niet toe in de akte expliciet de opmerkingen en bezwaren te beantwoorden die tijdens de voorafgaande procedure tegen de bescherming zijn ingebracht. Het is voldoende, maar wel noodzakelijk dat het besluit opgeeft om welke artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere X-11.226-8/13 sociaal-culturele waarde het bestuur van oordeel is dat het beschermde monument van algemeen belang is. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de motiveringswet is erin gelegen dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen vinden op grond waarvan de beslissing werd genomen. Het is noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden, of minstens toelaat na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij deze feiten correct heeft beoordeeld, of zij de geformuleerde bezwaren heeft onderzocht en, of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De gegeven motivering moet draagkrachtig zijn en de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen. 2.1.5. Het bestreden besluit vermeldt in concreto de motieven waarom het betrokken garagegebouw omwille van het algemeen belang, gevormd door de industrieel-archeologische waarde als monument van het gebouw, wordt beschermd. Het besluit treedt hiermee het advies van de Koninklijke Commissie integraal bij. Uit de gegevens van de zaak blijkt verder dat aan de verzoeker het “verslag bezwaren” waarin zijn bezwaren op gemotiveerde wijze werden weerlegd, werd meegedeeld en dat dit verslag hem derhalve gekend is. In die omstandigheden kan de verzoeker vaststellen dat het bestreden beschermingsbesluit waaraan een brede raadpleging is voorafgegaan, onder meer van de verzoeker, werd voorafgegaan door een onderzoek van de ingediende adviezen, opmerkingen en bezwaren die bij de beoordeling door de verwerende partij werd betrokken. Derhalve kan niet worden aangenomen dat de verzoeker onvoldoende op de hoogte van de motieven van de eindbeslissing is gesteld en derhalve niet in de mogelijkheid was om met kennis van zaken tegen het bestreden besluit op te komen. 2.1.6. Het middel is ongegrond. 2.2.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2, 2/ en 7 van het monumentendecreet, de motiveringswet, “de rechtens vereiste feitelijke grondslag” en het redelijkheidsbeginsel. X-11.226-9/13 De verzoeker betoogt dat hij “uit het bestreden besluit niet begrijpt welke de beweerde industrieel-archeologische waarde van het garagegebouw zou zijn, laat staan op welke wijze deze van zodanig gewicht zou zijn dat deze het louter lokale belang overstijgt”, het bestreden besluit de rechtens vereiste feitelijke grondslag ontbeert omdat “de gevelbekleding in faience niet origineel is doch slechts veel later dan bij de oprichting van het gebouw in 1924 werd aangebracht”, ”de ontwerper van het gebouw, architect Eugène DELEYE, enkel plaatselijk actief was”, “de bovenliggende kamers niet werden ingericht ten behoeve van de uitbater doch enkel met het oog op seizoenverhuring aan toeristen, zodat dit geen illustratie vormt van een ‘nauwe relatie tussen wonen en werken’”, en “de - rekening houdende met de beschikbare oppervlakte gelet op de hoofdfunctie van werkplaats en pompstation - nooit meer parkeerplaats dan voor een 15-tal auto’s aanwezig kan geweest zijn”, voorts dat “de stelling dat het gaat om een ‘goed en zeldzaam vroeg voorbeeld van een garagegebouw van 1924 dat als dusdanig volgens de toen gangbare opvattingen inzake architectuur en werkplaatsinrichting (...) op een strategische plaats (...) werd geconcipieerd en gebouwd’, neerkomt op een loutere stijlclausule”, het bestreden besluit “manifest onvoldoende gemotiveerd is (...) waar het bestreden besluit niet aangeeft in welk opzicht de industrieel-archeologische waarde van de voormalige garage Omnia Automobile het niveau van het lokale belang overstijgt”, de verzoeker “op basis van de voorliggende motieven” niet onmiddellijk kan “weten waarom nu precies zijn eigendom door een rangschikkingsbesluit wordt getroffen”, “het gebouw in verval is en een ongeïsoleerde werkruimte omvat die in de huidige context moeilijk terug functioneel kan benut worden” “terwijl de opportuniteit van de klassering niet mag worden beoordeeld los van de huidige staat van het monument en los van de vraag of het kan worden hersteld tegen een kostprijs die niet onevenredig is met het belang dat het monument heeft”. 2.2.2. Krachtens de materiële motiveringsplicht moet elke administratieve beslissing berusten op rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag. De motieven moeten in beginsel steunen op feiten die met de werkelijkheid overeenstemmen. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel beschermingswaard is. De Raad vermag wel na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Hij kan dus nagaan of de feiten die de overheid als uitgangspunt X-11.226-10/13 heeft genomen, vaststaan in het licht van de bewijselementen die beschikbaar waren. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van haar beslissing kennelijk onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij op evidente wijze een onjuist gebruik van haar beleidsvrijheid heeft gemaakt. 2.2.3. Te dezen vinden de hiervoor aangehaalde motieven ter erkenning van de industrieel-archeologische waarde van het garagegebouw steun in de motiveringsnota van het bestuur monumenten en landschappen, die zelf gebaseerd is op een aantal historische gegevens in vergunningen en bouwdossiers en een beschrijving van het betrokken gebouw, en in de hiervoor aangehaalde gemotiveerde weerlegging door hetzelfde bestuur van de bezwaren van de verzoeker en van het ongunstig advies van het schepencollege die betrekking hadden op de gevelbekleding, de architect Deleye, de relatie tussen het appartement en de garage in het betrokken gebouw, de inrichting van parkeerplaatsen, de aanwezigheid van elektrische drijfkracht, het verval van het gebouw, de restauratiekosten en de onevenredigheid ervan en de motivering van de bescherming. Deze bezwaren werden daadwerkelijk ontmoet en uitvoerig weerlegd. De verzoeker, die zich in essentie beperkt tot een louter hernemen van de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren die door het bestuur werden weerlegd, toont niet aan dat deze concrete gegevens en weerlegging van de bezwaren onjuist zouden zijn. De verzoeker maakt in de voormelde omstandigheden evenmin aannemelijk dat het bevoegde bestuur in haar beoordeling van de beschermenswaardigheid als monument van de betrokken garage, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan. 2.2.4. Het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. X-11.226-11/13 De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. X-11.226-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.226-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.930 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.119.646 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div