← België

Arrest 193945 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.945 Rolnummer: A. 189545/XIV-30547 Zaak: Arrest 193945 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-19 Raadplegingen: 210 - laatst gezien 2026-07-02 05:44 Fiche Arrest nr 193.945 van 8 juni 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.945 in de zaak A. 189.545/XIV-30.

  1. In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie-en asielbeleid, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59B tegen : XXX, handelend in eigen naam en in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen:
  2. XXX,
  3. XXX,
  4. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat N. AUDENAERT, kantoor houdende te 9000 GENT, Sint-Denijslaan 201 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie-en asielbeleid, op 3 september 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 14.769 van 31 juli 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3375 van 24 september 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-30.547-1/14 Gelet op de beschikking van 27 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 april 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat N. AUDENAERT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  6. XXX, van Kosovaarse nationaliteit, heeft op 5 juli 2006 in eigen naam en in naam van haar minderjarige kinderen een aanvraag om machtiging tot verblijf ingediend op basis van (oud) artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van het vreemdelingen. 1.
  7. Op 19 december 2007 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk verklaard. 1.
  8. Verzoekster dient op 19 maart 2008 tegen deze beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  9. Bij arrest nr. 14.769 van 31 juli 2008 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van Minister van Binnenlandse Zaken van 19 december 2007 vernietigd en de vordering tot schorsing zonder voorwerp verklaard. XIV-30.547-2/14 Dit is het bestreden arrest: “(...) Gezien het verzoekschrift dat XXX, die verklaart van Kosovaarse nationaliteit te zijn, op 19 maart 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken van 19 december 2007 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk verklaard wordt. Gezien titel I bis, hoofdstuk 2, afdeling IV, onderafdeling 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Gezien de nota met opmerkingen. Gelet op de beschikking van 6 mei 2008, waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 4 juni
  10. Gehoord het verslag van rechter in vreemdelingenzaken M. MILOJKOWIC. Gehoord de opmerkingen van advocaat N. AUDENAERT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat N. LUCAS, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij. WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
  11. Betreffende de procedure. 1.
  12. De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen een exceptie van gebrek aan belang op. Zij betoogt dat verzoekster het vereiste belang ontbeert bij het door haar ingediende beroep tot schorsing en nietigverklaring, nu dit gericht is tegen het haar betekende bevel om het grondgebied te verlaten. 1.
  13. Huidig beroep is niet gericht tegen een bevel om het grondgebied te verlaten, maar wel tegen de beslissing van de dienst Vreemdelingenzaken van 19 december 2007 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard. De exceptie wordt verworpen.
  14. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak. Op 5 juli 2006 dient verzoekster, in eigen naam en als wettelijke vertegenwoordiger van haar drie minderjarige kinderen, een aanvraag in om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Op 19 december 2007 beslist de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag van verzoekster onontvankelijk te verklaren. Dit is de bestreden beslissing, die luidt als volgt: “De aangehaalde elementen vormen geen uitzonderlijke omstandigheid waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkene sinds 6 mei 1999 in België verblijft, geïntegreerd zou zijn, Nederlands leert en spreekt, vrijwilligerswerk verricht in de parochie St. Theresia, de kinderen hun eerste communie hebben gedaan in Gent, een vrienden- en kennissenkring heeft uitgebouwd en getuigenverklaringen voorlegt, is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van artikel 9 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. Betrokkene wist dat haar verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat zij bij een negatieve beslissing het land diende te verlaten. Betrokkene vroeg op 6 mei 1999 asiel aan in België. Deze asielaanvraag werd op 31 augustus 1999 afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, hem betekend op 2 september
  15. Betrokkene verkoos geen gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten en verblijft sindsdien illegaal in België. Uit langdurig illegaal XIV-30.547-3/14 verblijf kunnen geen rechten geput worden met het oog op regularisatie. De procedure bij de Raad van Staten werd afgesloten op 9 maart 2006 (arrest Raad van Staten 155.307). De duur van de procedure – namelijk iets meer dan drie maanden – was ook niet van die aard dat ze als onredelijk lang kan beschouwd worden. Het feit dat haar kinderen hier naar school gaan, kan niet aanzien worden als een buitengewone omstandigheid daar betrokkene niet aantoont dat de scholing niet in het land van herkomst kan verkregen worden. Tevens behoeft de scholing van de kinderen geen gespecialiseerd onderwijs, noch een gespecialiseerde infrastructuur die niet in het land van herkomst te vinden is. Betrokkene heeft bovendien steeds geweten dat de scholing van haar kinderen plaatsvond in precair verblijf en dat hun opleiding in België mogelijk slechts een tijdelijke oplossing was om de ontwikkeling van de kinderen toch zo normaal mogelijk te laten verlopen. Sinds 31 augustus 1999 vindt deze scholing trouwens plaats in illegaal verblijf. Hier bovenop vond de verplichte scholing van XXX, XXX en XXX, XXX steeds plaats in illegaal verblijf. Bijgevolg kan opgemerkt worden dat het de moeder is die de belangen van de kinderen heeft geschaad door zich te nestelen in dergelijk verblijf. Wat betreft het aangehaalde argument dat betrokkene geen regularisatieaanvraag indiende volgens de wet van 22 december 1999 wegens de wissel van advocaten, dient opgemerkt te worden dat dit het resultaat is van haar eigen houding en motivatie op dat moment en vormt evenmin een buitengewone omstandigheid. Dat verscheidene familieleden van betrokkene een vaste verblijfsvergunning hebben, wordt eveneens weerhouden als uitzonderlijke omstandigheid. Betrokkene tonen immers niet aan, waarom het verblijf van deze familieleden in België op zich een uitzonderlijke omstandigheid vormt waardoor het voor haar bijzonder moeilijk is zich naar het land van herkomst te begeven om alsnog de machtiging tot verblijf te verkrijgen. Betrokkene beweert dat haar leven en dat van haar kinderen in gevaar zou zijn indien zij zouden moeten terugkeren naar hun land van herkomst doch zij legt geen bewijzen voor die deze bewering kunnen staven. Het is aan betrokkene om op zijn minst een begin van bewijs te leveren. De loutere vermelding dat betrokkene haar leven en dat van haar kinderen in gevaar zou zijn bij een eventuele terugkeer volstaat niet om als buitengewone omstandigheid aanvaard te worden. Bovendien voegt betrokkene geen enkel nieuw element toe aan de elementen die zij reeds tijdens haar asielprocedures naar voor bracht en die niet weerhouden werden door de bevoegde instanties. De elementen ter ondersteuning van huidig verzoek om machtiging tot verblijf wettigen bijgevolg geen andere beoordeling dan die van deze instanties.”
  16. Onderzoek van het beroep. 3.
  17. In een vierde middel werpt verzoekster de schending op van de materiële motiveringsplicht, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Zij betoogt dat “… de dienst Vreemdelingenzaken genoegen neemt met de standaardformulering, dat verzoekster door integratie geen recht op verblijf kan vestigen, zonder dat hieruit werkelijk onderzoek blijkt naar de mate van sociale binding, verblijfsduur en integratie”. De dienst Vreemdelingenzaken ging ook in de fout door de aangehaalde bindingen met België te negeren door te stellen “dat het bestaan hiervan op zichzelf geen onbeperkt verblijfsrecht met zich meebrengt”. Die formulering, die een principieel standpunt verwoordt, zonder een concreet onderzoek van het dossier, is volgens eerdere rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen slechts gemotiveerd. In de bestreden beslissing wordt nergens een belangenafweging gemaakt tussen het opgehaalde recht op gezins- en privéleven enerzijds en het doel dat de dienst Vreemdelingenzaken voor ogen heeft om haar het verblijf te weigeren. 3.
  18. De drie minderjarige kinderen van verzoekster, namelijk Suzana, Rafaela, en Adelina, zijn respectievelijk geboren op 3 november 1994, 23 oktober 1998, en 6 juli
  19. Op het moment van binnenkomst in het Rijk waren zij respectievelijk 4 jaar, XIV-30.547-4/14 zeven maanden, en 8 jaar. Op het ogenblik van de bestreden beslissing verbleven zij reeds meer dan 8 jaar en 7 maanden in het Rijk. Met betrekking tot de minderjarige kinderen bevat de bestreden beslissing volgend motief: “Het feit dat haar kinderen hier naar school gaan, kan niet aanzien worden als een buitengewone omstandigheid daar betrokkene niet aantoont dat de scholing niet in het land van herkomst kan verkregen worden. Tevens behoeft de scholing van de kinderen geen gespecialiseerd onderwijs, noch een gespecialiseerde infrastructuur die niet in het land van herkomst te vinden is. Betrokkene heeft bovendien steeds geweten dat de scholing van haar kinderen plaatsvond in precair verblijf en dat hun opleiding in België mogelijk slechts een tijdelijke oplossing was om de ontwikkeling van de kinderen toch zo normaal mogelijk te laten verlopen. Sinds 31 augustus 1999 vindt deze scholing trouwens plaats in illegaal verblijf. Hier bovenop vond de verplichte scholing van XXX en XXX steeds plaats in illegaal verblijf. Bijgevolg kan opgemerkt worden dat het de moeder is die de belangen van de kinderen heeft geschaad door zich te nestelen in dergelijk verblijf.”. Los van de vraag of het hun moeder is die hun belangen zou geschaad hebben of niet, blijft het een feit dat XXX ongeveer twee derden van haar leven, XXX zo goed als heel haar leven, en Adelina de helft van haar leven in België verbleven hebben. Verzoekster maakt met haar betoog dat “… de dienst Vreemdelingenzaken genoegen neemt met de standaardformulering, dat verzoekster door integratie geen recht op verblijf kan vestigen, zonder dat hieruit werkelijk onderzoek blijkt naar de mate van sociale binding, verblijfsduur en integratie” aannemelijk dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van verzoekster onontvankelijk te verklaren. Het vierde middel is in de besproken mate gegrond.
  20. Uit voorgaande blijkt dat de zaak slechts korte debatten heeft vereist. De verzoekende partij heeft een gegrond middel aangevoerd. Er is derhalve grond om toepassing te maken van artikel 36 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, is zonder voorwerp. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWISTINGEN: Artikel
  21. Vernietigd wordt de beslissing genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken op negentien december tweeduizend en zeven, waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard. Artikel
  22. De vordering tot schorsing is zonder voorwerp. (...).”.
  23. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  24. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel aanvoert: “3.
  25. Eerste middel Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van: - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: o art. 149 van de gecoördineerde Grondwet ; o art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-30.547-5/14 o en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld: "3.
  26. In een vierde middel werpt verzoekster de schending op van de materiële motiveringsplicht, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Zij betoogt dat "... de dienst Vreemdelingenzaken genoegen neemt met de standaardformulering, dat verzoekster door integratie geen recht op verblijf kan vestigen, zonder dat hieruit werkelijk onderzoek blijkt naar de mate van sociale binding, verblijfsduur en integratie". De dienst Vreemdelingenzaken ging ook in de fout door de aangehaalde bindingen met België te negeren door te stellen "dat het bestaan hiervan op zichzelf geen onbeperkt verblijfsrecht met zich meebrengt". Die formulering, die een principieel standpunt verwoordt, zonder een concreet onderzoek van het dossier, is volgens eerdere rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen slechts gemotiveerd. In de bestreden beslissing wordt nergens een belangenafweging gemaakt tussen het opgehaalde recht op gezins- en privé-leven enerzijds en het doel dat de dienst Vreemdelingenzaken voor ogen heeft om haar het verblijf te weigeren. 3.
  27. De drie minderjarige kinderen van verzoekster, namelijk Suzana, Rafaela, en Adelina, zijn respectievelijk geboren op 3 november 1994, 23 oktober 1998, en 6 juli
  28. Op het moment van binnenkomst in het Rijk waren zij respectievelijk 4 jaar, zeven maanden, en 8 jaar. Op het ogenblik van de bestreden beslissing verbleven zij reeds meer dan 8 jaar en 7 maanden in het Rijk. Met betrekking tot de minderjarige kinderen bevat de bestreden beslissing volgend motief: "Het feit dat haar kinderen hier naar school gaan, kan niet aanzien worden als een buitengewone omstandigheid daar betrokkene niet aantoont dat de scholing niet in het land van herkomst kan verkregen worden. Tevens behoeft de scholing van de kinderen geen gespecialiseerd onderwijs, noch een gespecialiseerde infrastructuur die niet in het land van herkomst te vinden is. Betrokkene heeft bovendien steeds geweten dat de scholing van haar kinderen plaatsvond in precair verblijf en dat hun opleiding in België mogelijk slechts een tijdelijke oplossing was om de ontwikkeling van de kinderen toch zo normaal mogelijk te laten verlopen. Sinds 31 augustus 1999 vindt deze scholing trouwens plaats in illegaal verblijf Hier bovenop vond de verplichte scholing van XXX en XXX steeds plaats in illegaal verblijf Bijgevolg kan opgemerkt worden dat het de moeder is die de belangen van de kinderen heeft geschaad door zich te nestelen in dergelijk verblijf ". Los van de vraag of het hun moeder is die hun belangen zou geschaad hebben of niet, blijft het een feit dat Suzanna ongeveer twee derden van haar leven, Rafaela zo goed als heel haar leven, en Adelina de helft van haar leven in België verbleven hebben. Verzoekster maakt met haar betoog dat "... de dienst Vreemdelingenzaken genoegen neemt met de standaardformulering, dat verzoekster door integratie geen recht op verblijf kan vestigen, zonder dat hieruit werkelijk onderzoek blijkt naar de mate van sociale binding, verblijfsduur en integratie" aannemelijk dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van verzoekster onontvankelijk te verklaren. Het vierde middel is in de besproken mate gegrond." Verzoekende partij stelt vast dat de rechter in vreemdelingenzaken in de motieven van zijn arrest, onder de hoofding "
  29. Onderzoek van het beroep", zich ertoe beperkt: XIV-30.547-6/14 - onder 3.1 te verwijzen naar de uiteenzetting door verweerster (oorspronkelijk verzoekster) gedaan in haar inleidend verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; - vervolgens te verwijzen naar de termijn gedurende dewelke de minderjarige kinderen in het Rijk verblijven; - nadien te verwijzen naar het motief in de bestreden beslissing: "Het feit dat haar kinderen hier naar school gaan, kan niet aanzien worden als een buitengewone omstandigheid daar betrokkene niet aantoont dat de scholing niet in het land van herkomst kan verkregen worden. Tevens behoeft de scholing van de kinderen geen gespecialiseerd onderwijs, noch een gespecialiseerde infrastructuur die niet in het land van herkomst te vinden is. Betrokkene heeft bovendien steeds geweten dat de scholing van haar kinderen plaatsvond in precair verblijf en dat hun opleiding in België mogelijk slechts een tijdelijke oplossing was om de ontwikkeling van de kinderen toch zo normaal mogelijk te laten verlopen. Sinds 31 augustus 1999 vindt deze scholing trouwens plaats in illegaal verblijf. Hier bovenop vond de verplichte scholing van XXX en XXX steeds plaats in illegaal verblijf Bijgevolg kan opgemerkt worden dat het de moeder is die de belangen van de kinderen heeft geschaad door zich te nestelen in dergelijk verblijf " en te stellen dat: " (...)blijft het een feit dat Suzanna ongeveer twee derden van haar leven, Rafaela zo goed als heel haar leven, en Adelina de helft van haar leven in België verbleven hebben." - om tot slot, onmiddellijk volgend op het voorgaande en zeer summier gesteld, te oordelen dat 'verzoekster (thans verweerster) met haar betoog aannemelijk maakt dat de federale Minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze tot de beslissing dd. 19.12.2007 is gekomen'. Verzoeker acht de motivering van het aangevochten arrest manifest onvoldoende, nu er op geen enkele wijze uit blijkt om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken tot het besluit komt dat "verzoekster (...) met haar betoog aannemelijk (maakt) dat (...) de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag (...) onontvankelijk te verklaren." De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient als administratief rechtscollege te voldoen aan de motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet, alsook van art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.) Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er verwezen worden naar ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermiddelen van de partijen te beantwoorden." De motivering van vonnissen is een wezenlijke waarborg tegen willekeur en geldt als bewijs dat de rechter de hem voorgelegde middelen zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak beredeneerd heeft (Cass., 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166). De verplichting tot motiveren is een vormvereiste. Aan deze verplichting wordt evenwel niet voldaan, indien zij het Hof van Cassatie niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (Cass., 19 oktober 2000). Uit de zeer summiere motieven van het aangevochten arrest blijkt allerminst om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken de beslissing dd. 19.12.2007 heeft vernietigd. De gemachtigde van de Minister is tot het besluit gekomen dat er door (verzoekster) huidig verweerster geen buitengewone omstandigheden werden aangetoond. Dit motief wordt zelfs niet onderzocht door de rechter in vreemdelingenzaken. XIV-30.547-7/14 Inderdaad blijkt op geen enkel ogenblik dat het essentiële motief van de administratieve beslissing dd. 19.12.2007, namelijk het niet voorhanden zijn van buitengewone omstandigheden, door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd onderzocht en mee in zijn beoordeling werd opgenomen, wel integendeel blijkt uit de afwezigheid van zulk onderzoek en beoordeling dat de rechter in vreemdelingenzaken aan het essentiële motief van de administratieve beslissing volledig is voorbij gegaan. Het gebrek aan vermelding van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het aangevochten arrest is gekomen, maakt het voor de verzoekende partij in cassatie onmogelijk om een deugdelijk verweer te voeren op het arrest en maakt het voor de Raad van State, als Cassatierechter, eveneens onmogelijk om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vaststelling die op zich al volstaat om administratieve tot cassatie te besluiten. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Verzoeker stelt vast dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het aangevochten arrest de uitvoerige motieven van de beslissing dd. 19.12.2007 citeert en dat zulk citaat één volledige pagina van het arrest in beslag neemt. Vervolgens wordt over meer dan een halve bladzijde verwezen naar de uiteenzetting van (verzoekster), thans verweerster. Tot slot wordt in één wel zeer summiere paragraaf - bestaande uit één zin - geoordeeld dat de aangevochten administratieve beslissing dient te worden vernietigd, enkel stellende dat `verzoekster met haar betoog aannemelijk maakt dat de minister op kennelijk onredelijke wijze' tot de bestreden administratieve beslissing is gekomen. Er werd dan ook niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn beslissing steunt. Geenszins blijkt dat het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken niet op willekeurige wijze is tot stand gekomen. Er mag van een administratieve jurisdictie uiteraard verwacht worden dat er niet op een vage en algemene wijze gemotiveerd wordt. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Door zich te beperken tot de enkele vaststelling dat "verzoekster (...) met haar betoog aannemelijk (maakt) dat (...) de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag (...) onontvankelijk te verklaren", schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Het eerste middel is gegrond.”; 2.1.
  30. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt: “3.
  31. Eerste middel Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van: - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: o art. 149 van de gecoördineerde Grondwet ; o art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; o en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld: XIV-30.547-8/14 "3.
  32. In een vierde middel werpt verzoekster de schending op van de materiële motiveringsplicht, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Zij betoogt dat " ... de dienst Vreemdelingenzaken genoegen neemt met de standaardformulering, dat verzoekster door integratie geen recht op verblijf kan vestigen, zonder dat hieruit werkelijk onderzoek blijkt naar de mate van sociale binding, verblijfsduur en integratie". De dienst Vreemdelingenzaken ging ook in de fout door de aangehaalde bindingen met België te negeren door te stellen "dat het bestaan hiervan op zichzelf geen onbeperkt verblijfsrecht met zich meebrengt". Die formulering, die een principieel standpunt verwoordt, zonder een concreet onderzoek van het dossier, is volgens eerdere rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen slechts gemotiveerd. In de bestreden beslissing wordt nergens een belangenafweging gemaakt tussen het opgehaalde recht op gezins- en privé-leven enerzijds en het doel dat de dienst Vreemdelingenzaken voor ogen heeft om haar het verblijf te weigeren. 3.
  33. De drie minderjarige kinderen van verzoekster, namelijk Suzana, Rafaela, en Adelina, zijn respectievelijk geboren op 3 november 1994, 23 oktober 1998, en 6 juli
  34. Op het moment van binnenkomst in het Rijk waren zij respectievelijk 4 jaar, zeven maanden, en 8 jaar. Op het ogenblik van de bestreden beslissing verbleven zij reeds meer dan 8 jaar en 7 maanden in het Rijk. Met betrekking tot de minderjarige kinderen bevat de bestreden beslissing volgend motief: "Het feit dat haar kinderen hier naar school gaan, kan niet aanzien worden als een buitengewone omstandigheid daar betrokkene niet aantoont dat de scholing niet in het land van herkomst kan verkregen worden. Tevens behoeft de scholing van de kinderen geen gespecialiseerd onderwijs, noch een gespecialiseerde infrastructuur die niet in het land van herkomst te vinden is. Betrokkene heeft bovendien steeds geweten dat de scholing van haar kinderen plaatsvond in precair verblijf en dat hun opleiding in België mogelijk slechts een tijdelijke oplossing was om de ontwikkeling van de kinderen toch zo normaal mogelijk te laten verlopen. Sinds 31 augustus 1999 vindt deze scholing trouwens plaats in illegaal verblijf. Hier bovenop vond de verplichte scholing van XXX en XXX steeds plaats in illegaal verblijf Bijgevolg kan opgemerkt worden dat het de moeder is die de belangen van de kinderen heeft geschaad door zich te nestelen in dergelijk verblijf ". Los van de vraag of het hun moeder is die hun belangen zou geschaad hebben of niet, blijft het een feit dat XXX ongeveer twee derden van haar leven, XXX zo goed als heel haar leven, en XXX de helft van haar leven in België verbleven hebben. Verzoekster maakt met haar betoog dat "... de dienst Vreemdelingenzaken genoegen neemt met de standaardformulering, dat verzoekster door integratie geen recht op verblijf kan vestigen, zonder dat hieruit werkelijk onderzoek blijkt naar de mate van sociale binding, verblijfsduur en integratie" aannemelijk dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van verzoekster onontvankelijk te verklaren. Het vierde middel is in de besproken mate gegrond " Verzoekende partij stelt vast dat de rechter in vreemdelingenzaken in de motieven van zijn arrest, onder de hoofding "
  35. Onderzoek van het beroep", zich ertoe beperkt: - onder 3.1 te verwijzen naar de uiteenzetting door verweerster (oorspronkelijk verzoekster) gedaan in haar inleidend verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; - vervolgens te verwijzen naar de termijn gedurende dewelke de minderjarige kinderen in het Rijk verblijven; - nadien te verwijzen naar het motief in de bestreden beslissing: XIV-30.547-9/14 "Het feit dat haar kinderen hier naar school gaan, kan niet aanzien worden als een buitengewone omstandigheid daar betrokkene niet aantoont dat de scholing niet in het land van herkomst kan verkregen worden. Tevens behoeft de scholing van de kinderen geen gespecialiseerd onderwijs, noch een gespecialiseerde infrastructuur die niet in het land van herkomst te vinden is. Betrokkene heeft bovendien steeds geweten dat de scholing van haar kinderen plaatsvond in precair verblijf en dat hun opleiding in België mogelijk slechts een tijdelijke oplossing was om de ontwikkeling van de kinderen toch zo normaal mogelijk te laten verlopen. Sinds 31 augustus 1999 vindt deze scholing trouwens plaats in illegaal verblijf Hier bovenop vond de verplichte scholing van XXX en XXX steeds plaats in illegaal verblijf. Bijgevolg kan opgemerkt worden dat het de moeder is die de belangen van de kinderen heeft geschaad door zich te nestelen in dergelijk verblijf. " en te stellen dat: " (...)blijft het een feit dat XXX ongeveer twee derden van haar leven, XXX zo goed als heel haar leven, en XXX de helft van haar leven in België verbleven hebben." - om tot slot, onmiddellijk volgend op het voorgaande en zeer summier gesteld, te oordelen dat 'verzoekster (thans verweerster) met haar betoog aannemelijk maakt dat de federale Minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze tot de beslissing dd. 19.12.2007 is gekomen'. Verzoeker acht de motivering van het aangevochten arrest manifest onvoldoende, nu er op geen enkele wijze uit blijkt om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken tot het besluit komt dat "verzoekster (...) met haar betoog aannemelijk (maakt) dat (...) de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag (...) onontvankelijk te verklaren." De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient als administratief rechtscollege te voldoen aan de motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet, alsook van art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.) Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er verwezen worden naar ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermiddelen van de partijen te beantwoorden." De motivering van vonnissen is een wezenlijke waarborg tegen willekeur en geldt als bewijs dat de rechter de hem voorgelegde middelen zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak beredeneerd heeft (Cass., 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166). De verplichting tot motiveren is een vormvereiste. Aan deze verplichting wordt evenwel niet voldaan, indien zij het Hof van Cassatie niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (Cass., 19 oktober 2000). Uit de zeer summiere motieven van het aangevochten arrest blijkt allerminst om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken de beslissing dd. 19.12.2007 heeft vernietigd. De gemachtigde van de Minister is tot het besluit gekomen dat er door (verzoekster) huidig verweerster geen buitengewone omstandigheden werden aangetoond. Dit motief wordt zelfs niet onderzocht door de rechter in vreemdelingenzaken. Inderdaad blijkt op geen enkel ogenblik dat het essentiële motief van de administratieve beslissing dd. 19.12.2007, namelijk het niet voorhanden zijn van buitengewone omstandigheden, door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd onderzocht en mee in zijn beoordeling werd opgenomen, wel integendeel blijkt uit de afwezigheid van zulk onderzoek en beoordeling dat de rechter in vreemdelingenzaken aan het essentiële motief van de administratieve beslissing volledig is voorbij gegaan. XIV-30.547-10/14 Het gebrek aan vermelding van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het aangevochten arrest is gekomen, maakt het voor de verzoekende partij in cassatie onmogelijk om een deugdelijk verweer te voeren op het arrest en maakt het voor de Raad van State. als Cassatierechter, eveneens onmogelijk om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vaststelling die op zich al volstaat om administratieve tot cassatie te besluiten. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Verzoeker stelt vast dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het aangevochten arrest de uitvoerige motieven van de beslissing dd. 19.12.2007 citeert en dat zulk citaat één volledige pagina van het arrest in beslag neemt. Vervolgens wordt over meer dan een halve bladzijde verwezen naar de uiteenzetting van (verzoekster), thans verweerster. Waar huidig verweerster in haar memorie van wederantwoord verwijst naar de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de eerste alinea onder 3.1 weergegeven uiteenzetting en stelt dat hieruit 'duidelijk blijkt waarom de Raad tot een gebrekkige motivering besluit', heeft de verzoekende partij de eer te antwoorden dat: - deze uiteenzetting in de eerste alinea onder 3.1 geen eigen uiteenzetting is van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, doch enkel een verwijzing naar het vierde middel van (verzoekster), thans verweerster en derhalve geen eigen motivering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitmaakt; - uit het bestreden arrest nergens blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot een 'gebrekkige motivering' besluit en huidig verweerster derhalve motieven in dit arrest lijkt te lezen die er niet in vermeld staan. In het arrest wordt tot slot wordt in één wel zeer summiere paragraaf - bestaande uit één zin - geoordeeld dat de aangevochten administratieve beslissing dient te worden vernietigd, enkel stellende dat 'verzoekster met haar betoog aannemelijk maakt dat de minister op kennelijk onredelijke wijze' tot de bestreden administratieve beslissing is gekomen. Er werd dan ook niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn beslissing steunt. Geenszins blijkt dat het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken niet op willekeurige wijze is tot stand gekomen. Waar huidig verweerster in de memorie van antwoord poneert dat "de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk (laat) blijken dat zij dit antwoord als te gestandaardiseerd beschouwt", dient de verzoekende partij andermaal vast te stellen dat een dergelijke motivering nergens in het arrest is terug te vinden. Het dient te worden benadrukt dat de enige eigen motieven van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de volgende zijn: "Los van de vraag of het hun moeder is die hun belangen zou geschaad hebben of niet, blijft het een feit dat XXX ongeveer twee derden van haar leven, Rafaela zo goed als heel haar leven, en XXX de helft van haar leven in België verbleven hebben. Verzoekster maakt met haar betoog dat "... de dienst Vreemdelingenzaken genoegen neemt met de standaardformulering, dat verzoekster door integratie geen recht op verblijf kan vestigen, zonder dat hieruit werkelijk onderzoek blijkt naar de mate van sociale binding, verblijfsduur en integratie" aannemelijk dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van verzoekster onontvankelijk te verklaren. Het vierde middel is in de besproken mate gegrond:" Huidig verweerster leidt uit een dergelijke summiere uiteenzetting kennelijk af dat: - de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft beslist tot een motiveringsgebrek; - de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het 'antwoord' van de Dienst Vreemdelingenzaken 'als te gestandaardiseerd beschouwt'; - de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bestreden beslissing heeft vernietigd `omwille van het gegeven dat zij niet alle middelen van (verzoekster - XIV-30.547-11/14 huidig verweerster) onderzocht heeft en op gestandaardiseerde wijze besluit tot de onontvankelijkheid' ; - de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen 'verscheidene vernietigingsgronden vond' en de bestreden bestuurlijke beslissing vernietigde; - de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft 'gesteld dat de Dienst Vreemdelingenzaken inderdaad geen onderzoek heeft verricht naar de eventuele schending van deze rechten', waarbij verweerster naar eigen zeggen doelt op het door haar in de 'beroepsakte' aangehaalde schending van het 'recht op gezins- en familieleven'; - het 'net is omdat het onderzoek naar de uitzonderlijke omstandigheden in de initieel bestreden administratieve beslissing ontbreekt dat de Raad deze beslissing vernietigd heeft'. De verzoekende partij vindt evenwel geen enkele van deze motieven terug in het bestreden arrest. Verweerster leest in het bestreden arrest kennelijk heel wat motieven die er niet in terug te vinden zijn. Zoals hoger uiteengezet, zijn de eigen motieven van het arrest tot 2 zeer summiere alinea's beperkt. Hetgeen verweerster aanhaalt blijkt allerminst uit deze 2 alinea's. Zo wordt, in tegenstelling tot wat verweerster aanhaalt, nergens in het bestreden arrest uiteengezet dat de Dienst Vreemdelingenzaken geen onderzoek heeft gedaan naar de buitengewone omstandigheden en dat de initieel bestreden administratieve beslissing om die reden wordt vernietigd. Integendeel maakt de rechter in vreemdelingenzaken in de 2 alinea's die de eigen motivering van het arrest uitmaken, zelfs geen melding van de invulling van / het onderzoek naar de buitengewone omstandigheden. Terwijl verweerster evenmin ernstig kan voorhouden dat 'de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen middel per middel aanhaalt van concluante'. Uit het bestreden arrest blijkt zeer duidelijk dat enkel naar het vierde middel van (verzoekster) huidig verweerster wordt verwezen (onder 3.1). Geen enkel ander middel komt ter sprake. Er mag van een administratieve jurisdictie uiteraard verwacht worden dat er niet op een vage en algemene wijze gemotiveerd wordt. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Door zich te beperken tot de enkele vaststelling dat "verzoekster (...) met haar betoog aannemelijk (maakt) dat (...) de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag (...) onontvankelijk te verklaren", schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Het eerste middel is gegrond.”; 2.2.
  36. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht beheersen, namelijk van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 39/65, eerste lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en van het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging; dat de verzoekende partij de motivering van het aangevochten arrest manifest onvoldoende acht, nu er op geen enkele wijze uit blijkt om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken tot het besluit komt dat “verzoekster (...) met haar betoog aannemelijk XIV-30.547-12/14 (maakt) dat (...) de minister (...) op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag (...) onontvankelijk te verklaren”; dat nog volgens de verzoekende partij het essentiële motief van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dat er geen buitengewone omstandigheden worden aangetoond zelfs niet wordt onderzocht door de rechter in vreemdelingenzaken; 2.2.
  37. Overwegende dat de oorspronkelijke verzoekende partij, thans de verwerende partij, in haar annulatieberoep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in haar vierde middel de schending heeft ingeroepen van de materiële motiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat zij daarin heeft aangevoerd dat de Dienst Vreemdelingenzaken genoegen neemt met een standaardformulering dat zij door integratie geen recht op verblijf kan vestigen zonder dat hieruit blijkt dat werkelijk onderzoek werd gedaan naar de mate van sociale binding, verblijfsduur en integratie; dat de Raad voor Vreemdelingenzaken in zijn arrest overweegt dat “los van de vraag of het hun moeder is die hun belangen zou geschaad (hebben) of niet, het een feit (blijft) dat XXX ongeveer twee derden van haar leven, XXX zo goed als heel haar leven, en XXX de helft van haar leven in België zou hebben verbleven hebben” en dat “verzoekster met haar betoog dat “... de Dienst Vreemdelingenzaken genoegen neemt met de standaardformulering dat verzoekster door integratie geen recht op verblijf kan vestigen zonder dat hieruit werkelijk onderzoek blijkt naar de mate van sociale binding, verblijfsduur en integratie” aannemelijk (maakt) dat de Minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van verzoekster onontvankelijk te verklaren”; dat uit deze zinsnede weliswaar kan worden afgeleid dat de rechter in vreemdelingenzaken van mening was dat de aangevoerde omstandigheden als “buitengewoon” dienden te worden gekwalificeerd; dat uit deze motivering evenwel niet blijkt waarom de rechter in vreemdelingenzaken tot het besluit komt dat het oordeel van de Minister van Binnenlandse Zaken, genomen op grond van een discretionaire appreciatiebevoegheid, kennelijk onredelijk was; dat aldus de schending van de formele motiveringsplicht dient aangenomen; dat het eerste middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  38. Vernietigd wordt het arrest nr. 14.769 van 31 juli 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-30.547-13/14 Artikel
  39. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  40. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  41. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht juni tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.547-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.945 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.