← België

Arrest 193948 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.948 Rolnummer: A. 174266/X-12903 Zaak: Arrest 193948 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-15 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:14 Fiche Arrest nr 193.948 van 9 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.948 van 9 juni 2009 in de zaak A. 174.266/X-12.903. In zake : 1. Marie-Jeanne VANDEVOORDE, 2. Jean-Pierre OMBRECHT, 3. de v.z.w. GROEN, die woonplaats kiezen bij advocaat T. BIENSTMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Vlaanderenstraat 78 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marie-Jeanne VANDEVOORDE, Jean-Pierre OMBRECHT en de v.z.w. GROEN op 23 juni 2006 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 31 maart 2006 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Chartreuse” (B.S. 24 april 2006); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 maart 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 27 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; X-12.903-1/18 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. D’HOOGHE, die loco advocaat T. BIENSTMAN verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust bestemt het ‘Chartreuse’-gebied aan het snijpunt van de autosnelweg E40 en de spoorlijn Brugge-Kortrijk onder meer tot gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, parkgebied, natuurgebied, gebied voor dag- en verblijfsrecreatie en agrarisch gebied. 1.2. Op 29 april 2005 keurt de Vlaamse regering “voorafname afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge GRUP ‘Chartreuse’: voorlopige vaststelling - ontwerpbesluit (...) houdende voorlopige vaststelling van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Chartreuse’” goed. Het ontwerpplan bestemt het ‘Chartreuse’-gebied onder meer tot regionaal bedrijventerrein, gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, stedelijk woongebied, parkgebied, woongebied en agrarisch gebied. Dit besluit overweegt ondermeer wat volgt : “Overwegende dat in uitvoering van het Zomerakkoord 2002 er voor bepaalde bedrijventerreinen waarover binnen de lopende afbakeningsprocessen consensus bestaat, deelprocessen opgestart zijn; dat op die manier wordt vermeden dat in bepaalde gebieden een acuut tekort aan bedrijventerreinen ontstaat omwille van de duurtijd van een afbakeningsproces; dat het voorliggend ruimtelijk uitvoeringsplan één van die deelprocessen is; dat het plan een uitvoering is van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en een voorafname is op het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Brugge”. X-12.903-2/18 1.3. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek van 30 mei 2005 tot 28 juli 2005 worden 17 bezwaarschriften ingediend, waaronder één door de derde verzoekende partij. In het bezwaarschrift van de v.z.w. Bond Beter Leefmilieu wordt onder meer het volgende gesteld: “2. Voorafname op stedelijk gebied kan niet volgens Raad van State Zoals in de toelichting van het RUP wordt gesteld, is dit RUP een voorafname op de afbakening van het stedelijk gebied Brugge. Volgens een recent arrest van de Raad van State (nr. 144.447 van 17 mei 2005) kunnen dergelijke voorafnames niet. Volgens de Raad van State zijn dergelijke voorafnames in strijd met het RSV, omdat daarmee de chronologie uit de bindende bepalingen van het RSV wordt doorbroken. Volgens de Raad moet daarom éérst het stedelijk gebied worden afgebakend om dan in een tweede stap binnen het aldus afgebakende gebied bedrijventerreinen af te bakenen”. 1.4. Op 25 oktober 2005 worden de ingediende bezwaren door VLACORO beoordeeld en wordt een advies geformuleerd. In dit advies wordt onder meer het volgende gesteld: “B.2 Bespreking van de bezwaarschriften (...) Vlacoro is het niet eens met de bezwaren m.b.t. de wijziging van de bestemming van Chartreuse naar HQ-zone. Enerzijds stelt Vlacoro dat in de verordenende stedenbouwkundige voorschriften voldoende wordt ingegaan op de geuite bezwaren. Anderzijds adviseert Vlacoro de Vlaamse regering tot een ruimere motivering van de keuze voor deze locatie Chartreuse als een hoogwaardig bedrijventerrein voor kantoorachtigen, vooral in vergelijking met de stationsomgeving (A-locatie) waar nu en vooral in de nabije toekomst, heel wat potenties (zullen) voorhanden zijn. Ook de voorwaarden inzake behoefte- onderzoek en meerwaarde-creatie dienen beter te worden uitgewerkt. (...) 2. Vlacoro wijst de Vlaamse Regering op het arrest van de Raad van State nr. 144.477 van 17 mei 2005. Dit arrest stelt letterlijk: ‘Overwegende dat het bestreden uitvoeringsplan tot afbakening van het regionaal bedrijventerrein -zoals het in het goedkeuringsbesluit van 7 juni 2004 wordt uitgedrukt- beschouwd moet worden als ‘voorafname op een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor de afbakening van het kleinstedelijk gebied Mol’; dat krachtens artikel 19, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening de ‘bindende bepalingen’ van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen bindend zijn voor de besturen, die onder het administratief toezicht staan van het Vlaamse Gewest, dus ook voor de eerste verwerende partij; dat in die ‘bindende bepalingen’ de gemeente Mol wordt aangeduid als structuurondersteunend kleinstedelijk gebied; dat één van de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen in verband met de X-12.903-3/18 stedelijke gebieden onder de hoofding ‘Afbakening van de stedelijke gebieden’ luidt als volgt : ‘De structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden (...) worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend (...)’; dat een andere van de bindende bepalingen van dit Ruimtelijk Structuurplan in verband met de gebieden voor economische activiteiten onder de hoofding ‘Afbakening van bedrijventerreinen’ de volgende is : ‘De regionale bedrijventerreinen in de structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden (...) worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend (...)’; dat op het eerste gezicht de geciteerde bindende bepalingen een chronologie impliceren waarbij in een eerste stap het structuurondersteunend kleinstedelijk gebied wordt afgebakend, om dan in een tweede stap binnen het aldus afgebakende gebied bedrijventerreinen af te bakenen; dat het bestreden uitvoeringsplan deze chronologie niet respecteert; dat de noodzaak om de chronologie te respecteren ook wordt bevestigd door het richtinggevende gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen - dat samenhangt met het bindende gedeelte (…);’ Vlacoro wil volgende eigen opmerkingen plaatsen bij dit arrest: Belangrijk is dat het niet om een annulatie-arrest, maar om een schorsings-arrest gaat. Er is dus inzake bovenvermelde problematiek duidelijk nog geen uitspraak ten gronde. Er werd enkel ‘prima facie’ geoordeeld. Vlacoro vindt het noodzakelijk dat tegelijk verwezen wordt naar de bindende bepalingen van het RSV m.b.t. de afbakening van bedrijventerreinen (p. 587 RSV): ‘De behoefte aan uit te rusten bedrijventerreinen …. zal in AANLEGPLANNEN worden afgebakend’, en verder ‘de regionale bedrijventerreinen in de regionaal stedelijke gebieden (Brugge)……..worden door het Vlaams Gewest in de gewestplannen of in de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend’, en verder ‘de regionale bedrijventerreinen in de structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden…….worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend of op voorstel en op vraag van de provincie door het Vlaamse Gewest in de gewestplannen afgebakend’. (...) B.4. Besluit Gelet op de beperkte motivering van de weerhouden locatiekeuze; Gelet op de onvoldoende studie van mogelijke alternatieven voor Chartreuse; Gelet op de risico’s verbonden aan het recente arrest van de Raad van State m.b.t. de problematiek van de voorafname bij de afbakening van stedelijke gebieden; Gelet op de hoger vermelde voorwaarden en opmerkingen; adviseert Vlacoro aan de Vlaamse Regering om dit dossier op te nemen in het openbaar onderzoek van het RUP Afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge”. 1.5. In een nota van de afdeling Ruimtelijke Planning van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan de minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening wordt onder meer het volgende gesteld: X-12.903-4/18 “Op basis van het overleg met uw kabinetsmedewerker dat heeft plaatsgehad op 18 november ll. is een nota aan de leden van de Vlaamse Regering uitgewerkt waarin wordt voorgesteld het advies van Vlacoro te volgen en niet over te gaan tot de definitieve vaststelling van het RUP maar de optie voor Chartreuse te integreren in het RUP voor de afbakening stedelijk gebied Brugge. Het volgen van het advies van Vlacoro heeft tot gevolg dat de problematiek ‘voorafname’ zonder voorwerp wordt”. 1.6. Bij besluit van 13 januari 2006 verlengt de Vlaamse regering de goedkeuringstermijn voor de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) “Chartreuse” met 60 dagen, gelet op: “- het feit dat het advies van VLACORO bijkomende motivering van en aanpassingen aan het dossier vereist, - de problematiek van een voorafname op de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge, - het vereiste advies van de Raad van State, afdeling wetgeving”. 1.7. Op 27 februari 2006 wordt de afdeling wetgeving van de Raad van State om advies gevraagd. 1.8. Op 16 maart 2006 overweegt de afdeling wetgeving ondermeer het volgende in haar advies 39.964/1: “3. In het arrest nr. 144.477 van 17 mei 2005 heeft de afdeling administratie van de Raad van State in kort geding geoordeeld dat een voorafname bij de afbakening van stedelijke gebieden, op het eerste gezicht onwettig is. Uit de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen werd in dat arrest afgeleid dat een bepaalde chronologie moet worden gevolgd: eerst moeten de stedelijke gebieden worden afgebakend en daarna kunnen in die stedelijke gebieden bedrijventerreinen worden afgebakend. In de laatste overweging in de aanhef van het ontwerp motiveren de stellers van het ontwerp waarom ze in dit geval toch een voorafname noodzakelijk achten. Kennelijk maken ze daarbij gebruik van de door artikel 19, § 3, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 geboden mogelijkheid om af te wijken van het richtinggevende gedeelte van het structuurplan, mits een uitgebreide motivering. Volgens die bepaling mogen de uitzonderingsgronden voor een afwijking ‘in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen’. In geval van een betwisting over de toepassing van deze mogelijkheid tot afwijking, zal het de Raad van State, afdeling administratie, of de gewone rechter toekomen zich over de wettelijkheid ervan uit te spreken”. 1.9. Bij besluit van 31 maart 2006 van de Vlaamse regering wordt het GRUP definitief vastgesteld. X-12.903-5/18 Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat, mede met inachtname van het advies van de Raad van State, volgende motieven onderbouwen waarom voorliggend besluit in afwijking van de richtinggevende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen een voorafname neemt op de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge : Ten eerste. In uitvoering van het Zomerakkoord 2002 zijn er voor bepaalde bedrijventerreinen waarover binnen de lopende afbakeningsprocessen consensus bestaat, deelprocessen opgestart. Op die manier wordt vermeden dat in bepaalde gebieden een acuut tekort aan bedrijventerreinen ontstaat omwille van de duurtijd van een afbakeningsproces. Het ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Chartreuse’ is één van die deelprocessen. Het is aldus effectief ingebed in een lopend afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Brugge, dat werd opgestart in mei 2002. Reeds in de deelnota ‘economische activiteiten’ wordt rekening gehouden met een bedrijventerrein ter hoogte van de Chartreuseweg (‘Afbakening van het Regionaalstedelijk Gebied Brugge – Deelnota Economische activiteiten’, maart 2003). Het gebied is namelijk gekoppeld aan de belangrijkste infrastructuur van regionaalstedelijk niveau (N31) en heeft bovendien potenties om goed ontsloten te worden met het openbaar vervoer. In het voorstel tot Afbakening van het regionaalstedelijk Gebied Brugge wordt het Chartreusegebied voorts aangegeven als een ‘strategisch project’, bedoeld voor de ontwikkeling van een gemengd regionaal bedrijventerrein van ‘kantoorachtigen’ (Afbakening van het Regionaalstedelijk Gebied Brugge – Voorstel van afbakening’, september 2004). Het voorliggend ruimtelijk uitvoeringsplan is aldus zeer zeker ingebed in een, zij het nog niet gefinaliseerde, visie op het regionaalstedelijk Gebied Brugge, waardoor aan de ratio van het afbakeningsproces zoals omschreven op de pagina’s 346-349 van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen tegemoet wordt gekomen. Ten tweede. Uit de gegevens van de ‘Motiveringsnota locatiekeuze hoogwaardig gemengd regionaal bedrijventerrein’ dd. februari 2006 blijkt dat in casu dwingende en urgente redenen van sociaal-economisch belang voorhanden zijn :

  1. a)In West-Vlaanderen wordt ten opzichte van de andere Vlaamse provincies een significante achterstand in de gedeeltelijke omschakeling van industriële tewerkstelling naar tewerkstelling in handel en diensten vastgesteld. De stijging van de tewerkstelling in de tertiaire sector in West-Vlaanderen bedraagt slechts 20%, ten opzichte van een stijging van 25% voor gans Vlaanderen. Eén en ander dient te worden gekoppeld aan de vaststelling dat er een relatief klein aandeel van hogere kaderfuncties in de West-Vlaamse dienstensector voorhanden is, en dat diverse hoofdzetels van bedrijven in het recente verleden de provincie hebben verlaten.
  2. b)West-Vlaanderen blijkt op grond van objectieve criteria (aantal patenten/miljoen inwoners, tewerkstelling in technologische industrie en technologische diensten/totale tewerkstelling, bevolkingsaandeel met en hogere opleiding, bevolkingsaandeel ingeschakeld in het ‘levenslang leren’) laag te scoren wat betreft de aanwezigheid van innovatieve elementen.
  3. c)West-Vlaanderen wordt blijkens onderzoek geconfronteerd met een significante ‘braindrain’. Eén en ander wijst erop dat de provincie dringend nood heeft aan incentives voor een hoogwaardige tewerkstelling en het aantrekken van meer X-12.903-6/18 kenniseconomie, zoniet komt de sociaal-economische leefbaarheid van de provincie in het gedrang. Het voorgaande sluit een dringende vraag naar een aanbod aan kantoren en kantoorachtigen in ; dergelijk aanbod kan inspelen op een objectief vastgestelde en nijpende ruimtelijke behoefte. Ten derde. Het plangebied wordt globaal door infrastructuurelementen van verschillende niveaus begrensd en doorsneden (de E40, de Koning Albert I-laan, de spoorweg Brugge-Kortrijk, de N31 en de Chartreuseweg. Het gebied is gekoppeld aan de belangrijkste infrastructuur van regionaalstedelijk niveau (N31) en heeft bovendien potenties om goed ontsloten te worden met het openbaar vervoer. Eén en ander houdt in dat het kennelijk redelijk is dat voormelde dwingende en urgente sociaal-economische behoefte ingevuld wordt binnen de vooropgestelde locatie. Ten vierde. Het ruimtelijk uitvoeringsplan stelt dat de niet-bebouwde en niet-verharde ruimtes van de zone voor hoogwaardige activiteiten zodanig aangelegd moeten worden dat het geheel een parkkarakter krijgt (art. 1). Ook de aanduiding van een zone “parkgebied met natuurverwerving” (art. 6) ten noorden van de zone voor hoogwaardige activiteiten wijst duidelijk in die richting. Het feit dat het Chartreusegebied op het gewestplan nu nagenoeg volledig de bestemming “gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut” heeft, impliceert dat de realisatie van het ruimtelijk uitvoeringsplan Chartreuse zal leiden tot een situatie die de “groene gordel” beter beveiligt dan de huidige bestemming. Ook worden door de ligging op het kruispunt van twee belangrijke wegen opportuniteiten van een zichtlocatie optimaal ingevuld. Aldus kan worden gesteld dat dit ruimtelijk uitvoeringsplan kadert in een to(t)aalvisie over de ontwikkeling van het regionaalstedelijk gebied Brugge en dat de locatiekeuze van het regionaal bedrijventerrein, de planinvulling en de stedenbouwkundige voorschriften kaderen in een duurzame ontwikkeling en rekening houdend met de ruimtelijke draagkracht en kwaliteit van het gebied en zijn omgeving”. 2. De ontvankelijkheid 2.1. Uiteenzetting in het verzoekschrift De eerste en de tweede verzoekende partij zetten met betrekking tot hun belang het volgende uiteen : “C.1. Belang in hoofde van verzoekers VAN DE VOORDE en OMBRECHT 9. Mevrouw VAN DE VOORDE en de heer OMBRECHT hebben hun verblijfplaats in het plangebied en zijn tevens eigenaar van de betrokken percelen (...) Door het enkele feit eigenaar te zijn van deze percelen doen Mevrouw VAN DE VOORDE en de Heer OMBRECHT blijken van het rechtens vereiste belang. Zo stelde de Raad van State reeds met betrekking tot het belang van de verzoekers: ‘Overwegende dat zevende en achtste verzoekende partijen eigenaar zijn van percelen die in het plangebied gelegen zijn; dat zij daardoor doen blijken van het rechtens vereiste belang; (...)’. X-12.903-7/18 10. Daarenboven is het bestreden besluit in ieder geval griefhoudend voor Mevrouw VAN DE VOORDE en de Heer OMBRECHT. Het GRUP Chartreuse zal immers aanzienlijke implicaties op hun leefomgeving hebben. Niet limitatief kan gewezen worden op: - De verkeersstromen die door de inplanting van het bedrijventerrein en de bouw van gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen ontstaan. Door de zeer goede autobereikbaarheid (en slechte bereikbaarheid met het openbaar vervoer) zorgt de aanzienlijke tewerkstelling in het plangebied voor een dagelijkse toestroom en terugkeer van personeel. In het gebied voor wegenis (art. 8) vlakbij de percelen van Mevrouw VAN DE VOORDE en de Heer OMBRECHT wordt de aanleg van een op- en afritcomplex voor de N31 voorzien. In dit gebied voor wegenis is eveneens een P+R parking toegelaten. Daarenboven wordt de bouw van een station toegelaten in het agrarisch gebied (art. 7) met in overdruk een blauwe rand. Het GRUP stelt dat ook ruimte moet geboden worden voor de nodige stationsondersteunende activiteiten (o.a. parking, busstopplaats). De woning van Mevrouw VANDEVOORDE is gelegen in het betrokken gebied. De aanleg van de bijkomende wegen- en spoorinfrastructuur brengt een grote passage met zich mee. Het landelijk en rustig karakter van de woonomgeving van Mevrouw VAN DE VOORDE en de Heer OMBRECHT wordt hierdoor onherroepelijk teniet gedaan. Bovendien vreest Mevrouw VANDEVOORDE de onteigening van haar woning wanneer het station zal worden gebouwd. - Het toenemende autoverkeer zal zorgen voor een grotere luchtvervuiling door de aanwezigheid van een aanzienlijke hoeveelheid klein stof. Mevrouw VAN DE VOORDE en de Heer OMBRECHT zullen als bewoners van het plangebied hiervan het slachtoffer zijn. - De inplanting van een bedrijventerrein, gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, de bouw van een stationhalte, alsook het toenemende autoverkeer zorgen voor een grote geluidsoverlast. De rust die Mevrouw VAN DE VOORDE en de Heer OMBRECHT nu genieten wordt hierdoor ernstig verstoord. - Op vandaag kijken de tuinen van de woningen in de Steenbrugsestraat (waaronder de woningen van Mevrouw VAN DE VOORDE en de Heer OMBRECHT) uit over de achterliggende landelijke velden. Het GRUP Chartreuse plant in die achterliggende velden een bedrijventerrein (art. 1) waarvan de gebouwen volgens de stedenbouwkundige voorschriften een minimale hoogte van 18m dienen te hebben. Bovendien dient minstens één gebouw een minimale hoogte te hebben van 27m. De bedoeling is immers een zeer goede zichtbaarheid te creëren vanaf de E40. Mevrouw VAN DE VOORDE en de Heer OMBRECHT zullen rechtstreeks zicht hebben op deze torenhoge gebouwen, waardoor de negatieve visuele impact aanzienlijk is. - Het bedrijventerrein (art. 1) is een zone waarin geen bewoning is toegelaten en die aldus ’s avonds en in het weekend volledig verlaten zal zijn. Geen enkele sociale controle is mogelijk. Op die manier wordt het onveiligheidsgevoel in de hand gewerkt. - Volgens de stedenbouwkundige voorschriften m.b.t. het bedrijventerrein (art. 1) kunnen SEVESO-bedrijven worden toegelaten. Er bestaat aldus voor de omwonenden (waaronder Mevrouw VAN DE VOORDE en de Heer OMBRECHT) steeds een risico op zware ongevallen. X-12.903-8/18 - Al de bovenvermelde elementen brengen tevens de vrees mee voor Mevrouw VAN DE VOORDE en de Heer OMBRECHT dat hun woningen aanzienlijk in waarde zullen verminderen”. 2.2. De aangevoerde excepties 2.2.1. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het belang van de eerste twee verzoekende partijen als volgt: “Eerste en tweede verzoekende partij hebben, volgens de termen van het verzoekschrift tot nietigverklaring, hun verblijfplaats in het plangebied en zijn tevens eigenaar van de betrokken percelen. Eerste verzoekende partij is woonachtig in het agrarisch gebied dat grenst aan het gebied bestemd voor het bedrijventerrein. Tweede verzoekende partij is woonachtig in het woongebied, dat grenst aan het agrarisch gebied en ook aan het gebied voor het bedrijventerrein. Het plangebied wordt globaal door infrastructuurelementen van verschillende niveaus begrensd en doorsneden : de E40, de Koning Albert I- laan, de spoorweg Brugge-Kortrijk, de N31 en de Chartreuseweg. Ten oosten sluit het aan op een open ruimtegebied benut als landbouwgebied, ten zuiden op de kern van Loppem en ten noord-westen op een woonpark en het provinciaal domein Tillegembos. Volgens de planologische bepalingen van het bij KB van 7 april 1977 vastgesteld Gewestplan Brugge-Oostkust is het plangebied gelegen in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut, parkgebied, agrarisch gebied, ambachtelijke bedrijven en KMO’s, woongebied, gebieden voor verblijfsrecreatie en bestaande autosnelwegen en spoorweglijnen. De door eerste en tweede verzoekende partijen ingeroepen middelen hebben betrekking op het gemengd Regionaal Bedrijventerrein binnen het GRUP ‘Chartreuse’. Volgens de stedenbouwkundige voorschriften bij het definitief vastgestelde GRUP ‘Chartreuse’ gaat het om een hoogwaardig gemengd regionaal bedrijventerrein dat bestemd is voor bedrijven van regionaal belang met de volgende hoogwaardige hoofdactiviteiten : onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, dienstverlening en kantooractiviteiten. Binnen de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Brugge-Oostkust was dit gebied bestemd als gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut. Verzoekende partijen tonen niet op concrete wijze aan in welke mate hun woon- en leefomgeving en hun eigendom zal verschillen met de herbestemming t.o.v. de gewestplanbestemming. Bovendien grenzen de eigendommen van eerste en tweede verzoekende partijen niet rechtstreeks aan het betrokken deelgebied. Deze eigendommen worden doorsneden door de spoorweg van Kortrijk naar Brugge. Bovendien is het betrokken agrarisch gebied palend aan de autosnelweg E40”. 2.2.2. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij de ontvankelijkheid van de vordering in hoofde van de derde verzoekende partij als volgt: X-12.903-9/18 “Derde verzoekende partij vormt een VZW die, volgens de termen van het verzoekschrift tot nietigverklaring voornamelijk ‘ijvert voor een betere ruimtelijke ordening veelal in samenwerking met andere verenigingen’ Volgens de statuten heeft de VZW GROEN tot doel ‘het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. Daarbij wordt gestreefd naar een menswaardiger en leefbare samenleving op alle vlakken van de maatschappij’. Verenigingen Zonder Winstoogmerk mogen in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Inzonder de milieuverenigingen beschikken krachtens de Wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu over een persoonlijk vorderingsrecht bij de gewone Rechtbanken. Voor de Raad van State kunnen diezelfde milieuverenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten het doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang, alsmede van de vereiste hoedanigheid. Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de procesbekwaamheid van verzoekende partij als VZW beperkt wordt door het specialiteitsbeginsel. ‘... dat inzonderheid milieuverenigingen krachtens de Wet van 12 januari 1993 betreffende vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, over een persoonlijk vorderingsrecht beschikken bij de gewone Rechtbanken; dat voor de Raad van State diezelfde milieuverenigingen in rechte kunnen optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid; dat de milieuvereniging van de vereiste hoedanigheid getuigt wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat ze heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de verenigingen’ (...). Uit de statuten van de VZW GROEN blijkt dat zij ijveren voor het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur- en natuurwaarden, het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimten, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed en stedenschoon, een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte- en energiebronnen, het bereiken van een algemene basis milieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden, het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Deze doelstellingen staan gelijk met het algemeen belang, waardoor het optreden van verzoekende partij gelijkstaat met een actio popularis. ‘Overwegende dat wegens de absoluut algemene draagwijdte van de doelstellingen zoals omschreven in de statuten van de eerste verzoekende partij, zo deze in aanmerking worden genomen als grondslag voor de beoordeling van het belang van de verenigingen om bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen, het optreden van de verenigingen voor de Raad van State gelijkstaat met een actio popularis, indien de handeling die wordt aangevochten geen algemene draagwijdte heeft - even algemeen als van de doelstellingen waarop de verenigingen zich beroepen - doch een specifieke strekking heeft;’ (...). Uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat de hoedanigheid van derde verzoekende partij enerzijds samenvalt met de behartiging van het X-12.903-10/18 algemeen belang en anderzijds met het persoonlijk belang van haar leden. ‘Nul ne plaide par Procureur’ (...). Het werkingsgebied van derde verzoekende partij doet hieraan geen enkele afbreuk. Derde verzoekende partij beschikt derhalve ‘niet over de vereiste rechtsbekwaamheid om de vordering tot schorsing in te stellen; dat de vordering in hoofde van eerste verzoekende partij niet-ontvankelijk is’ (...). Derde verzoekende partij beschikt dan ook niet over het rechtens vereiste belang en over de vereiste hoedanigheid om de vordering tot nietigverklaring in te stellen”. 2.3. Beoordeling van de ontvankelijkheid 2.3.1. Het perceel van de eerste verzoekende partij is gelegen aan de Steenbrugsestraat 51 te Loppem en krijgt door het bestreden uitvoeringsplan de bestemming agrarisch gebied met overdruk voor functiewijzigingen die de stationsfunctie ondersteunen (art. 7), in plaats van de bestemming agrarisch gebied in het gewestplan. Het perceel van de tweede verzoekende partij is gelegen aan de Steenbrugsestraat 75 en krijgt de bestemming woongebied (art. 4) in plaats van de bestemming agrarisch gebied in het gewestplan. De eigendommen van de eerste en de tweede verzoekende partijen palen aan de spoorlijn Brugge-Kortrijk. Het aan de overzijde van de spoorlijn gelegen gewestplangebied voor gemeenschaps- voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen krijgt door het bestreden uitvoeringsplan de bestemming regionaal bedrijventerrein. Anders dan de verwerende partij voorhoudt is het niet vereist dat de eerste en de tweede verzoekende partijen zouden aantonen “in welke mate hun woon- en leefomgeving en hun eigendom zal verschillen” ten gevolge van laatstgenoemde bestemmingswijziging. Als eigenaar van een grond in de onmiddellijke omgeving van het gebied dat door het bestreden uitvoeringsplan tot regionaal bedrijventerrein wordt bestemd, doen de eerste en de tweede verzoekende partijen blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. 2.3.2. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat ze de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en geoorloofd belang alsmede van de X-12.903-11/18 vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat ze zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van het bestreden besluit anderzijds. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de derde verzoekende partij in haar verzoekschrift alsook in haar memorie van wederantwoord uitvoerig haar belang en hoedanigheid heeft uiteengezet. De derde verzoekende partij beroept zich op de artikelen 1 en 2 van haar statuten, luidend als volgt: “ARTIKEL 1. DE VERENIGING (...) §4. De werking van de vereniging richt zich vooral op de fusiegemeenten Brugge, Knokke-Heist, Damme, Beernem, Oostkamp, Zedelgem, Torhout, Jabbeke, Zuienkerke en Blankenberge van het arrondissement Brugge. Zij kan evenwel ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor de vervulling van het maatschappelijk doel. (...) ARTIKEL 2. DOELSTELLINGEN EN ACTIVITEITEN §1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. Daarbij wordt gestreefd naar een menswaardiger en leefbare samenleving op alle vlakken van de maatschappij. §2. Deze doelstelling omvat: - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed en stedenschoon; (...) - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder, .... (...)”. Gelet op deze doelstellingen, kan niet worden gesteld dat het maatschappelijk doel van de derde verzoekende partij samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf. Evenmin blijkt het doel samen te vallen met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging. Gelet op de bestemming van een belangrijk deel van het plangebied -dat in de toelichtingsnota bij het bestreden besluit omschreven wordt als “een nog vrij gaaf en goed aaneengesloten open gebied”- tot regionaal X-12.903-12/18 bedrijventerrein kan de ingestelde vordering worden ingepast in het doel dat de derde verzoekende partij zich heeft gesteld. Mede gelet op de omvang van voornoemd bedrijventerrein en op het belang hiervan voor het arrondissement Brugge bestaat er dan ook een voldoende band van evenredigheid tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de derde verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van het bestreden besluit anderzijds. 2.3.3. De excepties worden verworpen. 3. Het eerste middel 3.1. Het aangevoerde eerste middel In het eerste middel wordt aangevoerd dat de voorafname zoals voorzien in het GRUP “Chartreuse” onwettig is. In het verzoekschrift wordt het eerste middel als volgt toegelicht: “23. Volgens het gewestplan Brugge-Oostkust (K.B. van 7 april 1977) hadden de percelen, welke het GRUP Chartreuse nu bestemt als zone voor hoogwaardige activiteiten, als bestemming ‘gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut’. Aangaande deze vroegere bestemming wordt in de motiveringsnota locatiekeuze hoogwaardig gemengd regionaal bedrijventerrein volgende opmerking gemaakt (p. 22): ‘Deze bestemming laat de bouw toe van een school, een hospitaal, een brandweerkazerne, een rioolwaterzuiveringsinstallatie en andere voorzieningen. Dergelijke bodembestemming houdt een duidelijke bedreiging in van de open ruimte en van de groene gordel ten zuiden van Brugge. Overigens zijn de genoemde gemeenschapsvoorzieningen op deze plaats achterhaald’. (...) 24. Het RSV selecteert Brugge als regionaalstedelijk gebied, zonder Brugge daarbij reeds af te bakenen (p. 583). De afbakening van regionaalstedelijke gebieden gebeurt door de Vlaamse Regering in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. De bindende bepalingen van het RSV (p. 583) stellen: ‘De grootstedelijke en de regionaalstedelijke gebieden worden door het Vlaams Gewest in samenspraak met de betrokken bestuursniveau’s in de gewestplannen of in de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend’. Het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Brugge werd opgestart in mei 2002. Er werd nog geen GRUP tot afbakening van het regionaal stedelijk gebied Brugge vastgesteld. Het regionaal stedelijk gebied Brugge werd bijgevolg nog niet afgebakend. 25. Op basis van het voorafgaandelijk onderzoek in het kader van het afbakeningsproces, heeft de Vlaamse Regering het GRUP Chartreuse reeds X-12.903-13/18 vastgesteld. Aldus wordt een bedrijventerrein afgebakend binnen het nog niet afgebakende regionaalstedelijk gebied Brugge. Dit betekent dat het GRUP Chartreuse een voorafname uitmaakt op de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge. Zoals hierna zal blijken is deze voorafname onwettig. D.1.2. De voorafname is onwettig wegens de strijdigheid met de bindende bepalingen van het RSV 26. Vooraleer bedrijventerreinen kunnen afgebakend worden, dienen eerst de stedelijke gebieden waarin deze bedrijventerreinen komen te liggen, afgebakend te worden. Dit volgt uit de bindende bepalingen van het RSV i.v.m. de gebieden voor economische activiteiten waar onder de hoofding ‘Afbakening van bedrijventerreinen’ te lezen staat: ‘De regionale bedrijventerreinen in de regionaalstedelijke gebieden ( ...) worden ( ...) in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend’ (p. 589 RSV). De bindende bepalingen van het RSV bevatten aldus een chronologie waarbij in eerste instantie de regionaal stedelijke gebieden worden afgebakend en in tweede instantie binnen deze gebieden de regionale bedrijventerreinen worden afgebakend. 27. Deze chronologie kadert ook logischerwijs binnen het proces van een goede ruimtelijke planning. De logica van de structuurplanning gebiedt dat eerst het regionaal stedelijk gebied wordt afgebakend alvorens er bestemmingswijzigingen in functie van dat gebied worden doorgevoerd. Een voorafname op het afbakeningsproces leidt ertoe dat de grenzen van de afgebakende bedrijventerreinen mede de grenzen zullen bepalen van de af te bakenen regionaal stedelijke gebieden, terwijl net het omgekeerde de bedoeling is. De ruimtelijk-functionele afbakening van het stedelijk gebied is noodzakelijk om te bepalen welke delen effectief tot het stedelijk gebied zullen behoren en aldus eventueel in een volgende fase de bestemming ‘bedrijventerrein’ kunnen krijgen. Het ontwerp GRUP Chartreuse had dan ook moeten worden opgenomen in het afbakeningsproces van het regionaal stedelijk gebied Brugge (en dus ook binnen het openbaar onderzoek zoals Vlacoro had geadviseerd). 28. In het advies dd. 16 maart 2006 over het GRUP Chartreuse, alludeert de Raad van State, afdeling wetgeving, op de onwettigheid van de voorafname (...): (...) 29. Het aangehaalde arrest van de Raad van State van 17 mei 2005, schorste de uitvoering van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan welke in de gemeente Mol voorzag in de herbestemming van de betrokken percelen tot een gemengd regionaal bedrijventerrein. Dit PRUP werd goedgekeurd vooraleer het kleinstedelijk gebied Mol was afgebakend. Volgende overweging in het arrest is daarbij belangrijk: ‘dat op het eerste gezicht de geciteerde bindende bepalingen een chronologie impliceren waarbij in een eerste stap het structuurondersteunend kleinstedelijk gebied wordt afgebakend, om dan in een tweede stap binnen het aldus afgebakende gebied bedrijventerreinen af te bakenen; dat het bestreden uitvoeringsplan deze chronologie niet respecteert; dat de noodzaak om de chronologie te X-12.903-14/18 respecteren ook wordt bevestigd door het richtinggevende gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen - dat samenhangt met het bindend gedeelte’. De Raad van State stelt dat de bindende bepalingen een chronologie impliceren waarbij in eerste instantie het stedelijk gebied moet worden afgebakend om dan pas in tweede instantie binnen dat stedelijk gebied het bedrijventerrein af te bakenen. 30. Verzoekers zijn eveneens van oordeel dat het RSV een chronologie van afbakening oplegt: • In de bindende bepalingen op p. 583 van het RSV staat opgenomen dat regionaalstedelijke gebieden (waaronder Brugge) in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden afgebakend. Verderop in de bindende bepalingen, nl. op p. 589 van het RSV, staat vermeld dat de regionale bedrijventerreinen in de regionaalstedelijke gebieden worden afgebakend in gewestelijke ruimtelijke uitvoerings- plannen. Gelet op zowel de volgorde van de bepalingen in de tekst, als op de inhoud van die bepalingen, blijkt duidelijk dat zolang het regionaalstedelijk gebied niet is afgebakend er geen bedrijventerreinen kunnen afgebakend worden. • De noodzaak om de chronologie te respecteren wordt ook bevestigd door het richtinggevend gedeelte van het RSV waarin de verschillende opeenvolgende stappen in het afbakeningsproces van stedelijke gebieden worden uiteengezet (p. 347 ev.). De bedrijventerreinen kunnen nog niet afgebakend worden tijdens het lopende afbakeningsproces van het betrokken stedelijke gebied. • Het bindend gedeelte en het richtinggevend gedeelte hangen samen: ‘De bindende bepalingen zijn gegroepeerd overeenkomstig de vier structuurbepalende componenten zoals die in het informatief en richtinggevend gedeelte van het RSV werden behandeld’ (p. 582 RSV - bindende bepalingen). ‘De vier structuurbepalende componenten zijn: * de stedelijke gebieden en de stedelijke netwerken * het buitengebied * de gebieden voor economische activiteiten * lijninfrastructuur’ (p. 310 RSV — richtinggevende bepalingen) (...). De afbakening van stedelijke gebieden wordt met voorrang behandeld op de afbakening van bedrijventerreinen. D.1.3. Geen afwijkingsmogelijkheid 31. Hierboven blijkt dat het GRUP Chartreuse de chronologie zoals voorzien in de bindende bepalingen niet respecteert. Artikel 19 §2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening stelt: ‘Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen aan die bindend zijn. Voor het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen zijn deze onderdelen bindend voor het Vlaamse Gewest, (...)’. Van deze chronologie kan de Vlaamse Regering niet afwijken. Artikel 19, §3 van het decreet van 18 mei 1999 bepaalt: ‘Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan de overheid bij het nemen van beslissingen niet mag van afwijken tenzij onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire X-12.903-15/18 redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen’. Inzake de richtinggevende bepalingen van het RSV stelt het decreet aldus dat bij uitzondering kan afgeweken worden van de inhoud van deze bepalingen. Dit houdt a fortiori in dat van de bindende bepalingen van het RSV (waar geen afwijkingsmogelijkheid is voorzien) zelfs niet bij gemotiveerde beslissing kan afgeweken worden”. 3.2. Beoordeling van het eerste middel 3.2.1. Artikel 19, §§ 1 en 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening luidt als volgt: “§ 1. Ieder ruimtelijk structuurplan bevat een bindend, een richtinggevend en een informatief gedeelte. § 2. Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen ervan aan die bindend zijn. Voor het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen zijn deze onderdelen bindend voor het Vlaamse Gewest (...)”. 3.2.2. In punt 2 “Afbakening van de stedelijke gebieden” van de onderverdeling “Bindende bepalingen in verband met de stedelijke gebieden” van de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) wordt onder meer het volgende gesteld: “De (...) regionaalstedelijke gebieden worden door het Vlaams Gewest in samenspraak met de betrokken bestuursniveau’s in de gewestplannen of in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend. De structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend of op voorstel en op vraag van de betrokken provincie en in samenspraak met de betrokken bestuursniveau’s door het Vlaams Gewest in de gewestplannen afgebakend”. In punt 4 “Afbakening van bedrijventerreinen” van de onderverdeling “Bindende bepalingen in verband met de gebieden voor economische activiteiten” van de bindende bepalingen van het RSV wordt onder meer het volgende gesteld: “De regionale bedrijventerreinen in (...) de regionaalstedelijke gebieden (...) worden door het Vlaams Gewest in de gewestplannen of in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend. De regionale bedrijventerreinen in de structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau X-12.903-16/18 (...) worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend of op voorstel en op vraag van de provincie door het Vlaams Gewest in de gewestplannen afgebakend”. 3.2.3. De geciteerde bindende bepalingen impliceren een chronologie waarbij in een eerste stap het regionaalstedelijke gebied wordt afgebakend, om dan in een tweede stap binnen het aldus afgebakende gebied regionale bedrijventerreinen af te bakenen. Het bestreden uitvoeringsplan respecteert deze chronologie niet. 3.2.4. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat het RSV geen chronologie oplegt aangezien het toelaat een regionaal bedrijventerrein af te bakenen door middel van een gewestplan. Dit argument mist overtuigingskracht vermits niet blijkt waarom een gewestplan strijdig zou mogen zijn met het RSV. De argumentatie van het bestreden besluit in verband met de richtinggevende bepalingen van het RSV, die door de verwerende partij in haar memorie van antwoord verder wordt ontwikkeld, mist pertinentie aangezien de chronologie volgt uit de bindende bepalingen van het RSV, waarop geen afwijking is toegelaten. 3.2.5. De door de verwerende partij in haar laatste memorie verdedigde opvatting als zouden de geciteerde bepalingen enkel een bevoegdheidstoewijzing of een taakstelling en geen chronologie impliceren, kan niet worden gevolgd. De verwerende partij gaat er ten onrechte van uit dat het Vlaamse Gewest bij wijze van “voorafname” onmiddellijk een regionaal bedrijventerrein kan afbakenen, zonder de afbakening van de regionaalstedelijke gebieden te moeten afwachten. Dergelijk systeem van “voorafname” staat haaks op de uit het RSV volgende chronologie. In die redenering valt trouwens niet in te zien waarom ook de provincie geen voorafname zou mogen doen op de afbakening van de (structuurondersteunende) kleinstedelijke gebieden. Aldus zou de door de verwerende partij verdedigde interpretatie leiden tot de onwerkzame taakstelling waarbij bij wijze van “voorafname” eenzelfde gebied zowel door het gewest als door de provincie als regionaal bedrijventerrein kan worden afgebakend. 3.2.6. Het eerste middel is gegrond. X-12.903-17/18 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 31 maart 2006 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Chartreuse”. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-12.903-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.948 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.