id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.074 Rolnummer: A. 183374/XII-5111 Zaak: Arrest 194074 - Varia (onderwijs en cultuur) - 11/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-23 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:15 Fiche Arrest nr 194.074 van 11 juni 2009 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.074 van 11 juni 2009 in de zaak A. 183.374/XII-5111. In zake : Oswald PAUWELS, die woonplaats kiest bij advocaat S. Gibens, kantoor houdende te Antwerpen, Nachtegaalstraat 47 tegen : de ARTESIS HOGESCHOOL, voorheen de Vlaamse autonome Hogeschool Antwerpen, die woonplaats kiest bij advocaat W. Van Caeneghem, kantoor houdende te Antwerpen, Quinten Matsijslei 34. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Oswald Pauwels op 16 mei 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen, thans de Artesis Hogeschool, van 19 maart 2007 waarbij hem geen artistieke faam wordt toegekend; Gelet op het arrest nr. 176.555 van 8 november 2007 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoek van de verwerende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; XII-5111-1/14 Gelet op de beschikking van 19 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Gonnissen, die loco advocaat S. Gibens verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. Moreau, die loco advocaat W. Van Caeneghem verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.1. Verzoeker is sinds 31 augustus 1991 vast benoemd als assistent artistieke vakken (specialiteit : grafische vormgeving, fotografie) aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen en, sinds 1 januari 1995, als leraar algemene vakken “fotografie voor restaurateurs HKO 3E GR” aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen, beide thans opgenomen in de Artesis Hogeschool te Antwerpen. Door het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (hierna : het hogescholendecreet) wordt het hoger onder- wijs gereorganiseerd. Ten gevolge van die reorganisatie moet ook het personeel worden geconcordeerd. 1.2. In zijn ambtelijke hoedanigheid van assistent artistieke vakken (10/20) wordt verzoeker als assistent geconcordeerd. Uit het arrest van de Raad van State nr. 79.406 van 23 maart 1999 volgt dat die concordantie definitief geworden is. 1.3. Wat zijn ambtelijke hoedanigheid van leraar algemene vakken betreft, weigert de verwerende partij eind 1997 hem als docent te concorderen. XII-5111-2/14 Die beslissing wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 79.406 van 23 maart 1999. 1.4. Verzoeker dient vervolgens een nieuwe aanvraag in voor erkenning van ruime artistieke faam, die hem wordt geweigerd door verwerende partij op 21 juni 1999. Verzoeker vecht ook die beslissing aan. Ze wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 147.121 van 30 juni 2005. 1.5. Na kennisname van het arrest van 30 juni 2005 beslist het bestuurscollege van verwerende partij op 14 november 2006 de algemeen directeur te gelasten om een hernieuwde commissie artistieke faam samen te stellen. Zo geschiedt uiteindelijk bij beslissing van 22 januari 2007. 1.6. Op 6 februari 2007 vergadert de commissie artistieke faam. De zes leden beoordelen het dossier aan de hand van de beoordelingscriteria die zijn opgenomen in artikel 317bis, § 3, van het hogescholendecreet in de volgende bewoordingen : “[...] - publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten; - eigen publicaties of gerealiseerde dossiers in verband met de vrije of toe- gepaste artistieke praktijk van de betrokkene; - regionale, federale of internationale prijzen; - deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland; - realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven; - relevante bijdragen aan belangrijke producties; - tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea [...]”. De verwerende partij volgt voor de erkenning van de ruime artistieke faam opnieuw de procedure waartoe de raad van bestuur op 26 oktober 1998 heeft beslist. Het gunstig advies van de beoordelingscommissie staat of valt met het al dan niet toekennen aan de aanvraag van een “score” van minimaal 40 punten en de door deze commissie gevolgde procedure bij het vaststellen van de “score” blijkt ten minste de volgende stappen te omvatten : - de aanvraag gebeurt middels een formulier waar als bijlage een dossier dient te worden toegevoegd bestaande uit afschriften van diploma's en curriculum vitae tot 31 december 1995, een overzichtslijst per decretaal bepaald criterium en de daarmee overeenstemmende bewijsstukken (“alle stukken ter staving XII-5111-3/14 van het kerndossier (portfolio)”) en tenslotte per bewijsstuk een motivering waaruit relevantie blijkt; - van de aanvraag wordt kennis genomen door de zes leden van de adviescommissie waarbij elk lid op een afzonderlijke fiche, voor ieder criterium “rekening [houdt] met de uitstraling per criterium”, de criteria per kandidaat quoteert volgens de hierna opgenomen schaal : 0 : niet relevant + weinig uitstraling, 5: relevant + weinig uitstraling, 10: relevant + grote uitstraling, 20: (bijzonder) relevant + zeer grote uitstraling (deze laatste score volgens een vermelding op de fiche “uitzonderlijk toe te kennen”), en een onder woorden gebrachte motivering voor de toegekende scores kan neerschrijven; - de scores van ieder commissielid en voor elk criterium worden op een tabel samengebracht. Per criterium worden de scores van het laagst en deze van het hoogst quoterende commissielid doorstreept en er wordt voor het latere geen rekening mee gehouden. De vier voor ieder criterium overblijvende scores worden opgeteld en genoteerd in een kolom “overgebleven som”. Vervolgens wordt van die som een gemiddelde gemaakt en genoteerd in de overeenkomstige kolom “gemiddelde”. Tenslotte bevat de tabel een kolom “omzetting” waarin de gemiddelden die geen veelvoud zijn van vijf worden afgerond als volgt : - de scores uit de voornoemde kolom “omzetting” worden vervol- gens hernomen in een tweede tabel en de som van de scores wordt daaronder genoteerd. 1.7. Deze oefening levert voor verzoeker in totaal 25 punten op. Op het formulier wordt daaronder toegevoegd : “Gezien betrokkene geen totaalscore heeft bereikt van minimaal 40 punten wordt hem, conform de reglementering voorzien in de procedure zoals goedgekeurd in de Raad van Bestuur d.d. 14.09.98, geen artistieke faam toegekend. De uitgebreide motivering wordt als bijlage hieraan toegevoegd”. XII-5111-4/14 De bijgaande motivering luidt : “Uitgebreide motivering als bijlage bij het proces-verbaal d.d. 06.02.2007 ! m.b.t. publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten, zijn er een aantal realisaties die echter eerder getuigen van een technische dan van een artistieke inbreng; ! m.b.t. eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrij of toegepaste praktijk van de betrokkene, zijn er een aantal publicaties en uitgebreide realisaties die echter, qua artistieke uitstraling, eerder beperkt blijven; ! m.b.t. regionale, federale of internationale prijzen, is de lijst te beperkt om van een artistieke uitstraling te kunnen spreken; ! m.b.t. deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland, wordt het dossier als verdienstelijk vakwerk m.b.t. documentaire fotografie, zonder artistieke relevantie beschouwd; ! m.b.t. realisaties voor binnenlandse of buitenlandse instellingen of bedrijven, worden nauwelijks tot geen artistieke verwezenlijkingen gevonden, in voorkomend geval beperkt tot een kleinere kring; ! m.b.t. relevante bijdragen aan belangrijke producties, kan de beperkte en eenzijdige lijst niet als betekenisvol worden beschouwd; ! m.b.t. tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea, wordt het werk vooral als documentatie-fotografie, in het kader van het onderwerp en niet van het artistiek-fotografische vertoond”. 1.8. Op 19 maart 2007 beslist de raad van bestuur, overwegende dat hij “na overleg de motivering en het daaraan gekoppeld advies van de commissie erkent”, “geen artistieke faam toe te kennen aan dhr. Oswald Pauwels”. De gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen 2. In een enig middel voert verzoeker de schending aan, in hoofdorde, van de materiële motiveringsplicht. Net zoals verzoeker het had gedaan in de zaak die heeft geleid tot het vernietigingsarrest van 30 juni 2005, bespreekt hij ook thans weer -criterium per criterium- wat de elementen zijn die hij in zijn erkenningsaanvraag heeft doen gelden en waarvan hij betoogt dat ze niet de conclusies van de beoordelings- commissie kunnen schragen. Hij onderbouwt zijn betoog ook met overwegingen van de Raad van State uit voornoemd vernietigingsarrest en uit het in diezelfde zaak gewezen schorsingsarrest nr. 87.654 van 26 mei 2000, waarmee volgens hem de verwerende XII-5111-5/14 partij in haar nieuwe beslissing geen rekening heeft gehouden. Zo werd in het laatstgenoemde arrest reeds overwogen dat, in de gevallen waarin de in het decreet vastgelegde criteria voor de toegepaste kunst moeilijker hanteerbaar zijn dan voor de vrije kunsten, dit het bestuur er toe zou moeten leiden de erkenning van de ruime artistieke faam gemakkelijker toe te staan. Verzoeker noemt de nieuwe beoordeling ook “bijzonder merkwaardig” omdat op basis van hetzelfde dossier werd geoordeeld door quasi dezelfde commissieleden, die voor het criterium “tentoonstellingen...” vorige keer 20 punten toekenden en het thans houden op 5 punten. Hij merkt op dat “systematisch her en der punten wat gereduceerd [werden]”, terwijl uit de motivering van het arrest van 30 juni 2005 volgde dat hij recht had op een nieuwe kans, omdat één hogere quotering voor één van de zeven criteria had volstaan om tot de eindscore 40 te komen. Verzoeker noemt het onbegrijpelijk thans nog maar 25 punten te hebben behaald, terwijl hem voorheen 35 punten waren toegekend. 3. Verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat bij de beoordeling van de vraag of verzoeker al dan niet over een ruime artistieke faam beschikt, het al dan niet artistieke karakter van het werk van verzoeker centraal staat. Het volstaat volgens verwerende partij niet om te stellen dat fotografie als kunst- discipline is erkend, om te besluiten dat het werk van verzoeker ook een ruime artistieke faam zou hebben. De commissie was van oordeel dat verzoeker zuiver technisch perfect werk aflevert, zonder enige fout. De artistieke waarde is evenwel nihil. Wat getoetst moet worden is het artistieke van de door verzoeker afgeleverde foto’s en juist datgene ontbreekt. In zijn verzoekschrift verwijst verzoeker bij voorbeeld naar de verspreiding en de oplage van de door hem geciteerde publicaties. Eén en ander wordt uiteraard niet betwist, maar de jury is van oordeel dat deze publicaties als vakwerk zonder artistieke allure dienen te worden beschouwd. Een jurylid omschrijft het als volgt “De voorgelegde publicaties zijn geen eigen initiatieven en behelzen enkel documentaire fotografie. Ik vind er geen artistieke relevantie in”. Met betrekking tot het derde criterium stelt verzoeker zelf dat dit minder relevant is voor zijn discipline. De juryleden zijn quasi unaniem van oordeel dat de prijzen te beperkt en enkel regionaal zijn. Met betrekking tot het vierde criterium geeft verzoeker zelf aan dat documentaire fotografie altijd functioneel is. Hiermee XII-5111-6/14 bevestigt hij eigenlijk het oordeel van de commissieleden, met name dat het verdienstelijk vakwerk betreft met betrekking tot documentaire fotografie zonder artistieke relevantie. Dit belet volgens verwerende partij niet dat er ook artistieke fotografie bestaat. Dit is evenwel niet wat door verzoeker wordt voorgelegd. Met betrekking tot het vijfde criterium wijst verwerende partij andermaal op het voorwerp van de toetsing, met name het al dan niet artistieke karakter van het werk van verzoeker, en de uitstraling die dit werk heeft bij de buitenwereld. Enkel wanneer aan deze voorwaarde voldaan is kan uiteraard van een ruime artistieke faam gesproken worden. Dezelfde opmerking moet worden gemaakt met betrekking tot de beoordeling van het zesde criterium, namelijk de relevante bijdragen aan belangrijke producties. Een jurylid schrijft over deze bijdrage dat hij dit werk als plichtbewust en braaf beschouwt maar zeker niet artistiek. Dit wordt ook bevestigd in de oordelen van de andere juryleden, die bijvoorbeeld stellen dat de beoordelingen hier gelden zoals voor de andere criteria, met name dat er geen artistieke relevantie is, of zoals een ander jurylid stelt : “Betrokkene levert verdienstelijk vakwerk binnen een heel beperkte niche. Toont daarbij geen enkele artistieke ambitie. Zijn oeuvre is dan ook te eenzijdig om van uitstraling te kunnen spreken”. Met betrekking tot het laatste criterium ten slotte brengt verzoeker in zijn verzoekschrift volgens verwerende partij geen enkel bijkomend argument aan waaruit zou moeten blijken dat ook voor dit criterium ten onrechte geen artistieke faam in aanmerking werd genomen. Een jurylid motiveerde als volgt : “Voor mij kan het leveren van illustraties (foto’
- s)voor een rondreizende tentoonstelling van monumentenzorg bezwaarlijk als een ‘artistieke’ prestatie gelden. De aangevoerde prestaties zijn hier dus niet relevant. Niets wijst op de artistieke intentie van de geleverde foto’s”. Verwerende partij herinnert er aan dat in het arrest van 30 juni 2005 gesteld is dat de Raad van State niet bevoegd is om de beoordeling van verzoekers artistieke faam aan de hand van zijn dossier over te doen, maar enkel om de beoordeling van de verwerende partij te vernietigen indien is aangetoond dat zij niet wettig tot stand is gekomen. Bij de vorige beoordeling was er bij de notering van de scores een materiële vergissing ingevolge verschrijving geslopen. Er was ook een grote discrepantie vastgesteld tussen de beoordeling van enkele juryleden. Om die twee redenen was de motivering niet afdoende. Verwerende partij heeft dan ook, XII-5111-7/14 ingevolge dit arrest, de beoordeling van de artistieke faam volledig laten overdoen door een commissie die ingevolge de pensionering van één van de vroegere leden, anders was samengesteld. Na nauwkeurige herbeoordeling van het door verzoeker ingediende dossier waren de commissieleden stuk voor stuk van oordeel dat het artistieke karakter van het werk van de verzoekende partij niet werd aangetoond, en er dus geen sprake kan zijn van ruime artistieke faam. De vroegere discrepantie tussen de verschillende juryleden is niet meer aanwezig, noch werd er een materiële vergissing begaan. Het gezag van ’s Raads arrest van 30 juni 2005 kan niet tot gevolg hebben dat de discretionaire bevoegdheid van de hogeschool en in het bijzonder van de leden van de beoordelingscommissie zou worden beperkt. De vooropgestelde procedure laat niet toe, aldus verwerende partij, dat de commissieleden hun individuele scores vooraf collegiaal bespreken. Ten einde de objectiviteit voldoende te garanderen, worden de scores door elk lid op basis van hun studie van het aanvraagdossier op geheime wijze gegeven. Vervolgens worden per criterium de hoogste en de laagste scores weggelaten en door optelling van de vier resterende cijfers wordt een gemiddelde score verleend. De secretaris van de commissie leest nadien in verenigde vergadering de punten en commentaren voor, en vraagt de leden of iedereen zich in zijn ontwerp van besluit/samenvatting kan vinden, waarna de verschillende commissieleden collegiaal overleg plegen over de te gebruiken bewoordingen. De neerslag van dit overleg wordt opgenomen in een proces-verbaal dat aan de raad van bestuur wordt voorgelegd. Die motivering is volgens verwerende partij duidelijk en is een beoordeling in feite die niet uitgebreider kan worden toegelicht. Vermits de scores met sprongen van 5 punten worden gegeven en een van de zes leden nieuw is, is het volgens haar ook logisch dat de eindscore afwijkt van die welke in 1999 werd verleend. Het is mathematisch perfect mogelijk volgens haar dat enkel het nieuwe lid een ander oordeel velde dan het vroegere lid. In haar laatste memorie schrijft verwerende partij de omschrijving van “artistiek” over uit het Van Dale woordenboek en herhaalt zij dat het niet is omdat verzoeker technisch perfecte foto’s kan afleveren, dat hij ook artistiek is aangelegd en dat zijn foto’s een kunstwaarde hebben. De juryleden waren unaniem van oordeel dat het werk van verzoeker onvoldoende artistieke faam heeft. Ook juryleden kunnen evolueren in hun zienswijze, zodat het gegeven dat de beoordeling XII-5111-8/14 “beperkt anders” is dan acht jaar geleden geen afbreuk er aan doet dat de commissie “in eer en geweten” heeft kunnen oordelen en afdoende heeft gemotiveerd. Beoordeling 4.1. In het arrest Pauwels, nr. 87.654, van 26 mei 2000 overwoog de Raad van State prima facie dat “alle in het decreet vastgelegde criteria ook hanteerbaar zijn voor ‘toegepaste kunsten’, zij het mogelijk in mindere mate dan voor ‘vrije kunsten’ in welk geval het bestuur gemakkelijker tot de erkenning van ruime artistieke faam zou moeten besluiten”. Verwerende partij betoogt wel dat het werk van verzoeker niet in concreto de vereiste artistieke faam aantoont, maar zij verzet zich niet tegen deze principiële stellingname, die de Raad van State ook ten gronde voor deze zaak handhaaft. 4.2. In het arrest Pauwels, nr. 147.121, van 30 juni 2005 besloot de Raad van State tot de nietigverklaring van de vorige weigeringsbeslissing van 21 juni 1999 op grond van onder meer de volgende overwegingen : “Overwegende, in het algemeen, dat het aldus gegeven oordeel over verzoeker niet zo ‘quasi unaniem’ was als verwerende partij het wil voorstellen; dat één lid van de commissie aan verzoeker voor elk criterium een score ‘0’ heeft gegeven, en daarvoor als -enige- motivering ‘geen “artistieke” faam’; dat evenzeer een ander lid aan verzoeker voor vijf van de zeven criteria een score ‘10’ heeft gegeven, met als -eveneens enige- motivering ‘de kandidaat heeft een evenwichtige en sprekende faam opgebouwd in binnen- en buitenland’; Overwegende, wat het criterium ‘eigen publicaties of gerealiseerde dossiers i.v.m. de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene’ betreft, dat verzoeker in de overzichtslijst als items een tiental boeken, een aantal prentkaartenreeksen en een cd heeft vermeld en over de boeken verduidelijkt dat ‘fotografie de dragende pijler is, waarbij mijn aandeel de belangrijkste component vormt’; Overwegende dat in de motivering voor dit criterium is te lezen dat de publicaties ‘weinig uitstraling’ hebben; Overwegende dat vooreerst de afzonderlijke leden van de jury blijkens hun beoordelingsfiches het daar onderling niet enkel wat de gegeven scores betreft over oneens blijken te zijn, maar dat zij ook tegenstrijdige motieven geven: voor een lid gaat het wel degelijk om ‘eigen publicaties’ weze het ‘zonder grote uitstraling’ (score 5), volgens een ander lid zijn het ‘uitgebreide realisaties’ (score 10) maar volgens nog een ander lid zijn het evenwel ‘producties …publicaties’ (score 0), terwijl de overige leden zonder bijkomende inhoudelijke motivering scores toekennen van 5, 0 en 5; dat de Raad vooreerst niet ziet waarom de opgesomde boeken of prentkaarten voor een fotograaf niet als ‘eigen publicaties of gerealiseerde dossiers’ begrepen mogen worden; dat slechts één jurylid dit in twijfel trekt; dat zijn of haar beoordeling ‘0’ echter in dat geval niet zorgvuldig is tot stand gekomen want vertrekkend van een verkeerde premisse; dat voorts, tegenover de hoegenaamd niet eenduidige en alleszins summiere motivering van de overige juryleden het uitgebreid en XII-5111-9/14 concreet verweer staat van verzoeker over, onder meer, de oplage, herdrukken, vertalingen van en de prijzen en anderszins getoonde waardering voor de door hem opgesomde items; dat hij zich terecht mag afvragen waarom de jury, en met haar de raad van bestuur, bij dit criterium tot de beoordeling ‘weinig uitstraling’ komt; dat ‘de voorgelegde feitelijke gegevens’ vergelijkende met de stukken uitgaande van de beoordelingscommissie en van de raad van bestuur, de Raad het antwoord niet terugvindt in het administratief dossier; Overwegende, wat het criterium ‘tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea’ betreft, dat nazicht van de werkdocumenten leert dat de eerst met de hand geschreven motieven van het juryverslag in de latere versies bij vergissing zijn omgewisseld of weggevallen, en dat meer bepaald de bemerking over ‘een aantal expo’s zonder al te grote uitstraling’ hoorde te staan bij dit criterium G (tentoonstellingen), terwijl bij criterium F (bijdragen aan belangrijke producties) moet worden gelezen ‘zijn er relevante bijdragen aan belangrijke producties zonder dat betrokkene daar een grote uitstraling bekomt’; Overwegende dat de raad van bestuur blijkbaar de verschrijving niet heeft opgemerkt, en bijgevolg de blanco geworden motivering van criterium G eigener beweging opnieuw heeft aangevuld met de woorden ‘zijn er geen relevante elementen’; dat dit door de raad van bestuur in de uiteindelijke beslissing aangenomen motief strijdt met de feiten van het dossier; dat verzoeker immers vooreerst wél een reeks tentoonstellingen heeft opgesomd bij criterium G; dat niettemin twee commissieleden de score ‘0’ geven, de ene met de aanvullende motivering ‘nihil’ en de andere zonder specifieke aanvullende motivering; dat daarenboven de aldaar opgesomde tentoonstellingen plaats hadden in, onder meer, Amsterdam, Madrid, Lissabon en Galway; dat dienvolgens ook de oorspronkelijke handgeschreven motivering ‘zonder al te grote uitstraling’ niet zonder meer begrepen wordt; dat verzoeker wat te lezen is over dit criterium in de stukken van het dossier terecht verwijt ‘niet gedragen [te zijn] door een voldoende duidelijke motivering’; Overwegende, terugkerende naar het criterium F ‘relevante bijdragen aan belangrijke producties’, dat de uiteindelijke motivering wegens de gesignaleerde verschrijving uiteraard niet kan stroken met de feiten van het aanvraagdossier; dat zelfs kijkend naar de oorspronkelijke handgeschreven motivering, de Raad van State zich met verzoeker afvraagt hoe men de door verzoeker opgesomde items, onder meer voor het belangrijkste tijdschrift over monumenten- en landschapszorg in Vlaanderen, ‘waar verzoeker zowat als huisfotograaf fungeert, [met] een oplage van 5000 exemplaren en 2848 abonnementen’, ziet als ‘relevante bijdragen aan belangrijke productie’ maar toch oordeelt dat verzoeker daar geen grote uitstraling uit haalt; dat verzoeker daarenboven in dat verband wijst op het feit als fotograaf in de toegepaste kunsten werkzaam te zijn, wat onder meer meebrengt dat hij vooral bekendheid bij specialisten geniet; dat uit het dossier niet genoegzaam blijkt dat de leden van de commissie rekening hebben gehouden met de beoefende kunstvorm; dat verzoeker zich overigens ook voor de andere criteria mag afvragen of de commissieleden, of minstens sommige onder hen, bij de toepassing van de in het decreet vastgelegde criteria voldoende oog hadden voor de eigenheid van de toegepaste fotografie als kunstdiscipline; dat één commissielid op zijn of haar fiche schrijft ‘geen “artistieke” faam’ om dan voor alle criteria een ‘0’ toe te kennen, wat, zonder nadere verduidelijking, wel de indruk moet wekken dat naar het oordeel van dit lid wie fotograaf is voor restaurateurs en conservatie, geen kunst bedrijft; dat dergelijk besluit niet strookt met de erkenning van verzoekers vakspecialiteit als een artistiekgebonden onderwijsactiviteit; dat eenzelfde bedenking rijst als men, zonder meer, wél ‘talrijke realisaties’ erkent, ‘talrijke manifestaties’ of ‘relevante bijdragen’, maar de rol van verzoeker daarin als secundair bestempelt; dat verwerende partij niet ontkracht dat zulks XII-5111-10/14 voortvloeit uit de aard van de toegepaste fotografie, wat naar de woorden van verzoeker een ondergeschikte rol en teamwerk veronderstelt; Overwegende dat de Raad van State niet bevoegd is om de beoordeling van verzoekers artistieke faam aan de hand van zijn dossier over te doen, maar enkel om de beoordeling van de verwerende partij te vernietigen indien is aangetoond dat zij niet wettig tot stand is gekomen; dat het daarom volstaat vast te stellen in de concrete omstandigheden van deze zaak dat verzoeker, bij een nieuwe beoordeling van zijn aanvraag, aan één hogere quotering voor een van de zeven criteria genoeg heeft, opdat zijn eindscore 40 zou worden, wat dan weer het vereiste minimum is om de ruime artistieke faam erkend te weten; dat verzoeker bijgevolg reeds een nieuwe kans heeft op de beoogde erkenning, indien de ernst van de toegekende beoordeling voor een van de zeven criteria zou wankelen; dat wat voorafgaat aantoont dat verzoeker er reeds in slaagt de Raad hiervan te overtuigen voor minstens drie criteria; dat een nader onderzoek van verzoekers grieven bij de overige criteria dienvolgens achterwege kan blijven; dat het middel, minstens in de besproken mate, gegrond is”. 5. Uit de aangehaalde overwegingen van het arrest van 30 juni 2005 blijkt dat de eerdere beoordeling door de commissie voor ten minste drie van de zeven criteria niet deugdelijk was. Nadien heeft de raad van bestuur de beoordelingscommissie gevraagd om hetzelfde dossier opnieuw te toetsen aan de zeven criteria. Partijen betwisten niet dat de nieuwe commissie -op één lid na- samengesteld is uit dezelfde leden als bij de vorige beoordeling. Die commissie is ook op identiek dezelfde wijze te werk gegaan als de vorige keer: elk commissielid heeft, wat hem of haar betreft, anoniem een fiche ingevuld door per criterium een puntenscore toe te kennen van 0, 5, 10 of 20 en die score summier toe te lichten. Die punten zijn dan overgebracht op de tabel en bewerkt zoals hiervoor sub 1.6. is beschreven. Die quasi identiek samengestelde commissie komt er zo doende toe aan het zelfde aanvraagdossier thans na afronding 25 punten toe te kennen, waar zij voorheen van mening was dat het na afronding 35 punten waard was. 6. Met het enig middel beoogt verzoeker niet om de Raad van State er toe te brengen zich uit te spreken over de vraag of hij al dan niet beschikt over ruime artistieke faam. Het middel wrijft verwerende partij aan dat zij haar weigering om die faam te erkennen niet deugdelijk onder woorden heeft gebracht en dat haar motieven niet stroken met het dossier. XII-5111-11/14 Wanneer het bestuur zijn eerdere beslissing herneemt, waarvan evenwel was komen vast te staan dat ze niet deugdelijk was gemotiveerd, dan mag verzoeker terecht verwachten dat uit de nieuwe beslissing blijkt dat met de dragende overwegingen van het arrest rekening is gehouden. Na een nietigverklaring op grond van motiveringsgebreken mag van het bestuur zelfs gevraagd worden dat het de motieven die het resultaat van zijn bevestigende beslissing onderbouwen, heel accuraat uiteenzet. Daartoe is te dezen de louter mathematische optelling en verwerking van de individuele scores van de commissie onvoldoende. Elk commissielid heeft wel bij de individueel gegeven score een persoonlijke appreciatie onder woorden gebracht, die evenwel niet aan de hele commissie -en dus naderhand aan de raad van bestuur- toegeschreven lijkt te kunnen worden. Verzoeker betoogt dat de individuele fiches -en dus de afzonderlijke motiveringen van de commissieleden- zelfs niet aan hem zijn meegedeeld, ook niet nadat hij daar had naar gevraagd. De Raad stelt vast dat, vergeleken met de reeds in het arrest nr. 147.121 opgesomde, concrete, specifieke bezwaren van verzoeker, de leden van de commissie zich hoe dan ook vaak hebben beperkt tot algemeenheden als “Ik vind dat de eigen publicaties inhoudelijk niet voldoende materiaal en diepgang bieden om ‘vermaardheid’ aan te tonen” of “Er zijn een aantal expo’s, maar naar mijn oprechte mening heeft hij daar geen grote uitstraling uit gehaald”. Verwerende partij betoogt wel dat vervolgens een collegiale beraadslaging heeft plaatsgevonden. Daarvan is in het administratief dossier geen verslag voorhanden en alleszins heeft die beraadslaging niet geleid tot een meer omstandige motivering -haar predikaat “uitgebreide motivering” ten spijt- waaruit kan blijken dat de argumentatie van verzoeker die hem succes had gebracht bij zijn vorige annulatieberoep, in overweging is genomen en beantwoord werd. Uit het administratief dossier kan bijgevolg niet worden achterhaald of de leden van deze commissie onderling de individueel toegekende scores naderhand hebben besproken en gerelateerd aan de overwegingen van het vorige annulatiearrest. Maar zelfs als wordt aangenomen dat het al is gebeurd, blijft de vaststelling dat uit het dossier niet kan worden opgemaakt op welke gronden zij de grieven van verzoeker menen te moeten weerleggen. 7. Van de beoordelingscommissie mag ook enige consistentie worden verwacht. Het bestuur moet aanvullen of verduidelijken wat eerder ondeugdelijk werd bevonden of wat eerder ontbrak. Het ligt evenwel niet voor de XII-5111-12/14 hand dat de overheid na een annulatie wegens motiveringsgebreken bij een nieuw onderzoek plots ten nadele van de verzoeker nieuwe motieven bedenkt die de eerder in aanmerking genomen maar niet betwiste motieven ontkrachten. Een vermindering van 35 naar 25 punten is geenszins “beperkt anders”, maar een significante terugval die niet zonder meer te verklaren valt. Indien de commissie meent bij haar werkzaamheden de vorige keer toch te vrijgevig te zijn geweest, dan mag worden verwacht dat zij dat toelicht. De feitelijke vaststelling dat één lid van de commissie werd vervangen, volstaat daartoe niet. Verwerende partij vergist zich ook waar zij de grief zo opvat dat haar commissieleden wordt verweten te evolueren in hun opvattingen. Niet de negatieve evolutie op zich wordt op de korrel genomen, wel het ontbreken van elke draagkrachtige motivering voor die evolutie. 8. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 19 maart 2007 van de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen, thans de Artesis Hogeschool, waarbij aan Oswald Pauwels geen artistieke faam wordt toegekend. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-5111-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5111-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.074 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.555 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div