id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.083 Rolnummer: A. 155562/XII-4256 Zaak: Arrest 194083 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-25 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:15 Fiche Arrest nr 194.083 van 11 juni 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.083 van 11 juni 2009 in de zaak A. 155.562/XII-
- In zake : Marc DE CALUWÉ, die woonplaats kiest bij advocaat G. Meeus, kantoor houdende te Willebroek, Mechelsesteenweg 26 tegen :
- de GEMEENTE PUURS, die woonplaats kiest bij advocaat A. Coolsaet, kantoor houdende te Antwerpen, Arthur Goemaerelei 69
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat T. De Sutter, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc De Caluwé op 13 september 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen 1/ van het besluit van 29 april 2004 van de gemeenteraad van Puurs houdende verwerping van het verzoek tot wraking van het college van burgemeester en schepenen en de gemeente- secretaris, 2/ van het besluit van 29 april 2004 van dezelfde gemeenteraad houdende zijn ontslag van ambtswege, en 3/ van het besluit 15 juli 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij de gemeenteraadsbeslissing van 29 april 2004 tot oplegging van het ontslag van ambtswege wordt goedgekeurd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag, opgesteld door auditeur G. De Bleeckere; XII-4256-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Borgonie, die loco advocaat G. Meeus verschijnt voor verzoeker, van advocaat A. Coolsaet, die verschijnt voor eerste verwerende partij, en van advocaat T. De Sutter, die verschijnt voor tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. De Bleeckere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
- Verzoeker is sinds 1 mei 1979 in dienst van de eerste verwerende partij als cultuurfunctionaris in het Cultureel Centrum (hierna CC) de Kollebloem. De algemene leiding van het CC De Kollebloem is vanaf 1 augustus 2000 in handen van W. B., de cultuurbeleidscoördinator-directeur van het cultureel centrum, zijnde de hoogste hiërarchische functie binnen het CC de Kollebloem. Op 6 december 2003 bezorgt de gemeenteontvanger aan de gemeentesecretaris en de burgemeester twee facturen onder het logo van het CC de Kollebloem, betaalbaar op het persoonlijk rekeningnummer van F. R., contractueel administratief medewerker van het CC de Kollebloem, in plaats van op het rekeningnummer van het cultureel centrum. De facturen hebben betrekking op cateringprestaties en zijn gericht aan twee organisaties die kort tevoren gebruik hebben gemaakt van het CC de Kollebloem. Een onderzoek wordt gestart door de gemeentesecretaris, de gemeenteontvanger, het diensthoofd personeel en de ICT- verantwoordelijke. XII-4256-2/12 Het college van burgemeester en schepenen ontslaat op 10 december 2003 F. R. om dringende reden. Op 5 januari 2004 besluit het om verzoeker preventief te schorsen met ingang van 6 januari
- Die preventieve schorsing wordt op 29 januari 2004 door de gemeenteraad bekrachtigd en op 8 april 2004 door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken goedgekeurd. W. B. wordt bij collegebesluit van 6 januari 2004 tijdelijk van zijn leidinggevende functie ontheven bij wijze van ordemaatregel.
- In zijn tuchtverslag ten laste van verzoeker zet de gemeentesecretaris in de eerste plaats uiteen : “Uit het administratief onderzoek is gebleken dat binnen het CC de Kollebloem door bepaalde personeelsleden bij verschillende gelegenheden voor eigen rekening cateringactiviteiten werden ontwikkeld voor gebruikers van het CC. Bepaalde personeelsleden, waaronder Marc De Caluwé, bereidden zelf de maaltijden (broodjesmaal, koud buffet,...) na inkoop van de vereiste grondstoffen. De ganse operatie (inkopen, bereiding, opdienen, afwas,...) gebeurde deels binnen de arbeidsuren, deels buiten de arbeidsuren. De aankoop van de benodigdheden voor deze catering werd gefinancierd met middelen die deels uit de gemeentekas kwamen [...], deels uit een ‘personeelskastje’ van CC- personeel (volgens de verklaringen van bepaalde CCpersoneelsleden). Dit ‘personeelskastje’ werd, volgens diezelfde verklaringen, o.a. gefinancierd met eigen middelen van CC-personeelsleden (maandelijkse bijdrage van i 2,50) en met de opbrengsten van vermelde cateringactiviteiten. Deze catering voor eigen rekening gebeurde naast de beperkte officiële catering binnen het CC, waar er zo nodig een maaltijd gemaakt wordt voor de optredende artiest, indien dit voorzien is in het contract, maar waarbij de aankoop van de ingrediënten direct verrekend wordt met de financiële dienst en er dus geen verkoopprijs is. Voor deze catering voor eigen rekening werden facturen ‘gefabriceerd’ die geen officiële facturen waren uitgaande van het CC De Kollebloem, maar waarop wel het logo van het CC voorkwam, alsook een factuurnummer om de facturen ‘echter’ te maken. Het rekeningnummer waarop moest worden betaald, was de persoonlijke bankrekening van de heer [F. R.], contractueel administratief medewerker, en o.m. verantwoordelijk voor het opstellen van de facturen van het CC. Een factuur vermeldde het persoonlijk rekeningnummer van [D. S.], conciërge en cafetariamedewerkster. De winst van de cateringactiviteit ging volgens de verklaringen van Marc De Caluwé en [F. R.] opnieuw naar het voormelde ‘kastje’. Met dit ‘kastje’ werden een aantal gezamenlijke activiteiten (uitstapjes, maaltijden) van een aantal personeelsleden van het CC gefinancierd”. Vervolgens wordt in het tuchtverslag uitgebreid stilgestaan bij de “gefabriceerde facturen” die “buiten het officieel gemeentelijk facturatiesysteem, voor dit zelf opgezette cateringsysteem [werden] gevonden”. Het gaat om facturen XII-4256-3/12 voor cateringactiviteiten op 13 november 2003, 22 oktober 2003, 15 februari 2003, 14 november 2002 en 15 mei
- Finaal wordt in het tuchtverslag voorgesteld verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen wegens de volgende tuchtfeiten : “
- hij is organisator van de cateringactiviteiten voor eigen rekening die binnen het CC De Kollebloem werden ontplooid door hemzelf en andere personeelsleden zonder instemming, noch medeweten van het bestuur;
- hij heeft, als hiërarchische meerdere, personeelsleden, hoofdzakelijk tijdens de arbeidsuren, opdracht gegeven om aan de cateringactiviteiten deel te nemen door ingrediënten te gaan kopen, mee te werken aan de bereiding van de maaltijden of de praktische organisatie van de maaltijd (b.v. afwas), dit alles zonder instemming, noch medeweten van het bestuur;
- hij heeft bij de ontwikkeling van deze cateringactiviteiten gebruik gemaakt van de infrastructuur van het CC De Kollebloem zonder instemming, noch medeweten van het bestuur;
- hij heeft naar aanleiding van deze cateringactiviteiten winst aangerekend bestemd voor het ‘kastje van het personeel’ waarmee privé-uitgaven gebeurden voor het personeel als groep;
- hij heeft voor de catering voor Slagerij Van Kampen de ingrediënten aangekocht met gemeentelijke middelen, terwijl de opbrengst via de gefabriceerde factuur 2003/026 op naam van [F. R.] naar het ‘personeelskastje’ is gegaan; hij heeft hiervoor bestelbon nr. 2003/366 doen opmaken waarin hij als beschrijving van de opdracht opgeeft ‘aankoop benodigdheden - catering - Valentijnsconcert 14.02.03’ terwijl voor dit valentijnsconcert geen catering werd gevraagd door de artiesten;
- Marc De Caluwé heeft samen met [F. R.] een systeem uitgewerkt, waarbij facturen werden uitgegeven voor bovenvermelde catering prestaties, facturen met daarop het persoonlijk rekeningnummer van [F. R.] of [D. S.] en anderzijds de benaming CC de Kollebloem Puurs en een fictief factuurnummer om de facturen ‘echter’ te laten lijken”.
- Op 22 maart 2004 wordt verzoeker gehoord door de gemeenteraad. Tijdens de hoorzitting dient de raadsman van verzoeker een vordering tot wraking van de leden van het college van burgemeester en schepenen en de gemeentesecretaris alsook een nota in. Op 29 april 2004 beslist de gemeenteraad het verzoek tot wraking van het college van burgemeester en schepenen en de gemeentesecretaris te verwerpen (hierna: de eerste bestreden beslissing).
- Nog op 29 april 2004 besluit de gemeenteraad verzoeker van ambtswege te ontslaan met ingang van de dag van de kennisgeving van het besluit (hierna: de tweede bestreden beslissing). XII-4256-4/12 In de beslissing worden, met betrekking tot het eerste tuchtfeit “Organisator van de cateringactiviteiten”, alleen de cateringactiviteiten van 15 februari 2003, 22 oktober 2003 en 13 november 2003 tegen verzoeker in aanmerking genomen. Wat daarentegen de eerste cateringactiviteit van 15 mei 2002 en de tweede van 14 november 2002 betreft, wordt aangenomen dat hij “niet verantwoordelijk [was] voor de praktische organisatie [van] die dag”, respectievelijk “het voordeel van de twijfel geniet”. De overige tuchtfeiten worden voor bewezen gehouden. Aangaande de zwaarte van de straf wordt onder meer geargumenteerd dat de strafmaat in de eerste plaats bepaald wordt op basis van de ernst van de feiten, dat de tuchtfeiten zeer ernstig zijn, dat verzoeker samen met F. B. de spil was “van de bewuste cateringactiviteiten, waarbij Marc De Caluwé eerder het brein, de organisator en initiatiefnemer was en [F. B.] eerder de administratieve ondersteuning bood”, dat verzoeker in drie van de vijf cateringoperaties “duidelijk naar voren [komt] als de initiatiefnemer en organisator”, dat hij samen met F. B. “bewust misbruik [heeft] gemaakt van gemeentelijke infrastructuur, arbeidsuren (als we die van alle uitvoerders van de catering meerekenen) en gemeentelijke financiële middelen (zeer beperkt)”, dat dit bij verzoeker “nog eens verergerd [wordt] omdat hij als hiërarchisch overste personeelsleden die zich in een ondergeschikte positie bevinden, ertoe heeft aangezet om aan de bewuste cateringactiviteiten mee te werken, dat het niet ging om eenmalige feiten, maar diverse keren gebeurde en dat er een systeem achter zat waarbij facturen werden opgesteld waarop het persoonlijk bankrekeningnummer stond van F. B. en één keer D. S., evenals het logo en de naam van CC de Kollebloem, zodat naar derden toe de schijn werd gewekt dat de catering uitging van CC de Kollebloem of de gemeente, terwijl dit geenszins het geval was, dat het vertrouwen van derden in het cultureel centrum en het bestuur zo wordt beschaamd, dat ook het vertrouwen van het bestuur in verzoeker door deze feiten alleen al onherroepelijk aangetast is, en dat dit nog eens verergerd wordt door de catering voor Slagerij Van Kampen (op 15 februari 2003) deels met gemeentelijke middelen te financieren.
- Op 11 mei 2004 vraagt de raadsman van verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen om inzage en afschrift van een aantal documenten, onder meer van stukken uit de tuchtprocedures tegen de collega’s W. B. en D. S. Mededeling van die laatste documenten wordt geweigerd bij beslissing van 27 mei XII-4256-5/12 2004, met een brief van 2 juni 2004 ter kennis gebracht. Het beroep tegen deze weigeringsbeslissing wordt op 6 augustus 2004 door de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering verworpen. Het annulatieberoep van verzoeker tegen die beslissing is door de Raad van State ingewilligd bij arrest nr. 194.082 van 11 juni
- Na beroep van verzoeker tegen het gemeenteraadsbesluit van 29 april 2004 waarbij hem het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, keurt op 15 juli 2004 de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken de tuchtstraf goed (hierna: de derde bestreden beslissing). Het beroep tegen de eerste bestreden beslissing
- In het auditoraatsverslag wordt geconcludeerd dat verzoeker zonder het vereiste belang erbij is om nog de nietigverklaring te vragen van de gemeenteraadsbeslissing van 29 april 2004 waarbij zijn vordering tot wraking wordt afgewezen, nu blijkt dat de tweede en de derde aangevochten beslissing vernietigd dienen te worden. In de laatste memorie reageert verzoeker dat hij wel nog belang heeft bij de vernietiging “omdat hierdoor duidelijk wordt dat het onpartijdigheids- beginsel werd geschonden en m.a.w. de tweede en derde beslissing zijn aangetast door een onwettigheid”. De Raad van State begrijpt hieruit dat het verzoeker met zijn beroep tegen de beslissing inzake de wraking wezenlijk erom te doen is duidelijk te maken dat de tweede en derde beslissing zijn aangetast door een onwettigheid. Aangezien hierna zal blijken dat verzoeker dit doel reeds op grond van het vijfde middel bereikt, mag de conclusie in het auditoraatsverslag worden bijgevallen. Het beroep is niet-ontvankelijk wat de eerste bestreden beslissing aangaat. XII-4256-6/12 Het beroep tegen de tweede en de derde bestreden beslissing Standpunt van de partijen
- Verzoeker leidt een vijfde middel af uit de schending “van de wet op de motivering van bestuurshandelingen door het funderen van de beslissing op onbestaande of onvoldoende bewezen feiten”. Hij betwist het bestaan van de tuchtfeiten die de tuchtbeslissing bewezen acht. Onder meer zet hij in verband met het eerste tuchtfeit uiteen dat hij niet als organisator van de cateringactiviteiten kan worden bestempeld noch dat aan hem hierin een centrale rol kan worden toegemeten, omdat hij de eerste maal dat die activiteiten georganiseerd werden niet aanwezig was en de tweede maal er niet aan deelgenomen heeft. Ook betoogt verzoeker dat hij “pas in beeld [komt] wanneer reeds twee activiteiten gepland, toegelaten en uitgevoerd zijn door zijn collega’s en het duidelijk is dat een mogelijke opbrengst voor de groep wordt aangewend”, en vraag hij zich af: “Kan hij als voormalig diensthoofd met 25 jaar ervaring zijn collega’s en zijn nieuw diensthoofd in de steek laten wanneer deze de overtuiging hebben dat zij hiermede een occasioneel bijkomende dienstverlening voor het publiek van het CC aanbieden?” en “Waarom heeft men niet verder onderzocht wie het initiatief in die situaties heeft genomen en wie hiervoor de leiding nam?”.
- Eerste verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat in de tuchtbeslissing elk van de tuchtfeiten op een omstandige wijze wordt gemotiveerd, dat hierbij telkens de stukken uit het tuchtdossier desbetreffend worden beoordeeld, alsook het verweer dat door verzoeker werd gevoerd, dat vervolgens nauwkeurig wordt aangegeven waarom bepaalde feiten toch bewezen zijn of waarom bepaalde feiten niet worden aangehouden en dat daaruit ontegensprekelijk de objectiviteit blijkt waarmee de tuchtoverheid het tuchtdossier en het tuchtverslag heeft beoordeeld.
- De tweede verwerende partij doet in haar memorie van antwoord gelden dat in de bestreden tuchtbeslissing zeer uitgebreid is ingegaan op elk van de zes tenlasteleggingen en het verweer van verzoeker, dat uit de uitvoerige motivering ontegensprekelijk blijkt dat is rekening gehouden met de argumenten van verzoeker, dat de gemeenteraad op grond van die motivering in alle redelijkheid de tuchtfeiten XII-4256-7/12 voor bewezen kon houden, dat een en ander ook geldt voor het goedkeuringsbesluit en dat verzoeker blijft steken in het louter herhalen van zijn argumenten en het plaatsen van vraagtekens zonder ook maar te trachten de motieven van de tucht- en de goedkeuringsbeslissing te weerleggen, dat verzoeker nalaat de kennelijke onredelijkheid ervan aan te tonen.
- In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat de Raad van State meermaals besliste dat de motivering, duidelijk, niet tegenstrijdig, juist, pertinent en precies moet zijn, dat het belang van die motiveringsplicht des te groter is naarmate de overheid heeft gekozen voor een ingrijpende maatregel, en dat niet werd geantwoord op de vraag “hoe iemand een centrale rol kan worden toebedeeld wanneer hij de aan de eerste feiten noch in de voorbereiding, noch tijdens het verloop en de afwerking aanwezig was”.
- De eerste verwerende partij benadrukt in de laatste memorie dat het feit dat niet kan worden bewezen dat verzoeker ook nog twee eerdere cateringactiviteiten organiseerde, in geen enkel opzicht afbreuk doet aan de duidelijke bewijzen dat hij wel degelijk de organisator is van de drie in de tuchtbeslissing vermelde cateringactiviteiten, dat het niet van onzorgvuldigheid getuigt om de organisatie van drie cateringactiviteiten wél ten laste te leggen en de organisatie van twee andere cateringactiviteiten niet ten laste te leggen, dat het feit dat voor elke cateringactiviteit afzonderlijk werd nagegaan of bewezen is dat de organisatie of het initiatief uitging van verzoeker, de zorgvuldigheid onderstreept waarmee de tuchtoverheid tewerk is gegaan, dat de verschillende cateringactiviteiten alle los van mekaar stonden.
- In haar laatste memorie betoogt de tweede verwerende partij eveneens dat het feit dat de betrokkenheid van verzoeker niet is aangenomen met betrekking tot de eerste twee cateringactiviteiten niet verhindert dat de tuchtoverheid op basis van de diverse verklaringen en stukken van het dossier “naar recht en redelijkheid” kan aannemen dat verzoeker een centrale rol heeft gespeeld bij de organisatie “van de (overige) cateringactiviteiten”. Verzoeker houdt het evenwel bij een loutere ontkenning van zijn centrale rol en bij het opwerpen van vragen die wel degelijk -minstens impliciet- zijn beantwoord. XII-4256-8/12 Beoordeling
- Voorwerp van het tuchtverslag van 1 maart 2004 van de gemeentesecretaris is de praktijk die in de schoot van de CC de Kollebloem werd vastgesteld waarbij personeelsleden, deels binnen de werkuren, “bij verschillende gelegenheden”, “voor eigen rekening” cateringactiviteiten ontplooien voor gebruikers van het cultureel centrum. Meer bepaald worden vijf dergelijke gelegenheden aangewezen; twee in 2002 en drie in
- Blijken de ingrediënten meestal aangekocht met middelen uit een door de personeelsleden zelf gespijsd “personeelskastje”, één keer is gebruik gemaakt van “gemeentelijke middelen op basis van een bestelbon”. Met het oog op de vergoeding van “dit zelf opgezette cateringsysteem” werd, aldus het tuchtverslag, “een systeem uitgewerkt”, waarbij facturen werden “gefabriceerd” met de benaming CC de Kollebloem Puurs, maar met een persoonlijk rekeningnummer. In het tuchtverslag worden hieruit zes tenlasteleggingen tegen verzoeker afgeleid. Volgens de eerste is hij organisator van cateringactiviteiten; luidens de zesde heeft verzoeker samen met F.R. een systeem uitgewerkt waarbij facturen werden uitgegeven voor de cateringactiviteiten met erop het persoonlijk rekeningnummer van F.R. of D.S. en met de benaming CC de Kollebloem Puurs en een fictief factuurnummer. Finaal stelt de gemeentesecretaris voor verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen omdat hij de initiatiefnemer en organisator van “het hele cateringgebeuren” is. Benadrukt wordt dat het “niet om een eenmalig feit [gaat], maar om een uitgewerkt systeem”.
- In zijn beslissing van 29 april 2004 valt de gemeenteraad verzoeker bij waar hij, in verband met de eerste tenlastelegging, doet gelden niet betrokken te zijn geweest bij de organisatie van de eerste twee cateringactiviteiten, in
- Terzake bevestigt verwerende partij in de laatste memorie “dat verzoeker niet tuchtrechtelijk wordt gestraft voor de organisatie van of enig aandeel in de twee cateringactiviteiten van 15.05.02 en 14.11.02”, dat “de onschuld van verzoeker voor die twee concrete feiten werd aanvaard” en dat ze “niet aan verzoeker worden toegedicht”. Tegelijk echter wordt wel de zesde tenlastelegging voor bewezen gehouden, waarin verzoeker wordt aangewreven een systeem van “gefabriceerde” facturen te hebben uitgewerkt : XII-4256-9/12 “Het gaat wel degelijk om een systeem: er worden facturen gefabriceerd met het logo van CC de Kollebloem en een fictief factuurnummer dat gelinkt is aan de periode van het jaar, waarin ze wordt uitgegeven (begin van het jaar laag nummer, einde van het jaar hoog nummer), om ze echter te laten lijken tegenover de buitenwereld. Er is dus over nagedacht. Er zijn 5 dergelijke facturen teruggevonden”. De facturen blijken een volmaakt identieke lay-out te hebben. Twee van de vijf, meer bepaald de oudste, die het eerst zijn opgesteld, hebben betrekking op de twee cateringactiviteiten waarvan de gemeenteraad in verband met de eerste tenlastelegging juist aanneemt dat verzoeker er part noch deel aan heeft. Tegelijk ook blijft de gemeenteraad, het tuchtverslag achterna, verzoeker bestempelen als onder andere “het brein” achter het cateringsysteem waarvan de in aanmerking genomen cateringactiviteiten doen blijken, om welke reden -in de eerste plaats- de straf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Evenals de gemeentesecretaris in het tuchtverslag, beklemtoont de gemeenteraad: “Het ging niet om eenmalige feiten, neen, het gebeurde diverse keren en er zat een systeem achter waarbij facturen werden opgemaakt waarop het persoonlijk bankrekeningnummer stond van [F.R.] (1 keer [D.S.]) maar tevens het logo en de naam van CC de Kollebloem, zodat naar derden toe de schijn gewekt werd dat de catering uitging van CC de Kollebloem of de gemeente, terwijl dit geenszins het geval was”.
- De tegenstrijdigheid waarvan de gemeenteraadsbeslissing alzo doet blijken bestaat hierin dat, enerzijds, verzoeker speciaal zwaar wordt gestraft omdat hij de bedenker en initiator is van een ongeoorloofd catering- annex facturerings“systeem” wijl, anderzijds, dit systeem blijkbaar voor het eerst in mei en november 2002 werd toegepast en verzoeker precies voor de feiten van 2002 vrijuit gaat, zodat hij terecht stelt “pas in beeld” te komen in februari
- Die tegenspraak wordt niet verklaard, ook niet in de laatste memories. Daarin wijzen zowel de eerste als de tweede verwerende partij erop dat het feit dat de tuchtoverheid verzoeker onschuldig bevond met betrekking tot de eerste twee cateringactiviteiten, niet belet dat op grond van de verklaringen en stukken in het dossier terecht kon worden aangenomen dat hij dan toch bij de organisatie van de drie laatste cateringactiviteiten een centrale rol heeft gespeeld. XII-4256-10/12 Dit mag waar zijn, het is naast de kwestie. Eén zaak is namelijk verzoekers betrokkenheid bij de laatste drie cateringactiviteiten, een andere of verzoeker tevens geacht kan worden aan de basis van de gewraakte catering- en factureringspraktijk te liggen. Met eerste verwerende partij wordt aangenomen dat het van zorgvuldigheid getuigt dat zij de betrokkenheid van verzoeker voor elke cateringactiviteit afzonderlijk heeft onderzocht. Eens zij echter aanneemt, anders dan de gemeentesecretaris in zijn tuchtverslag, dat verzoeker vreemd is aan de eerste twee feiten, uit 2002, kan zij -zonder tegen de logica in te gaan- bezwaarlijk wél nog het tuchtverslag volgen waar het verzoeker verwijt dat hij het systeem van de “gefabriceerde” facturen mee “op poten heeft gezet” en dat hij de initiatiefnemer en organisator is van “het hele cateringgebeuren”. Niettemin valt de gemeenteraad in zijn tuchtbeslissing bij dat “[h]et hele idee” van de “fabricatie” van facturen van verzoeker kwam, en noemt hij hem onder meer het “brein” van de cateringactiviteiten van 2003 en van het “systeem” erachter. In de concrete omstandigheden van de zaak heeft de gemeenteraad de juistheid van een en ander niet rechtmatig voor bewezen kunnen houden, minstens die conclusie niet afdoende uitdrukkelijk verantwoord.
- Het middel is in de besproken mate gegrond. Het verantwoordt de vernietiging, niet alleen van de gemeenteraadsbeslissing, maar ook van de ministeriële goedkeuring ervan. In het kader van het goedkeuringstoezicht is de tweede verwerende partij tot rechtshandhaving gehouden. Hieruit volgt dat de eventuele onwettigheid van de goedgekeurde beslissing ipso facto de wettigheid van het goedkeuringsbesluit aantast. XII-4256-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd worden de beslissing van 29 april 2004 van de gemeenteraad van Puurs waarbij Marc De Caluwé de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, en de beslissing van 15 juli 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij die gemeenteraadsbeslissing wordt goedgekeurd. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verwerende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juni 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4256-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.083 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.