← België

Arrest 194109 - Milieuvergunningen - 11/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.109 Rolnummer: A. 178682/VII-36751 Zaak: Arrest 194109 - Milieuvergunningen - 11/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-23 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:15 Fiche Arrest nr 194.109 van 11 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.109 van 11 juni 2009 in de zaak A. 178.682/VII-36.751. In zake : de gemeente TEMSE, die woonplaats kiest bij advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57 tegen : de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. tussenkomende partij : de NV GEKIERE EN ZOON, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. DAEL, kantoor houdende te ANTWERPEN, Amerikalei 122. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente TEMSE op 20 november 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 14 september 2006 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse van 4 april 2006, houdende weigering van de milieuvergunning aan de NV GEKIERE EN ZOON voor het exploiteren van een inrichting, gelegen aan de Elsstraat te Temse, ingewilligd wordt, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 9 januari 2007 ingediend door de NV GEKIERE EN ZOON; Gelet op de beschikking van 12 januari 2007 die de tussenkomst van de NV GEKIERE EN ZOON toelaat; VII-36.751-1/17 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 7 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 mei 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN DE SIJPE die, loco advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de verzoekende partij, van jurist Chr. WILLE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat Y. SACREAS die, loco advocaat Chr. DAEL verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De NV GEKIERE EN ZOON, de tussenkomende partij, exploiteert te Roeselare een veeteeltbedrijf, vergund voor 80.000 kippen en 50 runderen, voor een termijn tot 29 oktober 2006. 1.2. Op 17 november 2005 wordt in haar naam een milieuvergunnings- aanvraag ingediend voor de exploitatie van een varkenshouderij met 574 varkens in de gemeente Temse. Deze aanvraag is ondertekend door Kristof JANSSENS. De VII-36.751-2/17 operatie houdt in dat de vergunning voor de 50 runderen en voor 20.000 van de 80.000 kippen in Rumbeke (Roeselare) zou worden omgevormd tot een vergunning voor 574 varkens in de gemeente Temse, en dat vervolgens de exploitatie zou worden overgenomen door Kristof JANSSENS. De resterende 60.000 kippen worden op soortgelijke wijze overgedragen naar nog drie andere exploitanten. Het terrein waarop de nieuwe inrichting zou worden gevestigd ligt in agrarisch gebied. 1.3. Na een ongunstig advies van de Vlaamse Landmaatschappij weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse op 4 april 2006 de vergunning, omdat door het ontbreken van een ondertekende en gedateerde verklaring van volledige stopzetting van de inrichting in Rumbeke niet is voldaan aan artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet). De aanvrager tekent administratief beroep aan, dat medeonderte- kend wordt door de "toekomstige exploitant". De volgende adviezen worden verleend : (

  1. a)de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; (
  2. b)het agentschap Ruimtelijke Ordening adviseert gunstig; (
  3. c)de Vlaamse Landmaatschappij adviseert ongunstig, omdat er geen sluitende zekerheid is over de volledige stopzetting van de exploitatie in Roeselare; (
  4. d)de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig; (
  5. e)de afdeling Water adviseert gunstig; (
  6. f)de provinciale milieudeskundige adviseert ongunstig; (
  7. g)de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig, op voorwaarde dat de stopzettingsverklaringen worden overgemaakt; zij stelt ook bijzondere vergunningsvoorwaarden voor. De aanvrager bezorgt de verwerende partij verklaringen van de andere drie overnemers aangaande de stopzetting op de betreffende locatie in Rumbeke. 1.4. Op 14 september 2006 wordt het bestreden besluit genomen : er wordt een vergunning verleend voor, in hoofdzaak, het houden van 574 varkens met bijhorende mestopslag en een mestdrooginstallatie; VII-36.751-3/17 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de verwerende partij als exceptie aanvoert dat de verzoekende partij zich niet kan beroepen op "het algemeen belang", omdat met het gegeven dat de exploitatie op haar grondgebied plaatsvindt geen persoonlijk belang wordt aangetoond; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot haar belang in het verzoekschrift stelt dat zij "als overheid op wiens grondgebied de exploitatie wordt uitgebaat, over een evident en rechtens vereist belang" beschikt; dat zij in haar memorie van wederantwoord argumenteert dat de Raad van State aanvaardt dat een gemeente een persoonlijk belang heeft bij een beroep inzake een aangelegenheid die het gemeentelijk belang raakt, dat zij erover dient te waken dat op haar grondgebied geen milieu- of stedenbouwkundige vergunningen worden afgeleverd die een inbreuk uitmaken op haar beleid en de toepasselijke wetgeving, dat zij een evident belang heeft als overheid wiens beslissing werd hervormd om de rechtsgeldigheid van die hervormende beslissing aan te vechten; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie betoogt dat na het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning bouwwerken zijn uitgevoerd die afwijken van de verleende stedenbouwkundige vergunning, dat na klacht van enkele omwonenden de werken zijn stilgelegd en dat de houder van de stedenbouwkundige vergunning hierop een regularisatieaanvraag heeft ingediend die geleid heeft tot een weigering vanwege het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse, dat tegen die weigering beroep is aangetekend en dat over dit beroep nog geen uitspraak is gedaan, dat, gelet op die evolutie, de verzoekende partij zich afvraagt of, als gevolg van de uitgevoerde afwijking en de ingediende regularisatieaanvraag, niet moet worden verondersteld dat er afstand is gedaan van de stedenbouwkundige vergunning, zodat ingevolge artikel 5, § 2, derde lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) de milieuvergunning van rechtswege vervallen is; 2.4. Overwegende dat een gemeente het vereiste belang heeft bij een annulatieberoep tegen een milieuvergunning die werd verleend voor een hinderlijke inrichting op haar grondgebied; dat de exceptie die door de verwerende partij in dat verband werd aangevoerd, wordt verworpen; VII-36.751-4/17 Overwegende, voorts, dat het uitvoeren van werken in strijd met een verleende stedenbouwkundige vergunning niet betekent dat die vergunning hiermee ophoudt te bestaan; dat zulks ook het geval is bij een regularisatieaanvraag; 3. Ten gronde 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4) en 5), van het meststoffendecreet, van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen (hierna : motiveringswet), doordat de verwerende partij ingaat tegen het ongunstige advies van de Vlaamse Landmaatschappij en oordeelt dat voldaan is aan alle voorwaarden van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet terwijl het bewijs niet voorligt dat de te verplaatsen inrichting volledig wordt stopgezet, zodat de verwerende partij niet op correcte en afdoende wijze motiveert waarom zij afwijkt van het ongunstige advies van de Vlaamse Landmaatschappij en zij de vergunning ten onrechte verleent in strijd met artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet; dat zij het middel als volgt toelicht : "Zoals gesteld is het te verplaatsen bedrijf uit Rumbeke een onderdeel van een gemengd veeteeltbedrijf met 50 runderen en 80.000 legkippen. Van dit 'moederbedrijf' zouden 20.000 kippen overgenomen worden door de heer en mevrouw Lafaut, 20.000 kippen door de heer De Brabandere, en blijven de overige 40.000 kippen en 50 runderen bij NV GEKIERE EN ZOON. Deze laatste zou 20.000 kippen houden en de overige 20.000 kippen en 50 runderen 'verplaatsen' naar Temse. Artikel 33ter §1, 1/ c.5 Mestdecreet bepaalt : 'Tot en met 31 december 2006 kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, alleen een milieuvergunning of akte die geldt als vergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning verleend worden voor de exploitatie van een nieuwe veeteeltinrichting in agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied in combinatie met de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting die beschikt over een nutriëntenhalte, gelegen in een ander gebied dan agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De aanvrager van de nieuwe veeteeltinrichting moet tevens sinds 5 jaar houder zijn van de milieuvergunning van de stop te zetten veeteeltinrichting. De stop te zetten inrichting mag geen stopzet- tingsvergoeding verkregen hebben in het kader van het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest.' Aldus vereist dit artikel dat de over te plaatsen inrichting volledig moet worden stop gezet. VII-36.751-5/17 De Vlaamse Landmaatschappij stelde hierover in haar eerste advies dd. 06/03/2006: 'Volgens de informatie waarover de VLM beschikt (zullen) in de toekomst op de stop te zetten inrichting gelegen Karabiniersstraat 20 te Roeselare 3 vergunningshouders gekend zijn, namelijk: - Lafaut Liselotte & Gabriel - De Brabandere Wingene - Gekiere en Zoon NV Een ondertekende en gedateerde verklaring van de volledige stopzet- ting van de vergunning is niet voorgelegd zodat de aanvraag niet voldoet aan de bepalingen van artikel 33ter §1, 1/ c.5 van het mestdecreet'. Hierop maakte de aanvrager enkele bijkomende gegevens over aan de VLM, met name 2 verklaringen van stopzetting m.b.t. gedeelten van de inrichting. VLM maakte een aanvullend advies op 16/03/2006 waarin zij evenwel bij haar ongunstig advies bleef: 'De aanvraag is verenigbaar met het mestdecreet en het vergunningen- besluit indien voldaan wordt aan een aantal criteria zoals (bepaald) in bovenstaande regelgeving. Zo moet o.a. de stop te zetten inrichting (Karabinierstraat 20, Roeselare) volledig stopgezet worden (artikel 33ter §1, 1/ c.4 van het mestdecreet). De inrichting Karabinierstraat 20, Roeselare omvat een vergunning tot exploitatie van 50 runderen en 80.000 leghennen. Het deel van de vergunning (50 runderen en 20.000 leghennen), vergund op naam van Gekiere en Zoon nv, wordt volledig stopgezet. Bij aflevering van de gevraagde vergunning door het College van Burgemeester en Schepenen van gemeente Temse dient een sluitend bewijs geleverd te worden dat het resterend gedeelte van de vergunning (in casu 60.000 leghennen), afgeleverd op naam van Lafaut Liselotte & Gabriel en volgens uw gegevens ook op naam van Van Parijs Dirk eveneens wordt stopgezet. Deze zekerheid is er evenwel niet en elke verklaring van Lafaut Liselotte & Gabriel en volgens uw gegevens van Van Parijs Dirk doet niks af aan deze vaststelling. Dit omdat er bij voorliggende vergunningsaanvraag geen enkele voorwaarde aan de Gekiere & Zoon nv kan opgelegd worden m.b.t. het gedeelte van de vergunning dat niet op hun naam staat. M.a.w. de aflevering van een vergunning door het College van Burgemeester en Schepenen van Temse wordt afhankelijk van de intenties van derden. Deze intenties kunnen evenwel in het voorliggend dossier n(ie)t afgedwongen worden en kunnen bovendien wijzigen en/of niet nagekomen worden en dit omdat deze toch geen uitstaans hebben met het gedeelte van de vergunning dat niet op hun naam staat (in casu op naam van Gekiere & Zoon nv). Zo bv. zou het mogelijk kunnen zijn dat, eenmaal de vergunning verleend aan Gekiere & Zoon nv, Lafaut Liselotte & Gabriel en volgens uw gegevens ook Van Parijs Dirk hun deel van de vergunning van de inrichting Karabinierstraat 20, Roeselare, gewoon verder exploiteren (op dit adres) en het dus niet stop zetten. Het College van Burgemeester en Schepenen van Temse (kan) dit niet verhinderen. Bovendien wenst de Vlaamse Landmaatschappij op te merken dat zelfs indien Lafaut Liselotte & Gabriel en volgens uw gegevens ook Van Parijs Dirk, een samenvoegingsdossier indienen (of ingediend hebben) ter uitbreiding van een vergunning op een andere inrichting mét verklaring van stopzetting van het bedoelde gedeelte van de vergunning, dan nog er geen zekerheid van volledige stopzetting van de te verplaatsen inrichting is. Immers, die aanvraag kan nog altijd geweigerd worden (eerste aanleg en/of in beroep, ev. Raad van State). VII-36.751-6/17 Kortom, omwille van het ontbreken van een sluitende zekerheid van volledige stopzetting bij aflevering van de vergunning, is de Vlaamse Landmaatschappij van oordeel dat de aanvraag strijdig is met de bepalin- gen van artikel 33ter, §1, 1/ c), 4) van het mestdecreet. Bijgevolg handhaaft de Vlaamse Landmaatschappij dan ook haar advies van 6 maart 2006 (...)'. Het CBS weigerde de vergunning, verwijzend naar deze ongunstige adviezen. Zoals gesteld, ging de aanvrager in beroep tegen deze weigering. In graad van beroep werden opnieuw aanvullende stopzettingsverklaringen overgemaakt, en werd nieuw advies van de Mestbank ingewonnen. Ook de nieuwe stopzettingsverklaring volstond voor VLM echter niet en zij bleef op 13 juni 2006 dan ook ongunstig adviseren. De Bestendige Deputatie heeft uiteindelijk het advies van VLM naast zich neergelegd. Zij besluit : 'De aanvrager legt in het voorliggende aanvraagdossier een onderteken- de en gedateerde verklaring voor waaruit blijkt dat de exploitatie van de te verplaatsen inrichting volledig zal worden stopgezet; derhalve voldoet de aanvraag aan de bepalingen van artikel 33 ter §1, 1/,
  8. c)van het Mestdecreet. (...) In het advies van de VLM van 13 juni 2006 wordt het volgende vermeld: 'Volgens de informatie waarover de VLM beschikt (zullen) in de toekomst op de stop te zetten inrichting gelegen Karabinierstraat 20 te Roeselare 3 vergunningshouders gekend zijn, namelijk: - Lafaut Liselotte & Gabriel - De Brabandere Frederik - Gekiere en zoon nv. De Mestbank ontving op 14 maart 2006 2 verklaringen van stopzetting m.b.t. gedeelten van de vergunning van de inrichting Karabinierstraat 20 te 8800 Roeselare. De intenties tot stopzetting kunnen echter wijzigen en/of niet nagekomen worden en dit omdat deze toch geen uitstaans hebben met het gedeelte van de vergunning dat niet op hun naam staat (in casu op naam van Gekiere & zoon nv). Zo bv. zou het mogelijk kunnen zijn dat, eenmaal de vergunning verleend aan Gekiere & zoon nv, Lafaut Liselotte & Gabriël en volgens de exploitant ook De Brabandere Frederik hun deel van de vergunning van de inrichting Karabinierstraat 20 te 8800 Roeselare gewoon verder exploiteren (op dit adres) en het dus niet stopzetten. Noch het College van Burgemeester en Schepenen van Temse, noch de Bestendige Deputatie in hoger beroep kunnen dit verhinderen. Omwille van het ontbreken van een sluitende zekerheid van volledige stopzetting is de aanvraag dan ook strijdig met de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/ c), 4) van het mestdecreet'. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat op naam van Gekiere & zoon nv er na de geprospecteerde verplaatsing van 20.000 legkippen en 50 runderen een vergunning overbleef van 20.000 legkippen. Zo was het mogelijk dat, eenmaal de vergunning verleend aan Gekiere & zoon nv voor de verplaatsing, de resterende vergunning van 20.000 legkippen van de inrichting Karabinierstraat 20 te 8800 Roeselare gewoon verder in exploitatie zou blijven en dus niet zou worden stopgezet. Noch het College van Burgemeester en Schepenen, noch de Bestendige Deputatie kunnen dit in hoger beroep verhinderen. Inmiddels werden de vereiste stopzettingsverklaringen op 14 juli 2006 door de exploitant aan het dossier toegevoegd, zoals gevraagd in zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 13 juli 2006. VII-36.751-7/17 Daarmee is de aanvraag dan ook niet meer in strijd met de bepalingen van artikel 33 ter, § 1, 1/, c), 4) van het mestdecreet'. Verwerende partij meent dus de aanvullende stopzettingsverklaring die op 14 juli 2006 voor het eerst werd toegevoegd (i.e. in graad van beroep, na afloop van het openbaar onderzoek) en waarin eenzijdig verklaard wordt dat de volledige exploitatie zal worden stopgezet, volstaat om het ongunstig advies van VLM te weerleggen. De redenering van verwerende partij kan echter niet gevolgd worden en volstaat niet om het tot 3 keer toe gegeven ongunstig advies te weerleggen. De kern van de argumentatie van VLM is dat wanneer een vergund bedrijf wordt opgesplitst tussen verschillende vergunningshouders, het bijvoegen van stopzettingsverklaringen door deze verschillende vergunningshouders op zich niet volstaat als bewijs dat de volledige inrichting wordt stopgezet. Deze stopzettingsverklaringen zijn ten aanzien van de andere vergunningshouders immers niet afdwingbaar. Ingevolge huidige vergunningsbeslissing legt verwerende partij enkel verplichtingen op aan de aanvrager, zijnde Gekiere & Zoon NV, die verklaart (en er zich bijgevolg toe verbindt) zijn deel van de exploitatie in Rumbeke stop te zetten. Indien hij die verklaring niet nakomt, begaat hij een inbreuk op de aan hem opgelegde milieuvoorwaarden. Indien echter één van de andere vergun- ningshouders zijn of haar verklaring niet uitvoert, en de exploitatie dus niet stopzet, kan verwerende partij hiertegen niet ageren, en omzeilt men op die manier de voorwaarden van artikel 33 ter Mestdecreet. De vaststelling van de verwerende partij dat op 14 juli 2006 een verklaring van volledige stopzetting zou zijn bijgevoegd door de aanvrager, (waardoor Gekiere & Zoon nv bevestigt dat zij ook de exploitatie van 20.000 kippen die zij in Rumbeke behield zou stopzetten), verandert uiteraard niets aan het probleem dat door de VLM tot 3 x toe is aangekaart: zelfs deze verklaring verhindert niet dat er nog steeds geen sluitende zekerheid bestaat omtrent de definitieve stopzetting van de volledige exploitatie van het bedrijf te Rumbeke - Roeselare. Verwerende partij weerlegt derhalve niet op afdoende wijze de ongunstige adviezen van de Vlaamse Landmaatschappij. Bovendien concludeert zij ten onrechte dat aan alle voorwaarden van artikel 33 ter Mestdecreet is voldaan"; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat in artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4) en 5), van het meststoffendecreet wordt gesteld dat de milieuvergunning kan worden verleend voor de exploitatie van een nieuwe veeteeltinrichting in agrarisch gebied in combinatie met de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting, dat dit artikel bijgevolg bepaalt dat er een volledige stopzetting moet zijn maar niet dat er absolute zekerheid moet zijn over de volledige stopzetting, dat in voorliggend dossier de bestaande inrichting wordt overgenomen door vier verschillende bedrijven, dat door alle vier bedrijven de nodige stopzet- tingsverklaringen werden overgemaakt en de procedures lopen voor overname en/of verplaatsing, dat de Vlaamse Landmaatschappij evenwel van mening is dat dit niet volstaat, dat de procedures allemaal volledig moeten zijn afgelopen opdat er volgens de Vlaamse Landmaatschappij zekerheid zou zijn over de stopzetting van het volledige bedrijf dat wordt overgenomen, dat de andere adviserende instanties en de Provinciale Milieuvergunningscommissie deze mening niet delen, dat indien deze VII-36.751-8/17 redenering wordt gevolgd, er geen enkele vergunning kan worden toegestaan op basis van artikel 33ter, §1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet, dat de ene procedure immers het vergunnen van een andere verplaatsing zou tegenhouden en omgekeerd, dat dit niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest, dat de verwerende partij dan ook niet het minderheidsstandpunt van de Vlaamse Landmaatschappij heeft gevolgd maar wel de visie van de andere instanties en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, dat dit blijkt uit de bestreden beslissing; 3.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat de bewuste bepaling van het meststoffendecreet een toepassing is van het standstillprincipe en voortvloeit uit de wens om de mestproductie te stabiliseren, dat een nieuwe inrichting dan ook mogelijk is indien dit gepaard gaat met een volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting, dat de stop te zetten inrichting bovendien geen stopzettingsvergoeding verkregen mag hebben, dat de tussenkomende partij naar aanleiding van de vergunningsaanvraag de bewijzen heeft voorgelegd van de volledige stopzetting van de inrichting, gelegen Karabinierstraat 20 te Roeselare, dat LAFAUT Liselotte en Gabriel, DE BRABANDERE Frederik en de NV GEKIERE EN ZOON alle een verklaring hebben afgelegd van stopzetting, dat deze verklaringen gevoegd zijn aan het dossier, dat deze verklaringen van stopzetting niet van valsheid worden beticht, dat de verzoekende partij stelt dat de verwerende partij niet kan handelen indien één van de andere vergunninghouders zijn of haar verklaring niet uitvoert, dat dit een probleem van handhaving is, dat de bestreden vergunning is genomen op basis van de stopzettingsverklaringen die betrekking hebben op de volledige veeteeltinrichting, gelegen Karabinierstraat 20 te Roeselare, dat indien deze stopzettingsverklaringen niet worden gerespecteerd, de verwerende partij adequaat kan reageren, dat de handhaving van de bestreden milieuvergunning dan ook niet in het gedrang komt, dat de stopzettingsverklaring van de tussenkomende partij duidelijk is, dat het hierbij van belang is op te merken dat de initiële milieuvergunning op naam van de tussenkomende partij staat, dat er zich dan ook twee scenario's kunnen afspelen, dat ofwel de opsplitsing van deze milieuvergunning wordt aanvaard door de betrokken administraties, zoals bijvoorbeeld gebeurde in verband met het gedeelte van de milieuvergunning dat werd overgedragen aan de NV DE BRABANDERE WINGENE, dat in dat geval, de stopzettingsverklaring afdwingbaar is en er geen verschil is met de situatie waarin er geen opsplitsing had plaatsgevonden, dat ofwel de opsplitsing van de milieuvergunning niet wordt aanvaardt, dat in dat geval, de tussenkomende partij houder blijft van de VII-36.751-9/17 milieuvergunning die duidelijk heeft verklaard dat de activiteiten van de inrichting in Roeselare volledig worden stop gezet, dat de mogelijkheid dat de stopzettingsverklaring niet wordt gehonoreerd, uiteraard steeds mogelijk is, maar te dezen niet meer of minder dan in gelijkaardige verplaatsingen, dat het hierbij van belang is dat in de wetgeving inzake milieuvergunningen, de milieuvergunning in de eerste plaats betrekking heeft op de inrichting in plaats van de individuele exploitant die sowieso inwisselbaar is; 3.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord ten aanzien van de verwerende partij repliceert dat de verwerende partij als dusdanig niet betwist dat zij de ongunstige adviezen van de Vlaamse Landmaatschappij niet heeft gevolgd, maar meent dat deze laatste een verkeerde interpretatie geeft van de reeds besproken bepaling van het meststoffendecreet, dat volgens de verwerende partij voornoemd artikel niet zo mag worden geïnterpreteerd dat er een "absolute zekerheid" moet zijn over de volledige stopzetting, dat het nochtans niet duidelijk is hoe dit artikel anders kan worden geïnterpreteerd, dat als het decreet voorschrijft dat de te verplaatsen inrichting volledig stopgezet moet zijn, dit toch alleen maar zin heeft als hierover absolute zekerheid bestaat, dat zoniet, het doel van dit artikel volledig wordt uitgehold, dat niet kan worden betwist dat een loutere stopzettingsverklaring deze absolute zekerheid niet biedt, dat de verwerende partij niet consequent is, nu zij in andere gelijkaardige dossiers van een later tijdstip zich niet akkoord verklaarde met eenvoudige stopzettingsverklaringen, maar eiste dat de volledige stopzetting absoluut zeker was, dat men met name eiste dat de aktename van de overname van de andere delen van het bedrijf effectief was gebeurd, dat dit dan ook bewijst dat de interpretatie die de verzoekende partij samen met de Vlaamse Landmaatschappij aan artikel 33ter, § 1, 1/, c), 4) en 5), van het meststoffendecreet geeft, wel degelijk uitvoerbaar en correct is; Overwegende dat de verzoekende partij ten aanzien van de tussenkomende partij repliceert dat ook de argumentatie van de tussenkomende partij dat het hier enkel om een probleem van handhaving gaat, maar dat de handhaving niet in het gedrang komt, niet kan worden gevolgd, dat het van absoluut onbehoorlijk bestuur getuigt om via een vergunning een situatie toe te staan waarvan op voorhand geweten is dat zij kan worden misbruikt, dat de verwerende partij bovendien in geen geval adequaat kan reageren, zoals de tussenkomende partij beweert, wanneer een van de andere "overnemers" het door hem overgenomen deel van de inrichting niet effectief stop zet; VII-36.751-10/17 3.1.5. Overwegende dat de verplaatsing/omvorming werd vergund bij toepassing van het toen geldende artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet : "§1. Met betrekking tot de exploitatie van landbouw- en veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels: 1/ tot en met 31 december 2006 : (...)
  9. c)kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, alleen een milieuvergunning of akte die geldt als vergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor: (...) 5) de exploitatie van een nieuwe veeteeltinrichting in agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied in combinatie met de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting, die beschikt over een nutriëntenhalte, gelegen in een ander gebied dan agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De aanvrager van de nieuwe veeteeltinrichting moet tevens sinds 5 jaar houder zijn van de milieuvergunning van de stop te zetten veeteeltinrichting. De stop te zetten inrichting mag geen stopzettingsvergoeding verkregen hebben in het kader van het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest; (...)"; dat zich te dezen de vraag aandient of de verwerende partij in redelijkheid mocht aannemen of aan de voorwaarden om de gevraagde vergunning te kunnen verlenen was voldaan en, in dezen, of mocht worden aangenomen dat de inrichting aan de Karabiniersstraat in Roeselare volledig zou worden stopgezet; dat de verwerende partij meende van wel, en zich daarvoor baseerde op de "stopzettingsverklaringen" die na de zitting en op vraag van de Provinciale Milieuvergunningscommissie werden bezorgd; dat Liselotte en Gabriël LAFAUT verklaren "de veeteeltinrichting, gelegen aan de Karabinierstraat 20 te 8800 Roeselare (Rumbeke) stop te zetten uiterlijk 12 maanden na ingebruikname van de vergunning voor de samenvoeging (...); dat Dirk VAN PARIJS verklaart "dat het overgenomen en samen te voegen veeteeltbedrijf gelegen Karabinierstraat 20 8800 Rumbeke volledig zal stopgezet worden 12 maanden na de ingebruikname van de vergunning (...)"; dat de NV DE BRABANDERE WINGENE verklaart "dat de firma De Brabandere Wingene N.V. geen dieren zal houden in de Karabinierstraat 20 te 8800 Rumbeke"; dat de eerste twee verklaringen als voorwaarde voor de stopzetting stellen dat zij een vergunning moeten verkrijgen voor de samenvoeging van de overgenomen exploitatie met hun respectieve inrichtingen op een andere locatie; dat het bezwaar dat de Vlaamse Landmaatschappij steeds heeft geuit in haar opeenvolgende ongunstige adviezen precies was dat er geen zekerheid bestond over het verkrijgen van die vergunningen, en bijgevolg over de stopzetting; dat op het eerste gezicht dat bezwaar niet wordt weerlegd door de "stopzettingsverklaringen"; dat men zich evenwel de vraag moet VII-36.751-11/17 stellen of men geen rekening moet houden met de concrete omstandigheden van de zaak; dat bij de vergunningsaanvraag een afschrift is gevoegd van de overeenkomst tussen de tussenkomende partij en de beoogde overnemer tot overname van een gedeelte van de vergunning en de nutriëntenhalte; dat deze verkoop werd gesloten onder opschortende en ontbindende voorwaarden, waardoor de zaak niet doorgaat wanneer onder meer niet de vereiste milieuvergunning wordt verkregen; dat het aannemelijk is dat met de andere bij de operatie betrokken overnemers een gelijkaardige overeenkomst werd gesloten, en dat de tussenkomende partij daarop doelt wanneer zij aanvoert dat in de hypothese dat een of meer van de vergunningen op de nieuwe locaties zou worden geweigerd, zij houder zou blijven van het overeenstemmende deel van de milieuvergunning; dat de mogelijkheid dat een van de andere overnemers, die vreemd zijn aan de vergunning waarover dit beroep gaat, zijn deel van de milieuvergunning zou exploiteren aan de Karabiniersstraat in Roeselare en niet op de voorgenomen andere locatie, onbestaande is, voornamelijk omdat de milieuvergunning aldaar is verstreken op 29 oktober 2006, anderhalve maand na de bestreden beslissing; dat de verwerende partij bijgevolg in redelijkheid kon aannemen dat zou worden voldaan aan de voorwaarde dat de exploitatie in Roeselare volledig zou worden stopgezet; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, doordat de verwerende partij oordeelt dat de aanvraag ook wat de "planologische aspecten" betreft, vergunbaar is omdat zij in overeenstemming is met de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit), terwijl de onmiddellijke omgeving wordt gekenmerkt door uitsluitend residentiële woningen en weiden en akkers en terwijl in bezwaren werd gesteld dat het onaanvaardbaar is om nog een nieuw bedrijf op te starten in een onaangetast en open agrarisch landschap, zodat deze bezwaren inhoudelijk op onvoldoende wijze worden weerlegd, en de vergunning geweigerd had moeten worden wegens strijdigheid met de bindende planologische voorschriften; dat zij het middel als volgt toelicht : "De verwerende partij stelt in het bestreden besluit het volgende: 'Overwegende dat met betrekking tot de planologische aspecten het volgende kan worden gesteld: De inrichting is volgens het gewestplan 'Sint-Niklaas - Lokeren' gelegen in een 'agrarisch gebied' op een afstand van : - ongeveer 700 meter van een 'woongebied met landelijk karakter' - meer dan 1.000 meter van elk ander hindergevoelig gebied. De varkenshouderij wordt opgericht op enkele percelen gelegen ter hoogte van de hoek Elsstraat - Korte Landmolenstraat, in eigendom van VII-36.751-12/17 de heer Benny Pauwels, Blindstraat 101 te 9140 Temse. In het voorliggende dossier werd een grondruilovereenkomst ingesloten tussen de heer Benny Pauwels en de heer Kristof Janssens, Veldstraat 212/a te 9140 Temse teneinde rechtszekerheid te bieden om voormelde percelen te kunnen aanwenden voor het oprichten van de varkenshouderij. Het nieuw op te richten gebouw zal eigendom zijn van kristof Janssens; deze zal na verplaatsing de vergunning overnemen van Gekiere & zoon nv. De inrichting wordt voorzien op vier kadastrale percelen met een totale oppervlakte van ongeveer 1,5 hectare en omvat: - de woning van de exploitant geïntegreerd in het stalgebouw; - een loods en voederopslag geïntegreerd in het stalgebouw; - een ammoniakemissiearme stal met mestdroogsysteem, en stalplaatsen voor 574 varkens, waarvan 461 zeugen, 2 beren en 111 'andere' varkens. De onmiddellijke omgeving van de inrichting is schaars bebouwd, binnen een straal van 100 meter rondom de perceelsgrenzen van de inrichting bevinden er zich een 3-tal vreemde woningen. De ligging van de inrichting in 'agrarisch gebied' is in overeenstemming met de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen'. In antwoord op de bezwaren herhaalt men enkel deze argumenten: 'Overwegende dat met betrekking tot de ingediende bezwaren het volgende kan worden gesteld: - het is onaanvaardbaar om nog een nieuw bedrijf op te starten in het agrarisch landschap. Het nieuwe varkensbedrijf wordt opgericht in volgens het gewestplan ‘agrarisch gebied' en overeenkomstig de overeenstemmende mogelijkheden van het Mestdecreet en Vlarem II. De inplanting is verenigbaar met deze bestemmingszone. Er wordt voldaan aan de verbods- en afstandsregels van Vlarem II'. Het is duidelijk dat de verwerende partij hiermee onvoldoende antwoordt op de bezwaren en geen rekening houdt met alle relevante elementen. Zoals blijkt uit de luchtfoto in bijlage (stuk 7) wordt de onmiddellijke omgeving gekenmerkt door hoofdzakelijk residentiële woningen waarvan een deel gelegen zijn in een goedgekeurde verkaveling (nummer 93/HV dd. 19/01/1993). Buiten deze woningen (tussen de Elsstraat, de korte Landmolenstraat en de Blindstraat) ligt een open en onaangetast agrarisch gebied dat enkel bestaat uit weilanden en akkers, en dit tot aan de E17 autosnelweg. Er zijn nauwelijks of geen landbouwbedrijven meer aanwezig, en een stal van 40 m op 100 m komt er al helemaal nergens voor. De studie Landelijk Gebied Temse, opgemaakt door de Provinciale Dienst Land- en Tuinbouw ter voorbereiding van het Ruimtelijk Structuurplan Temse duidt dit gebied aan als L2-gebied waarin geen nieuwe bedrijfszetels voor volwaardige landbouwbedrijven aanvaardbaar zijn, tenzij in uitzonderlijke gevallen. De gemeente heeft ook in het ruimtelijk structuurplan duidelijk geopteerd voor het behoud van de open agrarische gebieden. Om die reden werd dan ook beslist beroep aan te tekenen bij de Minister tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie dd. 19/10/2006 tot het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning. Niettegenstaande de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft dus planologisch gelegen zijn in een agrarisch gebied, is het allesbehalve evident dat net hier een volledig nieuw niet-grondgebonden en zeer omvangrijk varkensbedrijf wordt toegelaten. Wanneer de vergunningverlenende overheid hierop gewezen wordt in een bezwaarschrift, heeft zij de verplichting hiermee rekening te houden bij haar beoordeling. VII-36.751-13/17 Door zich enkel te beperken tot de vaststelling dat de percelen binnen het agrarisch gebied vallen, en dat de afstandsregels zijn gerespecteerd, voldoet zij niet aan haar materiële motiveringsplicht. Zij geeft bovendien slechts een te beperkte weergave van de onmiddellijke omgeving door enkel naar de 3 woningen binnen de straal van 100 meter te verwijzen. Op die manier laat zij het uitschijnen alsof in de buurt van de geplande inrichting nauwelijks residentiële woningen voorkomen die mogelijks hinder kunnen ondervinden. Zij wordt hierin versterkt door de plannen van de aanvrager die op misleidende wijze geen weergave bieden van (
  10. de)volledige omgeving, maar enkel de drie huizen binnen de 100 meter aangeven. De luchtfoto toont evenwel aan dat binnen de onmiddellijke omgeving uitsluitend meerdere residentiële woningen voorkomen. Door dit gegeven volledig te negeren, en zich aldus niet te baseren op de werkelijke toestand en door niet te antwoorden op het hieromtrent ingediende bezwaar, worden de aangehaalde bepalingen geschonden"; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord vooreerst opmerkt dat de woningen waarvan sprake eveneens gelegen zijn in het agrarisch gebied en dus bezwaarlijk "residentieel" kunnen worden genoemd, dat het niet is omdat het alleenstaande woningen betreft, dat men deze als "residentieel" moet beschouwen, dat het daarnaast nogal tegenstrijdig lijkt om enerzijds te beweren dat het landschap onaangetast is en een open agrarisch karakter heeft en anderzijds te stellen dat er meerdere woningen in de omgeving gelegen zijn, dat de aanwezigheid van woningen op zich immers ook het landschap aantast; dat zij voorts stelt dat het een nieuw bedrijf betreft dat enkel in agrarisch gebied kan worden opgericht, dat doordat het een nieuw bedrijf betreft, het mogelijk is om de modernste technieken te gebruiken en het zo te construeren dat de hinder naar de omgeving toe tot een aanvaardbaar minimum beperkt blijft, dat het bedrijf kan voldoen aan alle wettelijke voorschriften die voor dergelijke bedrijven gelden, dat de afstandsregels worden nageleefd, dat indien een dergelijke varkenshouderij, die aan alle voorwaarden voldoet, niet meer kan worden opgericht in een agrarisch gebied, men de vraag kan stellen waar het wel nog kan, dat aangezien de woningen ook gelegen zijn in het agrarisch gebied, de bewoners moeten aanvaarden dat zij een zekere graad van hinder die inherent is aan de ligging in agrarisch gebied kunnen verwachten, dat bij het opleggen van de voorwaarden wel degelijk rekening werd gehouden met het feit dat er woningen in de omgeving gelegen zijn alsook met de bezwaren die daaromtrent zijn geuit, dat de voorwaarden derhalve zo werden gesteld dat de hinder tot een absoluut minimum kan worden beperkt, dat de verwerende partij evenwel niet verplicht is om in beroep uitdrukkelijk te antwoorden op de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek werden geuit, dat het volstaat dat er voldoende uit de overwegingen blijkt waarom de verwerende partij meende de vergunning te kunnen verlenen, dat zulks in dezen het geval is; VII-36.751-14/17 3.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat de overheid die moet beschikken op een milieuvergunningsaanvraag, ertoe gehouden is om de geldende plannen van aanleg in acht te nemen, dat luidens artikel 11 van het inrichtingsbesluit de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in het algemeen, dat de inrichting dan ook prima facie in overeenstemming is met de geldende plannen, dat er in huidig dossier geen sprake is van enige schending van een afstandsregel, dat het de Raad van State enkel toekomt om daarbij na te gaan of deze overheid is uitgegaan van de feitelijke en in rechte juiste gegevens, dat te dezen de bestreden beslissing is genomen op gunstig advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van 13 juni 2006, dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift aanhaalt dat er een studie wordt opgemaakt, met name de studie Landelijk Gebied Temse ter voorbereiding van het Ruimtelijk Structuurplan Temse, dat dit nog "verre toekomst muziek" is en noch definitief noch bindend is, dat er nog geen openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden, dat de verzoekende partij een eigenaardige redenering opbouwt door te stellen dat het agrarisch gebied wordt gekenmerkt door residentiële woningen waardoor de exploitatie van landbouwbedrijven niet meer opportuun zou zijn, dat deze redenering de essentiële logica van de wetgeving op stedenbouw en ruimtelijke ordening schendt, dat de inrichting zich bovendien in de onmiddellijke omgeving van de E17 autosnelweg bevindt, wat indruist tegen de bewering van de verzoekende partij dat er sprake is van een open en onaangetast agrarisch gebied, dat deze bewering evenmin strookt met haar ander argument dat er meerdere residentiële woningen in de onmiddellijke omgeving voorkomen; 3.2.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat zowel de verwerende als de tussenkomende partij ervan uitgaan dat de vaststelling dat de inrichting gelegen is in een agrarisch gebied volstaat als verantwoording van de planologische verenigbaarheid, dat in strijd met wat men voorhoudt, het niet zo is dat elke agrarische activiteit binnen een agrarisch gebied moet worden toegelaten, dat dit vanuit ruimtelijk oogpunt voor onaanvaardbare toestanden zou zorgen, dat de vergunningverlenende overheid, ook diegene die de milieuvergunning verleent, aandacht moet hebben voor de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, dat het net die afweging is die te dezen ontbreekt, dat de verwerende partij geen rekening houdt met de vaststelling dat in het gebied geen enkel landbouwbedrijf voorkomt, en dat het volledig bestaat uit weide- en akkerlanden enerzijds, en residentiële woningen anderzijds, dat met residentiële woningen uiteraard woningen worden bedoeld die enkel voor privé of residentieel gebruik bestemd zijn en die geen agrarische functie hebben, dat niet wordt betwist VII-36.751-15/17 dat deze woningen hierdoor zonevreemd zijn, dat deze zonevreemdheid echter niet betekent dat met het bestaan van deze woningen geen rekening moet worden gehouden wanneer de planologische verenigbaarheid van de aanvraag wordt onderzocht, dat het nochtans dat is wat de verwerende partij doet, dat zij het bestaan van deze feitelijke toestand volledig negeert en hierdoor haar besluit niet afdoende motiveert; 3.2.5. Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift aanvoert dat in de bezwaren is geargumenteerd dat het onaanvaardbaar is om nog een nieuw bedrijf op te starten in een onaangetast en open agrarisch landschap; dat in de naar aanleiding van het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschriften, een bezwaar in die termen niet terug te vinden is; dat er wel een pamflet bestaat uitgaande van een actiegroep, doch dat in het door die actiegroep ingediende formele bezwaarschrift van dergelijk bezwaar geen sprake is; dat het in het verzoekschrift geformuleerde bezwaar wel in de beslissing van 4 april 2006 wordt vermeld, en ten onrechte wordt toegeschreven aan de in aanmerking genomen twee individuele en het ene collectieve bezwaarschrift; dat het bestreden besluit de in de beslissing van 4 april 2006 vermelde bezwaren heeft overgenomen; Overwegende dat de bestemming van het gebied agrarisch gebied is; dat het gewestplan het gebied niet bijkomend als landschappelijk waardevol aanduidt; dat de vraag zich dan ook stelt waarom een bijzondere motivering nodig zou zijn geweest; dat dit alvast niet is om op de ingediende bezwaren te antwoorden, aangezien het vermeende bezwaar afkomstig blijkt van een onzorgvuldige weergave van de ingediende bezwaren tijdens de behandeling in eerste aanleg; dat de verwerende en de tussenkomende partij bovendien terecht opmerken dat men moeilijk tegelijk kan aanvoeren dat het landschap onaangetast is, en vervolgens dat geen rekening werd gehouden met de aanwezigheid "binnen de onmiddellijke omgeving" van "meerdere residentiële woningen"; dat daarbij ook nog de nabijheid van de autosnelweg E 17 moet worden vermeld; dat met betrekking tot de aanwezige bewoning het bestreden besluit het volgende heeft overwogen : "Overeenkomstig art. 5.9.4.4. van Vlarem II zijn de afstands- en verbodsregels voor varkenshouderijen van toepassing op de inrichting; het aantal waarderingspunten van de stalsystemen bedraagt 270, op basis van het aantal varkenseenheden (1.265,5) moet een minimale afstand worden gerespecteerd van 100 meter t.o.v. hindergevoelige gebieden; de afstand tot het meest nabijgelegen hindergevoelige gebied bedraagt meer dan 1.000 meter"; VII-36.751-16/17 dat het voldoen aan de afstandsregels van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) een minimale vereiste is; dat er bijzondere omstandigheden bestaan waarin de overheid kan besluiten dat deze regels onvoldoende bescherming bieden; dat de enige bijzondere omstandigheid die de verzoekende partij aanbrengt, de enkele aanwezigheid van meerdere woningen in de omgeving is; dat dit er niet toe kan leiden dat het onderscheid dat Vlarem II tussen hindergevoelige gebieden en andere gebieden maakt zonder meer terzijde zou worden geschoven, evenmin als dat het zou toelaten de bestemming die aan het gebied is gegeven te negeren; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juni tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.751-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.109 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.