id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.110 Rolnummer: A. 177274/VII-36597 Zaak: Arrest 194110 - Milieuvergunningen - 11/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-23 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 03:15 Fiche Arrest nr 194.110 van 11 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.110 van 11 juni 2009 in de zaak A. 177.274/VII-36.597. In zake : Erik GRENE, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest 113 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VANDEPUT, kantoor houdende te HASSELT, Kolonel Dusartplein 34/1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Erik GRENE op 29 september 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 juli 2006 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 23 februari 2006, houdende het weigeren van de vergunning aan verzoeker voor het veranderen van de varkenshouderij, gelegen aan de Langstraat 80 te Linter-Neerhespen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 168.115 van 22 februari 2007 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-36.597-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 22 april 2009 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 28 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CHRISTIAEN die, loco advocaat K. VAN WYNSBERGE verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. VANDEPUT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Verzoeker is de exploitant van een varkensbedrijf; hij doet ook aan akkerbouw. De varkenshouderij is gelegen aan de Langstraat te Neerhespen. Voor deze inrichting verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Linter op 12 januari 2004 een milieuvergunning, doch die wordt hervormd met een besluit van de bestendige deputatie van de provincie- raad van Vlaams-Brabant van 27 mei 2004. Ingevolge dit deputatiebesluit mag de inrichting stallen omvatten voor 310 varkens, waarvan 160 mestvarkens in stal 1 (in woongebied met landelijk karakter) en 150 varkens waarvan 2 beren, 108 kraamzeugen en 40 opfokzeugen (inclusief biggen) in stal 3 (in agrarisch gebied). In stal 2 mogen geen dieren worden gehouden. VII-36.597-2/11 1.2. Verzoeker wil zijn veeteeltinrichting uitbreiden. Met het oog op de realisatie van die operatie koopt hij de vergunningen en de nutriëntenhalte van een veeteeltbedrijf te Zoutleeuw over. 1.3. Met het oog op de overbrengings-/uitbreidingsoperatie dient verzoeker op 12 januari 2005 voor de eerste keer een vergunningsaanvraag in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, doch de vergunning wordt op 19 mei 2005 geweigerd. In deze weigeringsbeslissing wordt gesteld : "Onder deze omstandigheden en gelet op de significante vergroting van de bestaande veeteeltinrichting (een uitbreiding van de varkensstapel met een factor 3 à 4) en de relatief dichte bebouwing in de onmiddellijke omgeving zal, ongeacht de windrichting en de uitvoeringswijze van de geplande emissie-arme stal, de varkenshouderij aanleiding geven tot grotere dan normaal aanvaardbare geurhinder voor de omwonenden en dit zeker tijdens de zomermaanden". 1.4. Op 23 augustus 2005 dient verzoeker nogmaals een milieuvergun- ningsaanvraag in, maar de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant weigert op 23 februari 2006 opnieuw. Uit het besluit blijkt onder meer wat volgt : - in het kader van het openbaar onderzoek worden 159 uniforme bezwaarschriften ingediend; - de deputatie stelt dat er een significante vergroting is van de varkenshouderij met een factor 3, en door de relatief dichte bebouwing in de onmiddellijke omgeving zal, ongeacht de windrichting en de uitvoeringswijze van de geplande emissie- arme stal, de varkenshouderij aanleiding geven tot een grotere dan de normaal aanvaardbare geurhinder voor de omwonenden. De maatregelen die de exploitant had voorgesteld (gebruik van voeder dat de ammoniakemissie beperkt, een emissiearme stal en inplanting van de nieuwe stal in agrarisch gebied) kunnen volgens de deputatie niet verijdelen dat de (geur)hinder voor de omwonenden onaanvaardbaar zou blijven; - de vergunning wordt geweigerd voor een uitbreiding met plaatsen voor 836 vleesvarkens in een nieuwbouwstal (totaal 1.156 dieren incl. 32 zeugen) en met plaatsen voor 32 zeugen in een bestaande kweekvarkensstal, en voor een wijziging door het verplaatsen van een aantal varkens en een inkrimping met 22 opfokzeugen. 1.5. Verzoeker dient beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. VII-36.597-3/11 1.6. In het kader van de beroepsprocedure worden volgende adviezen verleend : - de afdeling Milieuvergunningen : ongunstig, omwille van de onaanvaardbare geurhinder voor de omwonenden; - de Vlaamse Landmaatschappij : gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen : gunstig, maar er zullen vermoedelijk strenge voorwaarden gesteld moeten worden om de geurhinder voor de omgeving op een aanvaardbaar niveau te houden; - de afdeling Natuur : er zijn geen significante gevolgen voor natuurwaarden; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie : unaniem ongunstig, omwille van de onaanvaardbare geurhinder voor de omwonenden. 1.7. Op 27 juli 2006 wordt het bestreden besluit genomen. Het beroep van verzoeker wordt ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is als volgt gemotiveerd : "(...) Gelet op de ligging van de inrichting deels in agrarisch gebied, deels in woongebied met landelijk karakter (...) en op grote afstand (> 2.500
- m)van ieder hindergevoelig gebied; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat onderhavig beroep betrekking heeft op het besluit van 23 februari 2006 van de bestendige deputatie waarbij de vergunning wordt geweigerd om het varkensbedrijf vergund voor 310 varkens uit te breiden, gekoppeld met samenvoeging en volledige stopzetting van de inrichting gelegen te Zoutleeuw, Budingenweg 40, met 868 varkens en vermindering met 22 opfokzeugen tot een totaal van 1.156 varkens; Overwegende dat de definitieve bouwvergunning werd verleend vóór 1 september 1991; dat de aangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 12 maart 1993, wat vóór 29 september is; dat er op die aangifte dieren werden vermeld; dat derhalve, overeenkomstig artikel 2,7/,a van het meststoffende- creet, deze inrichting als een bestaande veeteeltinrichting kan beschouwd worden; Overwegende dat het de bedoeling is van de exploitant om de bestaande inrichting met een vergunde mestproductie van 5.240 kg N en 2.661 kg P205, overeenkomstig 2 beren, 108 zeugen inclusief de biggen, 160 mestvarkens en 40 opfokzeugen uit te breiden met 868 varkens en te verminderen met 22 opfokzeugen zodat de gewenste mestproductie 16.590 N en 7.464 kg P205 zal bedragen overeenkomstig 2 beren, 140 zeugen inclusief de biggen, 996 mestvarkens en 18 opfokzeugen; dat het derhalve een aanvraag betreft met een stijging van de vergunde mestproductie van de varkens op inrichtingsni- veau; dat deze inrichting overeenkomstig de artikels 5.9.4.4 en 5.9.4.5 van titel II van het VLAREM dient te voldoen aan de verbods -en afstandsregels van de artikels 5.9.4.3 en 5.9.4.4 van titel II van het VLAREM; dat er voor deze inrichting, ongeacht de waarderingspunten, een minimale afstand van 400 m ten opzichte van ieder hindergevoelig gebied dient te zijn; dat de inrichting gelegen VII-36.597-4/11 is op meer dan 2.500 m van deze gebieden; dat er derhalve voldaan is aan deze bepalingen; Overwegende dat dergelijke milieuvergunningsaanvraag ook dient te voldoen aan de bepalingen van artikel 33ter,1/ ,
- c),4) en 3/ en 4/ van het meststoffendecreet; dat blijkens het advies van (
- de)Vlaamse Landmaatschappij hieraan voldaan is; Overwegende dat op 19 mei 2005 een quasi zelfde milieuvergunningsaan- vraag door de bestendige deputatie werd geweigerd op basis van volgende elementen: - de aanvraag is onverenigbaar met de onmiddellijke omgeving die uitsluitend voor bewoning toegepast wordt; - de ligging en de historiek van het bedrijf zijn als problematisch erkend door de vergunningverlenende overheid; - in de af te bouwen en niet meer vergunde stal 2, gelegen in de landelijke woonzone werden steeds onrechtmatig dieren gehouden ondanks een expliciet exploitatieverbod; - de varkenshouderij zal ongeacht de windrichting en de uitvoeringswijze van de geplande emissiearme stal aanleiding geven tot grotere dan normaal aanvaardbare geurhinder voor de omwonenden en dit zeker tijdens de zomermaanden; Overwegende dat de exploitant in de onderhavige aanvraag voorstelt om alle opslagplaatsen voor dierlijke mest in het woongebied met landelijk karakter af te bouwen en de vergunde varkens te verplaatsen naar de nieuw te bouwen vleesvarkensstal in het achterliggend agrarisch gebied en dat er aan de voeders een veevoederadditief, namelijk VevVitall, zal toegevoegd worden; dat door het toevoegen van dit benzoëzuur aan het vleesvarkensvoeder de ammoniakvor- ming uit de mest met 35% kan verlaagd worden; dat de nieuwe stal een ammoniakemissiearme stal zal zijn; dat er ten opzichte (van
- de)aanvraag fundamenteel niets is gewijzigd; dat het aantal aangevraagde dieren ongewij- zigd is gebleven en dat de exploitant enkel een verplaatsing wenst te doen van varkens naar een nieuw te bouwen stal; Overwegende dat de aanvraag een uitbreiding betreft met 868 varkens tot een totaal van 1.156 varkens; dat dit een aanzienlijke vergroting van het bedrijf betekent; dat de inrichting ingesloten is door een dichte bebouwing; dat deze woningen gelegen zijn in een woongebied met landelijk karakter; dat in het woongebied met landelijk karakter wonen en landbouw hoofdfuncties zijn doch dat de landbouwfunctie verenigbaar moet zijn met de woonfunctie; dat, gezien de ligging van het bedrijf wat volledig ingesloten is door bebouwing (de meest nabij gelegen woningen situeren zich op 50 m van de 2 grote stallen; binnen een straal van 100 m bevinden zich een twintigtal woningen die, op uitzondering van 3 alleenstaande woningen langs de Landenstraat gelegen in agrarisch gebied, alle gelegen zijn in de landelijke woonzone in de Bareelstraat en de Langstraat; dat binnen een straal van 200 m nog eens een veertigtal woningen liggen; dat verschillende woningen gelegen in de Langstraat en in de Landenstraat gelegen zijn in de ongunstige Zuid-Westenwind; dat de aangevraagde uitbreiding van de varkenshouderij aanleiding (zal) geven tot grotere dan normaal aanvaardbare geurhinder voor de omwonenden; (...)". VII-36.597-5/11 2. De grond van de zaak 2.1. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van "art. 17 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, van art. 30, § 1, 5/ van het Vlarem I, van art. 52, 3/,
- b)Vlarem I, (...) van de art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, (...) van het algemeen rechtsbeginsel dat elke overheid oplegt zijn beslissingen formeel en materieel te motiveren, (...) van (...) het beginsel inzake de motiveringsplicht, het redelijkheidbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en (...) van art. 5.9.2.1bis van het Vlarem II". Hij stelt dat de minister de vergunning weigert op grond van de algemene stelling dat, wegens de dichte bevolking van het gebied, de inrichting een niet-aanvaardbare hinder zal veroorzaken maar dat hij dit niet in extenso motiveert in het licht van de uitgebrachte adviezen en de evaluatie van de bezwaren. Hij licht het middel als volgt toe : - het bestreden besluit stelt dat de gevraagde uitbreiding een aanzienlijke vergroting van het bedrijf betekent terwijl de inrichting nochtans ingesloten is door dichte bebouwing en er onaanvaardbare geurhinder zal zijn. Die algemene zinsnede kwam ook reeds voor in de beslissing van de deputatie en verzoeker had er een uitgebreide argumentatie tegen ontwikkeld, waarop de verwerende partij niet geantwoord heeft. Uit de loutere vaststelling dat de inrichting groter wordt volgt niet dat de hinder niet binnen de aanvaardbare grenzen gehouden zal kunnen worden en dit klemt des te meer, aangezien alle dieren en de opslagplaatsen voor mest nu een plaats krijgen in het agrarisch gebied, aangezien de nieuwe varkensstal ammoniakemissiearm is en van een groenscherm omgeven en aangezien een voederadditief een reductie van de ammoniak tot gevolg zal hebben terwijl alle omwonenden gevestigd zijn in een woongebied met landelijk karakter en sommigen zelfs zonevreemd in het agrarisch gebied; - de overwegingen inzake de ruimtelijke inplanting moeten in verband gesteld worden met de stedenbouwkundige vergunningen die verleend werden. Daaruit blijkt dat er geen overschrijding is van de ruimtelijke draagkracht ten opzichte van de omliggende buurtbewoning; - de minister steunt zijn beslissing op het vaststaand feit dat de gevraagde uitbreiding onaanvaardbare geurhinder tot gevolg zal hebben en negeert de maatregelen die getroffen zullen worden. Zo is er geopteerd voor een ammoniakemissiearme varkensstal, die geurhinder reduceert, maar de minister heeft dat gegeven niet in overweging genomen. VII-36.597-6/11 2.2. De verwerende partij antwoordt daarop dat het bestreden besluit duidelijk met redenen omkleed is en dat er verwezen wordt naar alle ongunstige adviezen. Eigenlijk wordt de argumentatie van de deputatie overgenomen, aangezien verzoeker daar in feite geen bijkomend argument heeft tegen ingebracht. Aldus dient vastgesteld dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant zich reeds uitgesproken heeft over de omstandigheid dat er een ammoniak- emissiearme stal zou worden gebouwd en dat er aan de dieren een voederadditief zou worden gegeven. De aanvraag betreft een aanzienlijke uitbreiding van het bedrijf -met name een schaalvergroting met factor drie- en de omliggende woningen bevinden zich in een woongebied met landelijk karakter; in dergelijk gebied moet wonen verzoend worden met landbouw en te dezen heeft de minister de ongunstige ligging van de woningen verduidelijkt om dan te besluiten dat er abnormale geurhinder zal zijn. 2.3. Verzoeker repliceert dat de bestreden beslissing geen antwoord bevat op de acht argumenten die hij in zijn administratief beroep had doen gelden en waarmee hij aantoonde dat de exploitatie geen onaanvaardbare hinder teweeg zou brengen. De argumentatie van de verwerende partij blijft vaag. Inzonderheid verleent de minister in dit geval een groter gewicht aan de woonfunctie dan aan de landbouwfunctie, hoewel beide functies in dergelijk gebied op gelijke voet staan en er geen abnormale geurhinder zal zijn. Om het abnormaal karakter van de hinder te beoordelen moet ook rekening gehouden worden met de stedenbouwkundige ligging van de inrichting. Het stalsysteem dat hij gebruikt is door de verwerende partij erkend als een systeem dat geurhinder ernstig reduceert, maar de minister komt in de bestreden beslissing op die basisstelling terug, aangezien hij het gebruik van dergelijke ammoniakemissiearme stal negeert. 2.4. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker nogmaals dat de verwerende partij geen rekening gehouden heeft met de aanwending van een emissie-arm staltype en van een ammoniakverlagend voederadditief en dat zij de stedenbouwkundige gegevens waarop het bestreden besluit steunt, onjuist beoordeeld heeft. Immers, er is geen sprake van een uitbreiding van de inrichting met factor drie en het gros van de woningen rondom de inrichting is gelegen in een gebied waar de woonfunctie en de agrarische functie op gelijke voet staan en waar een tolerantie voor de hinder veroorzaakt door landbouwbedrijven bestaat. In dit geval heeft de minister zonder reden de woonfunctie laten primeren op de agrarische bedrijvigheid. Hij voegt daar nog aan toe dat de omwonenden op het ogenblik van hun vestiging wisten dat de uitbreiding van de varkensfokkerij mogelijk was en VII-36.597-7/11 derhalve kon de minister niet zonder meer de geurhinder aangrijpen om de vergunning te weigeren. Hij heeft de stedenbouwkundige voorschriften in rechte onjuist beoordeeld. Verzoeker besluit dat de verwerende partij in Vlarem II heeft aangeduid dat bepaalde staltypes een reductie van de hinder tot gevolg zouden hebben en dat derhalve van haar nu verwacht mocht worden dat zij uiteenzet waarom dergelijke stal in dit geval de hinder toch niet zal verminderen. 2.5. De formele motiveringsverplichting vereist niet dat het bestreden besluit, dat van het actief bestuur uitgaat, een afzonderlijk antwoord verstrekt op elk argument uit het administratief beroep. Het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen op grond waarvan zij werd genomen en die haar kunnen verantwoorden. De Raad van State gaat in dat verband na of het besluit een motivering bevat, of de feitelijke gegevens die er worden vermeld aan de werkelijkheid beantwoorden en of zij in rechte tot de genomen beslissing aanleiding kunnen geven en, ten slotte, of de motivering een antwoord bevat op de aangevoerde bezwaren. Bij het onderzoek van de materiële motiveringsverplichting gaat de Raad van State na of het bestuur, in acht genomen de gegevens van het dossier, op deugdelijke gronden tot het bestreden besluit is kunnen komen en, in het verlengde daarvan, of het bij de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid geen kennelijk onredelijke beslissing genomen heeft. 2.6. De motieven die het bestreden besluit inhoudelijk onderbouwen zijn hiervoor sub 1.7 geciteerd. Die uiteenzetting is duidelijk. Er blijkt uit dat de verwerende partij oog gehad heeft voor de argumenten die verzoeker in zijn voordeel had aangevoerd, met name dat de nieuwe stal in agrarisch gebied ligt, dat de varkensstal ammoniakemissiearm geconstrueerd wordt en dat een ammoniakverlagend additief aan het varkensvoeder toegevoegd zal worden, maar dat zij dan toch vastgesteld heeft dat de aanvraag in het verlengde lag van de eerdere aanvraag die door de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant geweigerd was en dat er fundamenteel niets gewijzigd was in vergelijking met die eerdere aanvraag omdat het aantal dieren ongewijzigd is gebleven en er enkel een verschuiving gebeurt naar de nieuw te bouwen stal. Op grond van de vaststelling dat de uitbreiding van de inrichting met 868 varkens -tot een totaal van 1.156- "een aanzienlijke vergroting van het bedrijf betekent", dat "de inrichting ingesloten is door een dichte bebouwing" in een woongebied met landelijk karakter -hetgeen zeer concreet wordt toegelicht- en dat in dergelijk gebied "de landbouwfunctie verenigbaar moet zijn met de woonfunctie" besluit zij dat de gevraagde uitbreiding VII-36.597-8/11 "aanleiding (zal) geven tot grotere dan normaal aanvaardbare geurhinder voor de omwonenden". 2.7. De feitelijke gegevens die de verwerende partij in aanmerking genomen heeft -met name de uitbreiding van de inrichting met 868 varkens, de nabijheid van verschillende woningen in een dicht bebouwd woongebied met landelijk karakter, de ongunstige ligging voor de Zuid-Westenwind van verschillende woningen in de Langstraat en de Landenstraat- worden in wezen niet betwist. Het gaat om concrete gegevens die kunnen verantwoorden dat een milieuvergunning geweigerd wordt omdat de -vele- omwonenden een meer dan normaal aanvaardbare geurhinder zullen ondervinden van de varkenskwekerij waarvan de capaciteit meer dan verdubbelt. 2.8. Met de conclusie die de verwerende partij uit de vermelde gegevens gehaald heeft gaat zij voort op de lijn getrokken door de adviesverlenende organen die inzonderheid bevoegd zijn om zich over deze vorm van hinder uit te spreken, te weten de afdelingen Milieuvergunningen en Stedenbouwkundige Vergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Er kan niet gesteld worden dat zij daarmee een kennelijk onredelijk gebruik gemaakt zou hebben van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zelfs wanneer daarbij in overweging genomen wordt enerzijds dat van de omwonenden, als bewoners van een gebied waar de agrarische activiteiten en de woonfunctie evenwaardig zijn, een zekere tolerantie gevraagd mag worden ten opzichte van de hinder die de agrarische activiteiten rondom hen teweegbrengen en anderzijds dat verzoeker zowel bij de keuze van de op te richten constructie als bij het kweken van de varkens een inspanning levert om de ammoniakemissie in de mate van het mogelijke te beperken. Verzoeker slaagt er immers niet in aan te tonen -en het zonder meer aannemen ervan is zeker niet evident- dat de inspanningen die hij zal leveren op het vlak van de ammoniakemissie de geurhinder die de omwonenden ondergaan zal wegnemen of verminderen, minstens tot ongeveer het actueel niveau. Blijkens de door verzoeker zelf overgelegde documentatie is de reductie van de ammoniakemissie bedoeld om de verzuring van het leefmilieu terug te dringen en niet om de geurhinder tegen te gaan, maar "gaat zij gepaard met een verminderde geuremissie". In ieder geval blijft dan nog de omvang van de gevraagde uitbreiding die, in redelijkheid beoordeeld, het besluit wettigt dat, zelfs met gebruik van nieuwe technologieën, de geurhinder globaal toch zal toenemen en dat die toename de grens overschrijdt van wat de bewoners van een dicht bebouwd aangeland woongebied met landelijk karakter moeten dulden van de agrarische activiteiten die daar mogen plaatsvinden. VII-36.597-9/11 2.9. De omstandigheid dat de inrichting aan alle voorschriften voldoet, zoals de mestwetgeving en de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening, en dat verzoeker gebruik maakt van milieuvriendelijke technologieën, verhindert niet dat het bestuur een milieuvergunning kan weigeren wanneer de hinder die het bedrijf veroorzaakt de grenzen van het toelaatbare -een discretionaire bevoegdheid van de overheid- overschrijdt. Dat verzoeker een stedenbouwkundige vergunning verkregen heeft staat een weigering van de milieuvergunning op de vermelde grond niet in de weg, aangezien de geurhinder een beoordelingselement is dat specifiek in het kader van de milieuvergunningsaanvraag onderzocht wordt. Ook de omstandigheid dat er met betrekking tot de inrichting van verzoeker nog geen proces-verbaal voor geurhinder werd opgesteld staat een weigeringsbeslissing niet in de weg. In dit geval vormt de ontstentenis van proces-verbaal zelfs geen beoordelingselement voor het bestuur, aangezien er tot nog toe veel minder varkens in de inrichting gehouden werden en er niet aangetoond wordt dat de door verzoeker voorgestelde milderende maatregelen de verhoging van de geurhinder die onmiskenbaar verbonden zal zijn met de enorme verhoging van het aantal varkens kan neutraliseren. 2.10. De verwerende partij beschikte over concrete gegevens waarvan de onjuistheid niet bewezen wordt. Die gegevens konden haar in redelijkheid tot het besluit brengen dat de geurhinder de grens oversteeg van wat de omwonenden van de inrichting in het woongebied met landelijk karakter moeten dulden. De omstandigheden waarnaar verzoeker te zijner gunste verwijst bevatten het bewijs niet dat de verwerende partij een kennelijk onredelijk gebruik gemaakt heeft van haar beoordelingsvrijheid. 2.11. Het enige middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. VII-36.597-10/11 Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juni tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.597-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.110 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.115 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div