id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.111 Rolnummer: Zaak: Arrest 194111 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 11/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-23 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:15 Fiche Arrest nr 194.111 van 11 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.111 van 11 juni 2009 in de zaken A. 177.112/VII-36.567 A. 178.795/VII-36.
- In zake : Jamila BOUDOFI, die woonplaats kiest bij advocaten N. DEVOS en G. VAN DEN EYNDE, kantoor houdende te GEEL, Diestseweg 155 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jamila BOUDOFI op 25 september 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo van 15 mei 2006, tot weigering van de aansluiting van de woning te Westerlo, Gooreinde 38, op het openbare waterdistributienet en tot weigering van de aflevering van een attest van geen bezwaar, impliciet bevestigd wordt (zaak A. 177.112/VII- 36.567); Gezien het verzoekschrift dat Jamila BOUDOFI op 23 november 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 29 september 2006 waarbij deze, uitspraak doend over het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo van 15 mei 2006, beveelt dat de voorlopige aansluiting van het woonhuis te Westerlo, Gooreinde 38, voorlopig behouden moet blijven tot er een definitieve uitspraak gedaan is over de stedenbouwkundige staat van het goed (zaak A. 178.795/VII-36.752); VII-36.567 en 36.752-1/12 Gezien de toelichtende memorie in zaak A. 177.112/VII-36.567 en de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord in zaak A. 178.795/VII-36.752; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories in de beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 22 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. WYNANTS die, loco advocaat N. DEVOS verschijnt voor verzoekster, en van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij, in de beide zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Artikel 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie (hierna : besluit van 13 december 2002), dat uitvoering geeft aan het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, bepaalt : "§
- De exploitant van het openbare waterdistributienetwerk, desgevallend met instemming van de gemeente, sluit de eigenaar van een woning, gelegen in de gemeente aan op het bestaande openbare waterdistributienetwerk nadat deze VII-36.567 en 36.752-2/12 zich akkoord heeft verklaard met de wijze van aanrekening van de kosten en het verkoopsreglement. Het verzoek wordt ingediend bij de gemeente met een ter post aangetekende brief. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of desgevallend de gemeente kan om technische, juridische of economische redenen de aansluiting weigeren, onder meer als niet (...) gegarandeerd kan worden dat het geleverde water te allen tijde schoon en gezond blijft. In geval van weigering stelt de exploitant van een openbaar waterdistributie- netwerk, de aanvrager in kennis van de weigering binnen de drie weken na de aanvraag. De weigering wordt gemotiveerd. §
- De eigenaar kan tegen de weigering binnen drie weken met een ter post aangetekende brief beroep aantekenen bij de minister. De minister neemt een beslissing binnen zestig dagen na ontvangst van het bezwaar. De termijn wordt geschorst gedurende de tijd die nodig is voor het ontvangen van eventuele aanvullende inlichtingen van de beroeper. Bij ontstentenis van beslissing binnen de gestelde termijn wordt het beroep geacht te zijn verworpen. De minister kan in het geval, bedoeld in § 1, alinea 2, de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk verplichten om op een andere wijze dan aansluiting op het openbare waterdistributienetwerk te voorzien in de noodzakelijke hoeveelheid water bestemd voor menselijke consumptie tegen dezelfde voorwaarden die de (...) exploitant van een openbaar waterdistributie- netwerk toepast op de personen die aangeslotenen zijn op een openbaar waterdistributienetwerk in de gemeente". 1.
- Op 20 oktober 2004 koopt verzoekster van de BVBA GEBRUERS-GHOOS & PROOST een woning gelegen te Westerlo, Gooreinde
- Volgens verzoekster beschikt die woning op dat ogenblik niet over een aansluiting op het waternet. De vroegere bewoners betrokken hun water via het huis nr. 40, waarmee zij familiale banden hadden. 1.
- Op 3 november 2004 richt verzoekster volgend aangetekend schrijven aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo : "Vandaag woensdag 3 november 2004 heb ik mij aangeboden op de bouwdienst van uw gemeente teneinde een attest te bekomen waaruit blijkt dat de gemeente geen bezwaar heeft tegen het uitvoeren van de aankoppeling van Pidpa. Ik stel vast dat mij dit attest is geweigerd. Ik maan u aan en stel u in gebreke om ten laatste op vrijdag 5 november 2004 mij dit attest te bezorgen". 1.
- Om een aansluiting op de waterleiding te verkrijgen, ziet verzoekster zich genoodzaakt zich tot de burgerlijke rechter te wenden om een attest van machtiging te verkrijgen. VII-36.567 en 36.752-3/12 Nadat er op 24 november 2004 een verstekvonnis was uitgespro- ken, beslist de rechtbank van eerste aanleg van Turnhout op 17 februari 2005 om voorlopig de toestand van de partijen te regelen bij toepassing van artikel 19, tweede lid, van het gerechtelijk wetboek. De gemeente Westerlo wordt veroordeeld om zich bij PIDPA akkoord te verklaren dan wel alle vereiste attesten aan PIDPA af te leveren voor uitvoering van een aankoppeling voor huishoudelijk gebruik door PIDPA in de woning te 2260 Westerlo, Gooreinde 38, totdat over de grond van het geschil door de rechtbank definitief uitspraak zal zijn gedaan en dit binnen vijf dagen na de betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 2.500 euro par dag vertraging. Als gevolg van dit vonnis verleent de gemeente Westerlo op 22 februari 2005 aan verzoekster voorlopig, met voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning, de toelating om haar woning aan te sluiten op het waterleidingnet. Deze aansluiting wordt vervolgens effectief uitgevoerd. Op 16 januari 2006 beslist de rechtbank de aansluiting voorlopig te behouden totdat de gemeente een definitieve toelating geeft of er een definitieve uitspraak komt over de weigering van de toelating door de gemeente. 1.
- Op 15 mei 2006 doet het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo uitspraak over verzoeksters aanvraag voor het verkrijgen van een attest van "geen bezwaar" voor een aansluiting van haar woning op het openbare waterdistributienetwerk. Het college besluit "de aansluiting op het bestaande openbare waterdistributienetwerk, (...) te weigeren en zodoende de machtiging tot uitvoering van of de aflevering van een attest van geen bezwaar tegen de aankoppeling voor huishoudelijk watergebruik door PIDPA (...) te weigeren". De weigering is gemotiveerd als volgt : "Gelet op het feit dat door de voorlopige aansluiting op het openbare waterdistributienetwerk van de woning, Gooreinde 38, er technische problemen zijn ontstaan in de woning, Gooreinde
- Dat blijkt dat de woning Gooreinde 38 technisch niet voldoende uitgerust is voor de aansluiting, zonder hinder te veroorzaken voor de naburen (cfr. nota van de technische dienst d.d. 09.05.2006); Overwegende dat daarenboven de splitsing van de eigendom in twee gekoppelde woningen vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar is (cfr. beslissing SC d.d. 22.09.2003 en verslag van de vergadering met Arohm d.d. 07.10.2003)". 1.
- Met een aangetekend schrijven van 31 mei 2006 stelt verzoeksters raadsman beroep in tegen deze beslissing. In essentie wordt betoogd dat het argument als zou er om stedenbouwkundige redenen geen machtiging van VII-36.567 en 36.752-4/12 aansluiting kunnen worden verleend, niet opgaat. Verzoekster en haar kinderen worden beroofd van hun fundamenteel recht op een menswaardig leven, wat immers niet mogelijk is zonder drinkwatervoorziening. Er wordt stilgestaan bij het vonnis van de rechtbank van 16 januari 2006, en vervolgens worden een aantal juridische argumenten aangevoerd op grond waarvan een aansluiting op de waterleiding dient te worden toegestaan. 1.
- In een nota van 28 augustus 2006 deelt de Vlaamse Milieumaat- schappij, afdeling Water, aan de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur mee dat de bestaande huisaansluiting (gerealiseerd op 1 maart 2006) volgens haar behouden dient te blijven tot zolang er geen definitieve uitspraak is gebeurd over de stedenbouwkundige staat van het goed. 1.
- Op 25 september 2006 stelt verzoekster beroep in tegen de (volgens haar) impliciete bevestiging door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo van 15 mei
- Dit is de eerste bestreden beslissing (zaak A. 177.112/VII-36.567). 1.
- Op 29 september 2006 wordt de tweede hier bestreden beslissing genomen (zaak A. 178.795/VII-36.752). Zij luidt : "Gelet op het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie, inzonderheid op artikel 19 dat stelt dat de gemeente om technische, juridische of economische redenen de aansluiting op het bestaande openbare waterdistributienetwerk kan weigeren. Gelet op het beroep ingesteld op 1 juni 2006 tegen de beslissing van de Gemeente Westerlo van 15 mei 2006 om geen attest af te leveren voor aansluiting van de woning op het openbaar waterdistributienetwerk. Gelet op nota van Pidpa van 27 juni 2006 waarbij verklaard wordt dat er op 22 februari 2006 een contract van waterbevoorrading afgesloten werd met Boudofi Jamila, wonende Gooreinde 38 te Westerlo en de aansluiting effectief uitgevoerd werd op 1 maart 2006 Gelet op de brief van Pidpa waarbij deze verklaart nooit te zijn ingelicht over technische moeilijkheden in het woonhuis Gooreinde 40, die zouden veroor- zaakt worden door de aansluiting van het woonhuis Gooreinde 38; Gelet op het argument dat de gemeente Westerlo de splitsing van de eigendom gelegen Gooreinde 38-40 vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar is; BESLUIT: Artikel
- De huidige aansluiting van het woonhuis gelegen Gooreind 38, dient voorlopig behouden te blijven tot zolang er geen definitieve uitspraak gebeurd is over de stedenbouwkundige staat van het goed en waarbij deze beslissing VII-36.567 en 36.752-5/12 evenwel geen enkele uitspraak doet over de stedenbouwkundige staat van het onroerend goed". 1.
- Met een schrijven van 29 september 2006 wordt de tweede bestreden beslissing betekend aan verzoeksters raadslieden.
- De ontvankelijkheid van het beroep inzake A. 177.112/VII-36.567 2.
- Verzoekster bestrijdt in deze zaak het ministerieel besluit waarbij de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo van 15 mei 2006 "impliciet bevestigd" wordt. Het gaat eigenlijk om de stilzwijgende verwerping van het overeenkomstig artikel 19, § 2, van het besluit van 13 december 2002 door verzoekster ingestelde beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen. Aangezien de minister op 29 september 2006 expliciet uitspraak gedaan heeft over datzelfde beroep en aangezien noch uit de tekst van artikel 19, § 2, van het besluit van 13 december 2002, noch uit het decreet van 24 mei 2002 waarin die bepaling haar grondslag vindt, blijkt dat de minister louter door het verstrijken van de termijn zijn bevoegdheid om te beslissen verloren heeft, moet aangenomen worden dat de stilzwijgende beslissing opgeslorpt is door de uitdrukkelijke beslissing van 29 september
- Aldus is de stilzwijgende beslissing uit het rechtsverkeer verdwenen, zodat het ertegen ingediende annulatieberoep niet langer ontvankelijk is. 2.
- In haar laatste memorie stelt verzoekster terecht dat de verwerende partij, omdat zij pas na het indienen van het beroep formeel een beslissing genomen heeft, verantwoordelijk is voor de kosten die zij gemaakt heeft en dat de verwerende partij haar die kosten moet terugbetalen.
- De ontvankelijkheid van het beroep inzake A. 178.795/VII-36.752 3.
- Volgens de verwerende partij heeft verzoekster geen belang bij het beroep, aangezien het bestreden besluit haar reeds voorlopig een aansluiting op het waterleidingnet garandeert en zij, mocht de aansluiting later toch nog geweigerd worden omdat er stedenbouwkundige bezwaren bestaan tegen de opsplitsing van de woongelegenheden, zich daartegen bij de Raad van State kan verweren. Voorts heeft de vernietiging van het bestreden besluit niet tot gevolg dat de minister zijn VII-36.567 en 36.752-6/12 beslissing moet heroverwegen, maar wel dat de stilzwijgende beslissing definitief wordt. Bovendien rijst de vraag naar het wettig karakter van het belang omdat niemand rechten kan putten uit een illegale situatie en de vaststelling dat er stedenbouwkundige inbreuken gepleegd zijn, tot gevolg zal hebben dat de aansluiting ongedaan gemaakt kan worden. 3.
- Verzoekster repliceert dat zij er belang bij heeft dat haar voorlopige aansluiting op het waterleidingnet definitief wordt. In de huidige situatie bevindt zij zich in de onzekerheid omtrent de mogelijke bewoning van het pand en heeft het pand een lagere verkoopwaarde. Zij betoogt voorts dat het bestreden besluit zodanig geformuleerd is dat de voorlopigheid van haar aansluiting wegvalt zodra er uitspraak is over de stedenbouwkundige staat van het goed, maar het valt niet in te zien hoe zij dan nog een beroep bij de Raad van State zou kunnen instellen. Overigens worden de hypothetische bezwaren van stedenbouwkundige aard door de verwerende partij niet nader toegelicht en is zelfs de impliciete weigering niet definitief. 3.
- Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo heeft de aansluiting op het waterleidingnet van de eigendom van verzoekster geweigerd. Zij heeft dan een voorlopige aansluiting afgedwongen bij de rechter. Zij beoogt evenwel een definitieve aansluiting te verkrijgen en daarom heeft zij administratief beroep ingediend tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen, in de hoop dat de minister haar die definitieve toelating zou verlenen. De minister heeft het beroep niet ingewilligd, maar de voorlopige toestand verder bestendigd totdat er een uitspraak is over de stedenbouw- kundige staat van het goed. 3.
- De vernietiging van het bestreden besluit zal de minister dwingen zijn beslissing van 29 september 2006 opnieuw te overwegen en daarbij rekening te houden met het annulatiearrest. Mogelijk zal hij daarin lezen dat stedenbouwkundige motieven geen reden kunnen zijn om een wateraansluiting te weigeren. Verzoekster vindt daarin een voldoende belang om de beslissing van de minister te bestrijden. 3.
- Volgens de verwerende partij kan de minister na een vernieti- gingsarrest geen beslissing meer nemen omdat krachtens artikel 19, §2, van het besluit van 13 december 2002 het beroep geacht wordt verworpen te zijn omdat er binnen de zestig dagen niet over het beroep beslist werd. VII-36.567 en 36.752-7/12 Die redenering wordt niet bijgevallen. Aangezien uit artikel 19, §2, van het besluit van 13 december 2002 niet blijkt dat de minister door het verstrijken van de termijn om uitspraak te doen over het administratief beroep zijn bevoegdheid om te beslissen verliest, belet niets hem na een vernietigingsarrest zijn beslissing opnieuw te heroverwegen. Hij is daartoe in het onderhavige geval zelfs verplicht, aangezien hij initieel reeds van oordeel was zich niet te kunnen neerleggen bij een stilzwijgende verwerping, uit kracht van wet, van het beroep. 3.
- Het belang van verzoekster gaat niet teloor door de vaststelling dat er een illegale stedenbouwkundige situatie kan worden vastgesteld. Dat zou enkel het geval zijn wanneer inbreuken op de stedenbouwwetgeving sowieso beletten dat de woning van verzoekster op het waternet aangesloten wordt. 3.
- De exceptie wordt verworpen.
- Het beroep inzake A. 178.795/VII-36.752 ten gronde 4.
- In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 19 van het besluit van 13 december 2002, doordat het bestreden besluit steunt op het stedenbouwkundig statuut van de woning van verzoekster terwijl deze reden niet behoort tot de technische, juridische of economische redenen op grond waarvan volgens de genoemde bepaling een wateraansluiting geweigerd mag worden. Zij verwijst naar de memorie van toelichting bij artikel 5 van het decreet van 24 mei 2002 (Vl. Parl., Parl. Doc. 2001-2002, stuk 1045/1, p. 8) waaruit blijkt dat de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk verplicht is om een woning "op eenvoudige vraag van de eigenaar" aan te sluiten en dat hiervan afgeweken kan worden "indien kan aangetoond worden dat het technisch of financieel niet haalbaar is of omwille van redenen die te maken hebben met milieu en natuurbehoud". Artikel 19 van het besluit van 13 december 2002, waarin uitdrukkelijk de gronden voor weigering van een aansluiting worden aangewezen, moet in dat licht gelezen worden. Te dezen heeft de minister een definitieve aansluiting geweigerd wegens de "stedenbouwkundige staat van het goed". Die reden kan, volgens verzoekster, een definitieve weigering niet onderbouwen omdat zij niets te maken heeft "met technische of financiële haalbaarheid of met volksgezondheid, milieu en natuurbehoud" en daarom schendt het bestreden besluit, in de mate het alleen maar VII-36.567 en 36.752-8/12 een voorlopige aansluiting bevestigt en de definitieve aansluiting afhankelijk maakt van een oplossing van het stedenbouwkundige probleem en dus weigert, het genoemde artikel 19 van het besluit van 13 december
- In het daarbij aansluitende derde middel voert verzoekster de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doordat het motief waarin gesteld wordt dat de splitsing van de eigendom gelegen Gooreinde 38-40 vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar is, een verkeerd motief is omdat de splitsing van de eigendom "een voldongen feit is" en het bestuur daaromtrent niets hoeft te aanvaarden. 4.
- De verwerende partij antwoordt dat inbreuken op stedenbouwkun- dige bepalingen gevolgen kunnen hebben voor andere reeds genomen beslissingen, dat niemand rechten kan putten uit een misdrijf, dat de memorie van toelichting bij het decreet niet relevant ingeroepen kan worden om inhoud te geven aan de begrippen "technische, juridische of economische redenen" die in het besluit van 13 december 2002 vermeld zijn, dat "juridische redenen" ruimer zijn dan de redenen van milieu en natuurbehoud en ook stedenbouwkundige motieven omvatten. Zij stelt ook dat het bestreden besluit wel degelijk aanduidt waarom er slechts een voorlopige aansluiting gegeven wordt, dat kritiek op de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo van 15 mei 2006 hier niet relevant is en dat verzoekster uit het oog verliest dat de stedenbouwreglementering de openbare orde raakt zodat overtredingen repercussies hebben voor de situatie van verzoekster. 4.
- Verzoekster beklaagt er zich over dat haar geen definitieve aansluiting verleend wordt en dat de verwijzing in de bestreden beslissing naar stedenbouwkundige motieven in het licht van artikel 19 van het besluit van 13 december 2002 geen deugdelijke grondslag kan vormen voor dat weigeringsbe- sluit. Volgens haar kan het motief dat de splitsing van de eigendom vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar is, geen grondslag vormen voor de weigering. 4.
- Het bestreden besluit stelt de beslissing over de definitieve aansluiting uit en maakt ze afhankelijk van een "definitieve uitspraak (...) over de stedenbouwkundige staat van het goed". Het enige motief dat daarop betrekking heeft is dat "de splitsing van de eigendom gelegen Gooreinde 38-40 vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar is". Daarmee maakt de minister het VII-36.567 en 36.752-9/12 desbetreffende argument uit de beroepen beslissing van het college van burgemees- ter en schepenen, hoewel het daar ten overvloede was aangevoerd, tot het dragende motief van zijn besluit. 4.
- De weigering steunt op de vaststelling dat het betrokken pand gesplitst is in twee woongelegenheden en dat zulks stedenbouwkundig niet aanvaarbaar is. Er wordt evenwel niet aangeduid welke stedenbouwkundige overtreding er te dezen begaan zou zijn noch waarom de eventuele onregelmatige splitsing precies tegen verzoekster uitgespeeld kan worden. Uit de in het dossier neergelegde stukken blijkt overigens dat de woningen nrs. 38 en 40 reeds lang -zelfs vóór de stedenbouwwet van 1962- afzonderlijk bewoond worden en dat de gemeente op beide adressen personen in het bevolkingsregister ingeschreven heeft. De algemeenheid van het motief laat verzoekster niet toe concreet te begrijpen waarom de splitsing van het pand moest leiden tot de weigering om haar aan te sluiten. 4.
- Maar er is meer. De verwerende partij maakt niet duidelijk waarom het bestuur een louter stedenbouwkundig probleem, zelfs wanneer daar strafrechtelijke gevolgen aan verbonden kunnen zijn - de onregelmatig doorgevoerde splitsing van de eigendom Gooreinde 38 en 40- kan aangrijpen om een wateraanslui- ting te weigeren. Dat kan immers naar luid van artikel 19, §1, tweede lid, van het besluit van 13 december 2002 alleen wanneer daarvoor "technische, juridische of economische redenen" worden aangevoerd. Die bepaling vormt een uitzondering op de regel, vermeld in het eerste lid, dat een eigenaar van een woning die zich akkoord verklaart met de leveringsvoorwaarden, aangesloten wordt en moet dan ook beperkend uitgelegd worden. 4.
- Volgens de verwerende partij vormt een stedenbouwkundige onregelmatigheid een "juridische reden" die een weigering tot aansluiting verantwoordt. Artikel 19 van het besluit van 13 december 2002 bepaalt de inhoud van dat begrip niet nader. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 24 mei 2002 die verzoekster citeert laat ook geen eenduidige conclusie toe: er wordt gesteld dat een afwijking op de aansluitingsverplichting slechts mogelijk is wanneer de aansluiting "technisch of financieel niet haalbaar is" of omwille van redenen die te maken hebben met "milieu en natuurbehoud"; er wordt dan verwezen naar criteria van volksgezondheid, van maatschappelijke of milieukundige aard en van technologische en financiële aard die concreet afgewogen moeten worden. Het is niet duidelijk onder welk criterium "een juridische reden" ondergebracht kan worden. VII-36.567 en 36.752-10/12 Enkel vanuit een zeer algemene benadering van de tekst zou gesteld kunnen worden dat een stedenbouwkundige onregelmatigheid een juridisch probleem vormt en dat daarin dan een "juridische reden" ontwaard kan worden om de aansluiting te weigeren. Dat strookt evenwel niet met de beperkende uitleg die het begrip moet krijgen en die moet beletten dat het bestuur omzeggens elk probleem als een "juridische reden" kan aangrijpen om de wateraansluiting te weigeren. Bij gebrek aan duidelijkheid in de regelgeving vormt, algemeen gezien, een stedenbouwkundige onregelmatigheid geen juridische reden om een wateraansluiting te weigeren. De verwerende partij toont in ieder geval niet aan waarom dat in het concrete geval van verzoekster dan wel anders zou moeten zijn. 4.
- Het tweede en derde middel is in de aangegeven mate gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
- De zaken A. 177.112/VII-36.567 en A. 178.795/VII-36.752 worden gevoegd. Artikel
- Het beroep inzake A. 177.112/VII-36.567 wordt verworpen. Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 29 september 2006 waarbij deze, uitspraak doend over het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo van 15 mei 2006, beveelt dat de voorlopige aansluiting van het woonhuis te Westerlo, Gooreinde 38, voorlopig behouden moet blijven tot er een definitieve uitspraak gedaan is over de steden- bouwkundige staat van het goed. VII-36.567 en 36.752-11/12 Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juni tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.567 en 36.752-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.111 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div