← België

Arrest 194166 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 15/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.166 Rolnummer: A. 191903/X-14120 Zaak: Arrest 194166 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 15/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-24 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 03:15 Fiche Arrest nr 194.166 van 15 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.166 van 15 juni 2009 in de zaak A. 191.903/X-14.

  1. In zake :
  2. Carlos ANCKAERT,
  3. Bernard MEYFROODT, die woonplaats kiezen bij advocaten B. ROELANDTS en K. DE ROO, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen :
  4. d e d e p u t a t i e v a n d e p r o v i n c i e r a a d v a n OOST-VLAANDEREN,
  5. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  6. tussenkomende partij : de n.v. UTEXBEL, die woonplaats kiest bij advocaten P. FLAMEY en P.-J. VERVOORT, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan
  7. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Carlos ANCKAERT en Bernard MEYFROODT op 23 maart 2009 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van : “
  8. het besluit van 22 december 2008 van de Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Afbakening kleinstedelijk gebied Ronse’, meer bepaald het deelplan 1 Snoecklaan - Zonnestraat (...), en
  9. het besluit van 15 oktober 2008 van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende definitieve vaststelling van het PRUP ‘Afbakening kleinstedelijk gebied Ronse’, meer bepaald het deelplan 1 Snoecklaan - Zonnestraat (...)”; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; X-14.120-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. PROOT, die loco advocaat B. ROELANDTS verschijnt voor de verzoekende partijen, van M.-A. DE GEEST, bestuurssecretaris, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat M. VALKENIERS, die loco advocaten P. FLAMEY en P.-J. VERVOORT verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  10. Rechtspleging Met een verzoekschrift van 21 april 2009 heeft de n.v. UTEXBEL gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
  11. Feiten 2.
  12. De tussenkomende partij exploiteert aan de César Snoecklaan te Ronse een textielweverij en -ververij. De verzoekers wonen in de onmiddellijke omgeving van het betrokken bedrijf. Tussen hun woningen en het bedrijf ligt een straat (de Maghermanlaan) die ongeveer tien meter breed is. X-14.120-2/9 Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde is het bedrijf gelegen in woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. Bij besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 1999 wordt deze bestemming van de gronden van het bedrijf gewijzigd in regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter. Deze gewestplanherziening wordt door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 91.184 van 29 november 2000 en vernietigd bij arrest nr. 114.327 van 9 januari
  13. 2.
  14. Een bouwvergunning met betrekking tot de oprichting van een industriële loods op het betrokken terrein wordt door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 53.176 van 9 mei 1995 en vernietigd bij arrest nr. 58.935 van 28 maart
  15. Een tweede (regularisatie)vergunning wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 164.968 van 21 november
  16. Ingevolge een positief planologisch attest (zie nr. 2.4), verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse voor deze loods op 21 januari 2008 opnieuw een stedenbouwkundige vergunning, die door de verzoekers niet wordt aangevochten. 2.
  17. Een milieuvergunning voor de exploitatie van het bedrijf wordt door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 54.031 van 27 juni 1995 en vernietigd bij arrest nr. 104.125 van 28 februari
  18. Op 10 september 2002 wordt een nieuwe milieuvergunning verleend met een geldigheidsduur van vijf jaar. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, gericht tegen deze vergunning, wordt bij arrest nr. 124.552 van 23 oktober 2003 verworpen bij gebrek aan moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Bij arrest nr. 177.833 van 13 december 2007 wordt ook het beroep tot nietigverklaring verworpen bij gebrek aan actueel belang, omdat de geldigheidsduur van de bestreden milieuvergunning inmiddels verstreken was. Op 11 januari 2008 wordt in administratief beroep een nieuwe milieuvergunning verleend voor een termijn van twintig jaar, eindigend op 10 september
  19. Tegen dit besluit wordt door de verzoekers een beroep tot nietigverklaring ingesteld, dat nog hangende is (procedure gekend onder G/A 187.523/VII-37.164). X-14.120-3/9 2.
  20. Op 13 juli 2006 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op vraag van de tussenkomende partij een positief planologisch attest. Het beroep tot nietigverklaring dat de verzoekers tegen deze beslissing hebben ingesteld, wordt door de Raad van State niet ontvankelijk bevonden bij arrest nr. 187.840 van 12 november
  21. 2.
  22. Het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen was inmiddels reeds gestart met de opmaak van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor de afbakening van het kleinstedelijk gebied Ronse. Ingevolge de aflevering van het zo-even vermelde positief planologisch attest, werd in de planprocedure een specifiek deelplan ingelast voor het gebied Snoecklaan-Zonnestraat te Ronse. De site van de tussenkomende partij krijgt in dit deelplan een bestemming als gemengd regionaal bedrijventerrein, met subzones voor de industriële vestiging (A), voor daarbij behorende logistieke en ondergeschikte voorzieningen (B), en voor regionale bedrijven en kantoren (C). 2.
  23. Het ontwerp van provinciaal RUP wordt door de provincieraad van Oost-Vlaanderen voorlopig vastgesteld bij besluit van 12 december
  24. 2.
  25. Tijdens het openbaar onderzoek worden een aantal bezwaren ingediend, waaronder ook door de verzoekers. 2.
  26. Op 12 juni 2008 onderzoekt de Provinciale Commissie voor Ruimtelijke Ordening van Oost-Vlaanderen de ingediende bezwaren. 2.
  27. Op 15 oktober 2008 beslist de provincieraad van Oost-Vlaanderen tot de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. Dit is het tweede bestreden besluit. 2.
  28. Op 22 december 2008 keurt de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening het betrokken provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan goed. Dit is het eerste bestreden besluit. X-14.120-4/9
  29. Ten gronde 3.
  30. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissingen kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
  31. Voor wat betreft de tweede schorsingsvoorwaarde voeren de verzoekers aan dat op basis van het betrokken deelplan van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan allerlei bedrijfsactiviteiten kunnen worden vergund die ernstige hinder kunnen veroorzaken voor de verzoekers, zowel voor zone A en B als voor zone C. De bestreden besluiten houden de planologische bestendiging in van een bestaande, sinds jaren als hinderlijk ervaren en illegale infrastructuur en maken vergunningen mogelijk, zoals een nieuwe milieuvergunning, indien de Raad van State de reeds aangevochten milieuvergunning (zie nr. 2.3 in fine van het feitenrelaas) zou vernietigen. Door de bestreden besluiten dreigt het rustig woongenot van de verzoekers onherroepelijk te worden aangetast. De verzoekers verwijzen daarbij naar vrachtwagenverkeer en bijkomende laad- en loskaaien en een manoeuvreerterrein die door het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan mogelijk gemaakt worden vlakbij de woning van de eerste verzoeker. Zij verwijzen ook naar het continu functioneren van het bedrijf overdag, ’s nachts en in het weekend. Tevens voeren zij visuele hinder aan door de gevelde populieren en de industriële loods, verkeershinder door het zo-even geschetste transport van vrachtwagens, geluidshinder door trillingen van de weefgetouwen, geurhinder en luchtbezoedeling, waterbezoedeling en bodemvervuiling, brandgevaar en een verhoogd risico op overstroming. Samenvattend stellen zij dat de bestreden besluiten deze bestaande hinder zullen doen toenemen tot een permanente en zeer zware aantasting van hun leefkwaliteit, met ernstige risico’s en gevaren voor hun gezondheid en hun rust. 3.
  32. Voor wat betreft de vergunningen die door de bestreden besluiten mogelijk worden gemaakt, moet worden opgemerkt dat ingevolge het positief planologisch attest, verleend overeenkomstig artikel 145quater van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zowel een X-14.120-5/9 stedenbouwkundige vergunning als een milieuvergunning voor de industriële loods werden verleend (zie de nrs. 2.2 en 2.3 van het feitenrelaas). De eerste vergunning van 21 januari 2008 werd niet aangevochten; de tweede vergunning van 11 januari 2008 werd aangevochten met een beroep tot nietigverklaring (waarover nog geen uitspraak is gedaan), maar niet met een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging. De twee betrokken vergunningen zijn bijgevolg uitvoerbaar en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de twee bestreden besluiten vermag daar geen verandering in te brengen. In die omstandigheden kunnen die twee besluiten niet in aanmerking komen voor de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Voorts verwijzen de verzoekers naar vergunningen die op grond van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan kunnen worden verleend voor “andere regionale bedrijven (die) zich hier in het woongebied kunnen vestigen”. Deze hypothetische vergunningen, waarvan de verzoekers niet verder concreet uiteenzetten op welke activiteiten, gebouwen of werken zij betrekking zouden kunnen hebben, kunnen evenmin in aanmerking worden genomen. 3.
  33. Voor wat betreft de overige nadelige ontwikkelingen die uit de bestreden besluiten kunnen voortvloeien, verwijzen de verzoekers naar visuele hinder, verkeershinder, geluidshinder, trillingen, geurhinder en luchtverontreiniging, water- en bodemvervuiling, brandgevaar en een verhoogd risico op overstroming. Met betrekking tot de visuele hinder verwijzen de verzoekers naar het vellen van een populierenaanplanting in de jaren negentig en naar de bouw van de industriële loods. Het eerste aspect is totaal vreemd aan de planologische bestemming door de bestreden besluiten. Uit wat zo-even werd gesteld over de ingevolge een positief planologisch attest afgegeven bouwvergunning van 21 januari 2008, die door de verzoekers niet werd aangevochten, kan worden afgeleid dat zij de visuele hinder die zij door de betrokken loods zouden ondervinden, niet alsnog kunnen aanvoeren met het oog op de schorsing van de tenuitvoerlegging van de twee bestreden besluiten. Overigens wordt in de motivering van de bouwvergunning ingegaan op deze problematiek en wordt er onder meer overwogen dat de loods door groenaanplantingen grotendeels is onttrokken aan het zicht. De argumentatie met betrekking tot de verkeershinder kwam reeds aan bod in het positief planologisch attest van 13 juli 2006 en in de milieuvergunning van 11 januari
  34. In de toelichtingsnota bij het betrokken deelplan van het aangevochten provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan wordt gesteld dat een deel van de personenwagens die thans de inrit aan de kant van de X-14.120-6/9 Maghermanlaan gebruiken, zou worden omgeleid naar de parking aan de Snoecklaan. Voor wat betreft de geluidshinder die wordt voortgebracht door vrachtwagens, wordt door de milieuvergunning reeds een beperking opgelegd. De verwijzing naar toekomstige uitbreidingsplannen van de tussenkomende partij en de gevolgen daarvan voor de verkeershinder betreft enkel een hypothetisch nadeel. Met betrekking tot de geluidshinder en de trillingen wordt in essentie verwezen naar het machinepark van het bedrijf (onder meer de weefgetouwen) en de ermee in verband staande installaties zoals klimaatregeling en stoomketels, die een “continu aanwezig geronk” voortbrengen en trillingen veroorzaken in de nabije woningen. De verzoekers verstrekken evenwel geen meer concrete gegevens waaruit kan blijken dat de voorwaarden die reeds in de milieuvergunning van 11 januari 2008 worden opgelegd om deze hinder te beperken, niet volstaan en dat een aangepaste planologische oplossing noodzakelijk is om deze hinder te beperken. Met betrekking tot de geurhinder en luchtverontreiniging verwijzen de verzoekers naar “chemische stankgolven”, zonder evenwel aan te tonen in welke mate ook hier de voorwaarden die dienaangaande reeds in de milieuvergunning van 11 januari 2008 worden opgelegd, niet volstaan en dat ook hier een aangepaste planologische oplossing noodzakelijk is om deze hinder te beperken. Voor wat betreft de water- en bodemvervuiling stellen de verzoekers dat het bedrijf zijn eigen afvalwater niet gezuiverd krijgt en dat dit afvalwater te zwaar vervuild is om door derden gezuiverd te worden. De verzoekers laten echter na deze beweringen verder te concretiseren voor wat betreft het persoonlijk en rechtstreeks nadeel dat zij hierdoor ondervinden. Overigens wordt ook in de milieuvergunning van 11 januari 2008 uitvoerig op deze problematiek ingegaan en werd besloten de vergunning voor wat betreft het aspect bedrijfsafvalwater te beperken tot twee jaar, zodat deze problematiek opnieuw zal worden onderzocht door de vergunningverlenende overheid. Voor wat betreft het brandgevaar argumenteren de verzoekers dat het textielbedrijf, waar ontvlambare en gevaarlijke (vloei)stoffen aanwezig zijn, in het midden van een woonwijk een fel onderschat gevaar inhoudt voor brand en rampen en dat de bestreden besluiten geen maatregelen bevatten om de gevaarlijke componenten ruimtelijk te scheiden. De verzoekers maken evenwel ook hier niet aannemelijk dat de voorwaarden die reeds in de milieuvergunning van 11 januari 2008 worden opgelegd om deze hinder te beperken, niet volstaan en dat een aangepaste planologische oplossing noodzakelijk is om deze hinder te beperken. X-14.120-7/9 Voor wat betreft het verhoogd risico op overstroming stellen de verzoekers dat bij zwaar onweer omwille van de inkokering van de Molenbeek op een deel van het terrein wateroverlast onstaat, zodat het water rond de gebouwen stroomt en de bedrijfsparkings onder water zet. Zij argumenteren dat regelmatig “delen van de stad Ronse” onder water komen te staan omdat de Molenbeek het water niet tijdig kan afvoeren en dat de inkokering van de Molenbeek en de uitbreidingen van het bedrijf “hiervoor gedeeltelijk verantwoordelijk zijn”. De verzoekers tonen evenwel niet aan in welke mate dit overstromingsgevaar ook hun eigendommen treft en voor hen persoonlijk een nadeel vormt. Meer in het algemeen blijkt uit de milieuvergunning van 11 januari 2008 en uit de stedenbouwkundige vergunning van 21 januari 2008 dat deze aspecten door de vergunningverlenende overheid werden onderzocht en dat er bij de vergunningsvoorwaarden rekening mee werd gehouden. Voorts tonen de verzoekers niet aan dat de stedenbouwkundige voorschriften voor het betrokken deelplan van het aangevochten provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan de door hen aangevoerde nadelen in vergelijking met de vergunde toestand vergroten. In die omstandigheden kan niet worden besloten tot het voorhanden zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. 3.
  35. De tweede voorwaarde voor een schorsing is niet vervuld. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  36. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. UTEXBEL in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  37. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-14.120-8/9 Artikel
  38. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni 2009, door : de H. J. VAN NIEUWENHOVE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. J. VAN NIEUWENHOVE. X-14.120-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.166 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.329 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.