← België

Arrest 194169 - Monumenten en Landschappen - 15/06/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.169 Rolnummer: Zaak: Arrest 194169 - Monumenten en Landschappen - 15/06/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-16 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:15 Fiche Arrest nr 194.169 van 15 juni 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 194.169 van 15 juni 2009 in de zaken A. 132.935/X-11.295. (I) A. 150.226/X-11.838. (II) In zake : I. + II. 1. de n.v. MEMLINC HOTEL, 2. de n.v. MEMLINC SHOPS, 3. André DEKLERCK, 4. Christophe DEKLERCK, die woonplaats kiezen bij advocaten F. HAUMONT, M. SCHOLASSE en partners, kantoor houdende te 1300 WAVER, Chemin du Stocquoy 1-3 tegen : I. + II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus 1. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. MEMLINC HOTEL, de n.v. MEMLINC SHOPS, André DEKLERCK en Christophe DEKLERCK op 12 februari 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van de Vlaams(

  1. e)Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 22 november 2002 houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten waarbij het ‘MEMLINC HOTEL’ met omgevend terrein, gelegen te Knokke-Heist (Knokke), Albertplein 21, 22, 23, 24, 25, 27 bekend ten kadaster : Knokke-Heist, 2de afdeling, sectie E, perceel nr 217c als monument wordt geklasseerd”; (zaak I. A. 132.935) Gezien het verzoekschrift dat de n.v. MEMLINC HOTEL, de n.v. MEMLINC SHOPS, André DEKLERCK en Christophe DEKLERCK op 31 maart 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van de Vlaams(
  2. e)Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, de heer Paul VAN GR(E)MBERGEN, van 15 december 2003 X-11.295-11.838-1/20 houdende de bescherming als een monument van het MEMLINC HOTEL met omgevend terrein, gelegen te Knokke-Heist (Knokke), Albertplein 21, 22, 23, 24, 25, 27; bekend ten kadaster : Knokke-Heist, 2de afdeling, sectie E, perceel nr 217c dat werd betekend aan verzoekers op datum van 2 februari 2004”; (zaak II. A. 150.226) Gezien de toelichtende memorie in de zaak sub I en de memories van antwoord en van wederantwoord in de zaak sub II; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 17 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelasten in beide zaken; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 9 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2009 in beide zaken; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC in beide zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. GOETRY, die loco advocaten F. HAUMONT, M. SCHOLASSE en partners verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat S. CALLENS, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-11.295-11.838-2/20 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging 1.1. De zaken worden wegens verknochtheid samengevoegd. 1.2. De memorie van antwoord van de verwerende partij in de zaak sub I wordt wegens laattijdigheid uit de debatten geweerd. 2. Feiten 2.1. Op 17 september 2002 wordt een motiveringsnota opgesteld waarbij vijf uit de inventaris van het bouwkundig erfgoed geselecteerde hotels te Knokke worden voorgedragen voor bescherming als monument. Eén van deze hotels is het “Memlinc Hotel” met omgevend terrein gelegen in Het Zoute. De verzoekende partijen zijn eigenaars, respectievelijk uitbaters, van de betreffende percelen en de daarop bestaande constructies. In de nota wordt vermeld dat het Memlinc Hotel met omgevend terrein volgens het gewestplan Brugge-Oostkust gelegen is in woongebied en in het BPA K 09 Wijk Prins Karellaan. Als voorstel van gemotiveerd advies over het Memlinc Hotel met omgevend terrein wordt het volgende gesteld: “Dient te worden beschermd als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de historische waarde, de historische in casu de architectuurhistorische waarde en de socio-culturele waarde : Het ‘Memlinc Hotel’ met omgevend terrein, gelegen te Knokke-Heist, Knokke, Albertplein 21-27, bekend ten kadaster, Knokke-Heist, 2de afdeling, Sectie E, perceelnummer 217 c. De historische waarde wordt als volgt omschreven : - Als zijnde een belangrijke historische getuige van de ontwikkeling van het toerisme aan de Oostkust, meer bepaald in Knokke-Het Zoute, dat zich in het tweede kwart van de 20ste eeuw verder ontwikkelt als residentiële badplaats van allure. - Als zijnde een illustratie van de grote bloei van het hotelwezen aan de kust in de jaren 1920, waardoor de bouw van het aantal hotels een hoge vlucht neemt. De historische waarde, in casu de architectuurhistorische waarde wordt als volgt omschreven : - Als zijnde een prestigieus voorbeeld van een hotel dat opgetrokken wordt in cottagestijl met Normandische inslag, aansluitend bij de bouwtrant die reeds vanaf het begin van de 20ste eeuw wordt toegepast voor de duinhuizen van de villawijk in Het Zoute, cf. geïnspireerd op de Engelse traditionele of landelijke woning, de z.g. cottage. Typerend X-11.295-11.838-3/20 materiaalgebruik van bakstenen onderbouw en bepleisterde bovenbouw met pseudo-vakwerk in de gevelvelden. Opmerkelijk zijn o.m. het levendig dakenspel, de risalietvormende topgevels, de gesuperposeerde erkers en de balkons. - Als bewarende een uitzonderlijk rijkelijk interieur, met aankleding van de vertrekken op de benedenverdieping in diverse stijlen, cf. o.m. bridgezaal in neoclassicistische stijl, eetzaal in eclectische stijl, zitplaats in neo-Vlaamse renaissancestijl en restaurant in art-decogetinte stijl. Waardevolle interieurelementen zijn o.m. de wandbekledingen als lambriseringen en wandbespanningen, friezen, laag- en hoogreliëfs en de monumentale schouwen. Tevens glas-in-loodramen met figuratieve voorstellingen uit de Vlaamse geschiedenis en met o.m. de voorstelling van de kunstenaar Hans Memling, aan wie het hotel zijn naam ontleent. - Als zijnde een stedenbouwkundig belangrijk gegeven, cf. het hotel belichaamt zowel naar inhoud als naar vorm de overgang tussen de twee verkavelingtypes in het Zoute. Enerzijds sluit het hotel aan bij de bebouwing aan de zeedijk, door zowel de functie (hotel) als door het architecturaal voorkomen (zuidelijk aaneengesloten gevelwand van het Albertplein); anderzijds maakt het hotel deel uit van de meer landinwaarts gelegen open verkaveling van de villawijk, cf. als groot vrijstaand volume opgetrokken in typerende cottagestijl met Normandische inslag - Als zijnde een baken en referentiepunt in Het Zoute, zowel qua inplanting als qua architecturale uitstraling. Het ‘Memlinc Hotel’ bepaalt het zicht op het Albertplein en heeft een zeer goede zichtlocatie naar de zee toe. - Als zijnde getuige van het oeuvre van de invloedrijke West-Vlaamse architect Jozef Viérin (Kortrijk, 1889-1962) actief betrokken bij de uitbouw van diverse kustplaatsen. Realiseert verscheidene projecten in Het Zoute, o.m. optrekken van hotels en talrijke villa’s. De socio-culturele waarde wordt als volgt omschreven : - Als ‘document’ dat de sfeer en verblijfcultuur van de zomerse vakantieganger weerspiegelt uit de toeristische periode in het interbellum aan de Oostkust, wanneer de residentiële badplaats Het Zoute verder uitgebouwd wordt en nieuwe villa’s en hotels worden opgetrokken voor het steeds groeiend aantal badgasten. - Als zijnde één van de weinige getuigen van de voormalige hotelbouw uit het interbellum aan de kust, die in de laatste decennia verdwijnen o.m. door de seizoensspreiding en het fenomeen van de z.g. ‘tweede verblijvers’, waardoor de nadruk komt te liggen op appartementsbebouwing”. 2.2. Met het eerste bestreden besluit van 22 november 2002 stelt de bevoegde minister een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten vast waarop het Memlinc Hotel met omgevend terrein figureert. Hij neemt het advies van de afdeling Monumenten en Landschappen over. Dit besluit wordt aan de eerste twee verzoekende partijen betekend met een ter post aangetekende brief van 16 december 2002. X-11.295-11.838-4/20 Met een brief gedagtekend op 6 januari 2003 verzoekt de vierde verzoeker als afgevaardigd-bestuurder van de eerste twee verzoekende partijen, het college van burgemeester en schepenen een ongunstig advies te geven. Met een ter post aangetekende brief van14 januari 2003 dienen de verzoekende partijen een gemotiveerd bezwaarschrift in. Zij wijzen op de talrijke verbouwingen aan het hotel die het het oorspronkelijke typische karakter hebben ontnomen en argumenteren dat inzake de binneninrichting de beschrijving in het voormelde ministerieel besluit “puur in fictie-stijl (
  3. is)opgemaakt”, een klassering een rem vormt op de normale ontplooiing, het ministerieel besluit de mogelijkheden miskent van het bijzonder plan van aanleg, geen erfdienstbaarheden vermeldt en de motivering tal van feitelijke vergissingen bevat. 2.3. Op 7 februari 2003 brengt het college van burgemeester en schepenen van Knokke-Heist advies uit als volgt: “Met betrekking tot de klassering van het ‘Memlinc Hotel’ met omgevend terrein, gelegen Albertplein 21, 22, 23, 24, 25 en 27, gunstig advies uit te brengen, mits de mate van bescherming zich beperkt tot de voorgevel en het dak”. Op 7 maart 2003 beslist het college van burgemeester en schepenen dit advies te vervangen door het volgende advies: “Met betrekking tot de klassering van het ‘Memlinc Hotel’ met omgevend terrein, gelegen Albertplein 21, 22, 23, 24, 25 en 27, gunstig advies uit te brengen m.b.t. het dossier als dusdanig (globaal volume)”. 2.4. Op 13 februari 2003 brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen gunstig advies uit. 2.5. De dienst Ruimtelijke Ordening van de Afdeling ROHM West- Vlaanderen stelt op 14 februari 2003 “geen stedenbouwkundig bezwaar tegen dit voorstel” te hebben. 2.6. In een verslag van 7 mei 2003 van de afdeling Monumenten en Landschappen worden de bezwaren van de verzoekende partijen als volgt weerlegd: X-11.295-11.838-5/20 “1. In het inhoudelijk dossier wordt de bouwhistoriek van het ‘Hotel Memlinc’ grondig toegelicht. Behalve de in het bezwaar vermelde verbouwingswerken, worden daar ook de belangrijke uitbreidingswerken vermeld die plaats vonden in de jaren 1930, o.m. naar ontwerp van de architecten Jozef en Luc Viérin en architect Vervalcke, en die vooral het volume bepaalden van het hotel zoals het thans nog te zien is. Dus de architect zelf (J. Viérin) doet reeds enkele jaren na de bouw van het hotel aanpassingen, in casu aan zijn oorspronkelijk concept. Het is normaal dat een gebouw in de loop der tijd aangepast wordt cf. de heersende noden van de tijd, in casu van de residerende badgasten. Wat het ‘Hotel Memlinc’ betreft, zijn wij echter van oordeel dat het huidige gebouw nog voldoende architectuurhistorische waarde en authentieke kenmerken bezit, zoals geformuleerd in het gemotiveerd advies. (De cultuurhistorische waarde zoals gesteld in het bezwaar betreft meer de socio-culturele waarde van een gebouw, en hangt niet zozeer samen met de verbouwingswerken die een pand heeft ondergaan). 2. Wat de beschrijving van het interieur betreft, verschillen de historische benamingen (of de benamingen die gegeven worden in het bezwaar) van de vertrekken met deze genoemd in ons inhoudelijk dossier en zoals meegedeeld tijdens het plaatsbezoek aan het ‘Hotel Memlinc’ door onze diensten op donderdag 21 februari 2002. Om elk misverstand omtrent de aankleding te vermijden werden in het inhoudelijk dossier de vertrekken beschreven van west naar oost cf. de plattegrond. - De in ons dossier genoemde ‘bridgezaal’ (op moment van ons bezoek ook effectief als dusdanig in gebruik) is de z.g. ‘Drawing room’ (...), en cf. de vergelijking van de foto’s met de vroegere en huidige toestand is de beschreven aankleding in neoclassicistische stijl bewaard. - De door ons genoemde ‘eetzaal’ is de z.g. ‘Reading room’ (...) waarvan ook hier de oorspronkelijke aankleding is bewaard cf. foto’s. Het eclecticisme komt hier tot stand door vermenging van verschillende stijlen in de interieuraankleding, o.m. elementen in neoclassicistische stijl (o.m. pilasters) en elementen in traditionele vormgeving (o.m. glas-in-lood). Het materiaal waarin de bas-reliëfs zijn uitgevoerd (blijkbaar papier) wordt niet nader toegelicht in het inhoudelijk dossier, aangezien dit tijdens het plaatsbezoek niet te identificeren viel. - De aansluitende zitplaats en bar, voorheen de z.g. ‘Bridge room’ (...) genoemd, heeft thans nog de oorspronkelijke luxueuze vaste aankleding in neo-Vlaamse renaissancestijl cf. toelichting in het inhoudelijk dossier. Tevens wordt de monumentale houten haard (in aansluitende stijl) in het dossier vermeld. Het losstaand meubilair wordt niet beschreven in het inhoudelijk dossier. - De deuren met glas-in-loodpanelen worden enkel beschreven; nergens wordt gesteld dat deze dateren uit de periode van de bouw van het hotel. - De aankleding van het restaurant kent slechts enkele art-decogetinte elementen zoals vermeld in het inhoudelijk dossier. In het algemeen kan gesteld worden dat, bij elementen van de vaste aankleding waarvan men - op het moment van de opmaak van het inhoudelijk dossier - zeker was van de authenticiteit, dit als dusdanig vermeld werd in het inhoudelijk dossier. De andere interieurelementen werden louter beschreven, en kunnen, wanneer dit ter advies aan de dienst Monumenten en Landschappen wordt voorgelegd, bij eventuele herinrichtings- of veranderingswerken bekeken worden op hun architectuurhistorisch of artistiek belang i.f.v. eventueel behoud. 3. De bescherming van het hotel als monument betekent niet dat bepaalde projecten in de toekomst niet meer mogelijk zijn. Het is vanzelfsprekend dat een bescherming van een monument geen bevriezing inhoudt. Het aanbrengen van modern wooncomfort en/of ingrepen om te voldoen aan de brandpreventievoorschrifien worden niet tegengewerkt door een bescherming. X-11.295-11.838-6/20 De wijzigingen die men wil aanbrengen aan een gebouw dienen wel voorgelegd te worden voor advies aan de dienst Monumenten en Landschappen. De procedures voor onderhouds- en restauratiepremies worden begeleid door de dienst Monumenten en Landschappen; de financiële tegemoetkomingen liggen vast in de betreffende wet-, decreet- en regelgeving. 4. en 5. Weerlegging cf. punt 3. - Blijkbaar heeft dhr. J. Vandenbreeden van het Sint-Lucasarchief aan diverse partijen een ander waardeoordeel te kennen gegeven betreffende het al dan niet beschermen als monument van het ‘Hotel Memlinc’. Uit een nota aan architect R. Berteloot (Gent) dd. 9 januari 2003 (...), houdende een advies betreffende de Carlton Résidence te Knokke- Heist, citeren wij het volgende uit de tekst van de hand van en ondertekend door dhr. J. Vandenbreeden : ‘De Carlton Residence was en is vandaag ook niet meer representatief voor de hotelbouw in Kokke. Er waren in 1931 in Knokke 217 hotels, waarvan de interessantste al lang niet meer bestaan. Anders is het gesteld met bv. het Memling-hotel ontworpen door de bekende architect J. Viérin, dat nog een groot deel van zijn authentieke kenmerken heeft bewaard en dat strategischer is ingeplant aan het Albertplein en aan de kop van de wijk van de Prins Karellaan. Dit hotel is waardevol genoeg om beschermd te worden als monument. [...]’. (...) - Wat het praktische bezwaar aangaande de ‘grondwaarde’ betreft, kunnen wij stellen dat een waardevermindering (of -vermeerdering) van een pand door een bescherming als monument niet feitelijk kan bewezen worden. De economische waarde van een pand hangt immers af van diverse, vaak uiteenlopende zaken. - I.v.m. BPA, zie weerlegging bij bezwaarschrift 2., punt 2.1 (...). (...) 1. Situering van het Memlinc Hotel . 1.2. Wat betreft de kadastrale gegevens, wordt enkel het perceel bekend ten kadaster, Knokke-Heist, 2de Afdeling, Sectie E, perceelnr. 217 c, in casu het ‘Hotel Memlinc’ met omgevend terrein, voorgesteld ter bescherming als monument. Het afgesplitste perceel met huidig kadasternr. 217 d ten zuiden ervan wordt niet mee opgenomen in de bescherming. 1.3. I.v.m. BPA, zie weerlegging punt 2.1 (...). - Inderdaad is het ‘Hotel Memlinc’ één van de laatste resterende getuigen van de oorspronkelijke bebouwing aan het Albertplein, thans afgezoomd met weinig kwalitatieve appartementsgebouwen vnl. daterend uit het laatste kwart van de 20ste eeuw. Mede daarom is het belangrijk dat dit hotel behouden blijft, cf. als zijnde o.m. enerzijds een stedenbouwkundig belangrijk gegeven in de ontwikkeling van de badplaats Het Zoute, en anderzijds als zijnde een baken en referentiepunt, zowel qua inplanting als qua architecturale uitstraling, zoals geformuleerd in het gemotiveerd advies. 1.4., 1.5. en 1.6. Weerlegging cf. bovenvermeld bezwaarschrift 1., punten 1 tot 5 (...). 2. Situering in rechte 2.1. Een bescherming als monument is niet in tegenspraak met het BPA, doch vormt er een aanvulling en verfijning van. De bestemmingen en stedenbouwkundige voorschriften van de BPA’s blijven van toepassing in die mate dat er rekening gehouden wordt met het bindend advies van Monumenten en Landschappen. - Het beleidsmatig streven naar een coördinatie tussen ruimtelijke ordening en monumenten en landschappen en naar de integratie van het cultureel erfgoed in de ruimtelijke structuur- en uitvoeringsplannen doet uiteraard X-11.295-11.838-7/20 geen afbreuk aan de decretale bevoegdheid tot het beschermen van monumenten en stads- en dorpsgezichten. - De bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten is een bevoegdheid van het Vlaamse gewest en niet van de gemeentelijke regelgever die bevoegd is voor het opmaken en wijzigen van BPA’s. - Bijkomend kan nog worden opgemerkt dat de integratie van de beschermde monumenten en landschappen in de ruimtelijke structuur- en uitvoeringsplannen nog geen feit is. Het streven naar deze integratie is vnl. bedoeld voor het behoud van ons cultureel erfgoed en kan dus uiteraard niet uitgelegd worden tegen de bescherming van monumenten en landschappen. Een voorzichtig begin van de integratie is alvast te vinden in artikel 195bis van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de ruimtelijke ordening. Voor de beschermde monumenten geldt geen gebiedsbeperking. Het uitvoeren van zonevreemde bouwwerken of functiewijzigingen aan een beschermd monument kan in principe in elk bestemmingsgebied worden uitgevoerd. - Bij de bescherming als monument zou er aldus geen sprake kunnen zijn van strijdigheid met de planologische voorschriften. - Het is vanzelfsprekend dat een bescherming van een monument geen bevriezing inhoudt. Instandhoudings- en onderhoudswerken worden niet tegengewerkt door een bescherming, die weliswaar het behoud van het pand beoogt waardoor volledige afbraak niet meer mogelijk is. De wijzigingen die men wil aanbrengen aan een gebouw dienen voorgelegd te worden ter advies aan de dienst Monumenten en Landschappen. De procedures voor onderhouds- en restauratiepremies worden begeleid door de dienst Monumenten en Landschappen; de financiële tegemoetkomingen liggen vast in de betreffende wet-, decreet- en regelgeving. - Bovendien moet uitdrukkelijk gesteld worden dat een mogelijke bescherming als monument van een pand op generlei wijze het eigendomsrecht van de eigenaars aantast. Hierbij aansluitend kunnen wij opmerken dat slechts het perceelnr. 217 c wordt voorgesteld ter bescherming, en niet de omliggende percelen, zoals vermeld in het bezwaarschrift. 2.2. Het niet vermelden van de erfdienstbaarheden in het betrokken besluit, wijst er op dat er geen bijkomende specifieke erfdienstbaarheden worden opgelegd dan deze vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van Monumenten en Stads- en Dorpsgezichten, gewijzigd bij decreet van 22 februari 1995 en in het Besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten. 2.3. De motivering van het rangschikkingbesluit bevat enkele formuleringen die terugkeren bij andere representatieve en ter bescherming voorgestelde hotels in Knokke-Heist (Knokke) eigen aan de in wezen zelfde socio-culturele context, deelgebied en/of bouwperiode. Toch wordt bij elk afzonderlijk besluit individuele waarden aangehaald die motiveren waarom juist betreffend pand zich onderscheidt van het andere -lokaal waardevolle- bouwkundig erfgoed in de villawijk. Hier in casu de aangehaalde architectuurhistorische waarde betreffende o.m. bouwstijl, uitzonderlijk rijke interieurafwerking, stedenbouwkundig belangrijk gegeven, etc. zoals geformuleerd in het gemotiveerd advies. - Voor de weerlegging van de bezwaren omtrent de architectuurhistorische waarde, cf. bovenvermeld bezwaarschrift 1., punten 1 tot en met 5 (...). - Voor de weerlegging inzake het verslag van dhr. J. Vandenbreeden van het Sint-Lucasarchief cf. bovenvermeld bezwaarschrift 1. (...). X-11.295-11.838-8/20 - Wat het besluit van het bezwaarschrift betreft, kunnen wij alleszins meedelen dat er inzake het voorstel tot beschermen als monument van het ‘Hotel Memlinc’ niet kan gesproken worden over willekeur en strijdigheid met de regels van behoorlijk bestuur, dit o.m. gelet op : - de grondige selectie na voltooiing van de ‘Inventaris van het bouwkundig erfgoed te Knokke- Heist’ (opgemaakt door onze diensten in 2001). - de weerleggingen van dit bezwaarschrift cf. supra - objectieve criteria cf o.m. de nota van dhr. J. Vandenbreeden daterend van 9 januari 2003 m.b.t. evaluatie van het hotel. - Wat betreft het bezwaar dat de eventuele klassering als monument van het hotel de verdere economische alsook materiële ontwikkeling van het hotelwezen tegenwerkt, kunnen wij verwijzen naar de weerlegging cf. bezwaarschrift 1., punt 3”. In een bijkomend verslag van de afdeling Monumenten en Landschappen wordt als volgt geantwoord op een verslag van de Koninklijke Gilde van Vlaamse Antiquairs van 31 januari 2003 betreffende de interieuraankleding, dat buiten de termijn van het openbaar onderzoek werd neergelegd: “- Dit maakt duidelijk dat de motivering van de bescherming geenszins louter en alleen gebaseerd is op de kunsthistorische waarde van de betreffende interieuraankleding van het hotel. - Evenwel kan men deze rijkelijke aankleding niet over het hoofd zien bij de totaalwaardering van het hotel, daar zij hetzij oorspronkelijk is, met name daterend uit de periode dat het hotel werd gebouwd (in casu de late jaren ’20), hetzij dat het waardevolle toevoegingen betreft in de loop van de verdere uitbating van het hotel. Andere hotels behouden vaak geen oorspronkelijke interieuraankleding meer, waardoor het Memlinc Hotel reeds hierdoor aan exclusiviteit wint. - Bijgevolg heeft het ons inziens geen zin deze interieurelementen, inherent verbonden met en deel uitmakend van het prestigieus hotel daterend uit het tweede kwart van de 20ste eeuw - bovendien een referentiepunt voor de badplaats Knokke-Het Zoute-, afzonderlijk te gaan afwegen op de door de heer Wille gehanteerde ‘kunsthistorische’ schaal. - De door de heer Wille gehanteerde kunsthistorische beschouwingen zijn bovendien allesbehalve objectief en redelijk te noemen : hoe kan men bvb. stellen dat de schouw in de Gulden Vlieszaal ‘totaal niet uit de tijd’ is en ‘kunsthistorisch gezien van generlei waarde is’, terwijl het uiteindelijk toch een element betreft van de oorspronkelijke interieuraankleding van het hotel. Integendeel, het in afwisselende stijlen ingericht interieur op de benedenverdieping wijst op de typisch eclectische benadering van dergelijk interieur, passend bij een hotel waarvan ook het exterieur een regionalistische interpretatie is van diverse stijlen, met name cottage en Anglo-Normandische stijlkenmerken. - De - ten andere in het inhoudelijk dossier toegelicht als ‘hedendaagse’- glas-in-loodpanelen in de deuren, kunnen ook hun toegevoegde waarde hebben. - Sowieso kan in het algemeen gesteld worden dat men van enkele aangehaalde interieurelementen zeker is van de authenticiteit, cf. bijgevoegde kopie van fotoreportage. Enkele later toegevoegde interieurelementen kunnen bij eventuele herinrichtings- of veranderingswerken en wanneer dit ter advies X-11.295-11.838-9/20 aan de dienst Monumenten en Landschappen wordt voorgelegd, bekeken worden in zoverre het noodzakelijk wordt geacht deze te bewaren/vrijwaren”. De afdeling Monumenten en Landschappen stelt op 27 augustus 2003 een aangepaste versie van het verslag naar aanleiding van het openbaar onderzoek op. Het gemotiveerd advies zoals geformuleerd in de eerste motiveringsnota wordt integraal hernomen in de aangevulde versie van het verslag. 2.7. Op 3 juli 2003 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna: KCML) eenparig advies uit. Zij neemt -na beraadslaging- het gemotiveerd advies van de afdeling Monumenten en Landschappen over. 2.8. Met het tweede bestreden besluit van 15 december 2003 wordt het Memlinc Hotel met omgevend terrein als monument beschermd “omwille van het algemeen belang gevormd door de historische waarde, de historische in casu de architectuurhistorische waarde en de socio-culturele waarde”. Als motivering wordt het advies van de KCML opgenomen. 3. De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak sub I 3.1. Door het totstandkomen van het definitieve beschermingsbesluit (het bestreden besluit in de zaak sub II) heeft het in deze zaak bestreden besluit geen rechtsgevolgen meer. Zelfs indien het definitieve beschermingsbesluit zou worden vernietigd, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is, kan het voorlopig beschermingsbesluit overeenkomstig artikel 5, § 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten geen uitwerking meer hebben. De verzoekende partijen hebben bijgevolg geen actueel belang meer bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. 3.2. Het beroep tot nietigverklaring is onontvankelijk. 4. De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak sub II X-11.295-11.838-10/20 4.1.1. De verzoekende partijen leggen een niet gedagtekende verklaring voor van de derde en de vierde verzoekers, in hun hoedanigheid van “afgevaardigd- bestuurders”, waarin te lezen staat dat zij “het besluit (bekrachtigen) dat werd genomen op 8 februari 2003” waarin werd “besloten om het verzoek in te dienen tot vernietiging van de voorlopige klassering van het Ministerieel Besluit van 22 november 2002” en dat dus besloten wordt een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen het ministerieel besluit van 15 december 2003. Verder leggen zij een “aanhangsel bij de notulen van de zitting van” 8 februari 2003 van de respectieve raden van bestuur van de eerste twee verzoekende partijen neer waarin telkens vermeld wordt dat “unaniem besloten (wordt) het advocatenkantoor (...) te gelasten om een procedure in te leiden bij de Raad van State om een vernietiging te bekomen van het Ministerieel Besluit van 22 november 2002”. 4.1.2. Het komt aan de eerste en de tweede verzoekende partijen toe te bewijzen dat zij correct en tijdig in rechte zijn getreden en meer bepaald dat het rechtens daartoe bevoegde orgaan van de eerste en van de tweede verzoekende partijen tijdig heeft beslist om het rechtsgeding in te stellen. De Raad van State onderzoekt desgevallend ambtshalve of aan die voorwaarde is voldaan. 4.1.3. Het geschrift van onbepaalde datum waarin twee afgevaardigd- bestuurders een eerder besluit van 8 februari 2003 van de raad van bestuur met een ander voorwerp bekrachtigen en waarin zij daaraan hun conclusie verbinden om beroep in te stellen tegen het later genomen, thans bestreden besluit, houdt niet het bewijs in van een beslissing genomen door het bevoegde orgaan van de eerste en de tweede verzoekende partijen om tegen het bestreden besluit in rechte te treden. Het beroep ingesteld door de eerste en de tweede verzoekende partijen is om die reden onontvankelijk. 4.2.1. De verwerende partij betoogt dat de verzoekende partijen “enkel belang (hebben) bij de vordering tot annulatie van het beschermingsvoorstel van het ‘Memlinc Hotel’”. 4.2.2. Het belang van de derde en de vierde verzoekers (hierna: de verzoekers), die uitbaters zijn van het hotel, bij de vernietiging van het bestreden X-11.295-11.838-11/20 ministerieel besluit van 15 december 2003 in zoverre het Memlinc Hotel met omgevend terrein wordt beschermd als monument, kan niet worden betwist. 5. Ten gronde (zaak II) 5.1.1. Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 7 en 8, § 2 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet). De verzoekers betogen dat het bestreden besluit geen melding maakt van de algemene en eventueel specifieke voorschriften inzake instandhouding en onderhoud, noch van de bijzondere beperkingen die met het oog op de vrijwaring van de wezenlijke kenmerken van het beschermde monument aan het eigendomsrecht worden gesteld. 5.1.2. Artikel 2 van het bestreden besluit bepaalt dat met het oog op de bescherming de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het onderhoudsbesluit), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 maart 1994, van toepassing zijn. Het onderhoudsbesluit bevat geen erfdienstbaarheden maar een geheel van onderhouds- en instandhoudingsverplichtingen. Die voorschriften in het onderhoudsbesluit zijn principieel van rechtswege van toepassing op de voorlopig en definitief beschermde monumenten. Artikel 1 van dit besluit, met als rechtsgrond artikel 5, §§ 3 en 4, en artikel 11, § 1 van het monumentendecreet, bepaalt immers dat dit besluit van toepassing is op onder meer de monumenten en de stads- en dorpsgezichten die met toepassing van het monumentendecreet definitief beschermd zijn, en dat de voorschriften van dit onderhoudsbesluit slechts van toepassing zijn voor zover zij niet afwijken van de specifieke voorschriften bepaald in het definitieve beschermingsbesluit. Dit besluit legt aldus verplichtingen op die gelden voor alle beschermde monumenten, zelfs indien deze niet uitdrukkelijk in het beschermingsbesluit zelf zijn vermeld. In het bestreden besluit werden geen specifieke voorschriften opgenomen. Bijgevolg vinden de door de verzoekers bedoelde eigendomsbeperkingen hun grondslag in het onderhoudsbesluit dat door de Vlaamse regering werd genomen in uitvoering van het monumentendecreet en dat in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt. Het middel is ongegrond. X-11.295-11.838-12/20 5.2.1. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 5, § 1 van het monumentendecreet. De verzoekers betogen dat het bestreden besluit nietig is “omdat het voorstel tot rangschikking de erfdienstbaarheden met het oog op de bescherming van het betrokken goed niet vermeld(t)”. 5.2.2. Om de redenen uiteengezet in het eerste middel is het tweede middel ongegrond. 5.3.1. Het derde middel is genomen uit de schending van het BPA K 09 Wijk Prins Karellaan (hierna: het BPA) en van de artikelen 2, § 1 en 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996. De verzoekers betogen dat het kwestieuze terrein gelegen is in de zone 10.2 van het BPA waar bij verbouwings- en vervangingswerken het architecturaal concept van de bestaande constructie moet worden gehandhaafd, evenwel met de mogelijkheid tot het inbrengen van goedschalige wijzigingsaspecten, dat “door de klassering (...) als monument (...) enkel instandhoudings- en onderhoudswerken uitgevoerd (kunnen) worden en dan nog mits naleving van zeer strikte en door de overheid opgelegde voorwaarden en voorschriften die eigendomsbeperkingen uitmaken en die het klasseringsbesluit niet vermelden”, dat het bestreden besluit “gehele of volledige afbraak en/of verbouwings- en vervangingswerken (verbiedt) alsook de mogelijkheid tot het inbrengen van goedschalige wijzigingsaspecten” en “dus uitdrukkelijk de toepasselijke voorschriften van het bijzonder plan van aanleg (miskent)”. 5.3.2. Om wettig te zijn moet een beschermingsbesluit, zoals iedere individuele overheidsbeslissing, kunnen worden ingepast in de bestaande wetten en in de bestaande, regelmatig vastgestelde hogere rechtsnormen, zijnde niet alleen de normen die de tot beschermen bevoegde overheid zelf heeft vastgesteld, doch ook de verordenende bepalingen die andere administratieve overheden tot stand hebben gebracht, zoals met name de voorschriften van definitief vastgestelde plannen van aanleg. Uit wat voorafgaat volgt niet dat de bescherming van een monument ipso facto in strijd is met de bestemming woongebied die werd aangevuld met het BPA en dat in een gebied dat volgens het gewestplan bestemd is voor X-11.295-11.838-13/20 bewoning aangevuld met de voorschriften van het BPA geen bescherming als monument of als dorps- of stadsgezicht mogelijk is. De verzoekers houden niet voor dat het bestreden besluit strijdig zou zijn met de gewestplanbestemming woongebied. Van een onwettigheid van het beschermingsbesluit wegens schending van het BPA kan slechts sprake zijn wanneer bepaalde voorschriften van het beschermingsbesluit de verwezenlijking ervan verhinderen. Op zich is het niet onwettig dat met toepassing van het monumentendecreet bijkomende bepalingen en verplichtingen worden opgelegd. 5.3.3. Het kwestieuze terrein is volgens het gewestplan Brugge-Oostkust gelegen in woongebied, waarvoor de aanvullende voorschriften van zone 10.2 volgens het BPA gelden. De zone 10.2 is bestemd voor “alleenstaande of gekoppelde eengezinswoningen, dubbele woonsten, hotels, meergezinswoningen en kleine handelsbedrijven” waar “verbouwings- en/of uitbreidingswerken aan deze gebouwen zijn (...) toegelaten binnen de perken opgelegd door het BPA” en “bij eventuele verbouwings-, of gedeeltelijke of volledige vervangingswerken het architecturaal concept van de bestaande constructie (moet) gehandhaafd (worden), evenwel met mogelijkheid tot het inbrengen van goedschalige wijzigingsaspecten”. 5.3.4. Het feit dat het kwestieuze terrein van de verzoekers sedert de goedkeuring van het BPA is gelegen in de BPA zone 10.2 heeft dus niet tot gevolg dat dit terrein bestemd is voor de door de verzoekers gewenste functie en dat zij hoe dan ook de door hen beoogde verbouwings- en/of vervangingswerken kunnen uitvoeren. Te dezen omvat het bestreden beschermingsbesluit geen specifieke beperkingen of verbodsbepalingen. In artikel 2 worden zonder meer de beschikkingen van het voormelde onderhoudsbesluit van toepassing verklaard. De verzoekers tonen niet aan dat deze beschikkingen de verwezenlijking van het BPA zouden verhinderen. Het middel is niet gegrond. 5.4.1. Het vierde middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : de motiveringswet). De verzoekers betogen dat het bestreden besluit “vaag en algemeen is, incoherent, gebrek aan ernst en manifeste appreciatiefouten in zich houdt”, dat “de redengeving van de ‘historische waarde’ (...) uit weinig ernstige X-11.295-11.838-14/20 inhoudloze stijlformules (bestaat) die ook worden gebruikt in hetzelfde klasseringsbesluit voor andere ‘als monument geklasseerde’ gebouwen”, dat “het inhoudloze karakter van voormelde stijlformules om de historische waarde van het Memlinc Hotel te kunnen motiveren (...) ook duidelijk (blijkt) uit het gegeven dat een ander zeer naburig hotel, hetzij de CARLTON RESIDENCE (...) eerder werd opgenomen op het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten bij ministerieel besluit van 12 december 2001”, en dat “de redenen opgegeven door het bestuur van historische-architectuurhistorische en socio-culturele aard om de klassering van het MEMLINC HOTEL in het algemeen belang te verantwoorden (...) weinig ernstig (zijn) nu zodanig algemeen belang niet wordt weerhouden voor een zeer naburig hotel, hetzij de CARLTON RESIDENCE, dat NIET als monument wordt geklasseerd MAAR aan wie dezelfde redenen van historisch, architectuurhistorische en socio-culturele waarde werd toegekend door dezelfde administratie binnen het kader van een M.B. dd. 12/12/2001 van vaststelling van de CARLTON Résidence op de ontwerplijst van voor bescherming vatbare monumenten”. De verzoekers betogen verder dat het bestreden besluit wat betreft de architectuurhistorische waarde onjuistheden bevat en “geen rekening houdt met de bestaande feitelijke toestand ter plaatse en zich eerder richt op een aangekondigde toestand”: “- de cottage stijl met een romantische inslag geïnspireerd op de engelse traditionele of landelijke woning met het voorgehouden typerend materiaalgebruik van bakstenen onderbouw en bepleisterende bovenbouw, het levendig dakenspel, de risalietvormende topgevels, de gesuperposeerde erkers en de balkons zijn doorheen de jaren onderhevig geweest aan verbouwings- en wijzigingswerken. De bijgevoegde fotoreportages laten deze evolutie duidelijk merken zodat de in het aangevochten besluit voorgeschreven stijl niet meer beantwoordt aan de actuele verschijning van het gebouw en er fictieve basisbegrippen aanwezig zijn in het aangevochten besluit. - voor wat (het) in het aangevochten besluit beschreven interieur betreft, dient men vast te stellen dat men in werkelijkheid niet te maken heeft met historisch materiaal maar wel met recente elementen : het restaurant in zogezegde art deco-stijl werd in 1992 grondig omgevormd en verbouwd zodat de toestand omschreven in het besluit ingevolge reeds vorige verbouwingswerken niet meer voorhanden is (...). - hetzelfde geldt voor de bridgezaal die sinds de bouw van het hotel al meerdere malen werd vernieuwd en niets of weinig van een neo classicisme bezit. De twee salons hebben kopijen van neo Vlaamse renaissance meubels en lambrisering. De lambrisering is een brandvertragende plaat met ‘contre-plaqué’. De kroonluchters zijn venitiaans en hebben dus niets te maken met art deco-stijl. De deuren met glas in loodramen werden in de jaren 1970 aangekocht bij een kunstsmid, de heer Jean VANDENABEELE en deze elementen kunnen heden ook nog gemaakt en aangekocht worden. X-11.295-11.838-15/20 - de eclectische stijl waarvan sprake in het aangevochten besluit is niet aanwezig: de zalen zijn van verschillende stijlen en vormen geen samenhangend geheel. Ook de vroegere ‘Golden Ballroom’(...) is heden volledig verbouwd en de oorspronkelijke elementen zijn weg (...). Idem met zaal drie, de vroegere ‘Drawing room’, die volledig is hervormd op de schouw en de kroonluchter na. Idem voor zaal 4 alwaar de oorspronkelijke schouw is verdwenen. Voor wat betreft zaal 5, is er geen spoor van de bas-reliëfs, de speciale plafonds en de glas-in-loodramen. De aldus beschreven elementen van interieur in de aangevochten beslissing hebben geen historische waarde zodat dan ook de motivering van dit besluit berust op fictieve elementen. De aangevochten beslissing houdt dus vergissingen in de omschrijving en de beschrijving van het geklasseerde geheel alsook van de interieurelementen (
  4. in)zodat het rangschikkingsmotief wordt aangetast en dus meteen ook het besluit zelf. Het aangevochten besluit geeft verder een fictieve voorstelling van de buiten- en de binnenkant van het betrokken goed zoals blijkt uit de neergelegde fotoreportage bestaande uit 13 foto’s aangaande de veranderingen en ontwikkelingen aan en in het betrokken goed vanaf het ontstaan ervan tot op heden. Bijkomend blijkt ook nog uit een neergelegde verklaring van de heer COOLS van de Bouwondernemingen COOLS dat de schouw in de Gulden Vlieszaal niet authentiek is. Tot slot, blijkt ook nog uit de 5 neergelegde bouwvergunningen tussen 21/11/55 tot 11/10/68 dat er tal van verbouwingen en uitbreidingen hebben plaatsgevonden in de kamers van het hotel waarmee het aangevochten besluit geen rekening houdt”. De verzoekers laten tot slot nog gelden wat volgt: “Volledigheidshalve moet nog worden vastgesteld dat de minister niet kan voorhouden dat de eigendom van verzoekers als monument moet worden geklasseerd terwijl in de motivering duidelijk wordt aangegeven ter ondersteuning van deze klassering dat Knokke - Het Zoute zich verder ontwikkelt als residentiële badplaats van allure en men het hotelwezen moet koesteren om het fenomeen van de zogenaamde tweede verblijvers, die gebruik maken van appartementen, tegen te gaan (zie redenen onder de socio-culturele waarde). Welnu, door het klasseren als monument van ondermeer het hotel gaat men de verdere economische alsook materiële ontwikkeling van het hotelwezen en meer bepaald van de eigendom van verzoekers tegen. Hieruit blijkt nogmaals de onjuiste, fictieve en bovendien tegenstrijdige motivering van het bestreden besluit”. 5.4.2. In artikel 1 van het bestreden beschermingsbesluit wordt uitdrukkelijk gemotiveerd waarom de bescherming van het Memlinc Hotel met omgevend terrein als monument door de overheid van algemeen belang wordt geacht. Zoals hierboven werd weergegeven, wordt de historische, architectuurhistorische en socioculturele waarde van het Memlinc Hotel X-11.295-11.838-16/20 uitdrukkelijk omschreven in het beschermingsbesluit. De juridische en feitelijke overwegingen die aan het beschermingsbesluit ten grondslag liggen, worden uitdrukkelijk vermeld in het besluit en de verzoekers konden met kennis van zaken uitmaken of zij al dan niet beroep gingen instellen tegen het beschermingsbesluit. De formele motiveringsverplichting die volgt uit de motiveringswet werd niet geschonden. 5.4.3. Krachtens de materiële motiveringsplicht, moet elke administratieve beslissing berusten op rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag. De motieven moeten in beginsel steunen op feiten die met de werkelijkheid overeenstemmen. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel als monument beschermingswaard is. De Raad van State vermag wel na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Hij kan dus nagaan of de feiten die de overheid als uitgangspunt heeft genomen, vaststaan in het licht van de bewijselementen die beschikbaar waren. Te dezen vinden de hiervoor aangehaalde motieven voor de historische, architectuurhistorische en socioculturele waarde van het Memlinc Hotel steun in de motiveringsnota van het bestuur Monumenten en Landschappen, die zelf gebaseerd is op een aantal historische en andere publicaties, en in de hiervoor aangehaalde gemotiveerde weerlegging door hetzelfde bestuur van de bezwaren die de verzoekers hebben ingediend in het kader van de beschermingsprocedure. Deze historische, architectuurhistorische en socioculturele gegevens zijn concreet en de verzoekers, die zich beperken tot een louter hernemen van hun tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren die door het bestuur werden weerlegd, tonen niet aan dat ze onjuist zouden zijn. Het feit dat dezelfde historische waarde als die van het Memlinc Hotel, kan worden toegekend aan andere, niet beschermde hotels, doet aan die vaststelling niets af. Het vierde middel is niet gegrond. 5.5.1. Het vijfde middel is genomen uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekers betogen dat het Hotel Carlton Residence te Knokke dezelfde historische, architectuurhistorische en socioculturele waarde vertoont als het Memlinc Hotel, dat het op die grond werd opgenomen in een ontwerp van lijst X-11.295-11.838-17/20 van voor bescherming vatbare monumenten bij ministerieel besluit van 12 december 2001, doch in tegenstelling tot het Memlinc Hotel niet definitief als monument werd beschermd waardoor “oneerlijke concurrentie in de hand (wordt) gewerkt ten voordele van het HOTEL CARLTON RESIDENCE die wel mag verbouwen, moderniseren, afbreken en opbouwen om zich aan te passen aan de noden van de moderne kusttoerist”. 5.5.2. Het gelijkheidsbeginsel kan slechts geschonden zijn indien in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk werden behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. Het behoort aan de verzoekers die aanvoeren dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, dit in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan te tonen. 5.5.3. In het hiervoor aangehaalde schrijven van 6 januari 2003 deelt de vierde verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen mee dat hij “een onderhoud (heeft) gehad met professor Jos Vandenbreden van het Sint-Lucasarchief van Gent die onze mening onderschrijft en dit ons eerstdaags schriftelijk zal bevestigen”. Het bestuur beantwoordt deze opmerking als volgt in het verslag van 7 mei 2003: “Blijkbaar heeft dhr. J. Vandenbreeden van het Sint-Lucasarchief aan diverse partijen een ander waardeoordeel te kennen gegeven betreffende het al dan niet beschermen als monument van het ‘Hotel Memlinc’. Uit een nota aan architect R. Berteloot (Gent) dd. 9 januari 2003 (...), houdende een advies betreffende de Carlton Résidence te Knokke-Heist, citeren wij het volgende uit de tekst van de hand van en ondertekend door dhr. J. Vandenbreeden : ‘De Carlton Residence was en is vandaag ook niet meer representatief voor de hotelbouw in Kokke. Er waren in 1931 in Knokke 217 hotels, waarvan de interessantste al lang niet meer bestaan. Anders is het gesteld met bv. het Memling-hotel ontworpen door de bekende architect J. Viérin, dat nog een groot deel van zijn authentieke kenmerken heeft bewaard en dat strategischer is ingeplant aan het Albertplein en aan de kop van de wijk van de Prins Karellaan. Dit hotel is waardevol genoeg om beschermd te worden als monument. (...)”. Uit de gegevens van het dossier blijkt niet dat de verzoekers de aangekondigde bevestiging van hun zienswijze door de genoemde professor hebben bijgebracht. 5.5.4. Uit het voorgaande blijkt dat de verzoekers niet aannemelijk maken dat zij in gelijke omstandigheden op een verschillende wijze werden behandeld dan derden. X-11.295-11.838-18/20 Het vijfde middel is bijgevolg ongegrond. X-11.295-11.838-19/20 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De zaken A. 132.935/X-11.295 en A. 150.226/X-11.838 worden gevoegd. Artikel 2. De beroepen in de zaken A. 132.935/X-11.295 en A. 150.226/X- 11.838 worden verworpen. Artikel 3. De kosten van de beroepen, bepaald op 1400 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een vierde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.295-11.838-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.169 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.